-A +A

Verjaring nutsvoorzieningen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 48 van de wet van 6 juli 2017 (BS 24 juli 2017) «houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke (sic) recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie», heeft een tweede alinea toegevoegd aan art. 2277 BW luidende als volgt: «Schuldvorderingen wegens levering van goederen en diensten via distributienetten voor water, gas of elektriciteit of de levering van elektronische communicatiediensten of omroeptransmissie- en omroepdiensten via elektrische communicatienetwerken verjaren na verloop van vijf jaren.» Vanaf 3 augustus 2017 (datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juli 2017) bedraagt de verjaringstermijn voor energiefacturen dus uniform vijf jaar.

De (nieuwe) wet van 6 juli 2017 is niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Artikel 2277 B.W. wordt sinds een arrest van 19 januari 2005( (2005/15) toepasselijk geacht op periodiek vervallende schulden, zoals periodiek verschuldigde vergoedingen voor water-, gas- en elektriciteitslevering, die bovendien het kenmerk vertonen dat zij met het verloop van tijd toenemen. Deze redenering kan doorgetrokken worden  op telefonie. zie arrest 19 januari 2005 met uitvoerige noot onder dit arrest door Caroline Lebon in het Nieuw Juridisch Weekblad (NJW) (nummer 109) van 27 april 2005. Inmiddels is deze verjaring vastgebeiteld in Art. 48 van de wet van 6 juli 2017 (BS 24 juli 2017).

Middels arrest van 17 januari 2007 van het Arbitragehof werd in principe herbevestigd en uitdrukkelijk toegepast op de mobiele telefoon waarbij dus de vorderingen van mobiele telefoon operatoren sindsdien ook verjaren na vijf jaar in toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek.

Het arbitragehof grijpt terug naar de ratio legis van de Korte verjaring bepaald in artikel 2277 burgerlijk wetboek op grond van de voorbereidende werken van de wet. Het arbitragehof meent dat de verkorting van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn kan verantwoord worden door de bijzondere aard van de schuldvorderingen die hierdoor worden beoogd. De vijfjarige verjaringstermijn is immers enkel van toepassing op het periodiek weerkerende schuldvorderingen die, indien de schuldenaar niet onmiddellijk betaald, door verloop van tijd kunnen aangroeien tot een grote kapitaalschuld. Zo de schuldenaar niet onmiddellijk betaalt en de schuldeiser niet snel genoeg actie onderneemt om betaling na te streven, bestaat de mogelijkheid dat die periodieke vervallende schulden, zonder dat de schuldenaar zich hiervan terdege bewust is, de zich almaar opstapelen en aangroeien tot een zeer grote schuld. Precies hiertegen heeft de wetgever de schuldenaar willen beschermen en verkorte hij daarom de gemeenrechtelijk je verjaringstermijn met het doel de schuldeiser aan te sporen om zorgvuldig en snel de inning van periodieke schuldvorderingen te benaarstigen.

Het arbitragehof acht het criterium waarop het verschil in behandeling in de interpretatie is gebaseerd en afgeleid worden uit de aard van het kapitaal of inkomsten van de schuldvordering voor de schuldeiser, irrelevant ten aanzien van de door de wetgever beoogde doel van artikel 2277 burgerlijk wetboek.

Wat het doel betreft vertonen de levering van water (en uiteraard ook van andere nutsvoorzieningen) en telefonie, dergelijke gelijkenissen met de schulden bedoeld in artikel 2277 burgerlijk wetboek: deze hebben het kenmerk dat ze telkens op periodiek weerkerende tijdstippen vervallen en het totaalbedrag niet bij de aanvang vaststaat zodat het mogelijk is dat ze door het verstrijken van de tijd aangroeien tot een grote kapitaalschuld. Het arbitragehof meent dat het onderscheid dat het Hof van Cassatie maakt tussen termijnschulden naargelang de aard van de schuld, niet verenigbaar is met artikel 10 en 11 van de grondwet. Er weze onmiddellijk aan toegevoegd dat met haar arrest van 13 maart 2008 ook het Hof van Cassatie teruggekomen is op haar vorige rechtspraak en zij zich heeft aangesloten bij de criteria van het grondwettelijk hof, waardoor sinds voormeld arrest, het Hof van Cassatie niet meer terugkomt op het onderscheid tussen inkomsten en kapitaalschulden.

Voor een toepassing waarbij de verjaring aldus werd weerhouden zie vredegerecht Gent 15 januari 2009 NJW 202/219

In een vonnis van de vrederechter te Luik (derde kanton) van 5 februari 2007 (tijdschrift voor vrederechters, 2007, 451) werd evenzeer gesteld dat artikel 2277 van het burgerlijk wetboek van toepassing is op schulden betreffende het verstrekken van telefonie in de mate waarin zij betrekking hebben op prestaties die periodiek worden gefactureerd en die zich continu vernieuwen.

