-A +A

verhaalbaarheid kosten en erelonen van de advocaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Sinds een arrest van het Hof van Cassatie van 02/09/04 is er een helse discussie losgebarsten mbt de mogelijkheid om de kosten en erelonen van de eigen advocaat op de verliezende tegenpartij te achterhalen.

Er dient echter vastgesteld dat de feitenrechters slechts zeer zelden om niet te zeggen hoogst uitzonderlijk een vergoeding toestaan voor de verdedigingskost van de winnende partij.

Voor een uistekende bijdrage over dit onderwerp met zeer talrijke verwijzingen: zie Sylvie Tack, Verhaalbaarheid verdedigingskosten in NJW 07/12/05, 1298

De wetgever heeft inmiddels de problematiek aangepakt middels de techniek van de toekenning van de rechtsplegingsvergoeding 

zie terzake de wet van 21 april 2007 betreffende de andere haalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat zoals verschenen in het Belgisch staatsblad van 31 mei 2007, tweede editie. voor de gecoördineerde tekst: klik hier
voorbereidende werkzaamheden wet verhaalbaarheid erelonen

 

 

Nog dit: 

Hof van Cassatie 2 september 2004, RW 02/09/2004

Cassatie-arrest dat de weg openstelt naar de verhaarheid van de kosten  en erelonen van adoccaten op de verliezende partij inzoverrre deze kosten een noodzakelijk gevolg zijn van contractuele schadevergoeding

Arrest

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 november 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.

...

IV. Beslissing van het Hof

Overwegende dat het arrest het honorarium van de advocaten en van de technische raadslieden niet beschouwt als kosten en uitgaven in de zin van de artikelen 1017 tot 1022 Ger.W., maar beslist dat het een element is van de schade die ten gevolge van de aan één van de eisers ten laste gelegde contractuele tekortkomingen, aan de verweerders is toegebracht;

Overwegende dat krachtens art. 1149 B.W. de schuldenaar, bij wanuitvoering van een contractuele verplichting, volledig moet instaan voor het verlies van de schuldeiser en voor de winst die hij heeft moeten derven, behoudens de toepassing van de artikelen 1150 en 1151 B.W.;

Dat de aan de schuldeiser verschuldigde schadevergoeding, met toepassing van art. 1151 B.W. alleen hetgeen een noodzakelijk gevolg is van het niet uitvoeren van de overeenkomst moet omvatten;

Dat het honorarium en de kosten van een advocaat of van een technisch raadsman die de benadeelde van een contractuele fout heeft betaald, een vergoedbaar element van zijn schade kunnen vormen, in zoverre zij dat noodzakelijk karakter vertonen;

Overwegende dat het arrest, (...), oordeelt dat zowel de kosten en het honorarium van de advocaat als van de technische raadslieden, waarop de verweerders een beroep hebben moeten doen, binnen de grenzen die het bepaalt, een concreet bestanddeel van hun schade vormen en dat zij noodzakelijk waren geworden door de wanuitvoering van de overeenkomst;

Dat het arrest aldus wettig beslist dat de eisers de schade moeten vergoeden «die het gevolg is van de kosten en het honorarium van hun juridisch raadsman en die meer bedragen dan de rechtsplegingsvergoeding» en dat de eerste eiser de schade moet vergoeden die het gevolg is van de kosten en het honorarium van twee van hun technische raadslieden die betrekking hebben op bepaalde schade die aan het gebouw is vastgesteld;

Dat het arrest aldus wettig beslist dat de eisers de schade moeten vergoeden «die het gevolg is van de kosten en het honorarium van hun juridisch raadsman en die meer bedragen dan de rechtsplegingsvergoeding» en dat de eerste eiser de schade moet vergoeden die het gevolg is van de kosten en het honorarium van twee van hun technische raadslieden die betrekking hebben op bepaalde schade die aan het gebouw is vastgesteld;

Dat het middel niet kan worden aangenomen.

Conclusie parket-generaal

A. en M. t/ R. en W.

Conclusie van advocaat-generaal A. Henkes

I. Middel

1. Het cassatieberoep strekt tot vernietiging van een arrest van het Hof van Beroep te Luik waarbij de eerste eiser – architect – en de tweede eiser – aannemer – worden veroordeeld om aan de verweerders bovenop diverse bedragen ter vergoeding van de materiële en morele schade die zij ten gevolge van gebreken in de bouw van hun huis hebben opgelopen, het bedrag van een provisionele frank vergoeding te betalen voor de schade die voor de verweerders voortvloeit uit de betaling van het honorarium van hun juridische raadsman, en waarbij de eerste verweerder wordt veroordeeld om hun de kosten van het beroep op twee technische raadslieden terug te betalen.

Volgens het middel miskent het arrest aldus de artikelen 1146 tot 1153 B.W. alsook de artikelen 1017 tot 1022 Ger.W. aangezien, enerzijds, het honorarium van de technische raadslieden en/of juridische raadslieden geen element vormt van de schade van de benadeelde die op hen een beroep doet, ongeacht of de schuldeiser zonder de fout van de schuldenaar geen bijstand zou hebben nodig gehad en of het optreden van die raadslieden verantwoord is door het ingewikkeld karakter van de zaak, en aangezien, anderzijds, dat honorarium niet kan worden beschouwd als kosten in de zin van de artikelen 1017 tot 1022 Ger.W. en dus niet ten laste kan worden gelegd van de partij die in het ongelijk wordt gesteld.

II. Beoordeling

2. De terzake toepasselijke bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1017, 1018 en 1022), de parlementaire voorbereiding van art. 1022 Ger.W. (Parl. St. Senaat, 1964-1965, nr. 170, p. 157; Parl. St. Kamer, 1965- 1966, nrs. 49 e.v., p. 148 e.v.; Ch. Van Reepinghen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, I, p. 394 e.v.), de tenuitvoerlegging van laatstgenoemd artikel door het K.B. van 30 november 1970 (B.S. 3 december 1970, gewijzigd bij K.B. van 23 november 1976, B.S. 4 december 1976), alsook de wijziging ervan door de wet van 6 juli 1973 (Parl. St., Kamer, 1971-1972, nr. 72/1, p. 1-2) wettigen de conclusie dat de wetgever de lege lata gekant is tegen de verhaalbaarheid van het honorarium van de advocaat.

3. We verwijzen evenwel naar de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties waarbij de desbetreffende Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 29 juni 2000 in een wet wordt omgezet (B.S. 7 augustus 2002, p. 34281; Pb.L. E.G., nr. L 200 van 8 augustus 2000, p. 35; zie V. Sagaert, «De Europese richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties», R.W. 2001-2002, 1441-1442). Krachtens art. 6 van genoemde wet is de schuldeiser gerechtigd om van de in gebreke gebleven schuldenaar een redelijke schadevergoeding te vorderen voor alle relevante invorderingskosten die ontstaan zijn door de betalingsachterstand, en zulks onverminderd zijn recht op terugbetaling van de gerechtskosten overeenkomstig het bepaalde in het Gerechtelijk Wetboek. Deze invorderingskosten moeten voldoen aan de beginselen van transparantie en in verhouding staan tot de schuld in kwestie.

