-A +A

verkwister

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een verkwister, zijnde een ongebreidelde verspilzuchtige, kan onder voorlopig bewind worden gesteld.

Verkwisting die zich weerspiegelt in een ondoelmatig wanbeheer kan als een geestelijk gezondheidsprobleem worden aangezien dat tot organisatie van een voorlopig bewind noopt. Vaak is een bijstandsregime aangewezen.

Definitie verspilzuchtige

«De verkwister wordt doorgaans omschreven als iemand die onder invloed van een ontregeling van de geest of de zeden, zijn vermogen verspilt op een wijze die indruist tegen de goede zeden. Principieel wordt dat op juridisch, sociaal en economisch vlak beoordeeld, zonder dat er sprake hoeft te zijn van een geestesstoornis.

«Verkwisting (waarbij de uitgaven de inkomsten overtreffen) vergt het bestaan van ongerechtvaardigde uitgaven. Het gaat om eindeloze domme of belachelijke uitgaven, zonder enige noodzaak of nut, die een uiting blijken van fantasieën, grillen of hartstochten.

«Deze verkwisting van het kapitaal moet een gewoonte betreffen, die aan de hand van nauwkeurige en ondubbelzinnige feiten moet worden bewezen. De bewijslast terzake rust op de verzoeker (in casu geïntimeerde)».

Hof van Beroep Antwerpen 11 april 2002, RW 2004-2005, 438

Art. 488/1 BW "De meerderjarige die wegens zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, niet in staat is zonder bijstand of andere beschermingsmaatregel zijn belangen van vermogensrechtelijke of niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan onder bescherming worden geplaatst, indien en voor zover de bescherming van zijn belangen dit vereist."

Verspilzucht is een ziekte zie DSM V.

Telkens wanneer een fysieke, of psychische ziekete, een gevaarlijke invloed van een derde die de financiële toestand van de betrokkenen in gewaar brengt, een toestand van verminderde sociale weerbaarheid sociale uitsluiting – zoals drankverslaving, verkwisting, dakloosheid, externe druk van derden waaraan de persoon niet kan weerstaan, koopverslaving, kan een persoon onder voorlopig bewind worden verklaard.

Deze opvatting wordt in de rechtsleer voorgestaan door A. Wylleman («Twee jaar voorlopig bewind», in Gezin en recht in een postmoderne samenleving, Gent, Mys & Breesch, 1994, p. 141, nr. 6) en S. Mosselmans («Voorlopig bewind – verkwisters en bijstandsregeling» (noot onder Vred. Brakel 7 maart 1997), T. Vred. 1997, 354).

Door de opheffing van de artikelen 513 en volgende burgerlijk wetboek stelt zich de vraag welke maatregelen ten aanzien van verkwisters kunnen genomen worden.
Het antwoord kan wellicht gevonden worden in een vonnis van het Vredegerecht van Werlo van 10 oktober 2003, RW 2004-2005,113:

X.

Overwegende dat het verzoek van drie kinderen strekt tot de benoeming van een voorlopige bewindvoerder over hun moeder, X.

Overwegende dat de hoofdvoorwaarde voor de toepassing van het voorlopig bewind, het bestaan is van een gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid tot het beheer van zijn goederen, voortvloeiende uit de gezondheidstoestand van de betrokkene. Deze toepassingsvoorwaarde is erg ruim.

Overwegende dat in het onderhavige geval ter gelegenheid van Ons gesprek met mevrouw X. op 9 september 2003 geen elementen werden vastgesteld die zouden kunnen doen besluiten tot een vermindering van haar geestelijke en/of fysieke vermogens, haar behoudens de normale verouderingsverschijnselen eigen aan de leeftijd. Op het eerste gezicht zou derhalve bewindvoering niet in aanmerking komen.

Overwegende dat uit het proces-verbaal van het bezoek der te beschermen persoon op 9 september 2003 evenwel blijkt dat op 4 juli 2003 van de bankrekening een som in speciën werd afgenomen. Daarover geïnterpelleerd, verklaarde mevrouw X. op 9 september 2003: «Dit geld is nu op, opgesoupeerd zoals men zegt». En haar zoon verklaarde daaropvolgende: «Ik weet dat het geld bij de bank weg is. Ik ben daar samen met moeder naartoe gereden. Ik weet niet wat er met het geld gebeurd is».

Overwegende dat aangezien mevrouw X. Ons op 9 september 2003 kortweg antwoordde dat de op 4 juli 2003 afgenomen som was «opgesoupeerd», zij zich daardoor zelf plaatste onder de categorie van de verkwisters, zijnde de ongebreidelde verspilzuchtigen.

