-A +A

verlengde minderjarige in het strafrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Op 1 juni 2014 werd het statuut van de verlengde minderjarigheid en de bijstand door een gerechtelijk raadsman opgeheven en geïntegreerd in een algemeen beschermingsstatuut, met het voorlopig bewind als basis.

Dit 'voorlopig bewind' laat de vrederechter toe om een bescherming op maat te moduleren waarbij in de eerste plaats naar de mogelijkheden van de betrokkene wordt gekeken.

De rechter beslist voor welke beslissingen de te beschermen persoon bescherming en begeleiding nodig heeft van een bewindvoeder. Hierbij wordt aandacht geschonken aan het onderscheid tussen handelingen die de persoon raken en handelingen die betrekking hebben op het beheer van goederen. De bewindvoerder kan maar moet niet dezelfde persoon zijn voor beide soort handelingen. Er kan dus eenbewindvoerder zijn voor de persoonsgebonden zaken en een andere voor de handelingen met betrekking tot het vermogen.

De aanstelling van een vertrouwenspersoon is mogelijk maar niet verplicht

De figuur van de toeziende voogd afgeschaft.

De oude en inmiddels afgeschafte regeling met betrekking tot de verlengde minderjarigheid voorzag dat als iemand met een beperking achttien jaar werd en kon beslist worden om de minderjarigheid te verlengen. Door deze verlengde minderjarigheid werden deze mensen volledig handelingsonbekwaam en konden deze dus ook niet trouwen.

Deze regeling werd vervangen door de nieuwe alomvattende regeling van het voorlopig bewind bij wet van 1 juni 2014.

De vrederechter benoemt de bewindvoerder op vraag van de ouders, of dichte familieleden of verzorgenden.

De vrederechter zal geval per geval en handeling per handeling kunnen oordelen over onbekwaamheid, bekwaamheid of bekwaamheid met bijstand.

De gelijkstelling van de verlengd minderjarige met een minderjarige beneden de leeftijd van vijftien jaar, betrof uitsluitend «zijn persoon en zijn goederen» (cf. art. 487bis, vierde lid, B.W.). Derhalve blijft inzake strafrecht en strafprocesrecht de werkelijke leeftijd van de verlengd minderjarige de bevoegdheid van de strafrechter en de toepassing van de strafwet bepalen.

Maar:

Dit belet niet dat een vonnis tot verklaring van verlengde minderjarigheid als vonnis inzake de staat en bekwaamheid, gezag van gewijsde heeft, ook ten aanzien van de strafrechter en dat de strafrechter bij zijn motivering rekening dient te houden met de termen van het vonnis waarbij de verlengde minderjarigheid werd uitgesproken. Aldus kan uit het dossier en uit het vonnis tot vaststelling van de verlengde minderjarigheid blijken dat beklaagde zich bevindt in een ernstige staat van geestesstoornis waardoor hij ongeschikt is tot het controleren van zijn daden en hij zich ook in zo‘n toestand bevond op het ogenblik van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten om op basis hiervan een interneringsmaatregel uit te spreken of zelfs geen straf indien de veiligheid van de maatschappij kan gevrijwaard blijven.

NOOT onder dit arrest: Sofie Adé Het statuut van verlengd minderjarigen in het strafrecht, RW 2009-2010, 112; lees deze noot met het paswoord van RW

Rechtspraak:


• Hof van Beroep te Antwerpen, 14e Kamer – 1 oktober 2008, RW 2009-2010, 112; RW 20069-2010, 114


Feiten en verklaringen

...

Het hof stelt vast dat beklaagde P. Van V. bij in kracht van gewijsde getreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 23 oktober 1997, op grond van art. 487bis B.W., in staat van verlengde minderjarigheid werd verklaard.

Bij vonnis van dezelfde rechtbank van 5 februari 2004 werd, op grond van art. 487quater B.W., het ouderlijk gezag over beklaagde vervangen door de voogdij en werd gedaagde, meester N.V., advocaat, benoemd als voogd over beklaagde.

Het privaatrechtelijk statuut van de verlengde minderjarigheid is van toepassing op ernstig mentaal gehandicapten.

Krachtens de bepalingen van art. 487bis B.W.:

– kan een persoon van wie gebleken is dat hij wegens ernstige geestelijke achterlijkheid ongeschikt is en schijnt te zullen blijven om zichzelf te leiden en zijn goederen te beheren, in staat van verlengde minderjarigheid worden verklaard.

– moet onder ernstige geestelijke achterlijkheid worden verstaan, een staat van geestelijke onvolwaardigheid, aangeboren of begonnen tijdens de vroege kinderjaren, en gekenmerkt door een uitgebleven ontwikkeling van de gezamenlijke vermogens van verstand, gevoel en wil.

Ook al betreft de gelijkstelling van de verlengd minderjarige met een minderjarige beneden de leeftijd van vijftien jaar, uitsluitend «zijn persoon en zijn goederen» (cf. art. 487bis, vierde lid, B.W.) en blijft inzake strafrecht en strafprocesrecht de werkelijke leeftijd van de verlengd minderjarige bepalend, neemt zulks niet weg dat voormeld vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 23 oktober 1997, waarbij de verlengd minderjarigverklaring van beklaagde werd uitgesproken – staat waarvan de opheffing nimmer is geschied – als vonnis inzake de staat en bekwaamheid, gezag van gewijsde heeft dat zich uitstrekt tot de motieven die de noodzakelijke grondslag ervan vormen.

Mede gelet op wat voorafgaat en op het geheel van de in het dossier vervatte gegevens staat vast dat beklaagde zich bevindt in een ernstige staat van geestesstoornis waardoor hij ongeschikt is tot het controleren van zijn daden en hij zich ook in zo‘n toestand bevond op het ogenblik van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten, zoals thans voor het hof bewezen.

...

Het is derhalve raadzaam de veiligheidsmaatregel van de internering op te leggen.

Civielrechtelijk

Zoals voormeld, bevindt beklaagde zich thans in een staat van ernstige geestesstoornis die hem ongeschikt maakt voor de controle van zijn daden en bevond hij zich ook in zo‘n toestand op het ogenblik van het plegen van de hem ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten.

Derhalve wordt, overeenkomstig art. 1386bis B.W., geoordeeld naar billijkheid, rekening houdend met de omstandigheden en met de toestand van de partijen.

In de gegeven omstandigheden begroot het hof:

– de aan de burgerlijke partij M. Van P. in eigen naam toekomende schadevergoeding naar billijkheid op 250 euro.

– de aan de burgerlijke partij M. Van P., q.q. toekomende schadevergoeding naar billijkheid op 1.000 euro.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 21:58
Laatst aangepast op: vr, 09/03/2018 - 18:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.