-A +A

verhaal tegen weigering tot huwelijk door de ambtenaar van burgerlijke stand

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Burgers en ingezetenen hebben een principieel (subjectief) recht op een huwelijk.

Indien dit recht hen ontzegd wordt kan hiertegen beroep aangetekend voor de rechtbank van eerste aanleg. Hierbij mag aan de aanstaande echtgenoten geen bewijslast oipgelegd worden van een negatief feit. Aan staanden dienen aldus niet te bewijzen dat zij geen schijnhuwelijk aangaan. Bij weigering dient de ambtenaar het bewijs van schijnhuwelijk te leveren.

Overeenkomstig art. 167, laatste lid, B.W. kan door de belanghebbende partijen tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de maand na de kennisgeving van zijn beslissing beroep worden aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg.

Overeenkomstig art. 31, 2°, van het Ger. W. wordt onder het begrip «kennisgeving» verstaan, de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift; zij geschiedt langs de post of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft.

In art. 167 B.W. wordt voor het overige niet nader vermeld op welke wijze deze kennisgeving van de weigeringsbeslissing dient te geschieden.

Terzake bestaat wel de ministeriële omzendbrief van 17 december 1999, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 december 1999, die het volgende voorschrijft: «... Bij een weigering brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn met redenen omklede beslissing zonder verwijl ter kennis van de belanghebbende partijen door middel van een aangetekende brief met ontvangstmelding of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs aan de betrokkenen van de gemotiveerde weigeringsbeslissing...».

De rechtbank te Kortrijk oordeelde op 07-06-06, R.W. 2006-2007, 1329 dat deze omzendbrief slechts een interpretatieve en geen verordenende waarde heeft. De omzendbrief bevat immers geen terminologie die hem een dwingend karakter geeft en is bijgevolg inhoudelijk niet-verordenend. Formeel is de omzendbrief niet-verordenend omdat hij werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad onder de hoofding die de niet-bindende berichten bevat, zich richt tot het bestuur en niet rechtstreeks tot particulieren, hij geen termijnen van inwerkingtreding bevat en hij geen sancties bevat bij niet-naleving ervan. De omzendbrief wijzigt aldus het bestaande wettelijke en reglementaire kader niet en brengt evenmin aanvullingen aan.

De rechtbank oordeelde verder:

"De kennisgeving kon bijgevolg gedaan worden per aangetekende brief, waarbij het aangetekend karakter ervan enkel tot doel heeft de afzender het bewijs te verschaffen dat de brief ook effectief werd verstuurd, maar niet dat de geadresseerde deze brief ook effectief heeft ontvangen.

In casu wordt overigens niet betwist dat de aangetekende brief effectief werd verstuurd en op 7 juli 2005 werd aangeboden, waarna bericht werd achtergelaten dat de brief kon worden afgehaald op het postkantoor.

Art. 35 Ger. W. bepaalt dat de betekening kan worden gedaan aan de woonplaats indien ze niet aan de persoon kan worden gedaan.

Art. 36 van het Ger. W. verduidelijkt dat onder «woonplaats» dient te worden verstaan de plaats waar de persoon in de bevolkingsregisters is ingeschreven als hebbende daar zijn hoofdverblijfplaats. Het Gerechtelijk Wetboek verwijst dus niet naar de werkelijke hoofdverblijfplaats.

Wie zijn inschrijving op de bevolkingsregisters vraagt en wijzigingen niet meldt niettegenstaande hij daartoe overigens wettelijk verplicht is, wordt geacht hiervan zelf de gevolgen te dragen.

Overigens blijkt niet dat de verweerster kennis had van de effectieve verblijfplaats.

Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de kennisgeving van de brief op 7 juli 1995 rechtsgeldig is gebeurd.

Op 19 september 2005 was de beroepstermijn van één maand derhalve ruimschoots overschreden. De vordering van de eisers is bijgevolg onontvankelijk".
 

Dit vonnis onderstreept nogmaals het belang van de correcte inschrijving van de woonplaats en voorzover verblijfplaats dan toch zou afwijken van de woonplaats, is het aangewezen deze verblijfplaats steeds ter kennis te brengen van alle instanties en partijen, zeker degenen met wie of voor wie een geschil loopt.

Overige rechtspraak:

•• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 13 april 2007, RW 2008-2009, 407, met noot, De bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand en het toezicht van de rechter om schijnhuwelijken te voorkomen

Gelet op de aard van het recht om een huwelijk aan te gaan, dat een fundamenteel recht is, gewaarborgd door art. 12 E.V.R.M. en erkend door art. 143 B.W., en op het gebonden karakter van de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand, is het toezicht door de rechter die kennisneemt van het beroep tegen de beslissing tot weigering om een huwelijk te voltrekken, niet beperkt tot een controle op de wettigheid van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar, maar oefent de rechter zijn rechtsmacht over die beslissing volledig uit. Alles wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar behoort, wordt onderworpen aan het toezicht van de rechter, mits het recht van verdediging geëerbiedigd wordt.

