-A +A

verkwisters

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
 

Verkwisting die zich weerspiegelt in een ondoelmatig wanbeheer kan als een geestelijk gezondheidsprobleem worden aangezien dat tot organisatie van een voorlopig bewind noopt. Vaak is een bijstandsregime aangewezen.  

«De verkwister wordt doorgaans omschreven als iemand die onder invloed van een ontregeling van de geest of de zeden, zijn vermogen verspilt op een wijze die indruist tegen de goede zeden. Principieel wordt dat op juridisch, sociaal en economisch vlak beoordeeld, zonder dat er sprake hoeft te zijn van een geestesstoornis.


«Verkwisting (waarbij de uitgaven de inkomsten overtreffen) vergt het bestaan van ongerechtvaardigde uitgaven. Het gaat om eindeloze domme of belachelijke uitgaven, zonder enige noodzaak of nut, die een uiting blijken van fantasieën, grillen of hartstochten.


«Deze verkwisting van het kapitaal moet een gewoonte betreffen, die aan de hand van nauwkeurige en ondubbelzinnige feiten moet worden bewezen. De bewijslast terzake rust op de verzoeker (in casu geïntimeerde)».


• Hof van Beroep Antwerpen 11 april 2002, RW 2004-2005, 438

De mogelijkheid voor de echtgenoot van de te beschermen persoon om overeenkomstig artikel 1421 B.W. het preventieve vrederechterlijke verbod te bekomen om bepaalde huwelijksvermogensrechtelijke bestuurshandelingen te stellen, kan niet dezelfde sluitende bescherming bieden als deze van een bijstandsregime in de zin van artikel 488bis, f, § 1, eerste lid en § 2, tweede lid B.W

Artikel 488bis, f), § 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt: - lid 1: “De rechter bepaalt, met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen evenals met de gezondheidstoestand van de beschermde persoon, de omvang van de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder”; - lid 2: “De vrederechter kan de handelingen of categorieën van handelingen aanwijzen die de beschermde persoon maar kan stellen met bijstand van zijn voorlopige bewindvoerder”.

Uittreksel uit een vonnis van de Vrederechter te Kortrijk , 23 november 2004, T.Vred. 2007,231:

"Verweerster verklaarde zich akkoord met de benoeming van een voorlopige bewindvoerder met een taak van bijstand voor het doen van aankopen zonder contante betaling en voor de rechtshandelingen die voorzien zijn in artikel 513 van het Burgerlijk Wetboek. Dat wetsartikel bepaalt: “Aan verkwisters kan worden verboden rechtsgedingen te voeren, dadingen te treffen, leningen aan te gaan, roerende kapitalen in ontvangst te nemen en daarvan kwijting te geven, hun goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren, zonder de bijstand van een raadsman die hun door de rechtbank wordt toegevoegd”. De eisers verklaarden zich eveneens akkoord met de benoeming van een voorlopige bewindvoerder met een taak van bijstand zoals hierboven bepaald.

Door alle partijen werd voorgesteld de derde eisende partij te benoemen als voorlopige bewindvoerder. Om bij toepassing van artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek een voorlopige bewindvoerder te kunnen toevoegen aan verweerster, moet vastgesteld worden dat verweerster wegens haar gezondheidstoestand (geheel of gedeeltelijk) niet meer in staat is haar goederen te beheren. Door de wet wordt niet nader bepaald wat moet verstaan worden onder de “gezondheidstoestand” van een persoon. Men kan zich afvragen, als er geen vrijheidsberoving mee gemoeid is, door wat anders dan door de toestand van zijn gezondheid een persoon kan geacht worden “niet in staat te zijn” zijn goederen te beheren. Op wat anders dan op de toestand of de staat van zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid kan het “niet in staat zijn” van een persoon betrekking hebben?

