-A +A

Verjaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De verjaring heeft als doelstelling rechtszekerheid te bekomen. Aldus wordt vermeden dat vorderingen in rechte na onredelijke periodes nog steeds zouden kunnen worden ingesteld terwijl terzelfdertijd wordt vermeden dat een verweerder na verloop van een onredelijke termijn nog het bewijs zou dienen te leveren van zaken waarvan hij door het verloop van de termijn praktisch gezien geen bewijs meer kan leveren. Ondanks deze duidelijke maatschappelijke doelstelling betekent zulks niet dat de verjaring de openbare orde raakt. In de regel kan dus over de verjaring worden gestapt wanneer de verweerder deze in de procedure niet inroept bij wijze van middel van onontvankelijkheid.

Maar partijen kunnen bij voorbaat in een overeenkomst de wettelijke regels inzake de verjaring niet op een afwijkende wijze regelen. Behoudens indien zij een kortere verjaringstermijn zouden voorzien dan deze zoals bij werd gesteld. Ook kan men niet in een overeenkomst bij voorbaat afstand doen van het recht op verjaring (die artikel 2220 burgerlijk wetboek).

Maar eens de verjaring verworven is is het wel toegelaten om afstand te doen van de verjaring zie artikel 2220 in fine burgerlijk wetboek).

De verjaring is aldus een verweermiddel, beter, een middel van niet ontvankelijkheid waarbij dit middel in elke stand van het geding kan worden ingeroepen tot aan de sluiting van de debatten en zelfs voor het eerst in graad van beroep. Een schuldenaar kan voor de rechter geen vordering instellen om het recht van de eiser verjaard te verklaren.
 De verjaring kan enkel worden ingeroepen bij wijze van verweer.

Dat de verjaring de openbare orde niet raakt dient onmiddellijk afgezwakt. Vooreerst raakt de verjaring zeker de openbare orde in het strafrecht. In het burgerlijk recht dient een onderscheid gemaakt tussen: 

• de verjaring als instelling die de openbare orde raakt. De verjaring regelt de maatschappelijke orde gezien zij verhindert dat eindeloos vorderingen kunnen ingestelkd worden. Om deze reden is het uitgesloten. Het principe van de verjaring kan als instrument van openbare orde niet worden aangetast. Men kan dus niet vooraf afstand doen van het recht om de verjaring in te roepen (art. 2220 BW), om de wettelijke verjaringstermijnen te verlengen of om een recht onverjaarbaar te verklaren. Aandacht wordt besteedt aan de minderheidsopvatting die stelt dat zelfs de instelling van de vverjaring de openbare orde niet zou raken.

Het middel van de verjaring raakt principieel enkel private belangen. Verjaring in burgerlijke zaken werkt niet van rechtswege. Het middel van verjaring dient worden ingeroepen en niemand is verplicht dit middel in te roepen. Aldus raakt het middel van de verjaring niet de openbare orde en mag de rechter de verjaring in burgerlijke zaken niet ambtshalve opwerpen. voor verdere verduidelijking over de openbare orde en verjaring en de toepassingsgevallen: klik hier

In een aantal gevallen zal een slecht bijgestane schuldenaar vergeten de verjaring in te roepen, maar het is ook denkbaar dat een schuldenaar uit ethische overwegingen er voor kiest om een verjaarde schuld te betalen. Het is dus toegelaten afstand te nemen van de verjaring, waarbij deze afstand stilzwijgend of uitdrukkelijk kan gebeuren.

De algemene regels:

artikel 2262 : “Alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 30 jaar, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen”.

artikel 2262 bis :
§1.“Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 10 jaar”.

In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van 20 jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

§2 : “Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende 20 jaar na de uitspraak”.
Verder voorziet de wet een aantal technische aanpassingen.

onderscheid aldus:
- zakelijke rechtsvorderingen verjaren in beginsel door verloop van 30 jaar ;
- persoonlijke rechtsvorderingen verjaren in beginsel door verloop van 10 jaar.
Tien jaar mag beschouwd worden als de suppletieve gemeenrechtelijke verjaringstermijn.

Voor schade uit buitencontractuele aansprakelijkheid geldt een termijn van 5 jaar nadat de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of de verzwaring ervan en de identiteit van de aansprakelijke. De vordering verjaart evenwel in ieder geval maximum 20 jaar na de datum van het schadeverwekkend feit.

VERJARING uittreksel uit het burgerlijk wetboek

HOOFDSTUK I : ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 2219

 erjaring is een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden.

