-A +A

Verjaring – Schuldvordering ten laste van de overheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

wettelijke bron: Art. 100, eerste lid, 1o, van de bij K.B. van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit.

Die bepaling voorziet voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de vordering is ontstaan.

Volgens het arrest van het grondwettelijk hof van 20 juni 2007 R.W. 2007-2008, 1197, schendt deze bepaling  art. 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld.

• Rechtspraak Hof van Cassatie 03/06/2010 (juridat)

Samenvatting

Op het vlak van de verjaring van de schuldvorderingen ten laste van de Staat heeft de wetgever een onderscheid willen invoeren naargelang de betaling van de schuldvordering al dan niet afhankelijk is van een overlegging door de belanghebbende; voor andere schuldvorderingen dan die welke voor de Staat een vaste uitgave zijn, zoals bezoldigingen, pensioenen, uitkeringen en toelagen, dienen de belanghebbenden om de betaling van hun vorderingen te verkrijgen, een aangifte, staat of rekening over te leggen (1). (1) Zie Cass., 25 maart 2004, AR C.01.0597.N, A.C., 2004, nr. 167; zie Verslag namens de Commissie voor financiën (wet van 6 februari 1970), Pas., 1970, 158; P.-J. DEFOORT, "Het toepassingsgebied van de vijfjarige verjaringstermijn van schuldvorderingen ten laste van de staat m.b.t. schuldvorderingen op grond van artikel 1382 B.W.", P & B, 1995, 32, nr. 8.

Uittreksel uit het arrest:

Nr. C.09.0386.N
VLAAMSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, vertegenwoordigd door het college in de persoon van zijn voorzitter, met kantoren te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Kunstlaan 9,
eiseres,
tegen
B.A.,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 23 april 2007 en 29 april 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel.
Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Krachtens artikel 100, eerste lid, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, zoals te dezen van toepassing, zijn verjaard en voorgoed vervallen ten voordele van de Staat, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of op reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan.
2. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever op het vlak van de verjaring van de schuldvorderingen ten laste van de Staat een onderscheid heeft willen invoeren naar gelang de betaling van de schuldvordering al dan niet afhankelijk is van een overlegging door de belanghebbende.
Uit de bepalingen van het Algemeen reglement op de Rijkscomptabiliteit, inzonderheid de artikelen 68 en 100, volgt dat voor andere schuldvorderingen dan die welke voor de Staat een vaste uitgave zijn, zoals bezoldigingen, pensioenen, uitkeringen en toelagen, de belanghebbenden om de betaling van hun vorderingen te verkrijgen, een aangifte, staat of rekening dienen over te leggen.
3. De appelrechters stellen vast dat de verweerder de ambtshalve bezoldiging van gepresteerde overuren en dus betaling van achterstallige wedde vordert.
Vervolgens oordelen zij dat de eiseres met toepassing van haar statuut ambtshalve diende over te gaan tot de bezoldiging van de door de verweerder gepresteerde overuren van zodra gebleken was dat de compensatie van de 1723 uren niet binnen de vier maanden kon gebeuren.
Op grond hiervan vermochten de appelrechters naar recht te oordelen dat de vordering van de verweerder geen overlegging door de belanghebbende vereiste, mitsdien onderworpen was aan de verjaringstermijn bepaald door het artikel 100, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit en niet aan die bepaald onder 1° van zelfde bepaling.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Bepaalt de kosten op de som van 621,36 euro jegens de eisende partij en op de som van 146,64 euro jegens de verwerende partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

• Politierechtbank Brugge 20 april 2011, RW 2011-2012, 1092

L.C.M. t/ Vlaams Gewest

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van eiser strekt ertoe verweerster te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 2.744,06 euro in hoofdsom, als schadevergoeding voor een verkeersongeval te Tielt op 11 maart 2004. De vordering is gebaseerd op een fout van verweerster in de zin van art. 1382-1383 BW en art. 1384 BW.

Verweerster betwist de vordering van eiser en roept de verjaring in.

Eiser betwist dat zijn vordering verjaard is en volhardt.

B. Beoordeling

1. Eiser L.C.M. is het ziekenfonds van W.N., die op 11 maart 2004 het slachtoffer werd van een verkeersongeval te Tielt. Bij vonnis van de Politierechtbank te Brugge van 30 juni 2006, bevestigd in hoger beroep bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge van 26 maart 2009, werd verweerster aansprakelijk gesteld voor het ongeval met toepassing van art. 1382 e.v. BW.

Eiser betaalde aan het slachtoffer 2.744,06 euro gezondheidszorgen en vordert zijn uitgaven nu terug van verweerster als gesubrogeerde in de rechten van het slachtoffer.

Verweerster roept de verjaring van de vordering in en verwijst daarvoor naar art. 100, eerste lid, 1o Gecoördineerde Wet Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991 die voorziet in een verjaringstermijn van vijf jaar voor schuldvorderingen die moeten worden overgelegd, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar waarvan ze zijn ontstaan.

2. Art. 100, eerste lid, 1° en 2° Wet Rijkscomptabiliteit bepaalt:

“Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen:

1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan;

2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1o bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd”.