Overwegende dat het in deze omstandigheden noodzakelijk blijkt haar een bewindvoerder toe te wijzen (cf. A. Wylleman, Artikelsgewijze commentaar Personen- en familierecht, art. 488bis, a B.W., die het volgende stelt: «De wet laat evenwel een zeer ruime interpretatie van de ongeschiktheid toe en het komt dan ook wenselijk voor dat mensen die door een excessief spilzuchtig gedrag zichzelf maar ook hun naaste familie in ernstige financiële moeilijkheden brengen, als onbekwaam om hun goederen te beheren, de nodige bescherming kan worden opgelegd: wie zichzelf en zijn naasten maatschappelijk ten grond zou richten door normeloze koopdrift kan bezwaarlijk geacht worden over de nodige geestelijke vermogens te beschikken om zijn goederen te beheren, wat hij precies niet doet»).

Overwegende dat de blijkbaar aanwezige familiale spanningen de benoeming van een buitenstaander in de functie van bewindvoerder, noodzakelijk maken.

 

Noot onder deze uitspraak in het RW F. Swennen, Voorlopig bewind en verkwisting


Vred. Westerlo 01/02/2016, RW 2016-2017, 1233, met noot, I. Boone en Katrin De Vos, De onderhoudsgerechtigde ex-echtgenoot: familie van de verkwister of niet?

Samenvatting:

art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. heeft de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, beperkt. Daar wordt immers bepaald dat enkel de te beschermen persoon, zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner, de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of de lasthebber bedoeld in art. 490 of 490/1 BW, om een rechterlijke beschermingsmaatregel kunnen verzoeken ingeval de te beschermen persoon zich bevindt in de toestand zoals bedoeld in art. 488/2 BW.

Tekst vonnis

G.E. t/ V.F.

Overwegende dat verzoekende partij een rechterlijke beschermingsmaatregel vordert in de zin van art. 488/2 BW, zulks voor haar ex-echtgenoot de h. F.V.

Overwegende dat verzoekende partij en de h. F.V. verklaren dat zij in de loop van 2010 uit de echt gescheiden zijn. Het echtscheidingsvonnis wordt niet aan Ons Ambt voorgelegd, noch wordt zelfs maar de precieze datum van dit vonnis meegedeeld.

Overwegende dat er reeds in de beschikking van 21 december 2015 op gewezen werd dat art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, heeft beperkt. Daar wordt immers bepaald dat enkel de te beschermen persoon, zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner, de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of de lasthebber bedoeld in art. 490 of 490/1 BW, om een rechterlijke beschermingsmaatregel kunnen verzoeken ingeval de te beschermen persoon zich bevindt in de toestand zoals bedoeld in art. 488/2 BW.

Overwegende dat de voormelde beschikking van 21 december 2015 aan de beide ex-echtgenoten de gelegenheid heeft gegeven om hun standpunt uiteen te zetten met betrekking tot art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. Verzoekende partij stelt daarop in algemene termen dat zij “binnen verschillende” van de categorieën van art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. valt, zonder echter precies aan te duiden onder wélke categorie. De h. F.V. verklaart in even algemene termen dat hij tot geen enkele van de bedoelde categorieën van personen behoort.

Overwegende dat Ons Ambt allereerst vaststelt:

1. dat in de onderhavige procedure geen perso(o)n(en) is/zijn tussengekomen die onbetwistbaar wél behoren tot de bovenbedoelde kring van personen;

2. dat verzoekende partij in de loop van onderhavige procedure evenmin is overgegaan tot wijziging van de hoedanigheid waarin zij haar verzoek stelt (bv. eigen naam versus qualitate qua), wat een juiste interpretatie van art. 807 en 1042 Ger.W. mogelijk maakt, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Cassatie (van 17 november 2014, AR nr. C.13.0210.F, Arr.Cass. 2014, nr. 698, p. 2624).

Overwegende dat derhalve thans dient beoordeeld te worden of verzoekende partij al dan niet behoort tot de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen

1. Het is allereerst van belang te wijzen op navolgende “tegenstrijdigheden”, ook al heeft deze verwijzing misschien slechts een “lege ferenda”-waarde.