Er bestaat geen eensgezindheid over de draagwijdte van die wetsbepaling betreffende de verhaalbaarheid van het advocatenhonorarium. De meeste auteurs zijn evenwel van oordeel dat de schadeloosstelling voor invorderingskosten ook de kosten van de advocaten omvat (C. Parmentier en D. Patart, «La loi du 2 août 2002 concernant la lutte contre le retard de paiement dans les transactions commerciales», T.B.H. 2003, (217), 223-224, nr. 27; K. Maenhout, «Verhaalbaarheid van erelonen en kosten van advocaten inzake handelstransacties na de wet van 2 augustus 2002», R.W. 2002-2003, p. 616, nr. 9; voor een meer terughoudende zienswijze, zie: V. Sagaert en I. Samoy, «De wet van 2 augustus betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (Een verwittigd wanbetaler is er twee waard)», R.W. 2002-2003, (320), p. 328, nr. 25).

4. Sedert 11 april 1956 (Arr. Verbr. 1956, 657) beslist het Hof inzake buitencontractuele aansprakelijkheid dat «het beroep op een advocaat door het slachtoffer van een misdrijf enkel tot doel heeft het bijstaan van het slachtoffer in zijn eis tot herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade; dat zulk beroep geen bestanddeel van die schade is». Die rechtspraak werd tweemaal bevestigd, op 11 juni 1956 (Arr. Verbr. 1956, 850) en op 18 juni 1964 (Pas. 1964, I, 1121).

5. Inzake contractuele aansprakelijkheid evenwel heeft het Hof in een arrest van 28 april 1986 die regel genuanceerd (Cass., 28 april 1986, Arr. Cass. 1985-86, nr. 525 en de verwijzingen in voetnoot; R.W. 1986-1987, 1911; i.v.m. de draagwijdte ervan in de rechtsleer, zie J. Linsmeau, «La répétibilité des honoraires d‘avocats», R.G.A.R., 1992, nr. 12043; zie ook L. Schuermans e.a., «Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad, schade en schadeloosstelling (1983-1992)», T.P.R., 1994, p. 1428, nr. 127.3). Het betrof een verzekeringsmaatschappij die haar contractuele verplichting om rechtsbijstand te verlenen aan haar verzekerde niet was nagekomen en de termijn voor aangifte van het ongeval bij het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds had laten verstrijken. Het bestreden arrest legt alle kosten van het geding, met inbegrip van de kosten voor het deskundigenverslag en de aanstelling van een raadsman, ten laste van de verzekeraar.

Het bijzonder karakter van het geval wettigt een haast integrale weergave van de motivering van het arrest.

Allereerst stelt het Hof vast dat «het (bestreden) arrest niet beslist dat het ereloon van de advocaat moet worden beschouwd als gerechtskosten in de zin van de artikelen 1017 tot 1022 Ger.W.; dat het evenmin de artikelen 1382 en 1383 B.W. toepast, maar integendeel de quasi-delicturele aansprakelijkheid van eiseres uitdrukkelijk verwerpt».

Vervolgens wijst het erop dat «het arrest preciseert dat eiseres (vrij cursiveren) de rechtskennis en het initiatief, die zij contractueel op zich heeft genomen, niet kan afwentelen op haar verzekerde, eerste verweerster, wat er overigens op zou neerkomen dat de verzekerde een beroep zou moeten doen op de bijstand van een raadsman om de weigering van eiseres rechtsbijstand te verlenen, te ondervragen; dat eiseres tekortkwam aan haar contractuele verplichting, namelijk rechtsbijstand verlenen, en dat zij de termijn om het ongeval aan te geven bij het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds liet verstrijken; dat eerste verweerster hierdoor derhalve schade leed die bestaat in het verlies van een zekere kans op vergoeding door het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds; dat deze schade voorzienbaar was»; en dat «het arrest oordeelt dat eerste verweerster `aanspraak kan maken op vergoeding voor alle kosten van het geding, inbegrepen die van het deskundigenverslag en van haar raadsman; dat het duidelijk is dat in dit speciale geval de kosten van het aanstellen van een raadsman deel uitmaken van de schade die door de wanprestatie van eiseres werd veroorzaakt‘».

Na aldus de bakens te hebben uitgezet voor het debat, besliste het Hof «dat de rechter in feite en derhalve op onaantastbare wijze, binnen de perken van de conclusies van de partijen, het bestaan en de omvang van de schade beoordeelt en met name of in een bepaald geval (wij cursiveren) de kosten van aanstelling van een deskundigen van een raadsman bestanddelen zijn van de schade». Vervolgens beslist het «dat het arrest te dezen, op grond van de evenvermelde consideransen, wettig heeft kunnen beslissen dat verweerster `aanspraak kan maken op vergoeding voor alle kosten van het geding, inbegrepen die van het deskundigenverslag en van haar raadsman‘».

Met andere woorden, wanneer in geval van een geschil terzake van een verkeersongeval de contractuele verplichting om rechtsbijstand te verlenen niet wordt nagekomen, en dat ongeval niet wordt aangegeven binnen de vereiste termijnen, waardoor dschade ontstaat ten gevolge van de derving van een kans op schadevergoeding, zijn de kosten die de schuldeiser van die verplichting en slachtoffer van die nalatigheid heeft moeten maken doordat hij een beroep moest doen op een eigen advocaat en op een deskundigenonderzoek, ten laste van de veroorzaker van de schade.

6. Ook wanneer een technisch raadsman wordt aangesteld, ofwel in de hoedanigheid van raadsman van een partij in het raam van een deskundigenonderzoek ofwel in de hoedanigheid van deskundige, heeft het Hof in dezelfde zin beslist, zij het ook hier met een nuance.

Inzake onteigening, waarbij een beroep wordt gedaan op een gerechtelijk deskundige, beslist het Hof in een arrest van 7 juni 1956 (Arr. Verbr. 1956, 840) dat die kosten niet verhaalbaar zijn en grondt die beslissing hierop «dat het inroepen van de bijstand van een technisch raadsman een maatregel is die verweerders persoonlijk nuttig geacht hebben buiten de in de wet bepaalde maatregelen te moeten nemen; dat zij niet door hun daad het uit de onteigening voortvloeiend nadeel ten laste van de eigenaar mogen verzwaren». Die regel wordt bevestigd door twee arresten van 30 april 1959 (Arr. Verbr. 1959, 656) en 14 juni 1990 (Arr. Cass. 1989-90, nr. 594; R.W. 1990-91, 446).

7. In een geval van buitencontractuele aansprakelijkheid waarbij op een eenzijdig of contradictoir deskundigenonderzoek een beroep werd gedaan met het oog op de vaststelling van het bestaan en de omvang van de schade beslist het Hof in een arrest van 20 oktober 1994 (Arr. Cass. 1994, nr. 445; R.G.A.R. 1996, nr. 12563; R.W. 1996-97, 297) «dat in de regel, het beroep dat het slachtoffer van een fout doet op een technisch raadsman, alleen het bijstaan beoogt van dat slachtoffer in de vordering tot herstel van de door die fout veroorzaakte schade; (dat) het geen bestanddeel van die schade is en niet voor vergoeding in aanmerking komt».

