-A +A

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
Rechten van de Mens
Afkondiging: 
vri, 10/12/1948
Publicatie: 
don, 31/03/1949
Tekst van de wetgeving: 

Universele Verklaring van 10 december 1948 van de Rechten van de Mens 

 
(B.S., 31 maart 1949)
Overwegende dat de erkenning van de waardigheid eigen aan alle leden van de menselijke familie, en van hun gelijke en onvervreemdbare rechten, de grondslag van de vrijheid, de rechtvaardigheid en de vrede in de wereld uitmaakt;
Overwegende dat de miskenning en de verachting van de rechten van de mens geleid hebben tot gruweldaden die het geweten der mensheid in opstand brengen, en dat het ontstaan van een wereld waarin de mensen vrij zullen mogen spreken en geloven, bevrijd van vrees en van ellende, als de hoogste menselijke verzuchting uitgeroepen werd;
Overwegende dat het van essentieel belang is, dat de rechten van de mens door een rechtsstelsel beschermd worden, opdat de mens niet verplicht worde uiteindelijk zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen de dwingelandij en de verdrukking;
Overwegende dat het van essentieel belang is, de vriendschappelijke betrekkingen tussen naties te bevorderen;
Overwegende dat in het Handvest de Volken der Verenigde Naties opnieuw hun vertrouwen in de grondrechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon, in de gelijke rechten van mannen en vrouwen, alsmede van grote en kleine volken bevestigd hebben, en dat zij zich bereid verklaard hebben sociale vooruitgang en betere levensstandaarden in grotere vrijheid te bevorderen;
Overwegende dat de Staten-Leden de verplichting hebben aangegaan, in samenwerking met de Organisatie der Verenigde Naties, de universele en daadwerkelijke eerbied voor de rechten van de mens en voor de fundamentele vrijheden te verzekeren;
Overwegende dat een gemeenschappelijk begrip van deze rechten en vrijheden van het hoogste belang is om deze verplichting ten volle na te komen;
De algemene vergadering,
Bevestigt dat zij deze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens beschouwt als zijnde het gemeenschappelijk ideaal te bereiken door alle volken en alle naties opdat alle personen en alle lichamen der maatschappij, deze verklaring gestadig voor de geest hebbend, zich zouden beijveren om, door onderwijs en opvoeding de eerbeid voor deze rechten en vrijheden te bevorderen en door vooruitstrevende maatregelen van nationale en internationale aard de universele en daadwerkelijke erkenning en toepassing daarvan te verzekeren, zowel onder de bevolking der Staten-Leden zelf als onder deze van de onder hun juridictie geplaatste gebiedsdelen;
(...)
Aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, op 10 december 1948.
 
Art. 1
Alle menselijke wezens worden vrij en gelijk in waardigheid en in rechten geboren. Zij zijn begaafd met rede en geweten en moeten elkaar bejegenen in een geest van broederlijkheid.
 
Art. 2
Een ieder mag zich beroepen op al de rechten en al de vrijheden die in deze Verklaring worden afgekondigd, zonder enig onderscheid, met name van ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of elke ander opinie, nationale of sociale afkomst, fortuin, geboorte of elk andere toestand.
Bovendien zal geen onderscheid gemaakt worden dat berust op het politiek, administratief of internationaal statuut van het land of van het gebied waarvan een persoon onderhorige is, hetzij dit land of gebied onafhankelijk ofwel onder trustschap, niet-zelfbesturend of aan enige beperking van soevereiniteit onderworpen is.
 
Art. 3
Elk individu heeft recht op het leven, de vrijheid en de veiligheid van zijn persoon.
 
Art. 4
Niemand zal in slavernij of verknechting gehouden worden; de slavernij en de slavenhandel zijn onder al hun vormen verboden.
 
Art. 5
Niemand zal aan folteringen noch aan wreedaardige, onmenselijke of vernederende straffen of behandelingen onderworpen worden.
 
Art. 6
Een ieder heeft overal recht op de erkenning van zijn rechtspersoonlijkheid.
 
Art. 7
Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder onderscheid recht op gelijke wijze door de wet beschermd te worden. Allen hebben recht op een gelijke bescherming tegen elk willekeurig onderscheid dat deze Verklaring zou schenden en tegen elke aanhitsing tot een dergelijk onderscheid.
 
Art. 8
Een ieder heeft het recht daadwerkelijk beklag in te stellen bij de bevoegde nationale rechtscolleges tegen de daden waardoor de fundamentele rechten, die hem door de Grondwet of door de wet zijn erkend, geschonden worden.
 