Rechtsleer:

• Cécile Delforge L'application de l'article 2277 du code civel en matière de fourniture d'énergie et de téléphonie, Tijdschrift van de Vrederechters 2010, 9-10, 397.

Rechtspraak:

• Cassatie 25 januari 2010, Tijdschrift van de Vrederechters, 2010, 9-10, 409

samenvatting:

De verkorte verjaringstermijn van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, die ertoe strekt de schuldenaar te beschermen tegen een opeenstapeling van achterstallige periodieke schulden uit een zelfde rechtsverhouding, is van toepassing op de verstrekkingen van mobiele telefonie die betaalbaar zijn onder de in dat artikel bedoelde periodiciteitsvoorwaarden (1). (1) Zie GwH - toen Arbitragehof -, 19 jan. 2005, nr. 15/2005 en 17 jan. 2007, nr. 13/2007; zie ook Cass., 13 maart 2008, AR C.07.0132.N, A.C., 2008, nr. 175; contra Cass., 6 feb. 1998, AR C.96.0470.F, A.C., 1998, nr. 75.

integrale tekst van het arrest:

Nr. C.09.0410.F
K. V.,
tegen
BELGACOM, naamloze vennootschap naar publiek recht.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 14 oktober 2008 in laatste aanleg gewezen door de vrederechter van het eerste kanton te Schaerbeek.
De zaak is bij beschikking van 28 december 2009 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.
Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert volgend middel aan.
Geschonden wettelijke bepaling
- artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen
Het bestreden vonnis stelt vast "dat de rechtsvordering strekt tot terugvordering van de volgende achterstallige facturen: - factuur van 10 januari 2001 (...): 47,94 euro; - factuur van 8 maart 2001 (...): 8,55 euro; - factuur van 10 mei 2001 (...): 445,91 euro; - factuur van 9 juli 2001 (...): 450,74 euro; - factuur van 7 september 2001 (...): 86,17 euro; - factuur van 7 november 2001 (...): 39,60 euro; - factuur van 9 januari 2002 (...): 39,60 euro; - factuur van 7 maart 2002 (...): 2,67 euro; dat de (verweerster) tevens de terugbetaling vordert van de kosten voor inlichtingen en ingebrekestelling (11,05 euro en 15,20 euro), dit alles vermeerderd met een strafbeding van 60 euro en de kosten; dat het niet wordt betwist dat de (verweerster) de lijn van de (eiser) eerst heeft beperkt tot de minimumdienst, waardoor hij geen betalende uitgaande telefoongesprekken meer kon voeren, en het abonnement vervolgens heeft beëindigd; dat de (eiser) zich beroept op de in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde verjaringstermijn van vijf jaar en wat dat betreft voorstelt dat ons rechtscollege een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof stelt", en veroordeelt de eiser vervolgens om aan de verweerster een bedrag van 1.207,43 euro te betalen, vermeerderd met de bedongen interest tegen de rentevoet van 10 pct. op 1.121,18 euro vanaf 24 april 2007, datum van de dagvaarding, tot algehele betaling, en veroordeelt hem in de kosten.

Het bestreden vonnis grondt die beslissing op de volgende redenen :

"De afrekening van de (verweerster) is in deze zaak vastgesteld op 7 maart 2002. De schuldvordering is bijgevolg een kapitaalschuld en geen periodieke schuld. Een schuldvordering van een welbepaald bedrag, die in één keer terugbetaald dient te worden, valt niet onder de toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, dat hoofdzakelijk is ingegeven door de noodzaak om de schuldenaar te beschermen tegen een aangroei van zijn schulden (...). De bij artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde verjaring is te dezen niet van toepassing en er bestaat geen grond om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen om hierover uitsluitsel te krijgen".

Grieven

Krachtens artikel 2277, vierde en vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek, verjaren interesten van geleende sommen en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, door verloop van vijf jaar.

Die verkorte verjaring wordt verantwoord door de bijzondere aard van de schuldvorderingen waarop ze betrekking heeft: ze dient hetzij om de leners te beschermen en de schuldeisers tot spoed aan te zetten, hetzij om de constante aangroei van het totaalbedrag van de periodieke schuldvorderingen te voorkomen. Dankzij de verkorte verjaring worden de schuldenaars ook beschermd tegen de aangroei van periodieke schulden.