Terecht werd opgemerkt dat verkwisting als een geestesstoornis moet kunnen worden aanzien om een voorlopig bewind te kunnen rechtvaardigen (F. SWENNEN, “Voorlopig bewind en verkwisting”, R.W. 2004, 114). Even terecht werd evenwel opgemerkt dat men vanuit het door een persoon in concreto gevoerde wanbeheer kan besluiten tot het “niet in staat zijn” van die persoon zijn goederen te beheren in de zin zoals bedoeld door artikel 488bis, a) van het Burgerlijk Wetboek en dat verspilzucht nagenoeg altijd verband houdt met een verstoorde gezondheidstoestand, zijnde een afwijkende geestestoestand, veelal geconcretiseerd als een verslaving of een overdreven koopdrift (S. MOSSELMANS, “Voorlopig bewind - verkwisters en een bijstandsregeling”, T. Vred. 1998, 354 e.v.).

Wanneer verweerster diepvriezers enkoelkasten koopt die zij niet nodig heeft, kunnen wij voor die koopdrift geen andere verklaring bedenken dan dat het oordeelsvermogen of het wilsvermogen van verweerster gestoord is. Dat is voldoende om vast te stellen dat verweerster wegens de toestand van haar geestelijke

geestelijke gezondheid gedeeltelijk niet in staat is haar goederen te beheren. Overigens merken wij op dat de vijfde eisende partij als echtgenoot ook bij toepassing van artikel 1421 van het Burgerlijk Wetboek aan verweerster een verbod kan doen opleggen om enige rechtshandeling als hierboven bepaald te verrichten zonder zijn bijstand of zonder de bijstand van een derde. Voor een toepassing van artikel 1421 van het Burgerlijk Wetboek moet niet vastgesteld worden dat de echtgenoot, aan wie het verbod wordt opgelegd, wegens zijn gezondheidstoestand niet in staat is zijn goederen te beheren.

De nietigheid van een rechtshandeling, die verricht wordt in strijd met een bij toepassing van artikel 1421 van het Burgerlijk Wetboek opgelegd verbod, is weliswaar niet altijd tegenstelbaar aan derden, zoals dat wel het geval is met rechtshandelingen dien verricht worden in strijd met een bij toepassing van artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek opgelegd verbod (art. 488bis, i) B.W. en art. 1422 B.W.), maar het is zeer de vraag of die verschillende sanctieregeling de toets aan het gelijkheidsbeginsel kan doorstaan en of derhalve aan de vijfde eisende partij het voordeel van de sanctie van een altijd aan derden tegenstelbare nietigheid kan ontnomen worden wegens het feit dat de koopdrift van zijn echtgenote niet te wijten zou zijn aan haar gezondheidstoestand. geestelijke gezondheid gedeeltelijk niet in staat is haar goederen te beheren.

Overigens merken wij op dat de vijfde neisende partij als echtgenoot ook bij toepassing van artikel 1421 van het Burgerlijk Wetboek aan verweerster een verbod kan doen opleggen om enige rechtshandeling als hierboven bepaald te verrichten zonder zijn bijstand of zonder de bijstand van een derde. Voor een toepassing van artikel 1421 van het Burgerlijk Wetboek moet niet vastgesteld worden dat de echtgenoot, aan wie het verbod wordt opgelegd, wegens zijn gezondheidstoestand niet in staat is zijn goederen te beheren.

De nietigheid van een rechtshandeling, die verricht wordt in strijd met een bij toepassing van artikel 1421 van het Burgerlijk Wetboek opgelegd verbod, is weliswaar niet altijd tegenstelbaar aan derden, zoals dat wel het geval is met rechtshandelingen die verricht worden in strijd met een bij toepassing van artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek opgelegd verbod (art. 488bis, i) B.W. en art. 1422 B.W.), maar het is zeer de vraag of die verschillende sanctieregeling de toets aan het gelijkheidsbeginsel kan doorstaan en of derhalve aan de vijfde eisende partij het voordeel van de sanctie van een altijd aan derden tegenstelbare nietigheid kan ontnomen worden wegens het feit dat de koopdrift van zijn echtgenote niet te wijten zou zijn aan haar gezondheidstoestand."