Artikel 2220

Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring; men kan wel afstand doen van een verkregen verjaring.

Artikel 2221

Afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; de stilzwijgende afstand wordt geleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.

Artikel 2222

Hij die niet kan vervreemden kan geen afstand doen van een verkregen verjaring.

Artikel 2223

De rechter mag het middel van verjaring niet ambtshalve toepassen.

Artikel 2224

 Men kan zich op verjaring beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

Artikel 2225

Schuldeisers, of alle andere personen die er belang bij hebben dat de verjaring verkregen is, kunnen zich daarop beroepen, hoewel de schuldenaar of de eigenaar ervan afstand doet.

Artikel 2226

Men kan door verjaring de eigendom niet verkrijgen van zaken die buiten de handel zijn.

Artikel 2227

De Staat, de openbare instellingen en de gemeenten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen en kunnen zich eveneens daarop beroepen.

HOOFDSTUK II : BEZIT

Artikel 2228

Bezit is het houden of het genieten van een zaak die wij in onze macht hebben of van een recht dat wij uitoefenen, hetzij in persoon, hetzij door een ander die in onze naam de zaak in zijn macht heeft of het recht uitoefent.

Artikel 2229

Om iets door verjaring te verkrijgen, is vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar.

Artikel 2230

Men wordt steeds geacht voor zichzelf, en als eigenaar te bezitten, tenzij bewezen is dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten.

Artikel 2231

Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt steeds vermoed dat men het bezit onder dezelfde titel voortzet, tenzij het tegendeel bewezen is.

Artikel 2232

Daden van louter vermogen of van eenvoudig gedogen kunnen noch bezit, noch verjaring teweegbrengen.

Artikel 2233

Daden van geweld kunnen evenmin als grondslag dienen voor een bezit waaruit verjaring zou ontstaan.

Een deugdelijk bezit neemt eerst een aanvang, nadat het geweld heeft opgehouden.

Artikel 2234

De tegenwoordige bezitter die bewijst voorheen het bezit te hebben gehad, wordt geacht het ook in de tussentijd te hebben gehad, behoudens tegenbewijs.

Artikel 2235

 Om de tot verjaring vereiste tijd aan te vullen, kan men bij zijn eigen bezit het bezit voegen van zijn rechtsvoorganger, op welke wijze men hem ook is opgevolgd, hetzij onder een algemene of een bijzondere titel, hetzij om niet of onder een bezwarende titel.

HOOFDSTUK III : OORZAKEN DIE DE VERJARING VERHINDEREN

Artikel 2236

Zij die voor een ander bezitten, kunnen nooit, door welk tijdsverloop ook, iets door verjaring verkrijgen.

Alzo kunnen de huurder, de bewaarnemer, de vruchtgebruiker, en alle anderen, die de zaak van de eigenaar ter bede onder zich hebben, deze niet door verjaring verkrijgen.

Artikel 2237

De erfgenamen van hen die de zaak onder zich hadden uit kracht van een der in het vorig artikel genoemde titels, kunnen die evenmin door verjaring verkrijgen.

Artikel 2238

Nochtans kunnen de in de artikelen 2236 en 2237 genoemde personen de zaak door verjaring verkrijgen, indien de titel van hun bezit veranderd is, hetzij uit een oorzaak die van een derde voortkomt, hetzij door hun tegenspraak tegen het recht van de eigenaar.

Artikel 2239

De personen aan wie de huurders, bewaarnemers en andere houders ter bede de zaak door een titel van eigendomsoverdracht hebben overgedragen, kunnen die door verjaring verkrijgen.

Artikel 2240

Men kan geen verjaring verkrijgen in strijd met zijn titel, in die zin dat men de oorzaak en het beginsel van zijn bezit voor zichzelf niet kan veranderen.

Artikel 2241

Men kan verjaring verkrijgen in strijd met zijn titel, in die zin dat men zich door verjaring bevrijdt van de verbintenis die men heeft aangegaan.

HOOFDSTUK IV : OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN OF SCHORSEN

Afdeling I : Oorzaken die de verjaring stuiten

Artikel 2242

Stuiting van de verjaring kan of natuurlijk of burgerlijk zijn.

Artikel 2243

Er is natuurlijke stuiting, wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot der zaak beroofd is, hetzij door de oude eigenaar, hetzij zelfs door een derde.

Artikel 2244

Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting.

