-A +A

verkrachting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Verkrachting is de ongewenste penetratie van een lichaamsdeel (mond, vagina, anus) door een persoon middels een lichaamsdeel zoals penis, maar ook vinger, mond, hand, dan wel door een voorwerp.

Verkrachting is het ongewenst seksueel binnendringen in het lichaam door een andere persoon.

Bij dit seksueel binnendringen (seksuele penetratie) gaat het niet alleen om het gedwongen ondergaan van een geslachtsgemeenschap. Een verkrachting kan ook het ongewenst binnendringen zijn in anus of mond. De penetratie hoeft niet per se met de penis te worden uitgevoerd: binnendringen met vingers, voorwerpen of tong (tongzoenen) kan verkrachting opleveren. het binnendringen moet niet "volledig" (geslaagd) zijn. zie verkrachting en penetratie. Zowel mannen als vrouwen kunnen het slachtoffer zijn van een verkrachting. Ook tussen huwelijkspartners kan sprake zijn van verkrachting, aangezien partnerschap geen automatische toestemming tot seksuele handelingen betekent.

verzwarende omstandigheden: foltering (de wet 4 juli 1989) en opsluiting (artikel 376,2 strafwetboek)

Rechtspraak:

•• Cassatie 17 oktober 2007

Ontstentenis van toestemming bij het slachtoffer is een fundamenteel bestanddeel van het misdrijf verkrachting (1); instemmen met lichamelijke betrekkingen wil niet zeggen toestemmen in elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook (2).

(1) Pasin., 1989, II, pp. 1373, 1375, 1391 en 1402; SCHUIND, Traité pratique de droit criminel, dl. 1, aanvull. 12, p. 350.
(2) A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2005, p. 123, nr 157; O. BASTYNS, Droit pénal et procédure pénale, Kluwer, 2006, verbo "Le viol"; contra Brussel, 5 jan. 1999, J.T., 1999, p. 627.

•• Hof van Cassatie 25 september 2007, RW 2007-2008, 1505, NOOT S. Van Dromme – Afwezigheid van toestemming bij het misdrijf van verkrachting

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 maart 2007.

...

II. Beslissing van het Hof

...

Beoordeling

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van art. 375 en 483 Sw. De eiser betoogt dat de appelrechters hun beslissing dat het slachtoffer in de daad van seksuele penetratie niet heeft toegestemd, niet naar recht verantwoorden. Naar eisers mening laten de door de appelrechters vermelde feitelijke gegevens niet toe te besluiten tot het gebruik van geweld of bedreiging in de zin van art. 483 Sw., noch dat daaruit kan worden afgeleid dat de daad van seksuele penetratie mogelijk gemaakt is door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer.

3. Krachtens art. 375, eerste lid, Sw. is verkrachting elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt.

Art. 375, tweede lid, Sw. bepaalt dat er met name geen toestemming met de daad van seksuele penetratie is wanneer de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer. Wanneer één van deze voorwaarden is vervuld, wordt de persoon op wie de daad van seksuele penetratie wordt gesteld, geacht zijn toestemming niet te hebben verleend. Deze voorwaarden worden beperkend noch cumulatief opgesomd.

4. De appelrechters stellen onaantastbaar vast dat:

– de eiser met het slachtoffer over wie hij gezag had, tijdens de geïncrimineerde periode occasioneel samenwoonde;

– het slachtoffer moet worden beschouwd als licht mentaal gehandicapt (type 1), die in zekere mate het beroepsonderwijs kon volgen ondanks haar laag denkniveau en haar moeilijkheden om dreigende en gevaarlijke situaties te kunnen inschatten;

– het slachtoffer, dat zij geloofwaardig achten, verklaarde dat zij zich verzette tegen het kussen en dit ook trachtte te doen tijdens de vrijpartijen maar «niet kon reageren, zich verlamd voelde, niets durfde zeggen», omdat de eiser haar zou hebben gezegd dat als ze hiervan iets zou zeggen «er wat zou zwaaien»;

– het minderjarige slachtoffer de vrijpartijen en in het bijzonder de geslachtsgemeenschap als brutaal heeft ervaren (posttraumatische stoornis), zich bedreigd voelde en niets durfde zeggen. Zij was bovendien getuige van slagen die de eiser toebracht aan zijn vriendin, namelijk aan de tante van het slachtoffer.

De appelrechters oordelen dat op grond van die gegevens blijkt dat de eiser de geslachtsgemeenschap en de orale seks met de minderjarige wel degelijk afdwong en er geenszins kon van uitgaan dat het slachtoffer toestemming tot die geslachtsgemeenschap had verleend of zelfs kon verlenen.

5. Uit deze elementen hebben de appelrechters wettig kunnen afleiden dat het slachtoffer geen toestemming tot de daad van seksuele penetratie in de zin van art. 375, tweede lid, Sw. heeft gegeven.

Aldus verantwoorden zij hun beslissing dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting (bij gebrek aan toestemming van het slachtoffer) naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
 

zie ook: verkrachting en toestemming tot seks
...
 

•• Brussel 23 juni 1999, J. dr. jeun. 2000 (samenvatting), afl. 198, 43; , R.W. 1999-00 (verkort), 1138 , noot VANDEPLAS, A.

Verkrachting zoals door de strafwet omschreven, houdt in dat de dader van dit misdrijf penetreert, doordringt, binnendringt in het lichaam van een ander persoon die daar niet in toestemt. (art. 375 Sw.)

•• Brussel 8 april 1998, R.W. 1998-99, 505  noot VANDEPLAS, A. .


Over de tongkus en de seksuele penetratie

Wie een slachtoffer in het aangezicht grijpt en verwondt, terwijl hij zijn tong kwaadschiks in diens mond brengt, pleegt geen verkrachting of geen aanranding van de eerbaarheid, maar maakt zich schuldig aan opzettelijke slagen en verwondingen.
De verkrachting, die in art. 375 Sw. wordt omschreven als 'elke daad van seksuele penetratie', vereist niet dat er een seksueel orgaan wordt gepenetreerd.

zie ook: Hof van Beroep te Antwerpen, 30/06/2016, RW 2017-2018, 547: Een opgedrongen tongkus houdt geen seksuele penetratie in en kan derhalve niet worden beschouwd als verkrachting. Een dergelijke handeling kan echter wel worden beschouwd als een aanranding van de eerbaarheid, gepleegd met geweld of bedreiging.

contra:

• Brussel 8 april 1998, RW 1998-99, 505, noot A. Vandeplas, alsook de reactie op deze annotatie en het wederantwoord in RW 1998-99, 791;

• I. Delbrouck, «Aanranding van de eerbaarheid – het misdrijf» in Comm. Straf., Mechelen, Kluwer, p. 8, nr. 16;

• L. Stevens, Strafrecht en seksualiteit. De misdrijven inzake aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, ontucht, prostitutie, seksreclame, zedenschennis en overspel, Antwerpen, Intersentia, 2002, p. 453-454, nr. 412.

• Vgl. evenwel Cass. 26 maart 2014, RDP 2014, 803, conclusie advocaat-generaal R. Loop.

