-A +A

Verjaringstermijn van de consument met betrekking tot de niet-conformiteit van aangekochte koopwaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Vooreerst dient gewezen te worden op de artikels 1649bis en volgende en artikels 1649quater §1 alinea 1 Burgerlijk Wetboek.
De garantietermijn inzake de consumentenkoop bedraagt 2 jaar te rekenen vanaf de levering. Hiervan kan enkel afgeweken worden bij de verkoop van tweedehands goederen waarbij er een kortere termijn kan worden overeengekomen zonder dat deze termijn korter mag zijn dan 1 jaar (artikel 1649quater §1 alinea 3 Burgerlijk Wetboek).

Deze termijn van 2 jaar begint te lopen vanaf de levering en dus niet vanaf de verkoop. Toch moet men vaststellen dat heel wat rechtspraak zich hierin vergist en het tijdstip van de verkoop essentieel acht. In heel wat gevallen valt de verkoop en de levering van een consumentengoed samen.
Deze tweejarige garantietermijn wordt evenwel geschorst tijdens de periode waarin de verkoper zijn/haar stellingen of vervangingen aan het verkochte goed aanbrengt. Deze termijn wordt eveneens geschorst tijdens de periode waarin de verkoper en de koper onderhandelingen voeren over het geschil teneinde een minnelijke regeling uit te werken met betrekking tot het ingeroepen gebrek.

Maar zelfs na deze tweejarige verjaringstermijn beschikt de consument nog steeds over de mogelijkheid om de verkoper in vrijwaring te roepen wegens verborgen gebreken.

De vordering tegen de verkoper wegens niet-conforme levering verjaart 1 jaar vanaf de dag waarop de koper het gebrek heeft vastgesteld. Maar deze verjaringstermijn kan evenwel niet verstrijken tijdens de 1ste tweejarige garantieperiode.

Voor een toepassingsgeval zie Rechtbank van Koophandel te Nijvel, 03.11.2009, DCCR nr. 91, pag. 81 met noot van Caroline Cauffman, Verlenging van de garantietermijn versus schorsing en stuiting van de verjaring, DCCR nr. 91 pag. 83.

 

Nog dit: 

De verjaring heeft als doelstelling rechtszekerheid te bekomen. Aldus wordt vermeden dat vorderingen in rechte na onredelijke periodes nog steeds zouden kunnen worden ingesteld terwijl terzelfdertijd wordt vermeden dat een verweerder na verloop van een onder redelijke termijn nog het bewijs zou dienen te leveren van zaken waarvan hij door het verloop van de termijn praktisch gezien geen bewijs meer kan leveren. Ondanks deze duidelijke maatschappelijke doelstelling betekent zulks niet dat de verjaring de openbare orde In de regel kan dus over de verjaring worden gestapt wanneer de verweerder deze in de procedure niet inroept bij wijze van middel van onontvankelijkheid.

Maar partijen kunnen bij voorbaat in een overeenkomst de wettelijke regels inzake de verjaring niet op een afwijkende wijze regelen. Behoudens indien zij een kortere verjaringstermijn zouden voorzien dan deze zoals bij werd gesteld. Ook kan men niet in een overeenkomst bij voorbaat afstand doen van het recht op verjaring (die artikel 2220 burgerlijk wetboek).

Maar eens de verjaring verworven is is het wel toegelaten om afstand te doen van de verjaring zie artikel 2220 in fine burgerlijk wetboek).

De verjaring is aldus een verweermiddel, beter, een middel van niet ontvankelijkheid waarbij in dit middel in elke stand van het geding kan worden ingeroepen tot aan de sluiting van de debatten en zelfs voor het eerst in graad van beroep.

Dat de verjaring de openbare orde niet raakt dient onmiddellijk afgezwakt. Vooreerst raakt de verjaring zeker de openbare orde in het strafrecht. In het burgerlijk recht dient een onderscheid gemaakt tussen:

• de verjaring als instelling die de openbare orde raakt. De verjaring regelt de maatschappelijke orde gezien zij verhindert dat eindeloos vorderingen kunnen ingestelkd worden. Om deze reden is het uitgesloten. Het principe van de verjaring kan als instrument van openbare orde niet worden aangetast. Men kan dus niet vooraf afstand doen van het recht om de verjaring in te roepen (art. 2220 BW), om de wettelijke verjaringstermijnen te verlengen of om een recht onverjaarbaar te verklaren. Aandacht wordt besteedt aan de minderheidsopvatting die stelt dat zelfs de instelling van de vverjaring de openbare orde niet zou raken.

• Het middel van de verjaring raakt principieel enkel private belangen. Verjaring in burgerlijke zaken werkt niet van rechtswege. Het middel van verjaring dient worden ingeroepen en niemand is verplicht dit middel in te roepen. Aldus raakt het middel van de verjaring niet de openbare orde en mag de rechter de verjaring in burgerlijke zaken niet ambtshalve opwerpen. voor verdere verduidelijking over de openbare orde en verjaring en de toepassingsgevallen: klik hier

In een aantal gevallen zal een slecht bijgestane schuldenaar vergeten de verjaring in te roepen, maar het is ook denkbaar dat een schuldenaar uit ethische overwegingen er voor kiest om een verjaarde schuld te betalen. Het is dus toegelaten afstand te nemen van de verjaring, waarbij deze afstand stilzwijgend of uitdrukkelijk kan gebeuren.