Nog dit: 

Vred. Westerlo 01/02/2016, RW 2016-2017, 1233, met noot, I. Boone en Katrin De Vos, De onderhoudsgerechtigde ex-echtgenoot: familie van de verkwister of niet?

Samenvatting:

art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. heeft de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, beperkt. Daar wordt immers bepaald dat enkel de te beschermen persoon, zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner, de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of de lasthebber bedoeld in art. 490 of 490/1 BW, om een rechterlijke beschermingsmaatregel kunnen verzoeken ingeval de te beschermen persoon zich bevindt in de toestand zoals bedoeld in art. 488/2 BW.

Tekst vonnis

G.E. t/ V.F.

Overwegende dat verzoekende partij een rechterlijke beschermingsmaatregel vordert in de zin van art. 488/2 BW, zulks voor haar ex-echtgenoot de h. F.V.

Overwegende dat verzoekende partij en de h. F.V. verklaren dat zij in de loop van 2010 uit de echt gescheiden zijn. Het echtscheidingsvonnis wordt niet aan Ons Ambt voorgelegd, noch wordt zelfs maar de precieze datum van dit vonnis meegedeeld.

Overwegende dat er reeds in de beschikking van 21 december 2015 op gewezen werd dat art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, heeft beperkt. Daar wordt immers bepaald dat enkel de te beschermen persoon, zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner, de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of de lasthebber bedoeld in art. 490 of 490/1 BW, om een rechterlijke beschermingsmaatregel kunnen verzoeken ingeval de te beschermen persoon zich bevindt in de toestand zoals bedoeld in art. 488/2 BW.

Overwegende dat de voormelde beschikking van 21 december 2015 aan de beide ex-echtgenoten de gelegenheid heeft gegeven om hun standpunt uiteen te zetten met betrekking tot art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. Verzoekende partij stelt daarop in algemene termen dat zij “binnen verschillende” van de categorieën van art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. valt, zonder echter precies aan te duiden onder wélke categorie. De h. F.V. verklaart in even algemene termen dat hij tot geen enkele van de bedoelde categorieën van personen behoort.

Overwegende dat Ons Ambt allereerst vaststelt:

1. dat in de onderhavige procedure geen perso(o)n(en) is/zijn tussengekomen die onbetwistbaar wél behoren tot de bovenbedoelde kring van personen;

2. dat verzoekende partij in de loop van onderhavige procedure evenmin is overgegaan tot wijziging van de hoedanigheid waarin zij haar verzoek stelt (bv. eigen naam versus qualitate qua), wat een juiste interpretatie van art. 807 en 1042 Ger.W. mogelijk maakt, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Cassatie (van 17 november 2014, AR nr. C.13.0210.F, Arr.Cass. 2014, nr. 698, p. 2624).

Overwegende dat derhalve thans dient beoordeeld te worden of verzoekende partij al dan niet behoort tot de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen

1. Het is allereerst van belang te wijzen op navolgende “tegenstrijdigheden”, ook al heeft deze verwijzing misschien slechts een “lege ferenda”-waarde.

A. Uit het huwelijk van partijen werden twee kinderen geboren, namelijk T. en C. Bij beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 18 oktober 2010 werd de heer F.V. veroordeeld tot betaling aan mevrouw E.G. van een maandelijkse onderhoudsbijdrage in het voordeel van de kinderen ten bedrage van 200 euro per kind, met ingang van 1 december 2009, jaarlijks te indexeren en te vermeerderen met de bijzondere kosten. Mevr. E.G. verklaart dat de achterstand in de betaling van deze onderhoudsbijdrage thans ongeveer 50.000 euro bedraagt. Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Turnhout van 10 maart 2015, werd de h. F.V. op strafgebied veroordeeld wegens bedrieglijk onvermogen en familieverlating en werd hij op burgerlijk gebied veroordeeld tot betaling aan mevr. E.G. van een bedrag van 1.500 euro uit hoofde van morele schadevergoeding.