•• Corr. Brussel 23 februari 1988, J.L. 1988, 507, noot; , J.T. 1988, 344.

Verkrachting wordt gedefinieerd als elke daad van penetratie van het mannelijk lid, onwettig opgedrongen aan een vrouw of meisje en zonder haar toestemming. Anale aanranding (les faits de Sodomie) is in die definitie begrepen.

 

•• Luik 9 april 1992, J.L.M.B. 1993, 8 , Rev. dr. pén. 1993, 114.

Het misdrijf van verkrachting vereist een seksueel element dat wordt beoordeeld op grond van een objectief gegeven (m.n. wat men momenteel verstaat onder seksuele activiteit) evenals op basis van een subjectieve factor (de seksuele motivatie van de dader). Anale penetratie waartoe het slachtoffer niet heeft ingestemd maar waarbij geen seksuele drijfveer aanwezig was, kan niet worden aanzien als verkrachting. Het is een aanranding van de eerbaarheid met geweldpleging of bedreigingen.

•• Luik 25 april 1986, J.L. 1986, 663.

Er kan eenheid van opzet bestaan tussen verkrachtingen in 1982/1983 en aanranding van de eerbaarheid in 1984, op dezelfde persoon gepleegd. Niettegenstaande opslorping, dient de burgerlijke vordering behandeld te worden.

•• Corr. Brussel 5 januari 1999, J.T. 1999, 627.

Wanneer seksuele betrekkingen die plaatsvonden met toestemming van beide partners uitmonden in gedwongen betrekkingen, vormen de feiten niet het misdrijf van verkrachting maar kunnen, in voorkomend geval, het misdrijf uitmaken van slagen en verwondingen.

•• Jeugdrb. Veurne 25 juni 2004, T.G.R. - T.W.V.R. 2004, afl. 4, 327.

Seksuele penetratie bij een kind beneden de 14 jaar brengt een onweerlegbaar vermoeden mede van gebrek aan instemming en dient als verkrachting omschreven te worden.
Onoverwinnelijke dwaling sluit een fout in hoofde van de dader uit, en ligt aan de rand van de overmacht.
Een onoverwinnelijke dwaling kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden aanvaard, en is een feitenkwestie.
De loutere onwetendheid kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden aanvaard, zoals dwaling.
Voortgaan op de verklaring van de partner is geen onoverwinnelijke dwaling.

•• Jeugdrb. Bergen 22 juni 1996, J. dr. jeun. 1996 (verkort), 395.

Een minderjarige die zich heeft schuldig gemaakt aan verkrachting van een kind van 4 jaar en die een gevaar voor de samenleving vormt, moet aan het huis van arrest worden toevertrouwd voor een periode die niet langer dan 15 dagen mag duren.

• 
• K.I. Gent 31 maart 1995, T. Gez. 1997-98, 189, noot COLETTE-BASECQZ, N., HUSTIN-DENIES, N. .

Noot COLETTE-BASECQZ, N., HUSTIN-DENIES, N., Preuve par exploration corporelle et droits fondamentaux de l'enfant victime de l'infraction

De raadkamer beoordeelt niet de opportuniteit van een onderzoeksmaatregel; zij heeft enkel een marginale toetsing, waarbij zij het verzoek enkel mag afwijzen bij machtsafwending of machtsoverschrijding door de onderzoeksrechter. De verkrachting van een kind onder de 10 jaar is een zo zware beschuldiging dat een onderzoek aan het lichaam voor de openbaring van de waarheid noodzakelijk voorkomt.

•• Gent (4e k.) 3 oktober 2000, T.G.R. 2001, 60.


Opdat er sprake kan zijn van verkrachting, volstaat het dat er zich een vorm van penetratie heeft voorgedaan. Deze penetratie geschiedt niet alleen door geslachtsgemeenschap, maar kan ook met een ander instrument of middel geschieden. Bovendien moet de penetratie niet noodzakelijk volledig zijn.
De zwaarte van het misdrijf wordt versterkt omdat de dader voor de opvang van zijn slachtoffers instond en hij aldus misbruik heeft gemaakt van zijn gezag tegenover de kinderen.
Verkrachting op jonge leeftijd kan ook jaren later nog tot posttraumatische stressstoornissen leiden. Bijgevolg hebben het slachtoffer en haar ouders recht op een morele schadevergoeding.

•• Cass. AR 6738, 8 december 1981 (P. / D.S.), Arr. Cass. 1981-82, 483; , Bull. 1982, 476, noot; , Pas. 1982, I, 476, noot.

Verkrachting is een aanranding van de eerbaarheid met evenwel bijzondere bijkomende elementen die aan het feit een verschillend strafrechtelijk karakter verlenen.

•• Gent 29 januari 1996, T.G.R. 1996 (verkort), 45.

Gelet op de agressie en trauma's die een verkrachting veroorzaakt, is een vergoeding van 200.000 F passend. Ofschoon de kosten van bijstand door een advocaat meestal niet in aanmerking komen voor verhaal op de aansprakelijke derde, kunnen de kosten van de tussenkomst van de advocaat die zich niet louter beperkte tot juridische bijstand, maar ook voor de effectieve vertegenwoordiging, in aanmerking komen voor vergoeding.

•• Luik 15 januari 1997, KIDS III, 3.8.1.-E, 69.

De vader is veroordeeld voor de aantasting van de eerbaarheid en slagen en verwondingen, toegebracht aan zijn vier kinderen, alsook de verkrachting van twee van zijn kinderen. In voorliggend geval is de fysieke en psychische integriteit van het kind in gevaar. Het is noodzakelijk het kind weg te halen uit zijn familiaal milieu.
Alhoewel de ouders het bijstandsprogramma medeondertekend hebben, tonen de feiten aan dat het akkoord van de ouders niet spontaan en met vrije wilsinstemming tot stand kwam.
Art. 38 Decr. Fr. Gem. R. 4 maart 1991 kan dus toegepast worden; de twee toepassingsvoorwaarden, weigeren van hulpverlening en het gevaar voor de fysieke en psychische integriteit van het kind, zijn in casu aanwezig.

• • Antwerpen 25 maart 1994, Limb. Rechtsl. 1995, 43.

Maakt zich schuldig aan verkrachting met de verzwarende omstandigheid van opsluiting de dader welke zijn slachtoffer verkracht in een personenwagen terwijl hij haar vriend onder bedreiging van een vuurwapen verplicht om verder te rijden.
Aan het slachtoffer en haar vriend wordt elk een morele schadevergoeding van 500.000 F toegekend.
Tevens schadevergoeding voor verlies bij verkoop van het voertuig waarin de feiten zich hebben afgespeeld.
Afwijzing vordering tot vergoeding van de kosten van verdediging gezien de bijstand van een advokaat vrijblijvend is.
Vonnis a quo: Corr. Tongeren 23 december 1993, «Limb. Rechtsl.» 1995, 62.