Het Hof diende zich in dat geval te buigen over een vonnis waarbij de oorspronkelijke vordering van verweerder tot betaling van schadevergoeding gedeeltelijk gegrond werd verklaard en waarbij eiseres werd veroordeeld om aan verweerder de tegenwaarde in Belgische frank van een hoofdsom van 581,97 D.M., te betalen, op grond dat verweerder Duitser is en in Duitsland woont en dat het bijgevolg logisch was dat hij een beroep deed op een Duitse deskundige; dat de kosten van het deskundigenonderzoek moeten worden beschouwd als een bestanddeel van de door de getroffene van het ongeval geleden schade; dat die kosten voortvloeien uit het ongeval en zonder dat ongeval niet zouden zijn ontstaan. Voor de eerste rechter betoogde eiseres dat zij te dezen niet de mogelijkheid had gehad om tussen te komen in de aanstelling van de deskundige en dat verweerder eenzijdig een technisch raadsman met dat deskundigenverslag had belast. Eiseres verwees dienaangaande naar de rechtspraak volgens welke die eenzijdige verslagen niet tot de schade behoren. De eerste rechter oordeelde dat te dezen toch rekening moest worden gehouden met de handelwijze van de verzekeringsmaatschappij; nadat de Duitse deskundige zijn verslag had opgesteld, had eiseres een Belgische deskundige geraadpleegd die het verslag van de Duitse deskundige had onderzocht en goedgekeurd, wat onder meer tot gevolg had dat eiseres de kosten van zijn deskundige had vergoed aan verweerder. Bijgevolg, besloot de eerste rechter, moest dit verslag worden beschouwd als een bestanddeel van de geleden schade, zodat de verzekeraar van de aansprakelijkheid van de voor het ongeval aansprakelijke persoon ongetwijfeld de kosten van het verslag moest vergoeden.

In het arrest van 5 mei 1999 (Arr. Cass. 1999, nr. 260; R.W. 2001-02, 1171) herinnert het Hof aan de op 20 oktober 1994 gestelde regel.

8. In een arrest van 28 februari 2002 (R.W. 2002-03, 19, met noot S. Mosselmans; De Verz. 2002, 701, met noot P. Graulus) beslist het Hof dat de kosten die een van de partijen had gemaakt teneinde het bestaan en de omvang van de schade vast te stellen verhaalbaar zijn.

Die zaak heeft betrekking op schade die voortvloeit uit een aanvaring voor de kust van Oostende, tussen een vrachtschip en een loodsboot, die de aan boord van dat vrachtschip aanwezige loods kwam afhalen. Het ongeval werd enkel door de fout van de stuurman van de loodsboot veroorzaakt. De partijen kwamen in der minne overeen een deskundigenonderzoek op tegenspraak te laten uitvoeren met het oog op de vaststelling van het bedrag van de schade aan beide vaartuigen. De bodemrechter beslist dat de kosten van het deskundigenonderzoek die waren gemaakt door de onderneming, die eigenares van het vrachtschip en benadeelde was, deel uitmaken van die schade en haar moeten worden terugbetaald.

De beslissing van het Hof dat art. 1382 B.W. niet uitsluit dat de verplichting tot schadevergoeding zich ook kan uitstrekken tot de kosten die de benadeelde heeft gemaakt om de schade en de omvang ervan vast te stellen, vormt een antwoord op het middel dat, met aanvoering van de regel, vervat in beide voormelde arresten van 20 oktober 1994 en 5 mei 1999 van het Hof, betoogde dat de bodemrechter de artikelen 1382 en 1383 B.W. had geschonden.

9. Heeft het Hof hier zijn rechtspraak gewijzigd? Ik denk het niet. Allereerst heeft het Hof in beide voormelde arresten van 1994 en 1999 beslist dat het beroep op een technisch raadsman «in de regel» geen aanleiding kan geven tot schadevergoeding. Dat betekent dat uitzonderingen mogelijk zijn. Het door het arrest van 28 februari 2002 onderzochte geval is zo‘n uitzondering. Vervolgens hoeft die beslissing ons niet noodzakelijk te verrassen, aangezien er wordt vermeld dat een vaste rechtspraak inzake zeerecht aanneemt dat de in der minne gemaakte kosten voor een deskundigenonderzoek, die nodig zijn voor de nauwkeurige vaststelling van de omvang van de schade, deel uitmaken van die schade (P. Lurquin, Traité de l‘expertise en toutes matières, I, Brussel, Bruylant, 1985, p. 336, nr. 375, en de aldaar vermelde rechtspraak).

In die op 28 februari 2002 berechte zaak is de bodemrechter niet verdergegaan. En in ieder geval hebben de bodemrechters, zoals het Hof zegt na overigens het eerste onderdeel van het middel wegens gebrek aan feitelijke grondslag te hebben verworpen, hun beslissing betreffende de verhaalbaarheid niet gegrond op de artikelen 1017 en 1018 Ger.W. die de kosten regelen.

10. Een hedendaagse strekking binnen de Belgische rechtsleer komt op tegen de verwerping van de «verhaalbaarheid» van het honorarium van de advocaat en van kosten van deskundigen. Vooral mevrouw J. Linsmeau, die zich baseert op rechtsvergelijkende gegevens «La répétibilité des honoraires d‘avocat», R.G.A.R., 1992, nr. 12043; Idem., «Pour la répétibilité des honoraires d‘avocat», R.G.A.R., 1998, nr. 12915), en mr. Eric Boigelot («Vers la légalisation prochaine d‘un système permettant la répétibilité des frais et honoraires d‘avocat, en matière civile et pénale?», J.T., 1999, 471 e.v.), die overvloedig put uit twee wetsvoorstellen (zie ook W. Geldof en B. Claessens, «Advocaten honoraria. Vergoedbare schade?», N.J.W., 2002, 342-346; R.O. Dalcq, «A propos de la répétibilité des honoraires d‘avocat», R.G.A.R., 1992, nrs. 12043 en 1998, nr. 12915; S. Raes, «Een bedenking over de verhaalbaarheid van erelonen en kosten van advocaten in het licht van de rechtspraak van het Hof van cassatie», P&B 1997, 23; A. Van Oevelen en K. Broeckx, «De verenigbaarheid met art. 1023 Ger.W. van het beding dat advocatenhonoraria ten laste van de verliezende partij legt: nogmaals het cassatie arrest van 7 april 1995», P&B 1997, 26; M. Nihoul, «La répétibilité des honoraires de l‘avocat: les tribunaux n‘ont pas toujours nié l‘évidence!», J.T. 1999, 478; Idem, «La répétibilité des honoraires du conseil en matière d‘expropriation: vers une indemnité de défense en marge du droit commun?», J.T. 1996, 401-410) alsook uit twee resoluties, respectievelijk van 15 maart 1998 en van 2 maart 1999, van de Franse Orde van de advocaten van de Brusselse balie, voeren doorslaggevende argumenten aan (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1588/1; Parl. St., Senaat 1999-2000, nr. 2- 171/1).