B. Uit de parlementaire voorbereidingsstukken van de wet tot invoering van een globaal beschermingsstatuut voor meerderjarige wilsonbekwame personen blijkt dat het huidige art. 488/2 BW als bedoeling heeft:

a) om de reeds onder het oude recht (art. 513 BW) geldende bescherming die werd geboden aan personen in staat van verkwisting (toevoeging van een gerechtelijk raadsman) te hernemen (Parl.St. Kamer, nr. 53-1009/001, p. 34). Nochtans kon het verzoek tot toevoeging van een gerechtelijk raadsman aan een verkwister voorheen ook – in bepaalde gevallen – uitgaan van de procureur des Konings (oud art. 1239 Ger.W.), mogelijkheid die thans niet meer bestaat;

b) om zeker aan de onderhoudsgerechtigden (zonder onderscheid) de mogelijkheid te bieden, een beschermingsmaatregel wegens verkwisting in te leiden (Parl.St. Kamer, nr. 53-1009/001, p. 35). Nochtans werden ex-echtgenoten (zoals huidige verzoekende partij) niet opgenomen in de kring van personen die thans de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen. De status van “ex-echtgenote” is toch vaak gekoppeld aan de status van “onderhoudsgerechtigde”?

2. Nu actueel noch de Procureur des Konings noch de ex-echtgenote de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, dient te worden nagegaan of huidige verzoekende partij zich binnen de kring van personen van art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. eventueel zou kunnen beroepen op de kwalificatie “lid van de naaste familie”, de enig mogelijke overblijvende. P. Senaeve wijst erop dat de term “familie” geen eenduidige betekenis heeft maar in feite zeer verschillende fenomenen dekt (P. Senaeve, Compendium van het Personen- en Familierecht, Boekdeel 3, Leuven, Acco 2006, nr. 2109, p. 259).

a) Allereerst wordt met familie soms het “gezin” bedoeld (P. Senaeve, o.c., nr. 2110, p. 259). De term gezin betekent de groep personen bestaande uit één man en één vrouw die met elkaar samenleven, in voorkomend geval aangevuld met de kinderen die (nog) van hen afhankelijk zijn (P. Senaeve, o.c., nr. 2113, p. 260). Deze laatste wijst er aldaar op dat in het Nederlands de notie familie minder en minder in deze betekenis wordt gebruikt en dat het Burgerlijk Wetboek hier slechts één voorbeeld van kent (art. 19, 5o Hypotheekwet).

Verzoekende partij is in die zin geen familielid, aangezien zij en de h. F.V. niet meer samenleven.

b) Vervolgens wordt met familie soms de uitgebreide familie bedoeld, dit is een geheel van gezinsgroepen tussen wie een zeer hechte band bestaat, in de regel van residentiële aard (P. Senaeve, o.c., nr. 2111, p. 259). Deze laatste wijst er aldaar op dat de uitgebreide familie in het Westen nagenoeg is verdwenen ten voordele van het gezin, en dat in ons recht de grote familie dan ook niet als geconstitueerde groep bestaat. Om dezelfde reden als sub a (geen band van residentiële aard) is verzoekende partij geen familielid in die zin.

c) Ten slotte spreekt men van familie in de zin van het geheel van personen met wie een bepaald individu verbonden is door huwelijk, verwantschap en aanverwantschap (P. Senaeve, o.c., nr. 2112, p. 260). Mevr. E.G. en de h. F.V. zijn noch door huwelijk met elkaar verbonden, noch door verwantschap (= de juridische band tussen personen die de een van de ander afstammen, aldus P. Senaeve, o.c., nr. 2125, p. 264), noch door aanverwantschap (= de juridische band tussen een gehuwd persoon en de verwanten van de mede-echtgenoot, een combinatie dus van echtelijke band en verwantschap, aldus P. Senaeve, o.c., nr. 2133, p. 266).

Overwegende dat uit al wat voorafgaat blijkt dat verzoekende partij niet behoort tot de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, zodat haar vordering onontvankelijk is.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: vr, 05/05/2017 - 16:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.