De vordering van het slachtoffer om de dader te veroordelen tot het ondergaan van een aidstest wordt afgewezen daar het slachtoffer voorafgaandelijk aan de feiten reeds sedert meerdere jaren sexuele contacten had en zelf nooit een aidstest had ondergaan, zodat zij er 5 maanden na de feiten uit medisch oogpunt geen belang meer bij heeft.
Bovendien is in de huidige stand van de wetgeving de veroordeling van de beklaagden tot het ondergaan van een aidstest niet toegelaten.
Vonnis a quo: Corr. Tongeren 23 december 1993, «Limb. Rechtsl.» 1995, 62.

• Bergen 22 maart 1990, J.T. 1990 (verkort), 595.

Van wie het slachtoffer werd van een verkrachting kan zonder medische expertise worden aangenomen dat de seksuele agressie een psychologisch trauma heeft veroorzaakt. Deze psychische letsels geven recht op een vergoeding voor morele schade van 250.000 F ex aequo et bono begroot.

• • Cass. (2e k.) AR P.04.0595.F, 16 juni 2004 (B.K.B.D. e.a. / G.F.; M.B.A.)  N.C. 2006, afl. 2, 123; , Pas. 2004, afl. 5-6, 1048.

Een verkrachting kan tevens een aanranding van de eerbaarheid zijn. (Artt. 372, 373 en 374, Sw.).

•• Cass. AR P.93.1053.N, 28 september 1993 (T.), Arr. Cass. 1993, 772; , Bull. 1993, 763; , Pas. 1993, I, 763. Het onderscheid naar de leeftijd van het slachtoffer in art. 372, lid 1 en 375, lid 6 Sw. houdt geen wettelijk en niet weerlegbaar vermoeden in dat een minderjarige beneden de volle leeftijd van 16 jaar, die zulke aanranding van de eerbaarheid of verkrachting pleegt, handelt onder een morele dwang die hij niet kan weerstaan.

•• Brussel 7 maart 1995, R.W. 1995-96, 232; , K.I.D.S. III, 3.9.1, 27.

De publikatie en verspreiding van enigerlei beelden waaruit de identiteit kan blijken van het slachtoffer van aanranding van de eerbaarheid of verkrachting, bestraft door art. 378bis Sw., vereist geen bijzonder opzet. Onachtzaamheid als schuldvorm volstaat.
Het verbod omschreven in art. 378bis Sw. vermeldt geen beperking met betrekking tot diegenen voor wie de identiteit kan blijken. Zodra een persoon kan worden herkend bij waarneming van een beeld dat van hem wordt vertoond, staat uiteraard ook vast dat uit dat beeld de identiteit van deze persoon kan blijken.
Dader is hij die handelt als eindredacteur, wat o.m. inhoudt dat hij de instructies geeft tot het onherkenbaar maken van personen op de beeldband en de journalistieke verantwoordelijkheid draagt voor het programma waarin de beelden en de teksten worden verspreid. Hij werkt aan de strafbare verspreiding mee en verleent een zodanige hulp wat deze anders niet had kunnen worden gepleegd.
Dader is hij die de strafbare beelden heeft verwerkt in het programma waarin ze ter verspreiding werden opgenomen en ze heeft bewerkt ten einde de identiteit van het slachtoffer onherkenbaar te maken, zelfs al heeft hij geen bevoegdheid om op te treden bij het verspreiden zelf of al heeft hij de verspreiding zelf niet uitgevoerd. Hij heeft een hulp verleend ten einde de uiteindelijk gerealiseerde verspreiding mogelijk te maken.

•• Rb. Brussel (54e k.) 26 januari 2004, Journ. proc. 2004, afl. 474, 29.

Opdat er sprake zou zijn van verkrachting moet het bewijs geleverd worden dat het slachtoffer niet toegestemd heeft. In casu hebben de slachtoffers enkel ingestemd met de penetraties omdat ze dachten dat deze uitgevoerd werden in het kader van een gynaecologisch onderzoek door een gynaecoloog. Doordat de beklaagde zijn slachtoffers liet geloven dat hij een gerenommeerde gynaecoloog was, heeft hij penetraties uitgevoerd via een list zodat hun toestemming gebrekkig was.
Voor de bepaling van de straf moet rekening gehouden worden met het zware karakter van de feiten aangezien de beklaagde misbruik gemaakt heeft van de goedgelovigheid en het vertrouwen van zijn slachtoffers om zijn droombeelden te bevredigen evenals met de gevolgen die zijn gedrag had kunnen meebrengen voor de gezondheid van zijn slachtoffers aangezien er zich ziekten hadden kunnen voordoen zonder dat deze naar behoren behandeld konden worden.
Eveneens moet rekening gehouden worden met het trauma dat de beklaagde veroorzaakt heeft bij zijn slachtoffers, die op beledigende wijze misleid werden omtrent de hoedanigheid van de beklaagde en het doel van de pseudo-onderzoeken. Een afschrikkende straf (een gevangenisstraf van vier jaar) voor de wetsovertreding, met een gedeeltelijk uitstel dat het gerechtelijk verleden van de beklaagde toelaat, zal de beklaagde doen inzien dat dergelijke ontoelaatbare en traumatiserende handelingen noodzakelijkerwijze bestraft moeten worden.

•• Rb. Doornik 30 juni 1997, E.J. 1998 (verkort), 92, noot COENE, E, Geloof als echtscheidingsgrond ;  J.L.M.B. 1997, 1584 e

De verkrachting door de echtgenoot op de persoon van de nicht van zijn echtgenote tijdens het samenleven van de echtgenoten maakt tegelijk overspel en gewelddaden, mishandelingen of grove beledigingen

•• Rb. Kortrijk 17 oktober 1995, A.J.T. 1995-96, 472, noot VERBRUGGEN, F., Gebrek aan toestemming als constitutief bestanddeel bij verkrachting van een mentaal gehandicapte minderjarige
 .
De kwalificatie 'geweld' bij het misdrijf van verkrachting vereist niet dat het feit gepaard gaat of voorafgegaan wordt door slagen of bedreigingen. Onder 'geweld' wordt de omstandigheid begrepen dat het slachtoffer niet in vrijheid kan beslissen, omdat die omstandigheid (in concreto) op het slachtoffer op dat ogenblik een dermate invloed had.
 
•• Rb. Hasselt 19 november 1999, Journ. proc. 2000, afl. 386, 31.

Het feit dat de morele schade eveneens zou volgen uit een stoornis in de persoonlijkheidsstructuur van de burgerlijke partij zelf, deels veroorzaakt door een affectieve verwaarlozing, deels door de door de beklaagde gepleegde feiten, wordt niet in overweging genomen aangezien de rechtbank rekening houdt met een morele schade die het gevolg is van herhaalde verkrachtingen in de loop van de jaren. De rechtbank meent geen rekening te moeten houden met een milderende werking door het verstrijken van de tijd en meent uitsluitend de morele schade in overweging te moeten nemen op het ogenblik van de door de beklaagde gepleegde feiten alsook tijdens de daaropvolgende periode, evenals de blijvende ongeschiktheid van 5 % die het rechtstreekse gevolg is van de feiten.
De rechtbank evalueert de schade van de burgerlijke partij derhalve als volgt :
- morele schade ingevolge de verkrachtingen: gelet op de lange periode en het geweld, alsook de ontreddering van de burgerlijke partij wanneer zij de gezinswoning verliet om eindelijk opgevangen te worden: 350.000 BEF. De vergoedende intrest wordt toegekend vanaf de datum van het laatste feit.
- morele schade voor blijvende arbeidsongeschiktheid van 5 %: er wordt rekening gehouden met de invloed van deze 5 % op de arbeidsgeschiktheid, alsook met de morele druk en met de aanpassingsmoeilijkheden, dit vanuit het oogpunt van een positieve ontwikkeling met het doel haar te helpen haar latere depressies het hoofd te bieden: 40.000 BEF per punt, hetzij 200.000 BEF. De vergoedende intrest wordt toegekend vanaf de datum van consolidatie. De kosten van het deskundigenonderzoek ten bedrage van 25.000 BEF zijn eveneens voor rekening van de beklaagde.
 