---------------------------
[Interpretatie van de toepassing van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, op het vlak van inkomstenbelastingen:

Niettegenstaande het dwangbevel de eerste akte van de rechtstreekse vervolgingen is in de zin van de artikelen 148 en 149 van het koninklijk
besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moet het dwangbevel ook geïnterpreteerd worden als een verjaringsstuitende
akte in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft
(art. 49, W 09.07.2004 (B.S. 15.07.2004))].

Artikel 2245[...]

Artikel 2246

Ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter stuit de verjaring.

Artikel 2247

Indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm,

Indien de eiser afstand doet van zijn eis,

Of indien zijn eis wordt afgewezen,

Wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden.

Artikel 2248

De erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring.

Artikel 2249

De ingebrekestelling van een der hoofdelijke schuldenaars, overeenkomstig de bovenstaande artikelen, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, stuit de verjaring tegen alle overige, zelfs tegen hun erfgenamen.

De ingebrekestelling van een der erfgenamen van een hoofdelijke schuldenaar, of de erkenning van de schuld door die erfgenaam stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige medeërfgenamen, zelfs niet in het geval van een hypothecaire schuld, tenzij de verbintenis ondeelbaar is.

Die ingebrekestelling of die erkenning stuit de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars slechts voor het aandeel waarvoor die erfgenaam verbonden is.

Om de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars te stuiten voor het geheel, is vereist de ingebrekestelling van alle erfgenamen van de overleden schuldenaar, of de erkenning door al die erfgenamen.

Artikel 2250

De ingebrekestelling van de hoofdschuldenaar, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, stuit de verjaring tegen de borg.

Afdeling II : Oorzaken die de loop van de verjaring schorsen

Artikel 2251

De verjaring loopt tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt.

Artikel 2252

De verjaring loopt niet tegen minderjarigen en onbekwaamverklaarden, behoudens hetgeen in artikel 2278 bepaald is, en met uitzondering van de andere bij de wet bepaalde gevallen.

Artikel 2253

De verjaring loopt niet tussen echtgenoten.

Artikel 2254

De verjaring loopt tegen de echtgenoot aan wie het bestuur van zijn goederen is ontnomen, behoudens zijn verhaal op de andere echtgenoot of de op de lasthebber, in geval van nalatigheid.

Artikel 2255 [...]

Artikel 2256 [...]

Artikel 2257

De verjaring loopt niet:

Ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is;

Ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad;

Ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is.

Artikel 2258

De verjaring loopt niet tegen de erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving, ten aanzien van zijn schuldvorderingen ten laste van de nalatenschap.

Zij loopt tegen een onbeheerde nalatenschap, hoewel er geen curator is aangesteld.

Artikel 2259

Zij loopt eveneens gedurende de drie maanden die voor het opmaken van de boedelbeschrijving en de veertig dagen die voor het beraad zijn verleend.

HOOFDSTUK V : TIJD DIE VOOR DE VERJARING VEREIST IS

Afdeling I : Algemene bepalingen

Artikel 2260

De verjaring wordt gerekend bij dagen, niet bij uren.

Artikel 2261

Zij is verkregen, wanneer de laatste dag van de vereiste tijd verlopen is.

Afdeling II : Algemene termijn van verjaring

Artikel 2262

Alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van dertig jaren, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen.

-------------------
Art. 2262 : gewijzigd bij art. 5, W.10.06.1998, in werking 27.07.1998. Wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, beginnen de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts te lopen vanaf haar inwerkingtreding. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer dandertig jaar bedragen.

Wanneer de rechtsvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard vóór de inwerkingtreding van deze wet, kan deze inwerkingtreding niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.

Indien de rechtsvordering tot vergoeding van de schade is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet maar de schade nadien verzwaart, begint de termijn van vijf jaar te lopen vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de verzwaring van de schade en de termijn van
twintig jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet.

De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer dan dertig jaar bedragen.

Artikel 2262bis

§ 1. Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

§ 2. Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende twintig jaar na de uitspraak.

-------------------
Art. 2262bis : ingevoegd bij art. 5, W.10.06.1998

Artikel 2263

Na verloop van acht jaren, te rekenen van de dagtekening van de laatste titel, kan de schuldenaar van een rente genoodzaakt worden om op zijn kosten aan zijn schuldeiser of aan diens rechtverkrijgenden een nieuwe titel te verschaffen.
-------------------
Art. 2263 : gewijzigd bij art. 6, W.10.06.1998

Artikel 2264

De regels van de verjaring met betrekking tot andere onderwerpen dan die in deze titel vermeld zijn, worden bepaald in de titels die daarover in het bijzonder handelen.

