-A +A

Verjaring kan verlengd worden bij opzettellijk aanslepenende onderhandelingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De rechter kan een verjaringstermijn verlengen ter sanctionering van rechtsmisbruik,

Ook bij het aanwenden van de verjaring kan er sprake zijn van rechtsmisbruik. Dit zou ondermeer het geval zijn wanneer de schuldeiser dilatoir handelt en er aldus op gecontroleerde wijze alles aan doet om tijd te winnen en de onderhandelingen zo lang laat te rekken totdat de vordering van de schuldenaar verjaard is.

De rechter kan dit rechtsmisbruik sanctioneren door te oordelen dat de verjaringstermijn gedurende een bepaalde termijn wordt geschorst en nadien opnieuw begint te lopen.

Rechtspraak:

Rechtbank van Koophandel te Brussel, 23e C-Kamer – 27 november 2007, RW 2010-2011,1010 (vonnis in kracht van gewijsde)

 

NV I.B.S. t/ NV K.B.

...

I. Vorderingen

De vordering van eiseres I.B.S. strekt ertoe haar vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, derhalve verwerende partij te horen veroordelen tot het betalen van een bedrag in hoofdsom van 11.403,10 euro, vermeerderd met de verwijlinteresten vanaf de eerste ingebrekestelling, zijnde 2 oktober 2000, minstens vanaf de tweede ingebrekestelling, zijnde 15 januari 2001, (...).

De vordering van verweerster, NV K.B., strekt ertoe, in hoofdorde, de vordering van I.B.S. ten aanzien van haar onontvankelijk te horen verklaren wegens de verjaring van de vordering; (...).

II. Feiten

Sinds 2000 is I.B.S. houder van een zichtrekening met nummer (...) bij een filiaal van de NV K.B. te Mechelen.

Naar aanleiding van de opening van deze rekening werd op 1 augustus 2000 een handtekeningkaart door eiseres I.B.S. ingevuld.

Op donderdag 28 september 2000 werd een cheque met nummer (...) uitbetaald aan een zekere heer D., en dit voor een bedrag van 460.000 fr.

I.B.S. voerde aan deze cheque nooit te hebben uitgeschreven en heeft zich op 29 september 2000 in contact gesteld met haar bankfiliaal te Mechelen om te achterhalen wat er precies was gebeurd.

Op maandag 2 oktober 2000 heeft I.B.S. haar bankfiliaal te Mechelen in gebreke gesteld en dit met het argument dat cheques met een bedrag boven 100.000 fr. maar kunnen worden uitgeschreven wanneer deze cheques voorzien zijn van twee handtekeningen.

Op 3 oktober 2000 werd door I.B.S. strafklacht neergelegd.

Op 15 januari 2001 werd de NV K.B. nogmaals in gebreke gesteld door I.B.S., en dit op grond van dezelfde reden als in de brief van 2 oktober 2000.

Op 26 januari 2001 meldt de NV K.B. dat zij geen standpunt kan innemen vooraleer het strafrechtelijk onderzoek is afgerond.

Bij vonnis van 8 mei 2002 werd door de correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, de heer T.D.W. schuldig bevonden voor de gepleegde valsheid en het bedrieglijk innen van het bedrag van 460.000 fr.

Het wordt ter zitting door beide partijen erkend dat na deze veroordeling onderhandelingen tussen de beide partijen werden gevoerd.

Ondertussen had I.B.S. op 5 mei 2003 ook de nodige stappen gezet bij de schuldbemiddelaar van de heer T. De W. Bij beschikking van 31 oktober 2005 heeft de Beslagrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de schuldbemiddeling herroepen.

Op 9 april 2006 is I.B.S. overgegaan tot dagvaarding van de NV K.B.

III. Beoordeling

Verweerster, de NV K.B., beroept zich in eerste instantie op de verjaring van de vordering van eiseres I.B.S.

Daartoe verwijst de NV K.B. naar art. 1.28 van haar algemene bankvoorwaarden waarin wordt bepaald dat elke vordering tegen de NV K.B. verjaart na een termijn van vijf jaar, tenzij er kortere wettelijke of conventionele verjaringstermijnen bestaan. Deze termijn van vijf jaar zou beginnen lopen vanaf de datum van het feit dat tot de eis aanleiding geeft.