 

De algemene regels:

Artikel 2262 : “Alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 30 jaar, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen”.

artikel 2262 bis :
§1.“Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 10 jaar”.

In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van 20 jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

§2 : “Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende 20 jaar na de uitspraak”.
Verder voorziet de wet een aantal technische aanpassingen.

onderscheid aldus:
- zakelijke rechtsvorderingen verjaren in beginsel door verloop van 30 jaar ;
- persoonlijke rechtsvorderingen verjaren in beginsel door verloop van 10 jaar.
Tien jaar mag beschouwd worden als de suppletieve gemeenrechtelijke verjaringstermijn.

Voor schade uit buitencontractuele aansprakelijkheid geldt een termijn van 5 jaar nadat de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of de verzwaring ervan en de identiteit van de aansprakelijke. De vordering verjaart evenwel in ieder geval maximum 20 jaar na de datum van het schadeverwekkend feit.

 

 

VERJARING uittreksel uit het burgerlijk wetboek

HOOFDSTUK I : ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 2219

Verjaring is een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden.
Artikel 2220

Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring; men kan wel afstand doen van een verkregen verjaring.
Artikel 2221

Afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; de stilzwijgende afstand wordt geleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.
Artikel 2222

Hij die niet kan vervreemden kan geen afstand doen van een verkregen verjaring.
Artikel 2223

De rechter mag het middel van verjaring niet ambtshalve toepassen.
Artikel 2224

Men kan zich op verjaring beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.
Artikel 2225

Schuldeisers, of alle andere personen die er belang bij hebben dat de verjaring verkregen is, kunnen zich daarop beroepen, hoewel de schuldenaar of de eigenaar ervan afstand doet.
Artikel 2226

Men kan door verjaring de eigendom niet verkrijgen van zaken die buiten de handel zijn.
Artikel 2227

De Staat, de openbare instellingen en de gemeenten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen en kunnen zich eveneens daarop beroepen.
HOOFDSTUK II : BEZIT

Artikel 2228

Bezit is het houden of het genieten van een zaak die wij in onze macht hebben of van een recht dat wij uitoefenen, hetzij in persoon, hetzij door een ander die in onze naam de zaak in zijn macht heeft of het recht uitoefent.
Artikel 2229

Om iets door verjaring te verkrijgen, is vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar.
Artikel 2230

Men wordt steeds geacht voor zichzelf, en als eigenaar te bezitten, tenzij bewezen is dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten.
Artikel 2231

Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt steeds vermoed dat men het bezit onder dezelfde titel voortzet, tenzij het tegendeel bewezen is.
Artikel 2232

Daden van louter vermogen of van eenvoudig gedogen kunnen noch bezit, noch verjaring teweegbrengen.
Artikel 2233

Daden van geweld kunnen evenmin als grondslag dienen voor een bezit waaruit verjaring zou ontstaan.

Een deugdelijk bezit neemt eerst een aanvang, nadat het geweld heeft opgehouden.
Artikel 2234

De tegenwoordige bezitter die bewijst voorheen het bezit te hebben gehad, wordt geacht het ook in de tussentijd te hebben gehad, behoudens tegenbewijs.
Artikel 2235

Om de tot verjaring vereiste tijd aan te vullen, kan men bij zijn eigen bezit het bezit voegen van zijn rechtsvoorganger, op welke wijze men hem ook is opgevolgd, hetzij onder een algemene of een bijzondere titel, hetzij om niet of onder een bezwarende titel.
HOOFDSTUK III : OORZAKEN DIE DE VERJARING VERHINDEREN

Artikel 2236

Zij die voor een ander bezitten, kunnen nooit, door welk tijdsverloop ook, iets door verjaring verkrijgen.

Alzo kunnen de huurder, de bewaarnemer, de vruchtgebruiker, en alle anderen, die de zaak van de eigenaar ter bede onder zich hebben, deze niet door verjaring verkrijgen.
Artikel 2237

De erfgenamen van hen die de zaak onder zich hadden uit kracht van een der in het vorig artikel genoemde titels, kunnen die evenmin door verjaring verkrijgen.
Artikel 2238

Nochtans kunnen de in de artikelen 2236 en 2237 genoemde personen de zaak door verjaring verkrijgen, indien de titel van hun bezit veranderd is, hetzij uit een oorzaak die van een derde voortkomt, hetzij door hun tegenspraak tegen het recht van de eigenaar.
Artikel 2239

De personen aan wie de huurders, bewaarnemers en andere houders ter bede de zaak door een titel van eigendomsoverdracht hebben overgedragen, kunnen die door verjaring verkrijgen.
Artikel 2240

Men kan geen verjaring verkrijgen in strijd met zijn titel, in die zin dat men de oorzaak en het beginsel van zijn bezit voor zichzelf niet kan veranderen.
Artikel 2241

Men kan verjaring verkrijgen in strijd met zijn titel, in die zin dat men zich door verjaring bevrijdt van de verbintenis die men heeft aangegaan.
HOOFDSTUK IV : OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN OF SCHORSEN

Afdeling I : Oorzaken die de verjaring stuiten

Artikel 2242

Stuiting van de verjaring kan of natuurlijk of burgerlijk zijn.
Artikel 2243

Er is natuurlijke stuiting, wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot der zaak beroofd is, hetzij door de oude eigenaar, hetzij zelfs door een derde.
Artikel 2244

Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 22/09/2011 - 19:54
Laatst aangepast op: do, 22/09/2011 - 19:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.