Afdeling III : Tienjarige en twintigjarige verjaring

Artikel 2265

Hij die te goeder trouw en uit kracht van een wettige titel een onroerend goed verkrijgt, bekomt daarvan de eigendom door verjaring na tien jaren, indien de ware eigenaar woont binnen het rechtsgebied van het hof van beroep waarin het onroerend goed gelegen is; en na twintig jaren, indien hij buiten dat gebied zijn woonplaats heeft.

Artikel 2266

Indien de ware eigenaar op verschillende tijdstippen zijn woonplaats binnen en buiten het rechtsgebied heeft gehad, moet, om de tot verjaring vereiste tijd aan te vullen, bij hetgeen aan de tien jaren aanwezigheid ontbreekt, tweemaal zoveel jaren afwezigheid worden gevoegd als er jaren ontbreken om de volle tien jaren aanwezigheid te bereiken.

Artikel 2267

Een titel die nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm, kan niet als grondslag dienen voor een tienjarige en twintigjarige verjaring.

Artikel 2268

Goede trouw wordt steeds vermoed, en hij die zich op kwade trouw beroept, moet die bewijzen.

Artikel 2269

Het is voldoende dat de goede trouw aanwezig was op het ogenblik van de verkrijging.

Artikel 2270

Na verloop van tien jaren zijn architecten en aannemers ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid

Rechtspraak

• wijzigbaarheid van de verjaringstermijn door partijen:

Kh. Antwerpen 19 juli 1967, R.H.A. 1967, 493.

De partijen kunnen de verjaringstermijn, die wordt opgelegd door een niet imperatieve wet, wijzigen.
  

• toepasselijkheid in de tijd van nieuwe verjaringswetten:

•• Cass. 4 oktober 1957, Arr. Cass. 1958, 54 en , Pas. 1958, I, 94, noot.

Wanneer in burgerlijke zaken een wet, zelfs van openbare orde, voor de verjaring van een vordering een kortere termijn bepaalt dan deze door een vorige wetgeving voorzien, en het recht tot de vordering vóór het inwerkingtreden van de nieuwe wet is ontstaan, dan begint de nieuwe termijn slechts te lopen vanaf die inwerkingtreding, behalve duidelijke strijdige wil van de wetgever. Niettemin kan de gehele duur van de verjaring de door de oude wet voorziene termijn niet overtreffen.

•• Cass. 7 mei 1953, Arr. Cass. 1953, 607 en , Pas. 1953, I, 636.

Een wet die een vroegere bepaling betreffende de verjaring wijzigt, doet geen afbreuk aan verworven rechten. Dergelijke wet is van toepassing op de bij haar inwerkingtreding lopende verjaringen, doch heeft geen enkele invloed op reeds verworven verjaringen.

•• Antwerpen (6e k.) 29 april 2003, R.W. 2006-07, afl. 9, 405 en )De inwerkingtreding van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring heeft tot gevolg dat de nieuwe termijnen van toepassing zijn op rechtsvorderingen waaromtrent nog niet definitief werd beslist.

•• Rb. Luik 15 oktober 1956, J.L. 1956-57, 163.

Een verjaring die aanving onder een later gewijzigde wet volgt het regime van de nieuwe wet die geacht wordt beter te zijn.

• Cass. 06/02/2014, AR C.13.0127.N, juridat

samenvatting

Uit de bepalingen van artikel 2262bis, eerste lid, Burgerlijk Wetboek en artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring volgt dat wanneer het recht op de persoonlijke rechtsvordering ontstaan is vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet van 10 juni 1998, de vordering door verloop van tien jaar verjaart, zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn meer dan dertig jaar mag bedragen; wanneer het recht op de persoonlijke rechtsvordering ontstaan is na de inwerkingtreding van deze wet, verjaart de vordering door verloop van tien jaar

(Het O.M. concludeerde tot de verwerping van het enig middel tot cassatie, mede op grond dat het vierde onderdeel faalde naar recht, nu op basis van een onderzoek van het begrip "rechtsvordering" in artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring blijkt dat, voor de bepaling van de relevante verjaringsregel, niet de datum waarop de rechtsvordering wordt ingesteld relevant is, maar de datum waarop het vorderingsrecht ontstaan is. Is dit laatste het geval voor de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, dan geldt de overgangsregel van artikel 10 van deze wet. Is dit recht nadien ontstaan, dan wordt artikel 2262bis, §1, lid 1, BW toegepast.