11. Kortom, de hedendaagse rechtsleer neigt ertoe aan te nemen dat de «niet-verhaalbaarheid» van het honorarium en van de kosten van raadslieden niet alleen niet meer nodig is ter vrijwaring van het recht van verdediging en van de vordering in rechte, maar dat de verhaalbaarheid de «ernstige» advocaat aanmoedigt en de chicaneur ontmoedigt. Daarbovenop komt nog dat wegens de inhoudelijke en procedurele complexiteit van de geschillen het beroep op juridische en technische deskundigen geboden is om een werkelijke toegang tot het gerecht mogelijk te maken (zie evenwel F. Balate, «Les honoraires d‘avocat à charge de la partie succombante: facteur d‘accès à la justice ou non», T. Vred. 1987, 36).

12. Er dient te worden vastgesteld dat volgens de rechtsleer al onze buurlanden (Frankrijk, Luxemburg, Duitsland, Nederland, Engeland en Wales) en de Europese rechtscolleges, anders dan in België, onder uiteenlopende vormen, met uiteenlopende technieken en in verschillende graden het systeem van de verhaalbaarheid van het honorarium van de juridische raadslieden kennen (zie het rechtsvergelijkend overzicht van J. Linsmeau, o.c., R.G.A.R., 1998, nrs. 13 tot 28; B. Demeulenaere, «Advocatenhonoraria, een consumentvriendelijk perspectief», T.P.R. 1988, 21 e.v.; J. Ronse, Schade en schadeloosstelling, I, in A.P.R., 1984, p. 315, nr. 4; over het Frans recht: C. Taormina, «La charge des frais et dépens de l‘exécution forcée», J.C.P., nr. 23, p. 1025 e.v.; H. Ader, «Les honoraires de l‘avocat en France (situation en mai 1999)», J.T. 1999, p. 487, nr. 4; Ph. Brun en L. Clerc-Renaud, Encyclopédie Dalloz, Procédure civile, v° «Frais irrépétibles»; M. Defossez, Juris-Classeur de procédure civile, V, v° «Dépens-Frais irrépétibles – Article 700», fasc. 524; B. Boccara, «La condamnation aux honoraires (article 700 du nouveau Code de procédure civile», J.P.C., 1976, Doctr., 2828; E. Boigelot, o.c., p. 473, nr. 16; over het Nederlandse recht: E. Boigelot, o.c., p. 473, nr. 15; over het Engelse recht: T. Twemlow, «Les honoraires des solicitors», J.T. 1999, p. 482, o.c., nr. 2.7, en p. 404, nr. 5.7; over het Duitse recht: Th. Westphal, «Le droit des honoraires des avocats en Allemagne», J.T. 1999, nrs. 1.2 tot 1.5).

13. We beklemtonen aldus dat in Frankrijk, krachtens de artikelen 700 en 695 van de «Nouveau code de procédure civile», de rechter de verliezende partij kan veroordelen in de kosten die geen gerechtskosten zijn in de zin van de wet. Tot die gerechtskosten die in dat artikel 695 op beperkende wijze worden opgesoms behoort het honorarium van de advocaat (voor een commentaar, zie P. Brun en L. Clerc- Renaud, «Frais irrépétibles», in Rép. Pr. Civ., Dalloz, 2000).

In Nederland wordt de verhaalbaarheid van het honorarium van de advocaat geregeld in de artikelen 238 en 239 van het nieuwe «Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering» (de tekst komt volledig overeen met die van de artikelen 57.a en 57 van het oude Wetboek van burgerlijke rechtsvordering; het nieuwe Wetboek is van kracht geworden op 1 januari 2002). Wij wijzen erop dat het bedrag wordt vastgesteld door de rechter en dat het in de regel lager is dan het werkelijk aan de advocaat verschuldigde honorarium (zie C.J.J.C. Van Nispen e.a., Burgerlijke Rechtsvordering. Tekst en Commentaar, Deventer, Kluwer, 2002, p. 371-372; P.A. Stein-A.S.Rueb, Compendium van het nieuwe burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2002, 175- 176). Als reden voor de slechts gedeeltelijke verhaalbaarheid wordt aangevoerd dat de drempel voor de toegang tot de rechter niet te hoog mag zijn (zie H.J. Snijders e.a., Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2002, 115- 116). De kosten voor rechtsbijstand zijn verhaalbaar ofwel als terugbetaling van buitengerechtelijke kosten, krachtens art. 6.96.2 van het N.B.W., ofwel als kosten die verantwoord zijn ter vaststelling van de schade en de omvang ervan (Asser-Hartkamp, Verbintenissenrecht, I, De verbintenis in het algemeen, Deventer, Kluwer, 2000, p. 328-329, nr. 414).

In de Duitse Bondsrepubliek is het honorarium van de advocaat krachtens de § 91 e.v. Z.P.O. in beginsel, maar met belangrijke beperkingen volledig verhaalbaar als proceskosten (Krachtens § 97 Z.P.O. is de regel wel degelijk dat de kosten van een vruchteloos ingesteld rechsmiddel ten laste vallen van de eiser. Maar de winnende partij kan met alle kosten van een rechtsmiddel of met een gedeelte ervan worden belast, wanneer zij gelijk haalt op grond van een argument dat zij in een vorige aanleg had kunnen aanvoeren. Krachtens § 96 Z.P.O. kunnen bovendien de kosten, veroorzaakt door een vergeefs aangevoerd middel, ten laste worden gelegd van de partij die het heeft opgeworpen, zelfs als zij op de hoofdzaak in het gelijk wordt gesteld).

Zoals in Nederland zijn de voor rechtsbijstand gemaakte buitengerechtelijke kosten verhaalbaar op grond van de aansprakelijkheidsregels van gemeen recht. Zo is het honorarium van de advocaat uit dien hoofde verhaalbaar als later opgetreden schade wanneer op een juridische raadsman een beroep moet worden gedaan omdat de in het ongelijk gestelde partij reden had om te vrezen dat hij zonder die technische bijstand zijn aanspraken niet met goed gevolg zou kunnen doen gelden (Voor een overzicht van die gevallen, zie H. Lange, Schadensersatz, Tübingen, Mohr, 1990, p. 385 e.v.). Onder bepaalde voorwaarden kan het eveneens gebeuren dat, wanneer een van de partijen een beroep doet op een deskundige om de schade vast te stellen, de kosten hiervan moeten worden gedragen door de verliezende partij (H. Lange, ibid.).

Nog altijd wat de rechtsvergelijkende gegevens betreft, dient te worden vastgesteld dat in het supranationaal recht, voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (procesreglement van het Hof van 19 juni 1991, art. 73 en 74 (art. 91 en 92 van het procesregleemnt van het Gerecht van Eerste Aanleg), het Gerecht van Eerste Aanleg van dat Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (J. Velu en R. Ergec, R.P.D.B., Complément, VII, v° «Convention européenne des droits de l‘homme», nr. 1205) het honorarium van de advocaat verhaalbaar is.

Krachtens art. 45, tweede lid, van de Overeenkomst van 15 april 1994 inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, goedgekeurd bij de wet van 23 december 1994 (B.S. 23 januari 1997), hebben de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid de inbreukmaker te gelasten aan de houder van het recht kosten te betalen, die de honoraria van een advocaat kunnen omvatten.