In tegenstelling tot een kapitaalschuld waarvan het bedrag van bij het begin wordt vastgesteld, maar die via periodieke aflossingen betaald kan worden en waarvan het totaalbedrag dus niet door het verloop van de tijd wordt beïnvloed, heeft de schuld die ontstaat door de verstrekking van telefoniediensten als eigenschap dat ze mettertijd aangroeit. Artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op een dergelijke schuld, aangezien ze periodiek is en het bedrag ervan mettertijd aangroeit.

Het bestreden vonnis, dat weigert om artikel 2277 toe te passen op de schuld van de eiser die ontstaan is door de verstrekking van telefoniediensten, op grond dat deze een kapitaalschuld zonder periodiek karakter zou zijn, schendt die wetsbepaling.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten, die van uitkeringen tot levensonderhoud, huren van huizen en pachten van landeigendommen, interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, verjaren door verloop van vijf jaren.

Die verkorte verjaringstermijn, die ertoe strekt de schuldenaar te beschermen tegen een aangroei van achterstallige termijnschulden uit een en dezelfde rechtsverhouding, is van toepassing op de prijs van de verstrekking van diensten van mobiele telefonie die betaalbaar zijn onder de in voormeld artikel 2277 bedoelde periodiciteitsvoorwaarden.

Het bestreden vonnis, dat vaststelt dat de vordering van de verweerster strekt tot de betaling van periodieke facturen die voor diensten van mobiele telefonie zijn opgemaakt met intervallen van minder dan een jaar, schendt artikel 2277 door te weigeren om de in die bepaling bedoelde verjaring toe te passen, op grond dat "de afrekening van de (verweerster) in deze zaak is vastgesteld op 7 maart 2002" en dat "de schuldvordering bijgevolg een kapitaalschuld en geen periodieke schuld is".

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de rechtsvordering ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de vrederechter van het tweede kanton te Schaerbeek.

• Verdere rechspraak mbt de vijfjarige verjaring van artikel 2277 B.W. en de nutsvoorzieningen, zie Tijdschrift van de Vrederechters, 2010, 7-8, pagina 409 en volgende.

 


Grondwettelijk Hof, 22 december 2010, RW 2010-2011, 1330

Arrest nr. 157/2010

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 19 februari 2010 heeft de Rechtbank van Koophandel te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld: «Is art. 26 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, doordat het, in het raam van een burgerlijke rechtsvordering, de daders van een of meer bij proces-verbaal vastgestelde overtredingen van de wet die strafrechtelijke misdrijven vormen, de korte verjaringstermijn van één jaar laat genieten, terwijl de daders van een of meer overtredingen van dezelfde wet die niet bij proces-verbaal zijn vastgesteld en die geen strafrechtelijke misdrijven vormen, aan een langere verjaringstermijn zijn onderworpen, niet strijdig met art. 10 en 11 van de Grondwet, in die zin dat de daders van een of meer overtredingen van de wet van 10 maart 1925, die niet strijdig worden geacht met de openbare orde, zich ten aanzien van hun schuldeisers in een minder gunstige situatie bevinden op het vlak van verjaring dan diegenen die een bij proces-verbaal vastgestelde overtreding begaan die strafrechtelijk wordt gestraft?».

...

In rechte

...

B.1. Art. 26 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening bepaalt: «De openbare rechtsvordering en de burgerlijke rechtsvordering wegens overtreding van hoogerstaande bepalingen dezer wet of van de ter uitvoering daarvan genomen verordeningen, verjaren na één jaar vanaf den datum van het proces-verbaal dat de overtreding vaststelt».

B.2.1. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over het verschil in behandeling dat uit dat artikel voortvloeit tussen, enerzijds, de verjaringstermijn waaraan de vordering tot vergoeding van de schade, veroorzaakt door een overtreding van de bepalingen van de wet van 10 maart 1925 die een misdrijf vormt, is onderworpen en, anderzijds, de verjaringstermijn waaraan de vordering tot vergoeding van de schade, veroorzaakt door een overtreding van de bepalingen van dezelfde wet die evenwel geen misdrijf vormt, is onderworpen. In het laatste geval wordt de verjaringstermijn, krachtens art. 2262bis, § 2, BW, in beginsel vastgesteld op vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

B.2.2. Te dezen wordt de geïntimeerde op hoofdberoep voor de verwijzende rechter verweten dat zij heeft geweigerd om een elektriciteitsmast weg te nemen die zij had geïnstalleerd op een terrein dat haar niet toebehoort, zonder de toestemming van de eigenaar van het terrein, ook al had die laatste besloten om op die plaats te bouwen. De appellante op hoofdberoep is van mening dat het een fout in de zin van art. 1382 BW betreft.

De artikelen 15 en 16 van de voormelde wet van 10 maart 1925 bepalen:

«Art. 15. De regeering, na onderzoek en bij beredeneerd koninklijk besluit, mag verklaren dat het van algemeen nut is electrische lijnen aan te leggen boven of onder private onbebouwde gronden, die niet door muren of dergelijke omheiningen zijn afgesloten.