De rechter moet bijgevolg uitspraak doen over het recht van de betrokkenen om een huwelijk aan te gaan en te laten voltrekken door de ambtenaar van de burgerlijke stand en dient daartoe te oordelen aan de hand van alle hem voorgelegde feitelijke gegevens, of het voorgenomen huwelijk geen schijnhuwelijk is. Daarbij kan hij ook rekening houden met feitelijke gegevens die dateren van na de weigeringsbeslissing of die pas na die beslissing bekend werden.

De ambtenaar van de burgerlijke stand van de Stad Gent t/ M.S. en G.S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 5 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Krachtens art. 167, eerste lid, B.W. weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand het huwelijk te voltrekken wanneer blijkt dat niet voldaan is aan de hoedanigheden en voorwaarden vereist om een huwelijk te mogen aangaan, of indien hij van oordeel is dat de voltrekking in strijd is met de beginselen van openbare orde.

Op grond van de hem in deze bepaling toegekende bevoegdheid dient de bedoelde ambtenaar de voltrekking van het huwelijk te weigeren indien hij vaststelt dat het voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk is als bedoeld in art. 146bis B.W., d.w.z. wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens een van de echtgenoten kennelijk niet gericht is op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.

2. Art. 167, laatste lid, B.W. bepaalt dat tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om het huwelijk te voltrekken, door de belanghebbende partijen binnen de maand na de kennisgeving van zijn beslissing beroep kan worden aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg.

Overeenkomstig art. 587, eerste lid, 9o, Ger. W. doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg uitspraak, zoals in kort geding, over de beroepen bedoeld in art. 167, laatste lid, B.W.

3. Wanneer de ambtenaar beslist, met toepassing van art. 167, eerste lid, B.W., de voltrekking van het huwelijk te weigeren omdat het naar zijn oordeel om een schijnhuwelijk gaat, en de huwelijkskandidaten die beslissing betwisten, ontstaat tussen de ambtenaar en de huwelijkskandidaten een geschil over het recht van de betrokkenen om een huwelijk aan te gaan.

4. Het recht om een huwelijk aan te gaan is een fundamenteel recht, gewaarborgd door art. 12 E.V.R.M. Het is erkend door art. 143 B.W. De voorwaarden en hoedanigheden om een huwelijk te mogen aangaan en de daarbij horende formaliteiten betreffende de voltrekking van het huwelijk zijn nauwkeurig geregeld in art. 144 e.v. B.W.

Art. 167, eerste lid, B.W., verleent aan de ambtenaar van de burgerlijke stand geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de voorwaarden waaronder de voltrekking van het huwelijk kan worden geweigerd.

5. Gelet op de aard van het recht om een huwelijk aan te gaan en op het gebonden karakter van de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand, is het toezicht door de rechter die kennisneemt van het beroep bedoeld in art. 167, laatste lid, B.W., niet beperkt tot een controle op de wettigheid van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar, maar oefent de rechter zijn rechtsmacht over die beslissing volledig uit. Alles wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar behoort, wordt onderworpen aan het toezicht van de rechter, mits het recht van verdediging geëerbiedigd wordt.

De rechter moet bijgevolg uitspraak doen over het recht van de betrokkenen om een huwelijk aan te gaan en te laten voltrekken door de ambtenaar van de burgerlijke stand en dient daartoe, in voorkomend geval, te oordelen aan de hand van alle hem voorgelegde feitelijke gegevens, of het voorgenomen huwelijk geen schijnhuwelijk is. Daarbij kan hij ook rekening houden met feitelijke gegevens die dateren van na de weigeringsbeslissing of die pas na die beslissing bekend werden.

6. Het middel, dat uitgaat van het tegendeel, berust op een verkeerde rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht.

• Hof van Beroep te Antwerpen, 3e Kamer – 9 december 2015, RW 2017-2018, 1057

Samenvatting

De beroepsprocedure tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand om het huwelijk in België te voltrekken, verliest zijn voorwerp ingevolge een navolgend huwelijk naar buitenlands recht.

Tekst arrest

M. en J. t/ Ambtenaar van de burgerlijke stand te Sint-Truiden

...

4.2. Art. 17 Ger.W. bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

Art. 18, eerste lid Ger.W. bepaalt dat het belang een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn.