In zoverre het middel aanvoerde dat de appelrechters de tienjarige verjaring dienden toe te passen omdat de rechtsvordering van de verweerders werd ingesteld na de inwerkingtreding van de Wet van 10 juni 1998 (27 juli 1998, en dus 27 juli 2008), ging het naar het oordeel van het O.M. van een verkeerde rechtsopvatting uit). (Zie Cass. 4 okt. 1957, AC 1958, 54; Cass. 24 jan. 1997, AR C.96.0068.N, AC 1998, nr. 47; zie ook: I. Claeys, De nieuwe verjaringswet: een inleidende verkenning, RW 1998-1999, 401-402, nr. 62; P. De Smedt, Toepassing in de tijd van de gewijzigde verjaringstermijnen, in De herziening van de bevrijdende verjaring door de Wet van 10 juni 1998. De gelijkheid hersteld?, Antwerpen, Kluwer, 1999, 146-147, nrs. 184 en 186; A. Van Oevelen, Recente ontwikkelingen inzake de bevrijdende verjaring in het burgerlijk recht, RW 2000-2001, 1439, nr. 13; C. Lebon, De nieuwe verjaringswet, 5 jaar later, NjW 2003, 836-837, nrs. 6 en 7; J.F. Van Droogenbroeck en R.O. Dalcq, La loi du 10 juin 1998 modifiant certaines dispositions en matière de prescription, JT 1998, 708).

Tekst arrest

Nr. C.13.0127.N
1. W.,
2. S.,
3. D.,
eisers,

tegen

1. F.,

2. A.,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Ieper van 19 september 2012.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Eerste onderdeel

1. Het bestreden vonnis geeft niet te kennen dat de leningsovereenkomsten nietig zijn, maar stelt vast dat deze overeenkomsten fictief zijn.

Het onderdeel dat op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis berust, mist fei-telijke grondslag.

Tweede onderdeel

2. Overeenkomstig artikel 5, vierde lid, van de Wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, hierna: Wet Beperking Pachtprijzen, is de terugga-ve aan de pachter van de pachtprijzen die het wettelijk bedrag overschrijden, slechts van toepassing op de vervallen en betaalde pachtgelden van de vijf jaren die aan het verzoek van de pachter voorafgaan.

3. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling niet van toepassing is op de rechtsvordering tot teruggave die gegrond is op een wetsontduiking om te ont-snappen aan de bepalingen van de Wet Beperking Pachtprijzen die van dwingend recht zijn.

4. De appelrechters die oordelen dat "nu de wetsontduiking bewezen is, de on-verschuldigde betaalde pachtgelden [kunnen] worden teruggevorderd door [de verweerders] op grond van betaling zonder oorzaak zonder deze vordering te be-perken tot de termijn van 5 jaar waarvan sprake in de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen", verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

5. De eisers voeren aan dat de appelrechters de artikelen 1235, eerste lid, 1376 en 1377, eerste lid, Burgerlijk Wetboek schenden door te oordelen dat de betaling van de interesten onverschuldigd is, hoewel zij niet besluiten tot de nietigheid van de leningsovereenkomsten.

6. De appelrechters oordelen dat de constructie van de leningsovereenkomsten enkel tot doel heeft extralegale pachtgelden te verkrijgen in strijd met de bepalingen van de Wet Beperking Pachtprijzen en wetsontduiking in hoofde van de ei-sers uitmaakt.

Op grond van deze reden vermochten de appelrechters te oordelen dat de extrale-gale pachtgelden betalingen zonder oorzaak zijn en kunnen worden teruggevorderd.Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

Ontvankelijkheid

7. De verweerders werpen een grond van niet-ontvankelijkheid op: het onder-deel is nieuw.

8. Het onderdeel is niet nieuw, wanneer het de schending aanvoert van een wettelijke bepaling die de feitenrechter volgens de motieven van zijn beslissing heeft toegepast.

9. De appelrechters oordelen enerzijds dat de vordering van de verweerders voor wat de extralegale pachtgelden betreft verjaart na dertig jaar en anderzijds dat hun vordering voor wat de roerende voorheffing betreft, verjaart door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft ge-kregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de aan-sprakelijke persoon.

Door aldus te oordelen passen de appelrechters artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek toe.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

10. Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

11. Artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepa-lingen betreffende de verjaring bepaalt dat wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór haar inwerkingtreding, de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding, zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn meer dan dertig jaar mag bedragen.

12. Uit deze bepalingen volgt dat:

- wanneer het recht op de persoonlijke rechtsvordering ontstaan is vóór de in-werkingtreding van de voormelde wet van 10 juni 1998, de vordering door ver-loop van tien jaar verjaart, zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn meer dan dertig jaar mag bedragen;

- wanneer het recht op de persoonlijke rechtsvordering ontstaan is na de inwer-kingtreding van deze wet, de vordering door verloop van tien jaar verjaart.