 • Assisen Brabant 8 februari 1993, Rev. dr. pén. 1993, 689.

Het verzoek van de beschuldigde dat het hof van assisen de zaak met gesloten deuren behandelt voor het geheel der debatten betreffende de daden van verkrachting die hem worden verweten, wordt niet aanvaard daar de toepassing van de regel inzake de openbaarheid, waarvan slechts kan worden afgeweken in geval van volstrekte noodzakelijkheid, geen nadeel toebrengt aan het gevoels- en het gezinsleven van de beschuldigde en het altijd mogelijk blijft een gedeeltelijk sluiten der deuren uit te spreken telkens de noodzaak daartoe zich doet voelen.

•• Mil. Ger. 23 oktober 1980, R.G.A.R. 1981, nr. 10.405.

De schadevergoeding die aan de moeder toekomt ingevolge de schok die zij onderging bij het vernemen dat haar 9-jarig kind verkracht werd en in acht genomen haar taak als moeder die door die omstandigheden moeilijker is geworden, gelet op het trauma van haar dochter, kan op 100.000 F. geraamd worden. Het komt billijk voor op een bedrag van 100.000 F. te bepalen de vergoeding voor de morele schade van een 9-jarig kind dat diep getraumatiseerd werd ingevolge een verkrachting
 

•• Brussel 8 mei 1985, J.T. 1986, 252, noot VAN GYSEL, A.; , R.G.A.R. 1985, nr. 10993.

In een psychiatrische kliniek verkracht een verpleger een patiënte. De aansprakelijkheid van de aansteller heeft betrekking op alle fouten van de aangestelde, dus ook de intentionele fouten, maar op voorwaarde dat de aangestelde heeft gehandeld in de functie waartoe de aansteller hem heeft geëngageerd. Het is voldoende dat de schadeverwekkende daad verband heeft met die functie al is dit verband onrechtstreeks of occasioneel. De psychiatrische kliniek is dan ook verantwoordelijk voor de schade veroorzaakt door de verkrachting.

•• Brussel 8 mei 1985, J.T. 1986, 252, noot VAN GYSEL, A., La responsabilité du violeur pour les frais d'entretien et d'éducation de l'enfant né de son crime
 ; , R.G.A.R. 1985, nr. 10.997.

Het slachtoffer van een verkrachting heeft recht op basis van art. 1382 B.W. op vergoeding van de schade die voortvloeit uit die verkrachting, met inbegrip van de kosten van onderhoud en opvoeding van het kind dat uit de verkrachting werd geboren; de aansprakelijke moet die schadevergoeding dus geenszins betalen op basis van zijn onderhoudsplicht jegens het kind. De moeder krijgt een onderhoudsgeld van 8.000 F. per maand tot het kind 21 jaar is. Als morele schadevergoeding krijgt zij 550.000 F.
[Vonnis a quo: Corr. Nijvel 8 juni 1984, «R.G.A.R.» 1985. nr. 10.982]


•• Brussel 21 juni 1979, Rev. dr. pén. 1980, 272, noot MARCHAL, A.Verkrachting tussen echtgenoten is mogelijk.

•• Brussel 4 juni 1979, Rev. trim. dr. fam. 1980, 159, noot MAINGAIN, B.

Verkrachting tussen echtgenoten is mogelijk

•• Antwerpen 5 juni 2002, T. Strafr. 2003, afl. 1, 33.

Wanneer het slachtoffer van een verkrachting meer dan vijftien jaar oud is, dient het door de rechtbank onder eed te worden verhoord. Het horen 'ten informatieve titel' buiten eed heeft de nietigheid van de afgelegde verklaring tot gevolg. Ook het vonnis dat op deze verklaring steunt, is nietig .

•• Gent 6 november 2003, E.J. 2004, afl. 3, 40, noot VANBOCKRIJCK, H.De Wet Partnergeweld getoetst aan de praktijk
De Wet Partnergeweld van 28 januari 2003 is ook van toepassing op toekomstige rechtsgevolgen van feiten die zijn ontstaan onder de oude wet.
Een eenzijdige verklaring van het slachtoffer, aangevuld met medische attesten die haar versie ondersteunen, vormt voldoende bewijs dat er minstens ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de andere echtgenoot voorhanden zijn.
Voor de invulling van het begrip 'uitzonderlijke omstandigheden' kan worden teruggegrepen naar de klassieke criteria die normaliter zouden leiden tot toewijzing van de gezinswoning aan de andere echtgenoot dan het slachtoffer, op voorwaarde dat deze zwaar doorwegen en zo uitzonderlijk zijn dat zij rechtvaardigen van de wettelijke regeling af te wijken.

•• Gent 23 september 1997, A.J.T. 1997-98, 260, noot ARNOU, P.; , R.W. 1997-98, 855  noot VANDEPLAS, A., Noot ARNOU, P., Sadomasochisme: wel ontucht, geen slagen?

De ongedwongen en voorafgaande toestemming van het slachtoffer kan rechtvaardigend werken ten aanzien van lichte slagen en/of verwondingen aan meerderjarigen toegebracht in het kader van een sadomasochistische beleving van de seksualiteit, nu elkeen in beperkte mate en ter bereiking van een redelijk doel over zijn lichamelijke integriteit beschikt.

•• Hof Mensenrechten (4e afd.) nr. 51773/99, 18 februari 2003 (Schaal / Luxemburg) http://www.echr.coe.int (12 september 2005); , Rev. trim. dr. fam. 2005, afl. 2, 543.

In afwachting van de uitkomst van een strafrechtelijke procedure die is ingesteld tegen een ouder wegens verkrachting van zijn kind, verantwoordt het belang van laatstgenoemde de schorsing van het bezoekrecht van de ouder. De inmenging in het recht op de eerbieding van het gezinsleven van de vervolgde ouder is bijgevolg tot aan de uitkomst van de strafprocedure noodzakelijk voor de bescherming van de rechten van anderen. Het belang van het kind vereist evenwel ook dat de familieband zich opnieuw kan ontwikkelen zodra de maatregelen niet langer noodzakelijk blijken. Onredelijke vertragingen in de strafprocedure hebben echter een rechtstreekse weerslag op het recht op een gezinsleven van verzoeker. Aangezien de binnenlandse overheden niet alle nodige maatregelen hebben genomen die men redelijkerwijze van hen kon eisen om het gezinsleven van verzoeker met zijn kind in het belang van deze twee personen te herstellen, is art. 8 E.V.R.M. geschonden.
Vanaf de beslissing van vrijspraak moet de burgerlijke rechter met voldoende spoed handelen om een snelle afwikkeling van de procedure te garanderen, waarbij de inmenging in het recht op de eerbiediging van het gezinsleven niet langer noodzakelijk blijkt voor de bescherming van de rechten van het kind. Geen enkele schending van het E.V.R.M. wordt vastgesteld aangezien geen enkele periode van inactiviteit te noteren valt.