Krachtens art. 18, tweede lid Ger.W. kan de rechtsvordering worden toegelaten indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen.

4.3. Het belang, waarvan sprake is voormelde wetsartikelen, wordt beoordeeld vanuit het oogpunt van het tijdstip waarop de vordering wordt ingesteld.

Het belang moet echter gedurende het gehele geding voorhanden blijven, ook tijdens de procedure in hoger beroep. Valt het belang in de loop van het geding weg, dan moet de rechter vaststellen dat de vordering zonder voorwerp is geworden (zie ook: Cass. 29 mei 2015, C.13.0615.N, vgl. ook met: Cass. 24 april 2003, AR C.00.0567.F-C.01.0004.F, Arr.Cass. 2003, nr. 261, conclusie advocaat-generaal X. De Riemaecker).

Het belang wordt geconditioneerd door het voorwerp van de vordering, d.i. het doel van de processuele actie, de reden waarom een partij de rechter adieert.

Het voorwerp van de vordering van huidige appellanten bestaat uit de vernietiging van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot voltrekking/sluiting van het huwelijk. Het betreft de vordering bedoeld in art. 167 BW, namelijk het beroep tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om het huwelijk te voltrekken.

De nietigverklaring van deze weigeringsbeslissing is thans zinledig, aangezien appellanten naar buitenlands recht zijn gehuwd.

Hoewel een gebrek aan belang of hoedanigheid in de regel leidt tot de niet-toelaatbaarheid van de vordering, is het juister te stellen dat, in het specifieke geval dat deze toelaatbaarheidsvereiste slechts in de loop van het geding wegvalt (zoals ook hier het geval is), de rechter moet vaststellen dat de vordering zonder voorwerp is geworden (K. Wagner, Burgerlijk procesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, p. 268, nr. 277; R. De Corte, «Hoe autonoom is het procesrecht? Studie van enkele raakvlakken tussen materieel recht en gerechtelijk recht» in M. Storme (ed.), Procesrecht vandaag, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1980, p. 14, nr. 34 en p. 24, nr. 48).

Bijgevolg is de vordering van appellanten zonder voorwerp geworden.

4.4. Op het mondeling geformuleerde verzoek van appellanten om toch reeds uitspraak te doen over de oprechte huwelijksintenties van appellanten, kan niet worden ingegaan.

De vordering van appellanten is zonder voorwerp geworden wegens het wegvallen van het belang; op deze zonder voorwerp geworden vordering kunnen zij geen vordering tot een declaratoir van rechten enten. Dat appellanten belang zouden hebben bij een dergelijke «verklaring van recht», doet hieraan geen afbreuk; de voorgenomen procedure tot erkenning van hun (buitenlandse) huwelijk is wezenlijk verschillend van onderhavige procedure en dit veronderstelt eerst dat de administratieve fase (o.a. de aanvraag tot erkenning bij de ambtenaar van de burgerlijke stand) is uitgeput.

In de mate dat het een nieuwe vordering betreft, zij niet alleen opgemerkt dat het gaat om een louter mondelinge vordering (die niet voorkomt in de conclusies, bedoeld in art. 748bis Ger.W.), maar dient ook gewezen te worden op het voorschrift van art. 568 Ger.W., luidens welk (nieuwe) vorderingen niet rechtstreeks voor het hof van beroep kunnen worden gesteld.

...



 

Nog dit: 

De weigering tot het afsluiten van een huwelijk

Principieel is het aangaan van een huwelijk een loutere formaliteit waarbij de ambtenaar van burgerlijke stand vrijwillig zijn ambt verleent de huwelijksverbintenis te voltrekken.

Maar de ambtenaar van burgerlijke stand kan zich vragen stellen. Wanneer de ambtenaar van burgerlijke stand meent dat er een kans bestaat om een schijnhuwelijk kan hij het voorgenomen huwelijk uitstellen voor een periode van maximum 5 maanden.

Tijdens deze periode dient de Procureur des Konings advies te verlenen aan de ambtenaar van burgerlijke stand aan de hand van een reeks verhoren en nazichten.

In concreto wordt de lokale politie verzocht alle mogelijke inlichtingen in te winnen die van aard zijn te moeten uitsluiten dat het voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk betreft.

Eens deze inlichtingen ingewonnen, dient de ambtenaar van burgerlijke stand een beslissing te nemen.

Ofwel laat hij het huwelijk toe, ofwel weigert hij het huwelijk.

Tegen de weigering kan beroep worden aangetekend voor de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg zetelend zoals in kortgeding, die de bevoegdheid heeft om te oordelen in hoeverre het voorgenomen huwelijk tot doel heeft een werkelijke duurzame levensgemeenschap te vestigen, met uitsluiting van een intentie tot het louter bekomen van een verblijfsrecht.