«Door deze verklaring bekomt de belanghebbende onderneming het recht bedoelde lijnen aan te leggen boven of onder deze gronden, voor het toezicht daarop te zorgen en de onderhouds- en herstellingswerken uit te voeren, dit alles onder de bij bedoeld besluit bepaalde voorwaarden.

«De regeering mag, onder dezelfde voorwaarden, den houder eener wegenistoelating machtigen de bij artikel 14 bepaalde rechten uit te oefenen.

«Art. 16. Vooraleer de rechten krachtens de artikelen 14 en 15 verleend uit te oefenen, onderwerpt de belanghebbende onderneming het plan der plaats en de bijzonderheden van den aanleg der geleidingen aan de goedkeuring der overheid van wie de openbare weg afhangt.

«Deze overheid beslist binnen drie maand te rekenen van den datum waarop het plan werd ingezonden, en zij geeft de belanghebbende onderneming kennis van haar beslissing. Na dezen termijn kan de onderneming haar aanvraag zenden naar de regeering die beslist.

«De werken mogen slechts aanvangen na rechtstreeksche kennisgeving aan de belanghebbende eigenaars en huurders.

«De uitvoering der werken heeft geen onteigening voor gevolg. Het plaatsen van draagijzers op muren of gevels kan den eigenaar niet hinderen in zijn recht van afbreken, herstellen of ophoogen. De ondergrondsche lijnen en de steunen geplaatst in een open onbebouwden grond dienen, op verzoek van den eigenaar, te worden weggenomen, indien deze zijn recht van omheinen of bouwen uitoefent; de kosten van het wegnemen dezer lijnen en steunen vallen ten laste van wie hen heeft aangebracht. Maar de eigenaar dient ten minste zes maand vóór het aanvangen der afbraak-, herstellings-, ophoogings-, omheinings- en bouwwerken, het betrokken bestuur, den houder van een bedrijfs- of van een wegenistoelating te verwittigen».

B.3.1. Het Hof merkt op dat «de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening wordt opgeheven wat betreft de gewestelijke bevoegdheden» krachtens art. 62 van het decreet van het Waalse Gewest van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.

Het staat in de regel echter niet aan het Hof te bepalen welke normen van toepassing zijn op het geschil voor de verwijzende rechter. Enkel bij een kennelijke vergissing dienaangaande kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

Te dezen beschikt het Hof niet over de noodzakelijke inlichtingen om vast te stellen dat de in het geding zijnde wet niet van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil.

B.3.2. Volgens de Ministerraad zou de prejudiciële vraag niet dienstig zijn voor de oplossing van het voor de verwijzende rechter hangende geschil aangezien te dezen geen enkel strafrechtelijk misdrijf zou zijn gepleegd.

Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag dienstig is voor de oplossing van het geschil dat het moet beslechten. Enkel wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, kan het antwoord op de prejudiciële vraag dienstig zijn om het geschil te beslechten dat bij het verwijzende rechtscollege aanhangig is gemaakt. Het volstaat immers vast te stellen dat dat rechtscollege in de verwijzingsbeslissing heeft gepreciseerd dat het zich vooralsnog niet uitsprak over het strafbare karakter van de feiten die de geïntimeerde op hoofdberoep werden verweten.

B.4.1. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet strafbaar stellen door de wet van de schadeverwekkende gedraging.

Door de verjaringstermijn van de vordering tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit een fout die een strafrechtelijk misdrijf vormt, op één jaar vast te stellen en door hem te doen ingaan vanaf het opstellen van het proces-verbaal waarbij de overtreding wordt vastgesteld, maakt de wetgever het niet onmogelijk dat de burgerlijke rechtsvordering die uit de overtreding voortvloeit, verjaart na het verstrijken van een termijn die korter is dan die welke het slachtoffer van een fout – die met name voortvloeit uit de overtreding van een bepaling van de in het geding zijnde wet die geen misdrijf vormt – krachtens art. 2262bis, § 2, BW geniet.

B.4.2. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling tot gevolg kan hebben dat de situatie van een persoon die wegens een fout schade heeft geleden, aanzienlijk ongunstiger is wanneer die fout een misdrijf vormt dan wanneer zij geen misdrijf vormt. Daaruit vloeit een ernstige beperking van de rechten van het slachtoffer voort, die niet in verhouding staat tot de belangen die de wetgever heeft willen beschermen door de verjaringstermijn van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering die uit de overtreding voortvloeit, op één jaar vast te stellen.

B.5. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: ma, 28/05/2018 - 19:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.