Nu is het inderdaad zo dat de afname van de bewuste cheque door de heer De W. heeft plaatsgevonden op 28 september 2000, zodat in principe de verjaringstermijn een einde nam op 28 september 2005. Er is pas op 9 april 2006 door I.B.S. gedagvaard.

I.B.S. voert aan dat verweerster zich pas in haar syntheseconclusies voor het eerst beroept op de verjaring. Daarnaast is I.B.S. van oordeel dat de lopende verjaring was geschorst tijdens de duur van het gerechtelijk onderzoek tegen T. De W. Zij beroept zich op de brief van de NV K.B. van 26 januari 2001 waaruit een overeenkomst zou moeten blijken om de lopende verjaring te schorsen tijdens het gerechtelijk onderzoek. Daarnaast is I.B.S. van oordeel dat de NV K.B. misbruik zou hebben gemaakt van haar contractueel recht dat zij put uit art. 1.28 van haar algemene bankvoorwaarden.

Nu stelt de rechtbank vast dat er inderdaad een contractuele clausule bestaat, meer bepaald art. 1.28 van de algemene bankvoorwaarden van de NV K.B., waarin wordt gestipuleerd dat de verjaringstermijn wordt beperkt tot vijf jaar. Partijen zijn duidelijk akkoord gegaan over deze algemene voorwaarden, zodat hierover geen betwisting kan bestaan.

Anderzijds beweert I.B.S. dat er een akkoord zou bestaan tussen beide partijen om gedurende het strafonderzoek deze verjaringstermijn te schorsen. Nu stelt de rechtbank vast dat uit de brief van de NV K.B. van 26 januari 2001 geen dergelijk akkoord kan worden afgeleid. In deze brief staat alleen te lezen dat de NV K.B. geen standpunt kan innemen vóór het afsluiten van het strafrechtelijk onderzoek. Deze formulering is te vaag om hieruit impliciet een overeenkomst af te leiden om de verjaringstermijn die volgt uit art. 1.28 van de algemene bankvoorwaarden te schorsen.

De rechtbank stelt vast dat I.B.S. zich op rechtsmisbruik beroept. Nu is het inderdaad algemeen erkend dat de verjaringstermijn kan worden verlengd als gevolg van rechtsmisbruik (zie hierover: C. Lebon, «Verjaring», in Artikelsgewijze commentaar, Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer, 2004, p. 87, nr. 125 en de verwijzingen aldaar).

Er is sprake van rechtsmisbruik wanneer iemand zijn rechten uitoefent op een wijze die kennelijk de normale uitoefening door een zorgvuldige persoon te buiten gaat. In het raam van het leerstuk van de verjaring is er rechtsmisbruik wanneer het verzuim van de aanspraakgerechtigde om de verjaring te stuiten binnen de verjaringstermijn en dus het intreden van de verjaring te wijten is aan de beweerde schuldenaar. De sanctie van een dergelijk misbruik zou erin bestaan om de aanspraakgerechtigde nog een kans te geven om de verjaring gedurende een korte tijd te stuiten nadat de oorzaak van zijn verzuim heeft opgehouden te bestaan. Als voorbeelden worden gegeven het voeren van onderhandelingen die niet ernstig genoeg zijn en het aan het lijntje houden van de aanspraakgerechtigde.

Nu stelt de rechtbank vast dat I.B.S. nagenoeg onmiddellijk heeft gereageerd toen haar rekening werd verminderd met het afgehaalde bedrag van de cheque. Uit de feiten blijkt dat de inning van de bewuste cheque is gebeurd op 27 september 2000, en op 28 september 2000 werd reeds bij de NV K.B. geïnformeerd naar de reden. Na het weekend heeft I.B.S. de NV K.B. onmiddellijk in gebreke gesteld (2 oktober 2000). Hieruit blijkt duidelijk een waakzame en correcte houding van I.B.S. Op 3 oktober 2000 werd een strafklacht ingediend tegen diegene die de cheque op onrechtmatige wijze had geïnd. In de loop van januari 2001 werd de NV K.B. opnieuw in gebreke gesteld, en daarop heeft de NV K.B. zelf geantwoord dat zij geen standpunt wenste in te nemen vóór het beëindigen van het strafrechtelijk onderzoek.

