-A +A

vermogensconflicten bij de beëindiging van het concubinaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Discussies over goederen of geld bij de beëindiging van wettelijke of feitelijke samenwoonst

Rechtsleer: Kathelyne Verstraete, beëindiging buitenhuwelijkse samenwoning Kroniek 2005-2007 NJW 186, 566

Wettelijk samenwonenden:

Voor de vermogensconflicten tussen de wettelijke samenwonenden kan verwezen worden naar artikel 1478 burgerlijk wetboek. Zij hebben een stelsel van scheiding van goederen net zoals gehuwden die een huwelijkscontract hebben van scheiding van goederen. Elk van de samenwonenden bedraagt de bewijslast van zijn eigendom. Inkomsten uit arbeid zijn eigen van de respectievelijke partners. En net zoals bij gehuwden, gehuwd onder het stelsel werd scheiding ben goederen, worden de goederen in gemeenschappelijk geachte waarvan de eigendom door geen van beiden kan worden bewezen.

Het staat de partijen vrij van deze regeling af te wijken in het samenlevingscontract. Dit samenlevingscontract dient voor de werkelijk samenlevenden in verplichte notariële vorm te worden opgesteld.Wanneer na de samenleving een van de partijen bepaalde bedragen zou gaan terugvorderen (bijvoorbeeld verbouwingskosten), zal deze vordering meestal falen omdat de rechter zal wijzen op het solidariteitsgevoel dat verondersteld wordt inherent zijn aan elke samenleving waarbij ook feitelijke samenwonenden elk naar bestvermogen en in verhouding tot hun mogelijkheden bijdragen tot de dagdagelijkse kosten. Welnu een en ander is een natuurlijke verbintenis die vrijwillig werd uitgevoerd en waarop later niet meer kan worden teruggekomen, zelfs niet wanneer er een duidelijk onevenwicht zou worden aangetoond. Hiervan zou slechts kunnen worden afgeweken wanneer de bijdrage in de lasten kennelijk de mogelijkheden van de bijdragen de partner heeft overschreden (Gent (11deb kamer) 10 mei 2007, 206/AR/2216, onuitgegeven, enkel gestipuleerd in het NJW 186/573.

Feitelijk samenwonenden

Bij de feitelijke samenleving ontstaat er geen vermoeden van onverdeeldheid of een gemeenschap ingevolge de samenleving, zelfs niet wanneer de samenleving gepaard gaat met de materiële vermenging van de vermogens (Luik, 18/01/2005, Rev. Trm. 2007, 562 met noot).

De verschillende vermogens bij de feitelijk samenwonenden blijven strikt gescheiden en er is geen vermoeden van onverdeeldheid. Dit belet niet dat feitelijk samenwonenden gezamenlijk goederen kunnen aankopen, het geen zeer vaak zal gebeuren vooral dan voor onroerende goederen, terwijl niets belet dat zij ook aankoop van meubilair plegen op gemeenschappelijke naam, lees op een gemeenschappelijke factuur. In dit geval zal al deze een gemeenschappelijke aankopen de regels van de mede eigendom worden toegepast, 577-2 BW.

De feitelijk samenwonenden kunnen in een concubinaatsovereenkomst onverdeeldheden stipuleren en hun wederzijdse rechten verder uitwerken. Dit kan zowel notarieel als onderhands, al dan niet met de hulp van een advocaat.

Gemeenschappelijke regels voor wettelijk en feitelijk samenwonenden

Om nu uit te maken welke goederen van wie zijn, dienen de gemeenrechtelijk regels te worden weerhouden. Het bewijs van eigendom kan met alle middelen van recht geleverd worden. Het feit dat een factuur op naam van een persoon staat, primeert op het bewijs van betaling. Een wagen aangekocht met de geldende van meneer, waarbij de factuur spreekt dat mevrouw, evenals de verzekering en de overige documenten zal in de regel toebedeeld worden aan mevrouw. Toch wordt van deze regel zal worden afgewezen en wordt er ook rekening gehouden met de financiering. De rechtbank gaat als het ware over tot een afweging van de verschillende eigendoms aanwijzende factoren.