•• Hof Mensenrechten (1e afd.) nr. 23969/94, 25 juli 2000 (Mattoccia / Italië) http://www.echr.coe.int (11 augustus 2000); , NJB (Ned.) 2000 (weergave), 1836 en http://www.njb.nl (7 december 2000).

Verzoeker, beschuldigd van verkrachting, klaagt over de schending van zijn recht op gedetailleerde wijze te worden ingelicht over de aard en de oorzaak van de tegen hem uitgebrachte aanklacht en van zijn recht om over de tijd en de faciliteiten te beschikken, nodig voor de voorbereiding van zijn verdediging.
De billijkheid van de procedure moet globaal worden onderzocht, met inbegrip van de manier waarop bewijsmiddelen worden naar voor gebracht. De beklaagde moet worden ingelicht 'in de kortst mogelijke tijd' en 'op gedetailleerde wijze' over de oorzaak van de aanklacht, dit is, de materiële feiten die hem worden ten laste gelegd en waarop de aanklacht steunt, en de aard van die aanklacht, dit wil zeggen, de juridische kwalificering die aan deze feiten wordt gegeven. De uitgebreidheid van de door deze beschikking bedoelde 'gedetailleerde' inlichtingen verschilt uiteraard naargelang de specifieke omstandigheden van de zaak. De beklaagde moet echter in elk geval over voldoende elementen beschikken om volledig te begrijpen wat hem wordt ten laste gelegd, met het oog op het voorbereiden van zijn verdediging. In dit opzicht moet het aangepaste karakter van de inlichtingen beoordeeld worden in verband met art. 6.3.d E.V.R.M. Hetzelfde geldt voor de wijzigingen in de aanklacht.
Terzake is het waar dat processen met betrekking tot verkrachting gevoelige en belangrijke kwesties oproepen waarover de samenleving ten zeerste bekommerd is, en dat de vervolgingsoverheid en de rechtbanken dikwijls te maken hebben met ernstige moeilijkheden om bewijzen te verzamelen gedurende de procedure, wanneer het gaat om zeer jonge kinderen of geestesgestoorden. Maar toch werd onderhavige zaak niet billijk behandeld.
Rekening houdend met de vaagheid van de aanklacht en de talrijke wijzigingen eraan aangebracht, en in het licht van de lange periode die is verstreken tussen de verwijzing naar de rechtbank en het proces (meer dan drie en een half jaar), in tegenstelling met de snelheid van het proces (minder dan een maand), eiste de billijkheid, dat aan verzoeker meer mogelijkheden en faciliteiten zouden worden geboden om zich concreet en doeltreffend te verdedigen, om bvb. getuigen te horen om een alibi op te stellen.
Art. 6.1, 6.3 a) en 6.3.d E.V.R.M. werden geschonden.

•• Hof Mensenrechten 22 november 1995 (C.R. / Verenigd Koninkrijk) http://www.echr.coe.int (25 juni 1999); , Publ. Eur. Court H.R. 1996, Serie A, nr. 335-C.

Zoals uit zijn voorwerp en zijn doel voortvloeit, dient art. 7 E.V.R.M. zo gelezen en toegepast te worden dat er een doelmatige bescherming wordt gewaarborgd tegen willekeurige vervolgingen, veroordelingen en straffen. De progressieve evolutie van het strafrecht door de gerechtelijke interpretatie, de verduidelijking en de aanpassing aan de veranderingen van de toestand zijn niet in strijd met vorenbedoeld art. 7, op voorwaarde dat zij te verenigen zijn met de aard van de overtreding en redelijk te voorzien zijn. In casu lagen de beslissingen van de 'Court of Appeal' en van de 'Chamber of Lords', waarbij de schuld van verzoeker wegens poging tot verkrachting op zijn echtgenote wordt bevestigd, in het verlengstuk van een tendens in de evolutie van de rechtspraak, waarbij de immuniteit van de echtgenoot in geval van verkrachting wordt opgeheven, en vertonen zij een samenhang met de aard zelf van de in de Engelse wet inzake sexuele misdrijven bepaalde overtreding, zodat de gerechtelijke erkenning van het niet-bestaan van een immuniteit voortaan een in redelijkheid te voorziene evolutiegraad van de wet uitmaakt.
De op zichzelf vernederende aard van de verkrachting is zo vanzelfsprekend dat het kennis nemen van de schuld wegens poging tot verkrachting op de echtgenote niet in strijd is met het voorwerp en het doel van vorenbedoeld art. 7. Anderzijds strookt de verwerping van de immuniteit van de echtgenoot met een beschaafde opvatting van het huwelijk en met de fundamentele doelstelling van het Verdrag, zijnde de eerbied van de menselijke waardigheid en vrijheid.

•• Arbh. Luik (5e k.) nr. 32.443/04, 13 september 2006, J.T.T. 2007, afl. 968, 60

Het feit voor een werknemer veroordeeld te zijn bij een uitspraak bekleed met de kracht van het gewijsde tot een gevangenisstraf wegens verkrachting en aanranding van de eerbaarheid van een minderjarige is een dringende reden.



Uitreksel uit het strafwetboek

Art. 375
[ [Verkrachting is elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt.
Toestemming is er met name niet wanneer de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer.
Met opsluiting [van vijf jaar tot tien jaar] wordt gestraft ieder die de misdaad van verkrachting pleegt.]

verkrachting op minderjarigen

[Wordt de misdaad gepleegd op de persoon van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar, dan wordt de schuldige gestraft met [opsluiting] van tien jaar tot vijftien jaar.]

Wordt de misdaad gepleegd op de persoon van een kind boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden die van zestien jaar, dan wordt de schuldige gestraft met [opsluiting] van vijftien jaar tot twintig jaar.
[Als verkrachting met behulp van geweld wordt beschouwd elke daad van seksuele penetratie, van welke aard en met welk middel ook, die gepleegd wordt op de persoon van een kind dat de volle leeftijd van veertien jaar niet heeft bereikt. In dat geval is de straf [opsluiting] van vijftien tot twintig jaar.]
De straf is [opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar], indien het kind geen volle tien jaar oud is.]


Art. 376  (gevolgen en omstandigheden)

[Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid de dood veroorzaakt van de persoon op wie zij is gepleegd, wordt de schuldige gestraft met [opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar].
[Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid is voorafgegaan door of gepaard gegaan met de handelingen bedoeld in artikel 417ter, eerste lid, of opsluiting, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar.]
Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid gepleegd is op een persoon die ingevolge zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid bijzonder kwetsbaar is, of onder bedreiging van een wapen of een op een wapen gelijkend voorwerp, wordt de schuldige gestraft met [opsluiting] van tien tot vijftien jaar.]