A. Uit het huwelijk van partijen werden twee kinderen geboren, namelijk T. en C. Bij beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 18 oktober 2010 werd de heer F.V. veroordeeld tot betaling aan mevrouw E.G. van een maandelijkse onderhoudsbijdrage in het voordeel van de kinderen ten bedrage van 200 euro per kind, met ingang van 1 december 2009, jaarlijks te indexeren en te vermeerderen met de bijzondere kosten. Mevr. E.G. verklaart dat de achterstand in de betaling van deze onderhoudsbijdrage thans ongeveer 50.000 euro bedraagt. Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Turnhout van 10 maart 2015, werd de h. F.V. op strafgebied veroordeeld wegens bedrieglijk onvermogen en familieverlating en werd hij op burgerlijk gebied veroordeeld tot betaling aan mevr. E.G. van een bedrag van 1.500 euro uit hoofde van morele schadevergoeding.

B. Uit de parlementaire voorbereidingsstukken van de wet tot invoering van een globaal beschermingsstatuut voor meerderjarige wilsonbekwame personen blijkt dat het huidige art. 488/2 BW als bedoeling heeft:

a) om de reeds onder het oude recht (art. 513 BW) geldende bescherming die werd geboden aan personen in staat van verkwisting (toevoeging van een gerechtelijk raadsman) te hernemen (Parl.St. Kamer, nr. 53-1009/001, p. 34). Nochtans kon het verzoek tot toevoeging van een gerechtelijk raadsman aan een verkwister voorheen ook – in bepaalde gevallen – uitgaan van de procureur des Konings (oud art. 1239 Ger.W.), mogelijkheid die thans niet meer bestaat;

b) om zeker aan de onderhoudsgerechtigden (zonder onderscheid) de mogelijkheid te bieden, een beschermingsmaatregel wegens verkwisting in te leiden (Parl.St. Kamer, nr. 53-1009/001, p. 35). Nochtans werden ex-echtgenoten (zoals huidige verzoekende partij) niet opgenomen in de kring van personen die thans de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen. De status van “ex-echtgenote” is toch vaak gekoppeld aan de status van “onderhoudsgerechtigde”?

2. Nu actueel noch de Procureur des Konings noch de ex-echtgenote de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, dient te worden nagegaan of huidige verzoekende partij zich binnen de kring van personen van art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. eventueel zou kunnen beroepen op de kwalificatie “lid van de naaste familie”, de enig mogelijke overblijvende. P. Senaeve wijst erop dat de term “familie” geen eenduidige betekenis heeft maar in feite zeer verschillende fenomenen dekt (P. Senaeve, Compendium van het Personen- en Familierecht, Boekdeel 3, Leuven, Acco 2006, nr. 2109, p. 259).

a) Allereerst wordt met familie soms het “gezin” bedoeld (P. Senaeve, o.c., nr. 2110, p. 259). De term gezin betekent de groep personen bestaande uit één man en één vrouw die met elkaar samenleven, in voorkomend geval aangevuld met de kinderen die (nog) van hen afhankelijk zijn (P. Senaeve, o.c., nr. 2113, p. 260). Deze laatste wijst er aldaar op dat in het Nederlands de notie familie minder en minder in deze betekenis wordt gebruikt en dat het Burgerlijk Wetboek hier slechts één voorbeeld van kent (art. 19, 5° Hypotheekwet).

Verzoekende partij is in die zin geen familielid, aangezien zij en de h. F.V. niet meer samenleven.

b) Vervolgens wordt met familie soms de uitgebreide familie bedoeld, dit is een geheel van gezinsgroepen tussen wie een zeer hechte band bestaat, in de regel van residentiële aard (P. Senaeve, o.c., nr. 2111, p. 259). Deze laatste wijst er aldaar op dat de uitgebreide familie in het Westen nagenoeg is verdwenen ten voordele van het gezin, en dat in ons recht de grote familie dan ook niet als geconstitueerde groep bestaat. Om dezelfde reden als sub a (geen band van residentiële aard) is verzoekende partij geen familielid in die zin.

c) Ten slotte spreekt men van familie in de zin van het geheel van personen met wie een bepaald individu verbonden is door huwelijk, verwantschap en aanverwantschap (P. Senaeve, o.c., nr. 2112, p. 260). Mevr. E.G. en de h. F.V. zijn noch door huwelijk met elkaar verbonden, noch door verwantschap (= de juridische band tussen personen die de een van de ander afstammen, aldus P. Senaeve, o.c., nr. 2125, p. 264), noch door aanverwantschap (= de juridische band tussen een gehuwd persoon en de verwanten van de mede-echtgenoot, een combinatie dus van echtelijke band en verwantschap, aldus P. Senaeve, o.c., nr. 2133, p. 266).

Overwegende dat uit al wat voorafgaat blijkt dat verzoekende partij niet behoort tot de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, zodat haar vordering onontvankelijk is.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: vr, 05/05/2017 - 15:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.