14. Tot besluit is de stand van het Belgisch positief recht over de aan het Hof voorgelegde vraag m.i. de volgende:

– in de regel is krachtens de wet het honorarium van de advocaat niet verhaalbaar (zie supra, nr. 2);

– de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties vormt een uitzondering op die regel; deze is beperkt tot een welbepaalde categorie van justitiabelen en geldt slechts in welbepaalde omstandigheden (zie supra, nr. 3);

– in de regel weigert het Hof de verhaalbaarheid van de kosten voor advocaten, behalve inzake contractuele aansprakelijkheid, waar het deze in een welbepaald geval als bestanddeel van de schade heeft aanvaard (zie supra, nr. 5);

– de kosten voor de bijstand van een technisch raadsman zijn volgens het Hof, op een uitzondering na inzake buitencontractuele aansprakelijkheid in het zeerecht, in de regel niet verhaalbaar.

15. In het licht van het bovenstaande ben ik te dezen, wat betreft de terugvordering van het honorarium van de juridisch raadsman, van oordeel dat, in weerwil van voormeld arrest van 28 april 1986 – dat trouwens een geval beslecht dat niets te maken heeft met het thans aan het toezicht van het Hof onderworpen geval – de door het cassatieberoep bestreden beslissing waarbij een veroordeling wordt uitgesproken tot terugbetaling van dat honorarium, niet naar recht is verantwoord.

16. De zaken liggen evenwel gevoeliger voor de terugvordering van de kosten die zijn gemaakt door het beroep op technische raadslieden.

In deze zaak gaat het over een vordering tot schadevergoeding, die, zoals in voormeld arrest van 28 april 1986 (zie supra, nr. 5 en de verwijzingen aldaar), gegrond is op contractuele aansprakelijkheid. In tegenstelling tot die zaak heeft de onderhavige zaak echter betrekking op een contractuele verplichting die niet bestaat in het verlenen van rechtsbijstand.

In voormeld arrest van 28 april 1986 heeft het Hof beslist dat, gelet op de toen voorgelegde gegevens van de zaak, een van het gemene recht afwijkende oplossing verantwoord was. Het besliste toen dat «in een bepaald geval» (wij cursiveren) de bodemrechter in feite kon oordelen of de kosten voor deskundigen een bestanddeel waren van de schade.

Bevinden wij ons in een dergelijk bepaald geval?

Wanneer ik beide zaken met elkaar vergelijk, stel ik, zoals hierboven reeds gezegd, vast dat de thans aan het Hof onderworpen zaak niet veel gemeen heeft met de voornoemde, laat staan dat zij gegevens bevat die naar het mij voorkomt daarvan een «bepaald geval» zouden maken.

17. Het is pas raadzaam onderhavige zaak te onderzoeken onder het kwalitatief aspect van «bepaald geval» met de bedoeling het Hof in staat te stellen uitspraak te doen over de aan het Hof voorgelegde rechtsvraag, wanneer men het eens is over de betekenis van de door het Hof gebruikte woorden «in een bepaald geval».

Indien het Hof daaronder immers alleen heeft willen verstaan dat de bodemrechter «bij gelegenheid», «soms», «in een welbepaald geval» kan afwijken van het gemene recht inzake verhaalbaarheid, is het van alle belang ontbloot na te gaan of de zaak «bepaald» is.

Indien het Hof daarentegen door die precisering een specifiek materieel criterium heeft willen aangeven dat, in voorkomend geval, een afwijking van het gemene recht zou mogelijk maken, dient overeenstemming te worden bereikt over de betekenis van «een bepaald geval».

18. Wij herinneren allereerst nogmaals aan dat, afgezien van die nog achterf te omschrijven voorwaarde, de elementen van beide zaken – de voorliggende zaak en die van 28 april 1986 – sterk van elkaar verschillen, wat genoegzaam is aangetoond.

Te dezen lijkt de bodemrechter te beslissen dat de gerechtsdeskundige dankzij een privé-deskundige op de goede weg is geraakt, wat verantwoordt dat die «privé»- kosten worden terugbetaald door degene die zich genoodzaakt zag op hem een beroep te doen.

Wordt echter de verhaalbaarheid van de kosten van de techniche bijstand hierdoor niet afhankelijk gemaakt van de mate waarin het resultaat de afloop van het geschil beïnvloedt?

Aldus zouden de gemaakte technische kosten verhaalbaar zijn indien zij nodig zouden zijn om de «gerechtelijke waarheid», die trouwens verdedigd wordt door de maker van die kosten, te kunnen ontdekken, en zouden zij omgekeerd niet verhaalbaar zijn in het tegenovergestelde geval.

Wanneer de regel op die wijze wordt geformuleerd, is ze m.i. bezwaarlijk verdedigbaar. Ik denk hoe dan ook niet dat het Hof zijn door de precisering «bepaald geval» aldus heeft begrepen.

19. In de rechtsleer onderzoeken de meeste auteurs de verhaalbaarheid van die kosten vanuit het gezichtspunt van de «redelijkheid» ervan, dat wil zeggen dat die kosten worden terugbetaald wanneer het redelijk (of terecht) was dat die kosten werden gemaakt om de aansprakelijkheid en de omvang van de schade vast te stellen (J. Ronse, Schade en schadeloosstelling (onrechtmatige daad) in A.P.R., p. 341-345, nrs. 449-454; J. Ronse, L. De Wilde, A. Claeys en I. Mallems, Schade en schadeloosstelling, I, in A.P.R., p. 309-313, nrs. 449- 454; E. Dirix, Het begrip schade, p. 54, nr. 75; zie ook de verwijzingen naar de voetnoot 40 onderaan de pagina en L. Schuermans, J. Schryvers, D. Simoens, A. Van Oevelen en M. Debonnaire, «Overzicht van rechtspraak; Onrechtmatige daad, Schade en schadeloosstelling (1969-1976)», T.P.R. 1977, p. 585, nr. 86; L. Schuermans, J. Schryvers, D. Simoens, A. Van Oevelen en H. Schamp, «Overzicht van rechtspraak; Onrechtmatige daad. Schade en schadeloosstelling», T.P.R. 1984, p. 876-877; L. Soetemans, «Kosten voor schadevaststelling vormen geen schade-element» (noot onder Cass., 5 mei 1999), R. Cass. 2000, 172-173). Krachtens § 91 Z.P.O. moet de verliezende partij de kosten van het proces terugbetalen aan de winnende partij in zoverre zij nodig waren voor een gerechtelijke vervolging of om zich op passende wijze in rechte te kunnen verdedigen («zweckentsprechend», passend, conform het doel).

20. Het is niet eenvoudig om uit de zeer zeldzame gevallen waarin het Hof instemt met de terugvordering van de naar aanleiding van een vordering tot schadevergoeding gemaakte kosten, een regel af te leiden.

De motivering van de bodemrechters is trouwens niet zeer duidelijk, tenzij dan dat het mogelijk is om zonder groot risico voor vergissingen uit de verscheidenheid van de onderzochte gevallen af te leiden dat de naar aanleiding van een rechtsvordering gemaakte privé-kosten terugbetaalbaar zijn wanneer zij nodig waren om zijn rechten met goed gevolg te kunnen doen gelden, of dat de betaling ervan in het licht van de door de zaak opgeworpen problemen niet onredelijk was.

21. Wat betreft de rechtspraak van het Hof inzake deskundigenonderzoek bij onteigening is het niet zonder belang nogmaals stil te staan bij de motivering van de verwerping van de terugvordering.