Art. 377 (verwantschap dader slachtoffer)
[Is de schuldige een bloedverwant in de opgaande lijn [of adoptant]; behoort hij tot degenen die over het slachtoffer gezag hebben; heeft hij misbruik gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen; is hij een geneesheer, heelkundige, verloskundige of officier van gezondheid aan wie het kind ter verzorging was toevertrouwd; of is de schuldige, wie hij ook zij, in de gevallen van de artikelen 373, 375 en 376, door een of meer personen geholpen in de uitvoering van de misdaad of van het wanbedrijf [; of is hij hetzij de broer of de zus van het minderjarige slachtoffer of ieder ander persoon die een gelijkaardige positie heeft in het gezin, hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over dat slachtoffer gezag heeft,] dan worden de straffen bepaald als volgt:] [In de gevallen van artikel 372, eerste lid, en van artikel 373, tweede lid, is de straf [opsluiting] van tien jaar tot vijftien jaar;]
[...]
[In het geval van artikel 373, eerste lid, wordt het minimum van de gevangenisstraf verdubbeld;]
[In de gevallen van artikel 373, derde lid, 375, vierde lid, en 376, derde lid, bedraagt de [opsluiting] ten minste twaalf jaar;]
[In het geval van artikel 375, eerste lid, bedraagt de opsluiting ten minste zeven jaar;]
[In de gevallen van [artikel 375, vijfde en zesde lid, en van artikel 376, tweede lid]bedraagt de [opsluiting] ten minste zeventien jaar.]
[...]


[Art. 377bis verkrachting - racisme - discriminatie
[In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst.]]

[Art. 378bis kenbaar maken van verkrachting en aanranding op de eerbaarheid
[Publicatie en verspreiding door middel van boeken, pers, film, radio, televisie of op enige andere wijze, van teksten, tekeningen, foto's, enigerlei beelden of geluidsfragmenten waaruit de identiteit kan blijken van het slachtoffer van een in dit hoofdstuk genoemd misdrijf zijn verboden, tenzij met schriftelijke toestemming van het slachtoffer of met toestemming, ten behoeve van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek, van de procureur des Konings of van de met het onderzoek belaste magistraat.
Overtredingen van dit artikel worden gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van driehonderd [euro] tot drieduizend [euro] of met een van die straffen alleen.]]

Rechtspraak:

•• Brussel 23 juni 1999, J. dr. jeun. 2000 (samenvatting), afl. 198, 43; , R.W. 1999-00 (verkort), 1138 , noot VANDEPLAS, A.

Verkrachting zoals door de strafwet omschreven, houdt in dat de dader van dit misdrijf penetreert, doordringt, binnendringt in het lichaam van een ander persoon die daar niet in toestemt. (art. 375 Sw.)

•• Brussel 8 april 1998, R.W. 1998-99, 505, Noot VANDEPLAS, A., Over de tongkus en de seksuele penetratie

Wie een slachtoffer in het aangezicht grijpt en verwondt, terwijl hij zijn tong kwaadschiks in diens mond brengt, pleegt geen verkrachting of geen aanranding van de eerbaarheid, maar maakt zich schuldig aan opzettelijke slagen en verwondingen.
De verkrachting, die in art. 375 Sw. wordt omschreven als 'elke daad van seksuele penetratie', vereist niet dat er een seksueel orgaan wordt gepenetreerd.

•• Gent (4e k.) 3 oktober 2000, T.G.R. 2001, 60.

Opdat er sprake kan zijn van verkrachting, volstaat het dat er zich een vorm van penetratie heeft voorgedaan. Deze penetratie geschiedt niet alleen door geslachtsgemeenschap, maar kan ook met een ander instrument of middel geschieden. Bovendien moet de penetratie niet noodzakelijk volledig zijn.
De zwaarte van het misdrijf wordt versterkt omdat de dader voor de opvang van zijn slachtoffers instond en hij aldus misbruik heeft gemaakt van zijn gezag tegenover de kinderen.
Verkrachting op jonge leeftijd kan ook jaren later nog tot posttraumatische stressstoornissen leiden. Bijgevolg hebben het slachtoffer en haar ouders recht op een morele schadevergoeding.

•• Corr. Brussel 23 februari 1988, J.L. 1988, 507, noot; , J.T. 1988, 344.

Verkrachting wordt gedefinieerd als elke daad van penetratie van het mannelijk lid, onwettig opgedrongen aan een vrouw of meisje en zonder haar toestemming. Anale aanranding (les faits de Sodomie) is in die definitie begrepen.

•• Gent 29 januari 1996, T.G.R. 1996 (verkort), 45.

Gelet op de agressie en trauma's die een verkrachting veroorzaakt, is een vergoeding van 200.000 F passend. Ofschoon de kosten van bijstand door een advocaat meestal niet in aanmerking komen voor verhaal op de aansprakelijke derde, kunnen de kosten van de tussenkomst van de advocaat die zich niet louter beperkte tot juridische bijstand, maar ook voor de effectieve vertegenwoordiging, in aanmerking komen voor vergoeding.

 •
• Antwerpen 29 juni 2004, N.C. 2007, afl. 1, 64, noot DIERICKX, A

De vulgaire sekspraat, het seksueel uitdagend gedrag en de vraag om te vrijen van het slachtoffer zijn slechts de uiting van haar abnormaliteit of onvolwaardigheid, i.e. een borderline persoonlijkheidsstoornis en lage intellectuele vermogens op sociaal vlak, en houden geen geldige toestemming in met de seksuele penetraties (art. 375 Sw.).
Uit de feiten kan worden afgeleid dat deze onvolwaardigheid voor de beklaagden zichtbaar was en dat ze niet dwaalden omtrent de afwezigheid van een geldige toestemming.

•• Antwerpen 25 maart 1994, Limb. Rechtsl. 1995, 43.

Maakt zich schuldig aan verkrachting met de verzwarende omstandigheid van opsluiting de dader welke zijn slachtoffer verkracht in een personenwagen terwijl hij haar vriend onder bedreiging van een vuurwapen verplicht om verder te rijden.
Aan het slachtoffer en haar vriend wordt elk een morele schadevergoeding van 500.000 F toegekend.
Tevens schadevergoeding voor verlies bij verkoop van het voertuig waarin de feiten zich hebben afgespeeld.
Afwijzing vordering tot vergoeding van de kosten van verdediging gezien de bijstand van een advokaat vrijblijvend is. (In de huidige stand van de wetgeving zou vanaf 1 januari 2008 het slachtoffer dat zich laat bijstaan door een advocaat wel aanspraak kunnen maken op een rechtsplegingsvergoeding).
Vonnis a quo: Corr. Tongeren 23 december 1993, «Limb. Rechtsl.» 1995, 62.

De vordering van het slachtoffer om de dader te veroordelen tot het ondergaan van een aidstest wordt afgewezen daar het slachtoffer voorafgaandelijk aan de feiten reeds sedert meerdere jaren sexuele contacten had en zelf nooit een aidstest had ondergaan, zodat zij er 5 maanden na de feiten uit medisch oogpunt geen belang meer bij heeft.
Bovendien is in de huidige stand van de wetgeving de veroordeling van de beklaagden tot het ondergaan van een aidstest niet toegelaten.
Vonnis a quo: Corr. Tongeren 23 december 1993, «Limb. Rechtsl.» 1995, 62.