Wel is deze wet thans gewijzigd door de wet van 16 mei 2003 “tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof”. Ingevolge KB van 7 juni 2007 (BS 9 juli 2007) is deze wet, voor wat het Vlaams Gewest betreft, in werking getreden op 1 januari 2010: vanaf die datum zijn de verjaringsregelen van het gemene recht van toepassing op de gemeenschappen en de gewesten: art. 15 van de wet van 16 mei 2003).

Eiser voert aan dat hij op 2 mei 2007 de uitgavenstaat 1 heeft toegezonden aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Volgens eiser kreeg verweerster op die datum kennis van het bedrag van de vordering. Op basis van art. 100, eerste lid, 2o van bovenvermelde wet begint volgens eiser een nieuwe termijn van vijf jaar vanaf 1 januari 2007 te lopen.

Volgens verweerster is die bepaling niet van toepassing, omdat de brief van L.C.M. van 2 mei 2007 geen “overlegging” is in de zin van die bepaling.

3. De “overlegging” van een schuldvordering tegen de staat wordt geregeld door art. 100 van het algemeen reglement op de Rijkscomptabiliteit (Cass. 21 april 1994, RW 1994-95, 536; Cass. 2 november 1995, RW 1995-96, 1025, noot P.J. Defoort, “Over de vijfjarige verjaringstermijn van schuldvorderingen ten laste van de staat”).

art. 100: “ Om de betaling van hun schuldvorderingen te verkrijgen dienen de schuldeisers hetzij een aangifte, hetzij een staat, hetzij een factuur over te leggen die voor waar en echt verklaard en ondertekend is. Dit stuk dient zo spoedig mogelijk gezonden te worden naar de ambtenaar of dienstchef wie de uitgave aangaat. Deze ziet het na en stuurt het vervolgens door naar het departement waaronder hij ressorteert, samen met de diverse bescheiden waaruit de wettigheid van de vordering blijkt”.

Buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen ten laste van de staat (en bij uitbreiding ten laste van het gewest: art. 71, § 1 van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989; Cass. 7 juni 1996, RW 1996-97, 719; E. Brewaeys, “De stuiting van de verjaring van schuldvorderingen tegen de overheid”, RW 2008-09, 562) moeten worden overgelegd worden overeenkomstig art. 100 van het algemeen reglement op de Rijkscomptabiliteit (J. Baeck, “Verjaring en overheidsaansprakelijkheid” in I. Claeys (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, 142).

Op grond van art. 100, tweede lid van het algemeen reglement op de Rijkscomptabiliteit moet de overlegging gebeuren bij de “ambtenaar of dienstchef wie de uitgave aangaat”.

Het stuk waarnaar eiser verwijst, is een in algemene termen opgestelde brief gericht aan het “Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Koning Albert II-laan, 20, bus 2 te 1000 Brussel” waarin staat “In dit dossier sturen wij u onze onvolledige uitgavenstaat nr. 1”.

Deze kennisgeving is niet alleen niet gericht aan de ambtenaar of dienstchef wie de uitgave aangaat. Bovendien bewijst eiser niet dat de aangifte voor waar en echt verklaard en ondertekend werd.

Er werd in de rechtsleer al op gewezen dat in de praktijk de overleggingsverplichting in het raam van buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen nooit wordt nageleefd en er werd eveneens gewezen op het risico dat wanneer de titularis van een rechtsvordering wegens buitencontractuele aansprakelijkheid, opteert voor de overlegging, de overlegging niet bij de juiste ambtenaar gebeurt (J. Baeck, “Buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen tegen de overheid”, NJW 2006, 873).

Het louter opsturen van een kopie van een uitgavenstaat aan het ministerie beantwoordt niet aan de vormvoorwaarden voor een rechtsgeldige overlegging. Dit heeft tot gevolg dat de vordering van eiser verjaart na vijf jaar, te rekenen vanaf de eerste januari van het kalenderjaar waarin zij opeisbaar is geworden. Het schadegeval deed zich voor op 11 maart 2004. De vergoeding die eiser vordert als gesubrogeerde van het slachtoffer spruit voort uit dit schadegeval. De verjaringstermijn van vijf jaar nam een aanvang op 1 januari 2004, zodat de vordering van eiser is verjaard sinds 1 januari 2009. Eiser bewijst niet dat hij in die periode een rechtsgeldige stuitingsdaad (namelijk gerechtsdeurwaardersexploot: art. 101, eerste lid Wet Rijkscomptabiliteit) zou hebben gesteld. Zijn dagvaarding werd pas betekend op 7 oktober 2010, dus buiten de verjaringstermijn.

Dit betekent dat de vordering van eiser onontvankelijk is.
 