Als zodanig wordt er inderdaad geen verdere briefwisseling meer voorgelegd tussen de NV K.B. en I.B.S. Maar het staat wel vast dat de NV K.B. zich in de strafprocedure tegen T. De W. eveneens burgerlijke partij heeft gesteld. Bovendien wordt ter zitting bevestigd dat er na deze strafrechtelijke procedure onderhandeld zou zijn geweest tussen beide partijen. Het feit dat beide partijen vertegenwoordigd worden door raadslieden, is er wellicht niet vreemd aan dat met betrekking tot deze onderhandelingen geen geschreven stukken voorliggen.

Uit de stukken blijkt alleszins dat I.B.S. steeds het nodige heeft proberen te doen om het ontstolen bedrag te recupereren en om de schade van de NV K.B. te beperken. Dit blijkt op zijn minst uit de tussenkomst van I.B.S. in het raam van de procedure schuldbemiddeling waaronder T. De W. viel.

Zoals de feiten momenteel voorliggen, kan de rechtbank alleen maar vaststellen dat de NV K.B. er duidelijk alles aan heeft gedaan om op gecontroleerde manier de tijd te rekken. De NV K.B. heeft uitdrukkelijk aangegeven dat zij pas een standpunt wilde innemen na de afloop van het strafrechtelijk onderzoek, en nadien is er dan verder onderhandeld. Uit het feit dat er onderhandelingen werden aangeknoopt moet worden afgeleid dat deze onderhandelingen begonnen zijn voordat de verjaring plaatsvond. Immers, het is nagenoeg onwaarschijnlijk dat een partij onderhandelingen gaat aanknopen wanneer zij vaststelt dat deze vordering van de tegenpartij reeds lang verjaard zou zijn. In dat licht moet de houding van de NV K.B. worden beschouwd als een duidelijk misbruik van recht. Uit het gehele relaas van de feiten kan enkel worden afgeleid dat de NV K.B. er alles aan heeft gedaan om zoveel mogelijk tijd te rekken om zich nadien te kunnen beroepen op de verjaring.

Een dergelijke houding doorstaat niet de toets van het principe dat overeenkomsten tussen partijen te goeder trouw moeten worden uitgevoerd. Uit de houding van I.B.S. blijkt zeer duidelijk dat zij gedurende de hele periode actief haar best heeft gedaan om haar schuldvordering te recupereren. Voorts blijkt ook dat I.B.S. onmiddellijk heeft gereageerd op het ogenblik dat zij de bedrieglijke inning van de bewuste cheque had vastgesteld. De NV K.B. toont daarentegen niet aan dat zij zich op een loyale wijze tegenover haar klant zou hebben gedragen. Wel integendeel, eerst heeft zij tijd proberen te winnen door de strafrechtelijke procedure in te stellen, en nadien heeft zij blijkbaar de onderhandelingen zo lang laten aanslepen totdat de vordering verjaard is.

Uit alle gegevens die de rechtbank voorhanden heeft, kan worden afgeleid dat I.B.S. terecht kon verwachten dat er een onderhandelde oplossing uit de bus kon komen.

De rechtbank stelt in dit verband dan ook rechtsmisbruik van de NV K.B. vast waardoor de verjaringstermijn die is neergelegd in art. 1.28 van de algemene bankvoorwaarden verlengd moet worden. Het komt billijk voor dat de termijn van het strafonderzoek de verjaringstermijn heeft geschorst en dat deze termijn maar pas opnieuw is beginnen lopen vanaf het vonnis van de Correctionele Rechtbank van 8 mei 2002. In dit licht was deze vordering die werd ingeleid per dagvaarding van 9 april 2006 alleszins nog niet verjaard.

De vordering moet dan ook toelaatbaar en ontvankelijk worden geacht.

...


 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 17/02/2011 - 16:07
Laatst aangepast op: ma, 21/02/2011 - 17:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.