• • Rb. Brussel (54e k.) 26 januari 2004, Journ. proc. 2004, afl. 474, 29.

Opdat er sprake zou zijn van verkrachting moet het bewijs geleverd worden dat het slachtoffer niet toegestemd heeft. In casu hebben de slachtoffers enkel ingestemd met de penetraties omdat ze dachten dat deze uitgevoerd werden in het kader van een gynaecologisch onderzoek door een gynaecoloog. Doordat de beklaagde zijn slachtoffers liet geloven dat hij een gerenommeerde gynaecoloog was, heeft hij penetraties uitgevoerd via een list zodat hun toestemming gebrekkig was.
Voor de bepaling van de straf moet rekening gehouden worden met het zware karakter van de feiten aangezien de beklaagde misbruik gemaakt heeft van de goedgelovigheid en het vertrouwen van zijn slachtoffers om zijn droombeelden te bevredigen evenals met de gevolgen die zijn gedrag had kunnen meebrengen voor de gezondheid van zijn slachtoffers aangezien er zich ziekten hadden kunnen voordoen zonder dat deze naar behoren behandeld konden worden.
Eveneens moet rekening gehouden worden met het trauma dat de beklaagde veroorzaakt heeft bij zijn slachtoffers, die op beledigende wijze misleid werden omtrent de hoedanigheid van de beklaagde en het doel van de pseudo-onderzoeken. Een afschrikkende straf (een gevangenisstraf van vier jaar) voor de wetsovertreding, met een gedeeltelijk uitstel dat het gerechtelijk verleden van de beklaagde toelaat, zal de beklaagde doen inzien dat dergelijke ontoelaatbare en traumatiserende handelingen noodzakelijkerwijze bestraft moeten worden.

•• Corr. Antwerpen 28 maart 2003, RABG 2005, afl. 16, 1534, noot MELIS, B. .

Kan men na de toestemming nog van verkrachting spreken? Eens ja, altijd ja!?
Een aanvankelijke toestemming tot orale seks impliceert geenszins een akkoord tot het hebben van andere geslachtsbetrekkingen.

•• Corr. Brussel 5 januari 1999, J.T. 1999, 627.

Wanneer seksuele betrekkingen die plaatsvonden met toestemming van beide partners uitmonden in gedwongen betrekkingen, vormen de feiten niet het misdrijf van verkrachting maar kunnen, in voorkomend geval, het misdrijf uitmaken van slagen en verwondingen.

• Rb. Kortrijk 17 oktober 1995, A.J.T. 1995-96, 472, noot VERBRUGGEN, F. .

Gebrek aan toestemming als constitutief bestanddeel bij verkrachting van een mentaal gehandicapte minderjarige

De kwalificatie 'geweld' bij het misdrijf van verkrachting vereist niet dat het feit gepaard gaat of voorafgegaan wordt door slagen of bedreigingen. Onder 'geweld' wordt de omstandigheid begrepen dat het slachtoffer niet in vrijheid kan beslissen, omdat die omstandigheid (in concreto) op het slachtoffer op dat ogenblik een dermate invloed had.

•• Brussel 7 maart 1995, R.W. 1995-96, 232; , K.I.D.S. III, 3.9.1, 27.

De publikatie en verspreiding van enigerlei beelden waaruit de identiteit kan blijken van het slachtoffer van aanranding van de eerbaarheid of verkrachting, bestraft door art. 378bis Sw., vereist geen bijzonder opzet. Onachtzaamheid als schuldvorm volstaat.
Het verbod omschreven in art. 378bis Sw. vermeldt geen beperking met betrekking tot diegenen voor wie de identiteit kan blijken. Zodra een persoon kan worden herkend bij waarneming van een beeld dat van hem wordt vertoond, staat uiteraard ook vast dat uit dat beeld de identiteit van deze persoon kan blijken.
Dader is hij die handelt als eindredacteur, wat o.m. inhoudt dat hij de instructies geeft tot het onherkenbaar maken van personen op de beeldband en de journalistieke verantwoordelijkheid draagt voor het programma waarin de beelden en de teksten worden verspreid. Hij werkt aan de strafbare verspreiding mee en verleent een zodanige hulp wat deze anders niet had kunnen worden gepleegd.
Dader is hij die de strafbare beelden heeft verwerkt in het programma waarin ze ter verspreiding werden opgenomen en ze heeft bewerkt ten einde de identiteit van het slachtoffer onherkenbaar te maken, zelfs al heeft hij geen bevoegdheid om op te treden bij het verspreiden zelf of al heeft hij de verspreiding zelf niet uitgevoerd. Hij heeft een hulp verleend ten einde de uiteindelijk gerealiseerde verspreiding mogelijk te maken.

•• Luik (16e k.) 2 oktober 2003, J.L.M.B. 2005, afl. 11, 459 en noot DERRE, S., Peut-on encore parler de mineurs délinquants? A propos des présomptions des articles 372, alinéa premier, et 375, alinéa 6, du code pénal et 36, 4º, de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse

Het onderscheid dat wordt gemaakt naargelang de leeftijd van het slachtoffer door artikel 372, lid 1, en artikel 375, lid 6, Sw. betekent niet dat er sprake is van een correlatief vermoeden volgens hetwelk een minderjarige die de volle leeftijd van zestien of veertien jaar nog niet heeft bereikt en die een aanranding van de eerbaarheid of een verkrachting pleegt, wegens zijn leeftijd, zou hebben gehandeld onder een morele dwang waaraan hij niet kon weerstaan en die het morele element vereist voor de vaststelling van een als misdrijf omschreven feit zou teniet doen.
De beoordeling van het moreel element dat het voorwerp uitmaakt van een als misdrijf omschreven feit gepleegd door een minderjarige past in de ratio legis van de Jeugdbeschermingswet.
Ook al voert deze wet een wettelijk vermoeden van afwezigheid van onderscheidingsvermogen in in hoofde van de delinquente minderjarige, dit heeft als enig gevolg dat er hem geen straf wordt opgelegd. Dit vermoeden werkt niet door op de beoordeling van de gronden en de aard van de handeling, maar heeft enkel betrekking op de behandeling die erin bestaat hun een maatregel en geen straf op te leggen.
Dit vermoeden mag niet worden gelijkgesteld met het vermoeden van geen vermogen des onderscheids van het kind dat verhindert dat de handeling die objectief gezien onwettig is een als misdrijf omschreven feit uitmaakt.

•• Luik 9 april 1992, J.L.M.B. 1993, 8  , Rev. dr. pén. 1993, 114.

Het misdrijf van verkrachting vereist een seksueel element dat wordt beoordeeld op grond van een objectief gegeven (m.n. wat men momenteel verstaat onder seksuele activiteit) evenals op basis van een subjectieve factor (de seksuele motivatie van de dader). Anale penetratie waartoe het slachtoffer niet heeft ingestemd maar waarbij geen seksuele drijfveer aanwezig was, kan niet worden aanzien als verkrachting. Het is een aanranding van de eerbaarheid met geweldpleging of bedreigingen.