Meestal wordt het bewijs van roerende eigendom geleverd aan de hand van 2279 burgerlijk wetboek. Dit is evenwel principieel zinloos bij de feitelijke samenwoning gezien bij feitelijke samenwoning een dergelijk bezit dat een gezamenlijk wordt uitgeoefend ondeugdelijk want dubbelzinnig is.

Voor bankrekeningen is de oplossing vrij eenvoudig. De gelden en de waarde en behoren toe aan de persoon op wiens naam ze staan. Er bestaat in geen vermoeden van onverdeeldheid. Volmachten houden enkele mandaten in maar maak je geen bewijs van mede eigendom uit ( zie hof van beroep in Gent 6 januari 2005 NJW 2006, 75 met noot). Wanneer de gelden of roerende waarden geplaatst werden op een gemeenschappelijke naam met twee handtekeningen behoren de gelden en roerende waarden toe aan de onverdeeldheid.

Ook de financiering van de rekening is principieel zonder belang. Ook al komt het geld voornamelijk van een partij, om uit te maken van wie de rekening is dient enkel gekeken te worden naar de titularis van de rekening. Dit neemt niet weg dat bij de verdeling van goederen en gelden na beëindiging van een werkelijk over een feitelijk concubinaat er vaker geen precieze houvast is en dat een al te strikte toepassing van een aantal regeltjes tot onbillijke resultaten zou kunnen leiden. Daarom is het bij een wandeling door de rechtspraak moeilijk om tot algemene regels te komen omdat sommige rechtspraak de principes gaat relativeren en een afweging ingaat op maken op basis van een hele reeks aanwijzingen. Is die onder meer overzicht van rechtspraak (2000-2007), de feitelijke samenwoning, in tijdschrift voor familierecht, 2008, 21, 43.

Bij discussies en openen ze de verdeling van roerende goederen en gelden wordt er vaker met een zeer creatieve benadering tewerkgegaan. Een hele reeks van rechtsfiguren passeren dan de revue in de hoop er toch maar één te vinden om hierin het eigen gelijk te vinden.

In de regel dient men er vanuit gegaan dat de samenleving zelf niets veranderd aan de onderlinge gemeenrechtelijk en rechtsverhoudingen zodat de figuren die hierna besproken worden op dezelfde manier dienen toegepast te worden tussen ex samenwonenden als ten aanzien van wie dan ook.

1. Vermogensverschuiving zonder oorzaak. Deze redenering faalt meestal aangezien de samenleving zelf de oorzaak uitmaakt, zo niet de natuurlijke verbintenis die uit de samenleving is ontstaan.
2. Personen die samen geleefd hebben en hebben vaak een geld en van de rekening van de ene doorgestort naar de andere. Op het einde van de samenleving tracht men dan deze doorgestorte gelden terug te recupereren. En hij die wil recupereren roept het bestaan van een lening in, terwijl de andere het bestaan van de schenking inroept.

Hij die beweert dat er een lening werd toegestaan dient het bewijs van het bestaan van deze lening te leveren. Dit betekent het bewijs van de afgifte van de geldsommen en het bewijs dat de ontvanger van deze geldsommen er zich toe verbonden heeft tot terugbetaling met de intentie van de uitlener het geld ook terugbetaald te krijgen. En dit betekent dat voor alle geldsommen boven de 375 € per een geschrifte zal nodig zijn ter bewijs van de lening,geschrift dat dient te voldoen aan de bepalingen van artikel 1326 burgerlijk wetboek. zal evenwel niet noodzakelijk zijn wanneer het begin van bewijs aanwezig is waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt (1347 burgerlijk wetboek).

Als ultiem redmiddel wordt vaak ingeroepen dat een schriftelijk bewijs niet kon geleverd worden wegens de morele onmogelijkheid, waarbij de morele onmogelijkheid dat bestaat uit de samenwoonst zelf. Eigenlijk is deze redenering moeilijk ernstig te noemen gezien werkelijk samenwonenden concubinaatsovereenkomst te kunnen afsluiten, ook gehuwden huwelijkscontracten kunnen afsluiten, er heel wat rechtshandelingen zijn tussen gehuwden en samenwonenden waarin afspraken op papier worden gezet. Elke bankverrichting momenteel impliceert namelijk een onderschrijving van een document.