Aldus neemt het Hof in het voormelde arrest van 14 juni 1990 (zie supra, nr. 6 en de verwijzingen aldaar) kennis van een arrest van het Hof van Beroep te Luik waarbij in de vergoeding die was toegekend wegens onteigening ten algemenen nutte een vergoeding was opgenomen die de begunstigde partij verklaart als kosten voor haar verdediging te hebben uitgegeven en die worden terugbetaald als aanvullende schadeloosstelling.

Het bestreden arrest grondt die beslissing op de overweging dat «de onteigende(n), om zijn/hun rechten tegen de overheid ten volle te doen gelden (...), verplicht zijn geweest een beroep te doen op een technisch adviseur en dat (voornoemd) bedrag, dat zij in werkelijkheid daarvoor hebben uitgegeven, (hun) als aanvullende vergoeding moet worden toegekend».

Het Hof merkt allereerst op dat «inzake onteigening ten algemenen nutte, zoals in het gemene recht, het oorzakelijk verband uiteraard noodzakelijk moet zijn».

Vervolgens overweegt het dat «het beroep op de medewerking van een technisch adviseur een maatregel is die de verweerders zelf nuttig achtten, buiten de maatregelen waarin de wet voorziet; dat zij door hun toedoen de uit de onteigening voortvloeiende schade niet ten laste van de onteigenende overheid konden verzwaren.

22. Aldus antwoordt het Hof op het middel waarin wordt aangevoerd dat er tussen de onteigening en elke, door de onteigende aangevoerde schade een oorzakelijk verband moet bestaan opdat de vergoeding van die schade zou kunnen worden opgenomen in de billijke en voorafgaande schadeloosstelling waarvan sprake is in art. 11 van de Grondwet; dat inzake onteigening ten algemenen nutte, zoals in het gemene recht, het oorzakelijk verband uiteraard noodzakelijk moet zijn (wij cursiveren); dat de bij de wet van 26 juli 1962 voorgeschreven vormvereisten, met name die inzake het deskundigenonderzoek (artikelen 4, 12, 13, 14 en 16 van de wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte) volgens de wetgever alleen de maatregelen zijn die noodzakelijk zijn ter vrijwaring van de rechten van de onteigende; dat het beroep op de medewerking van een technisch adviseur een maatregel is die de verweerders zelf nuttig achtten buiten de maatregelen waarin de wet voorziet; dat zij aan de onteigenaar niet de kosten kunnen aanrekenen van een technische bijstand waarin de wet niet voorziet en die niet wegens de onteigening werkelijk noodzakelijk waren; dat het arrest aan de verweerders een vergoeding heeft toegekend die groter is dan de «billijke» schadeloosstelling waarvan sprake is in art. 11 van de Grondwet (schending van die bepaling) en de bepalingen schendt krachtens welke de onteigende recht heeft op de medewerking van een door de rechter aangestelde deskundige (schending van de artikelen 4, 12, 13, 14 en 16 van de vooraan in het middel vermelde wet betreffende de spoedprocedure).

23. Het feit dat het Hof, om het middel te volgen, dezelfde bewoordingen gebruikt, doet vermoeden dat het zich heeft aangesloten bij de gedachtegang ervan.

Volgens de eisers tot cassatie is het beroep op een technisch adviseur evenwel een maatregel die niet wegens de onteigening werkelijk noodzakelijk was. Anders gezegd, tussen de onteigening en de schade die volgens de onteigende bestaat in de kosten die zijn gemaakt door het beroep op een technisch adviseur, bestaat geen noodzakelijk oorzakelijk verband dat zou rechtvaardigen dat de vergoeding van die schade zou worden opgenomen in de door de wet opgelegde billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

Dat tussen de onteigening en de kosten die de onteigende, door een beroep te doen op de bijstand van een technisch adviseur, heeft gemaakt om de billijke vergoeding te verkrijgen van de door de onteigening veroorzaakte schade, geen noodzakelijk oorzakelijk verband bestaat, blijkt hieruit te volgen dat de wetgever in de onteigeningsprocedure mechanismen heeft ingebouwd om de rechten van de onteigende te vrijwaren. Zowel eiser tot cassatie als het Hof beschouwen die mechanismen als afdoende. Met andere woorden, opdat de kosten van de deskundige zouden kunnen worden vergoed als schade die eveneens door de onteigening is veroorzaakt, zou het noodzakelijk zijn geweest dat die kosten werden gemaakt ter vrijwaring van de rechten van de onteigende.

24. De oorzaak die noodzakelijk is om die «tweede» schade te vergoeden, is meervoudig: het oorspronkelijke schadelijke feit, dat de oorzaak is van de eerste, belangrijkste schade (bv. het financiële verlies dat het gevolg is van het feit dat de schadeloosstelling, gelet op de economische waarde van de onteigende grond, niet toereikend is) en de tweede schade, die was veroorzaakt door de noodzaak om bijzondere kosten te maken in het raam van een (gerechtelijke) procedure (bv. een eenzijdig privé-deskundigenonderzoek) ter vrijwaring van het recht van de onteigende op een billijke vergoeding van oorspronkelijke schade. Deze schade omvat in voorkomend geval ook de tweede.

25. Zoals hierboven reeds is gezegd (zie supra, nr. 7 en de verwijzingen aldaar) beslist het Hof vier jaar later, namelijk op 20 oktober 1994, inzake buitencontractuele aansprakelijkheid «dat, in de regel, het beroep dat het slachtoffer van een fout doet op een technisch raadsman, alleen het bijstaan beoogt van het slachtoffer in de vordering tot herstel van de door die fout veroorzaakte schade; dat het geen bestanddeel van die schade is en niet voor vergoeding in aanmerking komt».

26. Door aldus te beslissen neemt het Hof het tweede onderdeel aan waarin werd aangevoerd dat, «wanneer een partij die schade heeft geleden voor de vaststelling en dus voor het bewijs van haar schade, eenzijdig, dat wil zeggen zonder tussenkomst noch medewerking van de schadeverwekker, een deskundige opdraagt een deskundigenverslag op te stellen, die kosten moeten worden beschouwd als kosten die zijn gemaakt om de belangen van de benadeelde te verdedigen tegen degene die de schade heeft veroorzaakt, omdat laatstgenoemde, onder meer op grond van dat deskundigenverslag, de aangetoonde schade hoort te vergoeden». En «de schadeverwekker moet dergelijke kosten van de verdediging helemaal niet vergoeden, aangezien de kosten, niettegenstaande het feit dat zij zonder het ongeval niet zouden zijn ontstaan, in geen geval een bestanddeel van de schade vormen». Eiser tot cassatie betoogt verder dat «de kosten van het deskundigenverslag louter en alleen kosten van de verdediging zijn en geen bestanddeel van de door verweerder geleden schade vormen, zodat zij niet kunnen worden begrepen in de door eiseres, als verzekeraar van de derde-aansprakelijke te vergoeden schade».

27. Om te beslissen dat de bodemrechter die het tegenovergestelde standpunt inneemt art. 1382 Ger.W. schendt zoals het middel betoogt, beslist het Hof in afwijking van zijn voormelde beslissing van 14 juni 1990 dat de kosten van het deskundigenonderzoek geen bestanddeel zijn van de door de fout veroorzaakte schade waarvan de vergoeding wordt gevorderd.