Art. 9
Niemand mag willekeurig aangehouden, gevangen gehouden noch verbannen worden.
 
Art. 10
Een ieder heeft, in volledigde gelijkheid, het recht dat zijn zaak billijk en openlijk worden onderzocht door een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank, die zal beslissen hetzij over zijn rechten en verplichtingen, hetzij over de gegrondheid van elke tegen hem gerichte beschuldiging op strafrechtelijk gebied.
 
Art. 11
1. Een ieder die beschuldigd is van een strafbare daad, wordt verondersteld onschuldig te zijn totdat zijn schuld wettelijk werd vastgesteld tijdens een openbaar rechtsgeding, in de loop waarvan hem alle nodige waarborgen voor zijn verdediging verzekerd geworden zijn.
2. Niemand zal worden veroordeeld wegens handelingen of verzuimen die, op het ogenblik dat zij begaan werden, volgens het nationaal of internationaal recht, geen strafbare daad uitmaakten. Zo ook zal er geen zwaardere straf worden opgelegd dan die welke toepasselijk was op het ogenblik van het begaan der strafbare daad.
 
Art. 12
Niemand zal het voorwerp zijn van willekeurige inmengingen in zijn privaat leven, zijn familie, zijn woning, of zijn briefwisseling, noch van een aanslag op zijn eer en zijn faam. Een ieder heeft recht op de bescherming van de wet tegen dergelijke inmengingen of aanslagen.
 
Art. 13
1. Een ieder heeft het recht zich vrij te bewegen en zijn verblijfplaats in een Staat te kiezen.
2. Een ieder heeft het recht elk land, het zijne inbegrepen, te verlaten en in zijn land terug te keren.
 
Art. 14
1. In geval van vervolging, heeft eenieder het recht asyl te zoeken en asyl te verkrijgen in andere landen.
2. Dit recht mag niet worden ingeroepen in het geval van vervolgingen die werkelijk gegrond zijn op een misdaad van gemeen recht of op handelingen, welke strijdig zijn met de beginselen en de doeleinden der Verenigde Naties.
 
Art. 15
1. Ieder mens heeft recht op een nationaliteit.
2. Niemand mag willekeurig worden beroofd van zijn nationaliteit, noch van het recht van nationaliteit te veranderen.
 
Art. 16
1. Op huwbare leeftijd, hebben man en vrouw, zonder enige beperking wat ras, nationaliteit of godsdienst betreft, het recht te huwen en een gezin te stichten. Zij hebben gelijke rechten ten opzichte van het huwelijk, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding daarvan.
2. Het huwelijk kan slechts gesloten worden met de vrije en volledige toestemming der aanstaande echtgenoten.
3. Het gezin is het natuurlijk en fundamenteel bestanddeel van de maatschappij en heeft recht op bescherming vanwege de maatschappij en vanwege de Staat.
 
Art. 17
1. Ieder persoon, hetzij alleenstaand of tot een collectiviteit behorend, heeft recht op eigendom.
2. Niemand mag op willekeurige wijze uit zijn eigendom ontzet worden.
 
Art. 18
Een ieder heeft het recht op vrijheid van gedachte, van geweten en van godsdienst; dit recht sluit de vrijheid in van godsdienst of van overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid, zijn godsdienst of zijn overtuiging te belijden, alleen of gemeenschappelijk, zowel in het openbaar als in eigen kring, door middel van onderwijs, praktijk, eredienst en ritus.
 
Art. 19
Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en van uiting van zijn mening, wat het recht insluit niet verontrust te worden omwille van zijn meningen en het recht door om het even welk uitdrukkingsmiddel en, zonder inachtneming van grenzen, inlichtingen en ideeën op te zoeken, te ontvangen en te verspreiden.
 
Art. 20
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging.
2. Niemand kan er toe gedwongen worden deel uit te maken van een vereniging.
 
Art. 21
1. Ieder persoon heeft het recht deel te nemen aan het beleid van de openbare aangelegenheden van zijn land, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van vrijelijk verkozen vertegenwoordigers.
2. Een ieder heeft het recht onder gelijke voorwaarden toegelaten te worden tot de openbare bedieningen van zijn land.
3. De wil van het volk vormt de grondslag van het gezag der openbare besturen; deze wil moet tot uiting komen door rechtvaardig ingerichte verkiezingen die periodiek moeten plaats vinden volgens het stelsel van gelijk algemeen stemrecht en geheime stemming of volgens een gelijkwaardige procedure, die de vrijheid van stemmen waarborgt.
 