Maar ook de persoon die beweert een schenking te hebben gekregen draagt hiervan de bewijslast. En hier speelt derhalve de strategie van de procespartijen. Er kan namelijk meer dan één conclusie getrokken worden uit het feit dat het bewijs van de schenking niet kan geleverd worden, zelfs zonder het bewijs van een lening te bewijzen...

En dan zijn er de verhalen (maar ook werkelijkheden en miseries) van naarstige mannen of vrouwen die gelden of werken hebben geïnvesteerd in het onroerend goed van de andere.

- het feit een hypothecaire of andere lening mee ondertekend te hebben maakten van deze medelener nog geen eigenaar.
- hij die zijn werken of materialen ziet verloren gaan ingevolge natrekking (art. 553 BW) kan een recht op vergoeding laten gelden onder bepaalde voorwaarden zoals voorzien in artikel 555 burgerlijk wetboek.
van onverdeeldheid. Maar artikel 555 kan niet worden toegepast op die werken die op onvoldoende wijze kunnen worden geïndividualiseerd en die dus niet meer kunnen worden weggenomen. Er zou slechts een theoretisch recht op vergoeding bestaan voor de wegneembare werken.

De toepassing van artikel 555 en van het burgerlijk wetboek werd evenwel al geweigerd, gezien dit artikel ervan uitgaat dat een eigenaar die niet in het bezit is van het onroerend goed geconfronteerd wordt met werken die uitgevoerd worden door een derde bezitter. Bij de samenwoonst heeft de eigenaar steeds het bezit gehad van het onroerend goed zodat er volgens deze rechtspraak de theorie van de na trekking en niet van toepassing zou zijn; zie rb in Gent 28 juni 2005 tijdschrift voor notarissen 2005, 464.

Wanneer nu na de samenleving een van de partijen bepaalde bedragen zou gaan terugvorderen (bijvoorbeeld verbouwingskosten), zal deze vordering meestal falen omdat de rechter zal wijzen op het solidariteitsgevoel dat verondersteld wordt inherent zijn aan elke samenleving waarbij ook feitelijke samenwonenden elk naar bestvermogen en in verhouding tot hun mogelijkheden bijdragen tot de dagdagelijkse kosten. Welnu een en ander is een natuurlijke verbintenis die vrijwillig werd uitgevoerd en waarop later niet meer kan worden teruggekomen, zelfs niet wanneer er een duidelijk onevenwicht zou worden aangetoond. Hiervan zou slechts kunnen worden afgeweken wanneer de bijdrage in de lasten kennelijk de mogelijkheden van de bijdragen de partner heeft overschreden (Gent (11deb kamer) 10 mei 2007, 206/AR/2216, onuitgegeven, enkel gestipuleerd in het NJW 186/573.

Toch zou de persoon die werken heeft uitgevoerd aan de eigendom van een persoon met wie hij samenwoonde een beroep kunnen doen op een vergoeding op basis van de kostenleer.

De kostenleer maakt een onderscheid tussen noodzakelijke uitgaven, nuttige uitgaven en verfraaiingswerken. , nuttige uitgaven ten belope van de meerwaarde en verfraaiingswerken indien een niet vergoed te worden ( voor de toepassing van deze leer, zie rb Oudenaarde 19 september 2005, RABG, 2006,774. Deze kostenleer stuit op veel kritiek, niet in het minst omdat zij op geen enkele rechtsfiguur is gesteund, ten ware en de billijkheid als rechtsgrond aanvaard om de beëindiging van een concubinaat in goede billijke banen te leiden.

Kan een schenking tussen samenwonenden worden herroepen op het einde van de samenleving wegens het wegvallen van de determinerende oorzaak?

Deze vraag werd reeds beantwoord in verschillende richtingen. Men kan terecht opmerken dat een belangrijke schenking gedaan kan zijn in de veronderstelling van het behoud van de relatie. Maar anderzijds kan men terecht de vraag stellen of een schenking als tegenprestatie de levenslange genegenheid en van de begiftigde vereist. Deze begiftigde mocht terecht veronderstellen dat deze schenking en werd toebedeeld in zijn eigen vermogen waarmee hij dus verrijkt werd en hij mocht er aldus vertrouwen in hebben dat hij niet opnieuw verarmd zou worden wanneer de relatie tussen partijen zou verwateren als de helaasheid der dingen.
 

Nog dit: 

Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 13:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.