-A +A

Verlenging van termijnen die beginnen te lopen en verstrijken tijdens de gerechtelijke vakantie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer een termijn van hoger beroep of verzet voorzien in de artikelen 1048, 1051 en 1253quater, c) en d) binnen de gerechtelijke vakantie begon te lopen en ook verstrijkt, hij verlengd wordt tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar.

UIttreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 50. De termijnen, op straffe van verval gesteld, mogen niet worden verkort of verlengd, zelfs met instemming van partijen, tenzij dat verval gedekt is onder de omstandigheden bij de wet bepaald.

Indien de termijn van hoger beroep of verzet voorzien in de artikelen 1048 en 1051 en 1253quater, c) en d)) binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, wordt hij verlengd tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar.

Rechtspraak:

• Hof van Beroep Brussel 3 maart 2015, RW 2015-2016, 597

Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid t/ Vennootschap naar Duits recht GmbH & Co KG A.E.

...

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

A.E. werpt op dat het hoger beroep laattijdig is. Zij voert aan dat de gewone beroepstermijn van een maand (art. 1051, eerste lid Ger.W.) liep tot 16 augustus 2014 (art. 52, eerste lid en art. 54 Ger.W.) en werd verlengd met vijftien dagen met toepassing van art. 55, 1° Ger.W., omdat zij geen woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats heeft in België. De beroepstermijn liep volgens haar tot en met (zondag) 31 augustus 2014, verlengd tot maandag 1 september 2014 (art. 53, tweede lid Ger.W.), zodat het hoger beroep van 3 september 2014 laattijdig is.

Deze stelling kan niet gevolgd worden. Art. 55, 1o Ger.W. verlengt de termijn met vijftien dagen “wanneer de wet bepaalt dat ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, de termijnen die haar verleend werden dienen verlengd te worden”. Art. 1051, derde lid Ger.W. bepaalt dat art. 55 wordt toegepast voor de termijn van hoger beroep wanneer een van de partijen aan wie of op wier verzoek het vonnis is betekend, in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft.

In dit geval is, gelet op art. 1051, derde lid Ger.W., inderdaad art. 55 Ger.W. van toepassing, maar dat leidt niet tot de door A.E. bedoelde verlenging van de beroepstermijn voor het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid. Uit de bewoordingen van art. 55 Ger.W. volgt duidelijk dat die verlenging alleen geldt voor de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft.

Dat is ook in overeenstemming met de logica van de bepaling, die strekt tot bescherming van het recht van verdediging van de partij die vanuit het buitenland een procedure voert en mogelijk minder snel hoger beroep kan instellen dan de partij in België (Cass. 30 maart 2007, Arr.Cass. 2007, 724). Ook de opbouw van art. 55 Ger.W. bevestigt dit: de termijn wordt langer naarmate de partij verblijft in een aangrenzend land, een niet-aangrenzend land van Europa of in een ander werelddeel. Een verlenging van de termijn voor de partij die wel een woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats heeft in België, zou daarentegen geen enkele zin hebben; die partij lijdt voor het instellen van hoger beroep geen enkel nadeel door het feit dat haar tegenpartij in het buitenland is. Dat de beroepsakte de buitenlandse geïntimeerde met enige vertraging kan bereiken, is zonder belang, omdat zij steeds incidenteel hoger beroep kan instellen. Er is geen reden om de duur van de beroepstermijn voor de in België gevestigde partij te laten afhangen van het adres van de tegenpartij. Om dezelfde reden is er in deze toepassing van art. 55 Ger.W. geen schending van het gelijkheidsbeginsel.

De gewone beroepstermijn van een maand (art. 1051, eerste lid Ger.W.) liep dus tot 16 augustus 2014 (art. 52, eerste lid en art. 54 Ger.W.). Omdat deze termijn begon te lopen en verstreek binnen de gerechtelijke vakantie, werd hij verlengd tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar (art. 50, tweede lid Ger.W.).

Het hoger beroep dat op 3 september 2014 werd ingesteld, was dus tijdig.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

• Hof van Cassatie 1e Kamer – 3 juni 2005 R.W. 2007-2008,609 vgl Wagner, Dwangsom APR, 2002, 28

De termijn die de dwangsomrechter aan de executieplichtige verleent om de hoofdveroordeling uit te voeren is geen procesrechtelijke termijn, zodat art. 53, tweede lid, Ger. W. hierop niet van toepassing is. De dwangsomrechter dient zelf te bepalen of de termijn al dan niet moet worden verlengd indien hij vervalt op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 juli 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.