Art. 22
Ieder mens heeft, als lid van de samenleving, recht op maatschappelijke zekerheid; hij heeft recht op het verkrijgen van het genot van de economische en culturele rechten die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontwikkeling van zijn persoonlijkheid, dank zij de nationale inspanning en de internationale samenwerking, rekening houdend met de organisatie en met de middelen van elk land.
 
Art. 23
1. Een ieder heeft recht op arbeid, op de vrije keuze van zijn arbeid, op billijke en bevredigende arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid.
2. Allen, zonder enig onderscheid, hebben recht op gelijk loon voor gelijke arbeid.
3. Al wie arbeidt heeft recht op een billijke en toereikende vergoeding die hem alsmede zijn gezin een bestaan verzekert dat overeenkomt met de menselijke waardigheid en die, indien nodig, wordt aangevuld door alle andere middelen van sociale bescherming.
4. Een ieder heeft het recht samen met anderen vakverenigingen te stichten zijn zich bij vakverenigingen te stichten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten tot verdediging van zijn belangen.
 
Art. 24
Ieder mens heeft recht op rust en op vrije tijd, inzonderheid op een redelijke beperking van de arbeidsduur en op periodisch betaald verlof.
 
Art. 25
1. Ieder mens heeft recht op een levensstandaard die voldoende is om zijn gezondheid, zijn welzijn alsmede deze van zijn familie te verzekeren, inzonderheid wat betreft voeding, kleding, huisvesting, medische zorgen, zomede de noodzakelijke sociale diensten; hij heeft recht op zekerheid ingeval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, weduwschap, ouderdom, of in de andere gevallen van verlies van zijn bestaansmiddelen, ten gevolge van omstandigheden buiten zijn wil.
2. De moeders en de kinderen hebben recht op hulp en bijzondere bijstand. Alle kinderen, onverschillig of zijn binnen of buiten het huwelijk geboren zijn, genieten dezelfde sociale bescherming.
 
Art. 26
1. Een ieder heeft recht op opvoeding. De opvoeding moet kosteloos zijn, tenminste wat het lager en het fundamenteel onderwijs betreft. Het lager onderwijs is verplicht. Het technisch en beroepsonderwijs moet veralgemeend worden, de toegang tot de hogere studiën moet in volledige gelijkheid mogelijk zijn voor allen in verhouding tot hun verdienste.
2. De opvoeding moet gericht zijn op de volledige ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en voor de fundamentele vrijheden. Zij moet het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle volken en onder alle ras- of godsdienstgroepen bevorderen en de uitbreiding van het werk der Verenigde Naties voor het handhaven van de vrede in de hand werken.
3. De ouders hebben, bij voorrang, het recht de aard van de aan hun kinderen te geven opvoeding te kiezen.
 
Art. 27
1. Een ieder heeft het recht vrij deel te nemen aan het cultureel leven van de gemeenschap, te genieten van de kunsten en deel te hebben aan de wetenschappelijke vooruitgang en aan de weldaden die er uit voortvloeien.
2. Een ieder heeft recht op de bescherming van de zedelijke en stoffelijke belangen voortvloeiend uit elk wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk waarvan hij de schepper is.
 
Art. 28
Een ieder heeft het recht dat er, op het sociaal en op het internationaal plan, een zodanige orde heerse dat de in deze Verklaring uitgedrukte rechten en vrijheden er volle uitwerking kunnen vinden.
 
Art. 29
1. De enkeling heeft verplichtingen tegenover de gemeenschap in wier schoot alleen een vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid mogelijk is.
2. In het uitoefenen van zijn rechten en in het genot van zijn vrijheden is iedereen slechts onderworpen aan de beperkingen die door de wet uitsluitend werden ingevoerd om de erkenning van en de eerbied voor de rechten en vrijheden van andere te verzekeren en ten einde te voldoen aan de rechtmatige eisen van de moraal, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische maatschappij.
3. Deze rechten en vrijheden zullen in geen geval mogen uitgeoefend worden in strijd met de doeleinden en de beginselen der Verenigde Naties.
 
Art. 30
Geen bepaling van deze Verklaring mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groepering of een enkeling enig recht insluiten om zich te wijden aan een bedrijvigheid of een daad te verrichten die de vernietiging van de daarin uitgedrukte rechten en vrijheden beoogt.
 
Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 04/04/2011 - 14:43
Laatst aangepast op: wo, 17/04/2013 - 16:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.