-A +A

verkrachting en verjaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De strafvordering verjaart na een termijn van VIJF jaar na de feiten
- deze termijn kan gestuit worden door daden van onderzoek (bv.: een kantschrift van het parket, het opstellen van een proces-verbaal door een bevoegd persoon, …) of door daden van vervolging (bv.: dagvaarding voor het strafgerecht).Als een verjaring wordt gestuit door een bepaalde oorzaak, betekent dat dat de wettelijk voorziene termijn voor de verjaring helemaal van nul af opnieuw begint te lopen.
- de stuiting kan enkel gebeuren binnen de initiële termijn van vijf jaar
- door de stuiting begint een nieuwe termijn van vijf jaar te lopen.

Opgelet bij minderjarige slachtoffers:

bij misdrijven bedoeld in artikel 372 tot 377,379 en 380 van het Strafwetboek, zijnde de zedendelicten:

   - voor zover het misdrijf verjaard was op 5 mei 95 liep de verjaring onmiddellijk af
   - voorzover het misdrijf niet verjaard was op 5 mei 95, loopt de verjaring pas af vanaf de dag waarop het slachtoffer de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft

Rechtspraak


• Cass. (2e k.) AR P.03.0009.N, 12 oktober 2004 (H.K., H.V. / H.J.)

Bij arrest van 30 september 2003 heeft het Hof elke verdere beslissing opgeschort tot het Arbitragehof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak heeft gedaan over de vraag of artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 420bis van datzelfde wetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het aan de burgerlijke partij de verplichting oplegt, binnen de termijn bedoeld in voornoemd artikel 420bis, over te gaan tot betekening van het cassatieberoep aan de partij tegen wie het gericht is en tot neerlegging van de stukken waaruit deze betekening blijkt, en dit op straffe van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, terwijl geen gelijkaardige verplichting bestaat voor de inverdenkinggestelde of beklaagde die een cassatieberoep instelt tegen de burgerlijke partij.
Bij arrest van 30 juni 2004 heeft het Arbitragehof deze prejudiciële vraag beantwoord en gezegd voor recht dat artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt.
III. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
IV. Cassatiemiddelen
De eiseressen stellen in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
V. Beslissing van het Hof
A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Overwegende dat ingevolge de beslissing van het Arbitragehof, de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van een burgerlijke partij niet kan afhangen van de voorafgaande betekening van het cassatieberoep;
Dat het cassatieberoep te dezen derhalve ontvankelijk is, niettegenstaande het ontbreken van de betekening ervan;
B. Onderzoek van het middel
Overwegende dat artikel 21bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt:
“In de gevallen bedoeld in de artikelen 372 tot 377, 379, 380 en 409 van het Strafwetboek, begint de verjaringstermijn van de strafvordering pas te lopen vanaf de dag waarop het slachtoffer de leeftijd van achttien jaar bereikt.
In geval van correctionalisering van een misdaad bedoeld in het vorige lid, blijft de verjaringstermijn van de strafvordering die welke is bepaald voor een misdaad”;
Overwegende, eensdeels, dat uit de bepaling van het eerste lid van het vermelde artikel dat de verjaring van de strafvordering pas begint te lopen vanaf de dag waarop het slachtoffer de leeftijd van achttien jaar bereikt, volgt dat het enkel betrekking heeft op de daarin vermelde misdrijven in zoverre een minderjarige daarvan slachtoffer is;
Overwegende, anderdeels, dat uit de uitdrukkelijke verwijzing in het tweede lid van deze bepaling naar de misdaden bedoeld in het eerste lid, volgt dat het tweede lid enkel betrekking heeft op misdaden bedoeld in de artikelen 372 tot 377, 379, 380 en 409 Strafwetboek waarvan een minderjarige slachtoffer is;
Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat “de uitzondering op het principe zoals voorzien in het tweede lid van artikel 21bis van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, krachtens dewelke in geval van correctionalisering van een misdaad, de verjaringstermijn van tien jaar blijft gelden, hier niet van toepassing is, nu deze enkel slaat op misdrijven van seksueel misbruik op minderjarigen”, dat zij aldus hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de cassatieberoepen;
Veroordeelt de eiseressen in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van honderd en zeven euro achtentwintig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, en uitgesproken in openbare terechtzitting van twaalf oktober tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: ma, 24/05/2010 - 11:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.