II. Rechtspleging voor het Hof

Het Hof heeft op 11 december 2003 een prejudiciële vraag gesteld aan het Benelux-Gerechtshof. Het Benelux-Gerechtshof heeft die vraag op 16 december 2004 beantwoord.

...

IV. Beslissing van het Hof

1. Eerste onderdeel

Overwegende dat luidens art. 1385bis, derde lid, Ger. W. de dwangsom niet kan worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld;

Dat krachtens het vierde lid van dit artikel de dwangsomrechter kan bepalen dat de veroordeelde de dwangsom pas na verloop van een zekere tijd zal kunnen verbeuren;

Dat deze termijn eerst begint te lopen op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald;

Overwegende dat luidens art. 47, 2o, Ger. W. geen betekening mag worden gedaan op zaterdag, zondag of een wettelijke feestdag, behalve in spoedeisende gevallen en met verlof van de bevoegde rechter; dat krachtens art. 48 Ger. W. de termijnen voor het verrichten van de proceshandelingen zijn onderworpen aan de navolgende bepalingen van het hoofdstuk «betekening en kennisgeving», tenzij de wet anders bepaalt; dat luidens art. 49 Ger. W. de wet de termijnen bepaalt en de rechter ze enkel mag vaststellen indien de wet hem dit veroorlooft;

Dat luidens art. 53, eerste lid, Ger. W. de vervaldag in de termijn is inbegrepen; dat het tweede lid van dit artikel bepaalt dat wanneer de vervaldag valt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, hij verplaatst wordt naar de eerstvolgende werkdag;

Overwegende dat art. 1385bis, vierde lid, Ger. W. overeenstemt met art. 1, vierde lid, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom;

Overwegende dat het Benelux-Gerechtshof in het dictum van zijn arrest van 16 december 2004 gezegd heeft voor recht: «De in art. 1, vierde lid, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom bedoelde termijn is naar zijn aard geen termijn die moet worden beschouwd als een procesrechtelijke termijn die beheerst wordt door het nationaal recht van elk der lidstaten. Die termijn wordt niet zonder meer verlengd tot de eerstvolgende werkdag wanneer hij vervalt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag»;

Overwegende dat het Benelux-Gerechtshof in zijn arrest heeft gezegd dat de niet-naleving van de hoofdveroordeling door de schuldenaar van de dwangsom een feitelijke situatie is en niet gelijk te stellen met een formele procesrechtelijke handeling waarmee onder andere een geding wordt ingeleid of voortgezet of waardoor een rechterlijke beslissing wordt uitgevoerd;

Dat het verder heeft gezegd dat de dwangsomrechter die een als in art. 1, vierde lid, Eenvormige Wet bedoelde respijttermijn toestaat, kan preciseren of die respijttermijn al dan niet enkel werkdagen omvat, waarbij hij er ook rekening mee kan houden of de hoofdveroordeling kan worden nagekomen op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag; dat de dwangsomrechter nauwkeurig moet bepalen of de opgelegde respijttermijn al dan niet moet worden verlengd indien hij vervalt op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag; dat wanneer de dwangsomrechter dit niet doet en niet voorziet in de verlenging, er dan geen verlenging is;

Overwegende dat eiser er in het onderdeel van uitgaat dat wanneer de rechter aan de veroordeelde een termijn toestaat door toepassing van art. 1385bis, derde en vierde lid, Ger. W., zonder expliciet de werking van art. 53 Ger. W. uit te sluiten, de vervaldag van deze termijn verplaatst wordt naar de eerstvolgende werkdag indien deze zou eindigen op een zaterdag of een zondag;

Dat het onderdeel faalt naar recht;

Overige bepalingen inzake termijnen zoals bepaald in het gerechtelijk wetboek

 

HOOFDSTUK VIII. _ Termijnen.

Art. 48. Tenzij de wet anders bepaalt, zijn de termijnen voor het verrichten van de proceshandelingen onderworpen aan de regels van dit hoofdstuk.

Art. 49. De wet bepaalt de termijnen. De rechter mag ze enkel vaststellen indien de wet hem dit veroorlooft.

Art. 50. De termijnen, op straffe van verval gesteld, mogen niet worden verkort of verlengd, zelfs met instemming van partijen, tenzij dat verval gedekt is onder de omstandigheden bij de wet bepaald.
(Indien de termijn van hoger beroep of verzet voorzien (in de artikelen 1048 en 1051 en 1253quater, c) en d)) binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, wordt hij verlengd tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar.) <W 24-6-1970, art. 3> <W 2001-06-26/35, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 05-10-2001>

Art. 51. De rechter kan termijnen die niet op straffe van verval zijn bepaald, voor hun vervaltijd verkorten of verlengen. Tenzij de wet anders bepaalt, mag de verlenging niet langer zijn dan de oorspronkelijke termijn en nadien mag geen verlenging meer worden toegestaan behalve om gewichtige redenen en bij een met redenen omklede beslissing.