15. Door te oordelen dat "de vorderingen van [de verweerders] voor wat betreft de in handen van de eisers betaalde extralegale pachtgelden (...) een gemeen-rechtelijke rechtsvordering uitmaakt tot terugbetaling van onverschuldigde betaling zodat deze pas na dertig jaar verjaart", en de eisers mitsdien te veroordelen tot het terugbetalen van de extralegale pachtgelden voor de periode die aan 18 maart 2000 voorafgaat, schenden de appelrechters mitsdien artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek en artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998.
In zoverre is het onderdeel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de verjaring van de vordering van de verweerders tot terugbetaling van de extralegale pachtgelden.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Franse term: 
prescription
Nuttige tips: 

"contra non valentem agere, non currit praescriptio" 

Contra non valentem agere, non currit praescriptio De verjaring van een vordering loopt niet tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert de vordering in te stellen wegens een beletsel.

Dit adagium is geen  algemeen rechtsbeginsel

Een schuldeiser die niet in staat is een daad van stuiting te stellen kan niet geconfronteerd worden met een verjaring van zijn schuldvordering. Deze onmogelijkheid dient absoluut te zijn en de schuldeiser draagt hiervan de bewijslast. Vergetelheid, nalatigheid, veronderstelde insolvabiliteit, administratieve overlast zijn geen onmogelijkheden in hoofde van de schuldeiser. Meer zelfs, enkel een wettelijk beletsel tot uitoefening van een vordering kan weerhouden worden om de verjaring tegen een persoon niet te laten lopen.

Feitelijke beletsels, zoals overmacht, onoverkomelijke dwaling of onwetendheid omtrent het bestaan van het vorderingsrecht, volstaan niet

• Cass. 30 juni 2006, Arr.Cass. 2006, 542, Pas. 2006, 1563, JLMB 2006, 1622, RW 2009-10, 577;
• Cass. 18 november 1996, Arr.Cass. 1996, 1051, Pas. 1996, I, 1121, JT 1997, 173, RW 1997-98, 604;
• Cass. 2 januari 1969, Arr.Cass. 1969, 409, Pas. 1969, I, 386, JT 1969, 480, RCJB 1969, 91, noot J. Dabin, RW 1968-69, 1375.

• E. Verjans, “Correctiefiguren op de onbillijke gevolgen van de bevrijdende verjaring”, TBBR 2014, (147) 159-160). In 2006 heeft het Hof bovendien geoordeeld dat dit beginsel geen algemeen rechtsbeginsel uitmaakt (Cass. 30 juni 2006, Arr.Cass. 2006, 542, Pas. 2006, 1563, JLMB 2006, 1622, RW 2009-10, 577).

• M. MARCHANDISE en J.- F. VAN DROOGHENBROECK, «Les causes d‘interruption et de suspension de la prescription libératoire en droit belge» in La prescription extinctive. Etudes de droit comparé, Brussel, Bruylant, Zurich, Schulthess, Parijs, LGDJ, 2010, nrs. 67 e.v.)

• S. Stijns, de rol van de wil en het gedrag van de partijen bij de bevrijdende verjaring RW 2010-2011, 1538.

uitzondering de derdenbedingen:

Verjaringstermijn voor rechtsvorderingen uit derdenbedingen kan niet verstrijken vooraleer de begunstigde van het derdenbeding van het derdenbeding kennis heeft kunnen nemen:

zie GwH 06/11/2014 (klik hier voor volledig arrest)

Art. 2262bis, § 1 BW bepaalt:"Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

“In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

“De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan”.

Alhier wordt onderzocht in hoeverre art. 2262bis, § 1, eerste lid BW strookt met het 10 en 11 Gw., in zoverre de tienjarige verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen aanvangt bij het ontstaan van de vordering, terwijl de verjaringstermijn voor een vordering op grond van een onrechtmatige daad krachtens art. 2262bis, § 1, tweede lid BW pas aanvangt wanneer het slachtoffer kennis heeft van zijn schade en de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Ofschoon een contractuele en een buitencontractuele rechtsvordering verschillend zijn, bevinden de schuldeisers in een rechtsvordering van contractuele respectievelijk buitencontractuele aard zich in situaties die niet in die mate verschillen dat zij niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken wat de verjaringstermijn betreft. Het gaat immers in beide gevallen om personen die worden geconfronteerd met verjaringstermijnen betreffende een door een andere persoon begane wanprestatie respectievelijk schadeverwekkende handeling.

Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zouden zijn en dat de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer hij die aangelegenheid regelt. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verjaringstermijnen een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

Het recht op toegang tot de rechter verzet zich niet tegen ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals verjaringstermijnen, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien een beperking niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een barrière vormt die de rechtzoekende verhindert om zijn rechten door de bevoegde rechter te laten beoordelen (EHRM 27 juli 2007, Efstathiou e.a. t/ Griekenland, § 24; EHRM 24 februari 2009, L. ASBL t/ België, § 35).

De aard van een verjaringstermijn of de manier waarop hij wordt toegepast, zijn in strijd met het recht op toegang tot de rechter indien zij de rechtzoekende verhinderen om een rechtsmiddel aan te wenden dat in beginsel beschikbaar is (EHRM 12 januari 2006, Mizzi t/ Malta, § 89; EHRM 7 juli 2009, Stagno t/ België), indien de haalbaarheid ervan afhankelijk is van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker (EHRM 22 juli 2010, Melis t/ Griekenland, § 28) of indien zij tot gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken is gedoemd (EHRM 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t/ Zwitserland).

Het recht op toegang tot de rechter verzet zich evenwel niet tegen absolute verjaringstermijnen. Dat recht moet immers worden verzoend met het streven naar rechtszekerheid en de zorg om het recht op een eerlijk proces die elke verjaringsregel kenmerken. De omstandigheid dat een verjaringstermijn kan verstrijken vooraleer de schuldeiser kennis heeft van alle elementen die nodig zijn om zijn vorderingsrecht uit te oefenen, zoals de twintigjarige termijn bepaald in art. 2262bis, § 1, derde lid BW, is bijgevolg op zichzelf niet in strijd met art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 6 EVRM.

Te dezen wordt de situatie onderzocht van de begunstigde van een derdenbeding die, bij gebrek aan kennisgeving door de bedinger of de belover, over geen enkel element beschikt dat hem in staat stelt om een vorderingsrecht dat hem op grond van de overeenkomst tussen de bedinger en de belover toekomt, uit te oefenen, en die, na verloop van tien jaren, een recht verjaard ziet dat hij nooit in rechte heeft kunnen afdwingen.

Wat de derdenbedingen voortvloeiend uit persoonsverzekeringen betreft, bepaalt art. 88, § 1, vierde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen dat de verjaringstermijn van de rechtsvordering van de begunstigde pas loopt vanaf de dag waarop deze tegelijk kennis heeft van het bestaan van de overeenkomst, van zijn hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de verzekeringsprestaties opeisbaar doet worden. Bijgevolg kunnen de rechtsvorderingen uit dergelijke derdenbedingen niet verjaren vooraleer de begunstigde kennis heeft van zijn recht.

De in het geding zijnde bepaling werd ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring. Met die wet beoogde de wetgever tegemoet te komen aan het arrest van het Hof nr. 25/95 van 21 maart 1995. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat art. 26 Voorafgaande Titel Sv. niet verenigbaar was met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat het de burgerlijke rechtsvordering voortvloeiend uit een misdrijf onderwierp aan een verjaringstermijn van vijf jaar, terwijl de andere buitencontractuele fouten krachtens de toenmalige versie van art. 2262 BW pas na dertig jaar verjaarden.

De wetgever oordeelde dat ingevolge dat arrest niet alleen de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid diende te worden geremedieerd, maar dat tevens de verjaringstermijn voor alle persoonlijke rechtsvorderingen, die op dat ogenblik dertig jaar bedroeg, diende te worden ingekort (Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1087/1, p. 2-3).

Daarbij werd beklemtoond dat er diende te worden voorzien in een absolute verjaringstermijn die begint te lopen op de dag waarop de schadeverwekkende gebeurtenis zich voordoet, zelfs indien de schade pas later blijkt, omdat de aansprakelijke en zijn verzekeraar niet al te lang mogen worden blootgesteld aan rechtsvorderingen tot vergoeding van schade (ibid., p. 2-3).

De absolute verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen werd op tien jaar bepaald (art. 2262bis, § 1, eerste lid BW). Die termijn begint te lopen op de dag volgend op het ogenblik waarop de vordering opeisbaar wordt. De absolute verjaringstermijn voor buitencontractuele aansprakelijkheid werd daarentegen op twintig jaar bepaald (art. 2262bis, § 1, derde lid BW). Die termijn begint te lopen op de dag volgend op het ogenblik van de schadeverwekkende handeling.