De door eiser tot cassatie aangevoerde en klaarblijkelijk door het Hof aangenomen reden is dat die kosten bedoeld zijn om het slachtoffer te helpen om de vergoeding te krijgen van de oorspronkelijke schade en dat zij dus geen deel van die schade uitmaken.

28. Aldus wordt in voormeld arrest van 14 juni 1990 (zie supra, nr. 21) het gebrek aan een «noodzakelijk oorzakelijk verband» tussen die kosten en de schadeverwekkende fout in aanmerking genomen, wat m.i. impliceert dat, wanneer een noodzakelijk oorzakelijk verband vaststaat, die kosten wel degelijk een bestanddeel kunnen zijn van de schade, die veroorzaakt is door de fout waarvoor vergoeding wordt gevorderd.

Daarentegen wordt m.i. in voormeld arrest van 20 oktober 1994 gezegd dat de reden waarom die kosten geen bestanddeel zijn van die schade, is dat die kosten dienen om het slachtoffer te helpen om vergoeding te krijgen voor de schadeverwekkende fout. Klaarblijkelijk doet het niet ertoe dat zij al dan niet noodzakelijk zijn voor dat doel.

29. Wat dan te denken van het reeds vermelde arrest van 28 februari 2002 (zie supra, nr. 8 en de verwijzingen aldaar) dat eveneens gewezen is in een geschil waarin het oorspronkelijk ging over de op een buitencontractuele aansprakelijkheid gegronde vergoeding van schade?

Wij wijzen allereerst op een belangrijk verschil: in de zaak waarover voormeld arrest van 20 oktober 1994 uitspraak heeft gedaan, was de deskundige eenzijdig aangewezen door een van de partijen, terwijl voor de beslechting van het geschil door het arrest van 28 februari 2002 de partijen in der minne een beroep hebben gedaan op een gemeenschappelijk deskundigenonderzoek op tegenspraak, door ieder een deskundige aan te stellen.

30. Het Hof van Beroep te Gent, dat de beslissing van de eerste rechter op dat punt bevestigt, veroordeelt de toekomstige eiseres tot cassatie, kapitein van de loodsboot, om aan verweerster, kapitein van het vrachtschip, een vergoeding te betalen voor de door laatstgenoemde gemaakte kosten voor een deskundigenonderzoek, op grond dat die kosten zijn gemaakt met het oog op de vaststelling, in der minne, van de omvang van de schade aan beide vaartuigen, zodat het niet nodig was om te dien einde kosten voor een gerechtelijk deskundigenonderzoek te maken. Aangezien de schade aan de loodsen echter eveneens een deskundigenonderzoek op tegenspraak vereiste, daar eiseres de vergoeding hiervan vroeg ten laste van verweerster, kon laatstgenoemde aanspraak maken op de uitgaven die zij met dat doel had gedaan, zowel voor de schade aan haar eigen vaartuig als voor de schade aan de loodsboot. Aldus maken die uitgaven deel uit van de door verweerster geleden schade.

31. Eiser tot cassatie voerde dan twee middelen aan waarvan alleen het tweede hier dient te worden onderzocht. Het middel bestaat uit drie onderdelen: het eerste voert de schending aan van de artikelen 1017 en 1018 Ger.W., de twee volgende de schending van de artikelen 1382 en 1383 B.W.

32. Het eerste onderdeel wordt verworpen omdat het feitelijke grondslag mist. Het bestreden arrest heeft immers de veroordeling niet gegrond op de in het middel aangewezen bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.

33. Het derde onderdeel wordt door het Hof verworpen, omdat het faalt naar recht.

Dat onderdeel betoogde dat de uitgaven die verweerster had gedaan met het oog op de vaststelling van de schade aan de loodsboot, hun oorsprong vonden in een door haar vrijwillig aangegane verbintenis en een eigen juridische oorzaak hadden. Aldus verdedigde eiseres de stelling dat alle, na een schadeverwekkend feit gedane uitgaven niet noodzakelijkerwijs door dat feit zijn veroorzaakt, zoals de uitgaven die hun oorsprong vinden in een eigen juridische oorzaak, zoals een vrijwillige verbintenis, zelfs als deze wordt aangegaan naar aanleiding van een vroeger schadeverwekkend feit.

34. Het Hof antwoordt dat het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting niet uitsluit dat schade in de zin van art. 1382 B.W. kan ontstaan, wanneer blijkens de inhoud of de strekking van die overeenkomst, de wet of het reglement, de uitgave of prestatie definitief voor rekening blijft van degene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.

Het Hof merkt evenwel op dat een contractuele verbintenis die door de benadeelde na het ontstaan van het schadeverwekkende feit werd aangegaan ten einde het bestaan of de omvang van de schade te doen vaststellen niet de inhoud of de strekking heeft dat de benadeelde de door hem hiervoor gemaakte kosten definitief moet blijven dragen en dat de aansprakelijke wordt ontslagen van de herstelplicht.

35. Het niet geringe belang van het antwoord ligt hierin dat het Hof, wanneer het te maken krijgt met het argument dat de oorspronkelijke en de tweede schade een apart oorzakelijk verband hebben, dus, wat laatstgenoemde schade betreft (kosten voor een deskundigenonderzoek), met het argument dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen die schade en het oorspronkelijk schadeverwekkende feit (ongeval), zodat die schade niet kan worden vergoed als schade die door het oorspronkelijke schadeverwekkende feit is veroorzaakt, in de draagwijdte die het geeft aan de vrijwillig aangegane verbintenis van de justitiabele om die kosten te maken, de reden vindt om de schadevergoeding te gronden op het gemene recht inzake aansprakelijkheid.

Dient derhalve een enkelvoudig oorzakelijk verband (oorspronkelijk schadeverwekkend feit) dan wel een meervoudig oorzakelijk verband (oorspronkelijk feit en de daaropvolgende wil om die kosten voor een deskundigenonderzoek te maken) met die tweede latere schade te worden aangenomen?

Het bestreden arrest beschouwt in ieder geval, om de specifieke redenen die het uiteenzet, de kosten voor een deskundigenonderzoek als een bestanddeel van de door de oorspronkelijke fout veroorzaakte schade.

Het middel wilde blijkbaar niet opkomen tegen de beslissing over de aard van de schade die voortvloeide uit die kosten van het deskundigenonderzoek, en dus zegt het Hof daarover niets.

36. Het tweede onderdeel zet een stelling uiteen die nauw aansluit bij die welke naar aanleiding van de op 20 oktober 1994 beslechte zaak werd ontwikkeld, namelijk dat, zoals het honorarium van een deskundige die door een van de partijen is aangesteld teneinde de door een fout veroorzaakte schade vast te stellen, uitsluitend als kosten van de verdediging wordt beschouwd en zodoende geen bestanddeel van de schade uitmaakt, zoals ook het honorarium tussen de partijen en waarvan de vaststellingen moeten dienen zowel tot vaststelling van de schade als tot verdediging van de benadeelde die schadeloosstelling vordert en die zelf verweer moet voeren tegen een vordering tot vergoeding, kosten van haar eigen verdediging zijn die zij zelf moet dragen.