Art. 52.[1 De termijn wordt gerekend van middernacht tot middernacht. Hij wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis die hem doet ingaan en omvat alle dagen, ook zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen.
Tenzij een handeling elektronisch wordt uitgevoerd, kan zij alleen op geldige wijze ter griffie worden verricht op de dagen en uren waarop de griffie toegankelijk moet zijn voor het publiek.
Ingeval een handeling niet ter griffie kon worden verricht binnen de, zelfs op straffe van nietigheid of van verval voorgeschreven termijnen, wegens het disfunctioneren van het informaticasysteem van Justitie bedoeld in artikel 32ter, dient deze verricht te worden ten laatste op de eerste werkdag na de laatste dag van de termijn, hetzij op papier, hetzij op elektronische wijze ingeval het informaticasysteem opnieuw gebruikt kan worden.
De in het derde lid bedoelde verlenging van de termijn is in elk geval van toepassing indien het disfunctioneren optreedt op de laatste dag van de termijn.]1
----------
(1)<W 2015-12-18/40, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

Art. 53. De vervaldag is in de termijn begrepen.
Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.

Art. 53bis.<Ingevoegd bij W 2005-12-13/35, art. 2; Inwerkingtreding : 31-12-2005> Ten aanzien van de geadresseerde, en tenzij de wet anders bepaalt, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager berekend :
1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats;
2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst;
[1 3° wanneer de kennisgeving is gebeurd tegen gedagtekend ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die erop volgt.]1
----------
(1)<W 2011-08-13/17, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

Art. 54. Een in maanden of in jaren bepaalde termijn wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste.

Art. 55. Wanneer de wet bepaalt dat ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, de termijnen die haar verleend werden dienen verlengd te worden, dan bedraagt die verlenging:
1° vijftien dagen, wanneer de partij in een aangrenzend land of in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië verblijft;
2° dertig dagen, wanneer zij in een ander land van Europa verblijft;
3° tachtig dagen, wanneer zij in een ander werelddeel verblijft.

Art. 56. Het overlijden van de partij schorst het verloop van de termijn die haar was verleend om in verzet, hoger beroep of cassatie te komen.
Deze termijn begint eerst opnieuw te lopen na een nieuwe betekening van de beslissing aan de woonplaats van de overledene, en te rekenen van het verstrijken van de termijnen om een boedelbeschrijving op te maken en zich te beraden, indien de beslissing betekend is vóór het verstrijken van de termijnen.
Deze betekening kan aan de erfgenamen gezamenlijk worden gedaan, zonder opgave van hun naam en hoedanigheid. Iedere betrokkene kan nochtans van het verval wegens verstrijken van de voorzieningstermijn worden vrijgesteld, indien blijkt dat hij van de betekening geen kennis heeft gekregen.

Art. 57.Tenzij de wet anders bepaalt, begint de termijn voor verzet, hoger beroep en voorziening in cassatie bij de betekening van de beslissing aan de persoon of aan de woonplaats, (of, bij voorkomend geval, vanaf de afgifte of het achterlaten van het afschrift [1 zoals vastgesteld is in de artikelen 38 en 40]1 [4 of bij de betekening op elektronische wijze van de beslissing]4). <W 1985-05-24/30, art. 5, 002>
Ten aanzien van degenen die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats hebben en ingeval de kennisgeving niet aan de persoon is gedaan, begint de termijn bij de afgifte van een afschrift van het exploot aan de post [3 of bij de betekening door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie]3. [2 De afgifte van een afschrift van het exploot aan de procureur des Konings mag gedaan worden aan een parketsecretaris of aan een parketjurist.]2
Tegen onbekwamen begint de termijn eerst bij de betekening van de beslissing aan hun wettelijke vertegenwoordiger
.

Rechtspraak (overmacht)

Behalve in geval van overmacht is het hoger beroep tegen een beslissing in burgerlijke zaken, dat na het verstrijken van de wettelijke termijn is ingesteld, niet ontvankelijk. Overmacht, die een verlenging van de termijn van hoger beroep tegen een beslissing in burgerlijke zaken mogelijk maakt, kan enkel voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de wil van de betrokkene, die door deze niet kon worden voorzien noch vermeden (Cass., 9 oktober 1986, Arr. Cass., 1986-87, 165; Pas., 1987, I, 153; R.W., 1987-88, 778, noot; J.L.M.B., 1987, 1203).