Overige rechtspraak:

• Arbitragehof, arrest nr. 32/96 van 15 mei 1996, R.W. 1996-97, 292, met noot D. De Keuster;
• Arbitragehof, arrest nr. 153/2006 van 18 oktober 2006, R.W. 2006-07, 1234.
• Grondwettelijk Hof , 4 oktober 2007, (nr. 2007/124)
Verjaring – Wet Rijkscomptabiliteit – buitencontractuele aansprakelijkheid – gelijkheidsbeginsel – non-discriminatie – schuldvordering tegen de staat..., NJW 180, 303 met noot

Nog dit: 

Cassatie 03/11/2011 juridat

C.10.0289.N

samenvatting

De verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit geldt voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgaven uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een andere, bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen; dit artikel sluit de toepassing uit van de gemeenschappelijke verjaringstermijnen, waaronder deze van artikel 2262bis, §1, Burgerlijk Wetboek Zie ook Cass. 3 sept. 2010, AR C.09.0339.N, AC, 2010, nr. 498, met concl. O.M.

tekst arrest

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 27 april 2009.
Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Volgens artikel 1, a), van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat artikel 100, eerste lid, 1°, vormt van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 (hierna: Wet Rijkscomptabiliteit), zijn verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan ze zijn ontstaan.

2. De verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteitgeldt voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgaven uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een andere, bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen.

Dit artikel sluit de toepassing uit van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, waaronder deze van artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek.

3. De appelrechter oordeelt dat de vordering van de eerste verweerder niet te situeren is binnen het fiscale recht, maar wel binnen het gemeen recht, zodat de verjaringstermijnen van het gemeen recht van toepassing zijn, en niet die van vermeld artikel 100.

4. Door op die grond de toepassing van de regeling met betrekking tot de verjaring van schuldvorderingen ten laste van de Staat uit te sluiten, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven
5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,

• Cassatie 5 juni 2014, RW 2015-2016, 430 met noot

AR nr. C.13.0434.N

Brussels Hoofdstedelijk Gewest t/ Provincie Antwerpen

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 16 mei 2013.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Middel

Tweede onderdeel

3. Krachtens art. 50, § 2 Financieringswet 1989 bepaalt de wet de algemene bepalingen die van toepassing zijn op de begrotingen en de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook op de organisatie van de controle uitgeoefend door het Rekenhof.

Art. 71, § 1 van dezelfde wet bepaalt dat tot de inwerkingtreding van de wet bedoeld in art. 50, § 2, de vigerende bepalingen inzake onder meer de rijkscomptabiliteit van overeenkomstige toepassing zijn op de gemeenschappen en de gewesten.

Bij de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, werd uitvoering gegeven aan art. 50, § 2 Financieringswet 1989.

Art. 15 van deze wet van 16 mei 2003 bepaalt dat, onverminderd het bepaalde in art. 16, dat betrekking heeft op salarissen en toebehoren, de verjaringsregels van het gemene recht van toepassing zijn op de gemeenschappen en de gewesten bedoeld in art. 2.

Krachtens art. 1 van het KB van 18 maart 2004 houdende, voor wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, uitstel van de inwerkingtreding van de wet van 16 mei 2003, werd de inwerkingtreding van deze wet uitgesteld tot 1 januari 2006.

Uit het geheel van alle voorgaande bepalingen volgt dat inzake de verjaring van vorderingen tegen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tot 1 januari 2006 de bepalingen van de Wet Rijkscomptabiliteit van toepassing waren en dat pas vanaf 1 januari 2006 de gemeenrechtelijke termijnen van toepassing zijn.

4. Krachtens art. 100, 1o Wet Rijkscomptabiliteit zijn verjaard en voorgoed vervallen ten voordele van de Staat, onverminderd de vervallenverklaring ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen, de schuldvorderingen waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.

Uit de bepalingen van het KB van 10 december 1868 houdende het algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit, inzonderheid art. 68 en 100, volgt dat voor andere schuldvorderingen dan die welke voor de Staat een vaste uitgave uitmaken, de belanghebbende, om de betaling van de vordering te verkrijgen, een aangifte, staat of rekening dient over te leggen.

Hieruit volgt dat, behoudens andersluidende wettelijke bepalingen, de verjaringstermijn van vijf jaar bedoeld in art. 100, 1o Wet Rijkscomptabiliteit, in de regel geldt voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat die geen vaste uitgaven zijn.

De vordering van de verweerster jegens de eiser, strekkende tot het betalen van de bijdrage van de eiser in de kosten van huisvesting van de aartsbisschop van het aartsbisdom Mechelen-Brussel, is geen vaste uitgave, zodat op deze vordering de verjaringstermijn van art. 100, 1o Wet Rijkscomptabiliteit en niet die van art. 100, 3o van toepassing is.

5. Krachtens art. 2 BW beschikt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht.

Een nieuwe wet is in de regel niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Hieruit volgt dat wanneer een vordering reeds verjaard is volgens de oude wet, deze ook na de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet verjaard blijft, ook al zou de vordering bij toepassing van de nieuwe wet nog niet verjaard zijn.

6. Door te oordelen dat de vordering van de verweerster voor de volledige periode 2000-2009 niet verjaard is op de enkele grond dat krachtens art. 15 van de wet van 16 mei 2003 de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar van toepassing is, zonder te onderzoeken of op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze nieuwe verjaringstermijn de vordering niet reeds gedeeltelijk verjaard was, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: di, 08/12/2015 - 20:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.