Alleen voor de buitencontractuele aansprakelijkheid werd binnen de absolute verjaringstermijn voorzien in een kortere termijn van vijf jaar, die begint te lopen op de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon (art. 2262bis, § 1, tweede lid BW).

Dat die kortere termijn niet werd uitgebreid naar de andere persoonlijke rechtsvorderingen, werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verklaard: “Het toepassen van de thans voorziene verkorte termijn op grond van het criterium “kennis van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon” op alle contractuele vorderingen heeft in veel gevallen geen zin. Men kent daar doorgaans de identiteit van zijn contractpartij “dader” die de contractuele fout heeft begaan. Voor andere vorderingen dan deze tot schadevergoeding moeten de aanvangspunten per type contractuele vordering bepaald worden, eerder dan te stellen “vanaf kennis van de schade” (zie NBW).

Tenzij het hele verjaringssysteem van het Belgische recht wordt herwerkt, wat, zoals gezegd, thans niet opportuun wordt geacht, leek het voldoende en gepast om binnen de groep van persoonlijke vorderingen (art. 2262bis BW) de vorderingen tot schadevergoeding gegrond op buitencontractuele aansprakelijkheid te onderwerpen aan de dubbele verjaringstermijn van vijf en tien jaar, terwijl alle andere persoonlijke vorderingen verjaren door een unieke absolute termijn van tien jaar (zie bespreking van art. 5). De “lange” of absolute termijn is dus dezelfde voor alle persoonlijke vorderingen” (ibid., p. 6).

Terwijl een contracterende partij in de regel kennis heeft van haar vorderingsrecht op de dag waarop het ontstaat, is dit evenwel niet noodzakelijk het geval voor de begunstigde van een derdenbeding. De begunstigde verkrijgt zijn vorderingsrecht immers op grond van een overeenkomst die tussen de belover en de bedinger wordt gesloten en waarbij hij geen partij is. Hij zal in de regel pas kennis krijgen van zijn vorderingsrecht indien de belover of de bedinger hem hiervan op de hoogte brengt. De bewijslast van het tijdstip van kennisname door de begunstigde van het recht dat hij put uit de overeenkomst tussen de bedinger en de belover ligt bij de begunstigde.

Bijgevolg is het, behalve voor een derdenbeding in een persoonsverzekering, mogelijk dat het recht dat voortvloeit uit een derdenbeding verjaart vooraleer de begunstigde van het bestaan ervan op de hoogte zou kunnen zijn. Zijn onwetendheid, zelfs te goeder trouw, schorst het vorderingsrecht immers niet, aangezien krachtens art. 2251 BW enkel een wettelijk beletsel in aanmerking komt om een verjaringstermijn te stuiten of te schorsen.

Hoewel het legitiem is om zoveel mogelijk in geharmoniseerde regels te voorzien voor de verjaring van alle types van persoonlijke rechtsvorderingen, vermag een dergelijke doelstelling niet tot gevolg te hebben dat voor een bepaald type van persoonlijke rechtsvorderingen de opeising onmogelijk kan worden gemaakt.

Aangezien de aanvaarding en de opeising van het recht dat voortvloeit uit een derdenbeding vereisen dat de begunstigde kennis heeft van dat recht, zou een verjaringstermijn die afloopt vooraleer hij redelijkerwijze over die kennis zou kunnen beschikken, hem verhinderen een rechtsmiddel aan te wenden waarover hij in beginsel beschikt. Indien de begunstigde na het verstrijken van de absolute verjaringstermijn van tien jaar alsnog kennis zou krijgen van het derdenbeding, zou elke vordering bij voorbaat tot mislukken gedoemd zijn.

In zoverre de in het geding zijnde bepaling tot gevolg kan hebben dat de begunstigde van een derdenbeding zijn recht niet kan opeisen, omdat het overeenkomstige vorderingsrecht is verjaard vooraleer hij kennis heeft van dat beding of er kennis van dient te hebben, is zij niet verenigbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

De rechter zal aldus dienen na te gaan of de begunstigden in het bodemgeschil kennis van het derdenbeding hadden of er redelijkerwijze kennis van dienden te hebben vóór het verstrijken van de verjaringstermijn.

Commentaar: 

Sophie Stijns: De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring, RW 2010-2011, 1538
rechtsleer: de verjaring, de vierde Antwerpse juristencongres, Intersentia 2007

 

Gerelateerd
5
Average: 5 (1 vote)
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: ma, 19/10/2015 - 13:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.