37. Het Hof antwoordt hierop allereerst dat krachtens art. 1382 B.W. degene door wiens schuld aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht is deze integraal te vergoeden. Vervolgens leert het dat deze bepaling niet uitsluit dat de vergoedingsplicht zich kan uitstrekken tot de kosten die de benadeelde partij diende te besteden met het oog op de vaststelling van de schade en de omvang ervan. Anders gezegd, de kosten voor een deskundigenonderzoek, ongeacht of daartoe eenzijdig of in der minne is besloten en die de benadeelde heeft moeten maken om het bestaan en de omvang vast te stellen van de schade waarvoor hij vergoeding vordert van degene die ze heeft veroorzaakt, kunnen in die schade worden opgenomen. Bijgevolg, beslist het Hof, faalt het middel naar recht.

38. Kort samengevat is de hierboven onderzochte rechtspraak dus de volgende:

– inzake onteigening ten algemenen nutte, waar de wet in gerechtelijke mechanismen voorziet, in het beroep, door een van de partijen, op een technisch adviseur een persoonlijke beslissing en geen noodzaak (geen noodzakelijk oorzakelijk verband tussen het oorspronkelijk schadeverwekkende feit en de tweede schade) (arresten van 7 juni 1956, 30 april 1959 en 24 juni 1990);

– inzake buitencontractuele aansprakelijkheid naar gemeen recht zijn de kosten van een eenzijdig deskundigenonderzoek dat in eigen naam is gevraagd tot staving van de vordering geen bestanddeel van de schade, die is veroorzaakt door de oorspronkelijke fout waarvoor vergoeding wordt gevorderd (arresten van 28 oktober 1994 en 5 mei 1999);

– (impliciet) inzake buitencontractuele aansprakelijkheid naar gemeen recht bij ongevallen tijdens vervoer over zee zijn de kosten van een deskundigenonderzoek op tegenspraak waartoe de betrokken partijen in der minne en in hun voordeel hebben besloten en die aldus de kosten vervangen van een gerechtelijk deskundigenonderzoek dat aldus overbodig is geworden, uitgaven die moeten worden opgenomen in de schade, geleden door degene die vergoeding vordert van de oorspronkelijke schade (arrest van 28 februari 2002).

39. Wat kan daaruit nu worden afgeleid voor de omschrijving van het «bepaalde geval»?

Ik merk op dat in één geval het bestaan van een wettelijk mechanisme van gerechtelijk deskundigenonderzoek het oorzakelijk verband tussen het oorspronkelijk schadeverwekkende feit en de tweede schade (het eenzijdig deskundigenonderzoek) uitsluit, terwijl in een ander geval waarin de partijen akkoord gaan om het eventuele door de rechter bevolen gerechtelijk deskundigenonderzoek te vervangen door een contradictoire onderzoek in der minne met het oog op de vaststelling van het bestaan en de omvang van de oorspronkelijke schade van beide partijen, de winnende partij de mogelijkheid heeft de terugbetaling ervan te vorderen als schadevergoeding.

40. Dient derhalve, gelet op die enkele arresten, waarbij een rechtsvordering tot schadevergoeding is ingesteld overeenkomstig de regelen van het gemene recht inzake aansprakelijkheid, het «bepaalde geval» te worden beperkt tot het al dan niet bestaan van een deskundigenonderzoek waarin de wet voorziet tot vaststelling van het bestaan en de omvang van de oorspronkelijke schade waarvoor vergoeding wordt gevorderd en tot de omstandigheid dat alleen één partij of alle betrokken partijen beslis(sen) dat wettelijk deskundigenonderzoek te vervangen door een eenzijdig of contradictoir deskundigenonderzoek ten voordele van één partij of van alle partijen?

41. Er dient aan te worden herinnerd dat in die context in de regel altijd een beroep kan worden gedaan op een gerechtelijk deskundigenonderzoek krachtens de artikelen 962 e.v. Ger.W.

Het voorschot dat door de deskundigen wordt opgenomen ten belope van de hun verschuldigde som valt in beginsel ten laste van de meest gerede partij en, in ieder geval, altijd ten laste van de partij die, krachtens de bijzondere wetten van art. 1017, tweede lid, Ger.W. altijd in de kosten wordt verwezen.

Bovendien verwijst het vonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten (waartoe krachtens art. 1018, 4°, Ger.W. de kosten van deskundigen behoren), tenzij andesluidende wettelijke bepaling en onverminderd het akkoord van de partijen dat in voorkomend geval door de rechter wordt bekrachtigd.

42. Gesteld dat het doorslaggevende criterium – het «bepaalde geval» – voor de terugbetaling van de kosten van de deskundigenonderzoek tot vergoeding van de schade die deel uitmaakt van de door het oorspronkelijke feit veroorzaakte schade, een daad is waarbij de betrokken partij zich verbinden tot een deskundigenonderzoek op tegenspraak met het oog op de vaststelling van hun onderscheiden schade, ja zelfs alleen van de schade van de partij die schadevergoeding vordert, en met de bedoelding dat contradictoir deskundigenonderzoek met hetzelfde oogmerk, dient thans de betekenis hiervan voor onderhavige zaak te worden nagegaan.

Te dezen, en niettegenstaande het hier aanvankelijk een vordering betrof tot vergoeding van oorspronkelijke schade in het raam van contractuele aansprakelijkheid, bevinden wij ons niet in het geval waarover voormeld arrest van 28 april 1986 uitspraak heeft gedaan, maar wel in het geval van een eenzijdig deskundigenonderzoek waarover m.i. voormelde arresten van 28 oktober 1994 en 5 mei 1999 uitspraak hebben gedaan.

Gelet op de aldaar geformuleerde regel, die niet is gewijzigd door het arrest van 28 februari 2002 dat uitspraak doet over een ander geval, is het middel m.i. bijgevolg eveneens gegrond in zoverre het de terugvordering betreft van de kosten van deskundigen waartoe de bodemrechter heeft besloten.

43. Ik voeg eraan toe dat het mij, gelet op het bovenstaande, in de huidige stand van ons positief recht gewaagd voorkomt de rechtspraak van het Hof te laten varen. Mevr. J. Linsmeau schrijft: «je persite (...) à croire que la bonne volonté de certains magistrats et l‘imagination de la doctrine ne suffit pas à combler un vide législatif» (J. Linsmeau, o.c., R.G.A.R. 1998, nr. 12.915 in fine).

III. Besluit

44. Vernietiging van het arrest in zoverre het de eisers veroordeelt om aan de verweerders een provisionele frank te betalen als terugbetaling van de kosten en het honorarium van hun juridische raadsman die de rechtsplegingsvergoeding te boven gaan, en in zoverre het de eerste eiser veroordeelt om 131.470 frank te betalen aan de verweerders als terugbetaling van de kosten en het honorarium van de technische raadslieden in verband met de schade aan een gedeelte van het gebouw.

Noot: WILMS & CHRISTIAENS, Erelonen en kosten van advocaten kunnen op een schadeveroorzakende partij worden verhaald als onderdeel van door een slachtoffer geleden schade (gepubliceerd onder voormeld arrest in het RW.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: wo, 04/05/2016 - 15:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.