•• Jeugdrb. Veurne 25 juni 2004, T.G.R. - T.W.V.R. 2004, afl. 4, 327.

Seksuele penetratie bij een kind beneden de 14 jaar brengt een onweerlegbaar vermoeden mede van gebrek aan instemming en dient als verkrachting omschreven te worden.
Onoverwinnelijke dwaling sluit een fout in hoofde van de dader uit, en ligt aan de rand van de overmacht.
Een onoverwinnelijke dwaling kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden aanvaard, en is een feitenkwestie.
De loutere onwetendheid kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden aanvaard, zoals dwaling.
Voortgaan op de verklaring van de partner is geen onoverwinnelijke dwaling.

•• Hoge Raad (Ned.) 16 juni 1987, NJ (Ned.) 1988, 667, noot GEM.

Er kan slechts sprake zijn van 'dwang' in de zin van verkrachting (art. 242 Sr. Ned.) wanneer het (eventueel voorwaardelijk) opzet van de beklaagde mede omvat dat hij de vrouw geslachtsgemeenschap doet ondergaan tegen haar wil in. In het algemeen zal het bestaan van dat opzet voortvloeien uit het geweld of de bedreiging met geweld, maar er kunnen zich omstandigheden voordoen die een uitzondering op de regel uitmaken, in casu een langdurende relatie (buiten huwelijk) tussen de beklaagde en het slachtoffer.

•• Corr. Brussel 9 april 1998, J.L.M.B. 1998, 756  , J.T. 1998, 530; , Journ. proc. 1998, afl. 348, 22, noot MESSINE, J., MESSINE, F.,  L'action civile de la victime contre le commettant de l'auteur de l'infraction ; , T.B.B.R. 1998 (verkort), 258.

De wereldlijke hoven en rechtbanken zijn bevoegd om in het canonieke recht de bevoegdheid van de betrokken partijen na te trekken, wanneer dat noodzakelijk blijkt om een beslissing te treffen, zonder evenwel een oordeel te mogen vellen aangaande de aldus in de openbaarheid gebrachte regels.

Wanneer de tenlasteleggingen zoals vermeld in de dagvaarding, zijn bewezen en alle misdrijven die erin in aanmerking worden genomen, een collectief misdrijf uitmaken, moet er bij de bepaling van de op te leggen straf enerzijds rekening worden gehouden met de lange periode van misdadigheid en de buitengewone ernst van de gepleegde feiten, en anderzijds met de houding van de hiërarchische oversten van de beklaagde.

Het is het bestaan van een band van ondergeschiktheid tussen twee personen dat het mogelijk maakt de ene aan te wijzen als de aansteller van de andere. Dat verband bestaat vanaf het ogenblik dat een persoon in feite zijn gezag en toezicht kan uitoefenen op de daden van een andere persoon. Het is niet noodzakelijk dat de aansteller zijn prerogatieven effectief heeft uitgeoefend opdat art. 1384, lid 3 B.W. van toepassing zou zijn.
Het volstaat immers dat hij de mogelijkheid heeft gehad aldus te handelen.
Uit de Wetten van 18 germinal jaar X en van 26 messidor jaar IX, die tot op heden niet blijken te zijn opgeheven, evenals uit het Wetboek van canoniek recht van 1983 blijkt dat de pastoors hun priesterambt uitoefenen binnen het kader van een band van ondergeschiktheid ten overstaan van de bisschop van hun bisdom. De onafhankelijkheid die de priester in de uitoefening van zijn priesterambt geniet, sluit de toepassing niet uit van de regels inzake burgerlijke aansprakelijkheid voor een ander.
Opdat een aansteller aansprakelijk zou zijn voor de fout van zijn aangestelde, moet die fout zijn begaan in de loop van zijn ambtsuitoefening en moet zij, weze het onrechtstreeks en occasioneel, verband houden met deze laatste. Dat is het geval voor de verkrachtingen en aanrandingen van de eerbaarheid waaraan een pastoor zich schuldig maakt ter gelegenheid van het catechismusonderricht of van de deelname aan jeugdbewegingen van de katholieke geloofsovertuiging.




VERKRACHTING TUSSEN ECHTGENOTEN
 

•• Corr. Charleroi 1 maart 1988, J.T. 1989, 32, noot.

De man die zijn echtgenote met geweld en ondanks haar weigering tot de geslachtsdaad dwingt, maakt zich schuldig aan verkrachting.

• • Corr. Namen 11 september 1986, J.L. 1986, 685; , J.T. 1987, 317.

Een echtgenoot maakt zich schuldig aan verkrachting wanneer hij de andere echtgenoot met geweld tot geslachtsgemeenschap dwingt. De samenwoningsplicht houdt ook de plicht tot intieme relaties in normale omstandigheden in, maar verplicht de echtgenoot niet sadistische praktijken te ondergaan.

• 
• Brussel 21 juni 1979, Rev. dr. pén. 1980, 272, noot MARCHAL, A.en Brussel 4 juni 1979, Rev. trim. dr. fam. 1980, 159, noot MAINGAIN, B

Verkrachting tussen echtgenoten is mogelijk

•• Corr. Charleroi 1 maart 1988, J.T. 1989, 32, noot.

De man die zijn echtgenote met geweld en ondanks haar weigering tot de geslachtsdaad dwingt, maakt zich schuldig aan verkrachting.

•• Corr. Namen 11 september 1986, J.L. 1986, 685; , J.T. 1987, 317.

Een echtgenoot maakt zich schuldig aan verkrachting wanneer hij de andere echtgenoot met geweld tot geslachtsgemeenschap dwingt. De samenwoningsplicht houdt ook de plicht tot intieme relaties in normale omstandigheden in, maar verplicht de echtgenoot niet sadistische praktijken te ondergaan.


zie ook Grondwettelijk Hof nr. 93/2009, 4 juni 2009 (prejudiciële vraag) en Grondwettelijk Hof nr. 167/2009, 29 oktober 2009 (prejudiciële vraag)


 

Overzicht strafbepalingen + strafverzwaring Antidiscriminatiewet

Strafwetboek

Antidiscriminatiewet

Art. 375

Verkrachting

5 - 10 jaar

7 - 10 jaar

+ dader oefent gezag uit over slachtoffer

7 - 10 jaar

9 - 10 jaar

=> Slachtoffer = jongeren tussen 16 en 18 jaar

10 - 15 jaar

12 - 15 jaar

+ dader oefent gezag uit over slachtoffer

12 - 15 jaar

14 - 15 jaar

=> Slachtoffer = jongeren tussen 10 en 16 jaar

15 - 20 jaar

17 - 20 jaar

+ dader oefent gezag uit over slachtoffer

17 - 20 jaar

19 - 20 jaar

=> Slachtoffer = jongeren jonger dan 10 jaar

20 - 30 jaar

22 - 30 jaar

 

Peter Paul Rubens - Verkrachting van de Dochters van Leucippus (1617)

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: wo, 29/11/2017 - 13:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.