Behoudens de bij de wet uitdrukkelijk bepaalde gevallen, worden de termijnen ingeval van overmacht verlengd gedurende de tijd dat het voor de partij die de handeling moet verrichten, volstrekt onmogelijk is te handelen (Cass., 29 april 1946, J.T., 1946, 256; Pas., 1946, I, 163; Cass., 24 januari 1974, Arr. Cass., 1974, 577, met noot W.G.; Pas., 1974, I, 553).

Wanneer het hoger beroep tegen een burgerlijk vonnis door de schuld van de lasthebber is ingesteld na het verstrijken van de wettelijke termijn, is deze toestand voor de appellant geen overmacht, daar deze een onoverkomelijk beletsel onderstelt (Cass., 24 januari 1974, Arr. Cass., 1974, 576; Pas., 1974, I, 553).

De door de wetgever in het tweede lid gemaakte keuze m.b.t. de termijnverlenging wanneer de termijn begint te lopen en verstrijkt tijdens de gerechtelijke vakantie heeft geen onevenredige gevolgen rekening houdend, enerzijds, met het algemene rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd, beginsel waarvan de in het geding zijnde bepalingen niet zijn afgeweken en, anderzijds, met het feit dat de betrokkenen, die de rechtspleging hebben ingesteld en derhalve worden geacht alle dienstige maatregelen tot vrijwaring van hun rechten te nemen, niet ertoe zijn gehouden hun verdediging te organiseren in omstandigheden die onredelijk moeilijk zouden moeten worden geacht (Grondwettelijk Hof nr. 30/2008 28 februari 2008)

Nog dit: 

Om te bepalen of een beroepstermijn verstrijkt tjdens de gerechtelijke vakantie dient eerst de regel van artikel van artikel 1051 juncto art. 55 Gerechtelijk Wetboek te worden toegepast:

Art. 1051. "Onder voorbehoud van termijnen die worden voorzien in supranationale en internationale bepalingen, is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.
Deze termijn loopt eveneens vanaf de dag van die betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen.
Heeft een van de partijen aan wie of op wier verzoek het vonnis is betekend, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn van hoger beroep verlengd overeenkomstig artikel 55.
Het zelfde geldt wanneer één van de partijen aan wie het vonnis ter kennis is gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, in België geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft."

Art. 55. "Wanneer de wet bepaalt dat ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, de termijnen die haar verleend werden dienen verlengd te worden, dan bedraagt die verlenging:
1° vijftien dagen, wanneer de partij in een aangrenzend land of in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië verblijft;
2° dertig dagen, wanneer zij in een ander land van Europa verblijft;
3° tachtig dagen, wanneer zij in een ander werelddeel verblijft."

en dan pas de regel van artikel 50 Gerechtelijk Wetboek: "De termijnen, op straffe van verval gesteld, mogen niet worden verkort of verlengd, zelfs met instemming van partijen, tenzij dat verval gedekt is onder de omstandigheden bij de wet bepaald.
Indien de termijn van hoger beroep of verzet voorzien (in de artikelen 1048 en 1051 en 1253quater, c) en d)) binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, wordt hij verlengd tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar."

Gevolg:

Een vonnis betekend op 17 juli verleent een beroepstermijn tot 17 augustus.
De beroepstermijn begint en eindigt in de gerechtelijke vakantie. Dus de termijn loopt tot 15 september.

Wanneer de betekende partij in Duitsland woont verstrijkt diens beroepstermijn in september dus op 17 augustus + 15 dagen. De termijn voor de in Duitsland verblivende partij  verstrijkt niet in de gerechtelijke vakantie en wordt niet verlengd.

Dit lijkt eigenaardig aangezien het de bedoeling van de wetgever was de termijnen juist langer te maken voor partijen die in het buitenland wonen om hun rechten van verdediging te vrijwaren. Door de combinatie van de regel van de verlenging van de termijn ten aanzien van de in het buitenland resideerde betekende met de regel van de verlanging van de termijn tijdens de gerechtelijke vakantie, is het dus mogelijk dat de in het buitenland residerende betekende een kortere termijn heeft dan de Belgische partij. Indien in een geschil een partij in België verblijft en een andere in het buitenland, geldt de verlenging van de termijn enkel ten aanzien van de partij die verblijft in het buitenland.

Zie Tijl De Jaeger, Verlenging va termijnen: De niet in België verblijvende partij trekst soms aan het kortste eind (met talrijke verwijzingen aldaar), noot onder Hof van Beroep Brussel 3 maart 2015, NJW 2015, 326, 545

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 29/08/2014 - 12:51
Laatst aangepast op: za, 12/05/2018 - 21:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.