Tussen de periode van de eerste aanvraag van het huwelijk en de uitspraak van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg in kortgeding loopt dus een vrij lange periode.

Tijdens deze periode kan het bewijsmateriaal aangevuld worden waaruit blijkt dat er wel degelijk sprake is van een echte wil tot het stichten van een duurzame leefrelatie.

Vanzelfsprekend kunnen deze stukken aangewend worden voor de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg in kortgeding tot de sluiting van de debatten. Maar deze stukken kunnen ook aangewend worden om tijdens deze procedure opnieuw te onderhandelen met de ambtenaar van de burgerlijke stand teneinde deze alsnog te proberen te overtuigen zijn eerste weigeringsbeslissing in te trekken.

Wanneer de ambtenaar van burgerlijke stand zijn weigering heeft ingetrokken, kan de procedure voor de kortgedingrechter worden doorgehaald.

Maar wanneer er in deze procedure partijen een vonnis nastreven waarin het akkoord in een akkoordvonnis te laten acteren, dient de kortgedingrechter niet alleen het advies van het Openbaar Ministerie te horen maar ook zelf ten gronde uitspraak te doen en ten gronde na te gaan of het akkoord verzoenbaar is met de Belgische Openbare Orde gezien het huwelijk de staat van de personen uitmaakt en aldus Openbare Orde raakt.

Rechtsleer: Erik De Bock, Enkele knelpunten bij strijd tegen schijnhuwelijken uitgeklaard, bespreking van het onuitgegeven arrest van 15.10.2014 van het Hof van Beroep te Antwerpen in de juristenkrant van 28.01.2015 pagina 16.

Rechtspraak:

• Hof van Beroep, Antwerpen 28/01/2015, RW 2015-2016, 230

samenvatting:

Burgers en ingezetenen hebben een principieel (subjectief) recht op een huwelijk.

Indien dit recht hen ontzegd wordt kan hiertegen beroep aangetekend voor de rechtbank van eerste aanleg. Hierbij mag aan de aanstaande echtgenoten geen bewijslast oipgelegd worden van een negatief feit. Aan staanden dienen aldus niet te bewijzen dat zij geen schijnhuwelijk aangaan. Bij weigering dient de ambtenaar het bewijs van schijnhuwelijk te leveren.

tekst arrest

Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente Beerse t/ S.M. en T.P.

Procedure – Voorwerp van de vorderingen

1. De heer M.S., met de Nederlandse nationaliteit en geboren op 4 juni 1976 te Tilburg-Nederland (hierna: de man) en mevrouw P.M., met de Vietnamese nationaliteit en geboren op 27 november 1986 te Vinh Long-Socialistische Republiek Vietnam (hierna: de vrouw) dienden op datum van 10 januari 2012 een aanvraag tot huwelijk in bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Beerse.

Wegens indicaties van een schijnhuwelijk verzond deze het dossier voor advies aan de procureur des Konings te Turnhout.

De procureur des Konings verstrekte bij brief van 21 maart 2012 een negatief advies overeenkomstig art. 167 BW.

Hierop weigerde de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Beerse over te gaan tot huwelijksvoltrekking, wat aan de man en de vrouw kenbaar gemaakt werd bij aangetekende brief van 26 maart 2012.

Tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Beerse werd door de man en de vrouw beroep aangetekend bij de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout op 25 april 2012. Deze verklaarde bij beschikking 9 september 2013 de vordering van de man en de vrouw ontvankelijk en gegrond.

Tegen deze beschikking tekende de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Beerse hoger beroep aan.

...

Beoordeling

...

4. Art. 12 EVRM en art. 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, die het recht op huwelijk waarborgen, beschermen slechts het werkelijke huwelijk maar niet het schijnhuwelijk.

Art. 146bis BW bepaalt dat er geen huwelijk is wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.

Luidens art. 167, eerste lid BW weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand het huwelijk te voltrekken wanneer blijkt dat niet is voldaan aan de hoedanigheden en voorwaarden vereist om een huwelijk te mogen aangaan, of indien hij van oordeel is dat de voltrekking in strijd is met de beginselen van de openbare orde. Onder de preventieve handhaving van de grondvereisten voor het huwelijk, namelijk inzake de geldigheid van de toestemming, heeft de wetgever aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een wettelijke en bijzondere taak opgedragen, die onder de controle staat van de burgerlijke rechter. De beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot weigering om een schijnhuwelijk te voltrekken valt uitdrukkelijk buiten het domein van het administratief recht, aangezien het beroep van de belanghebbende tegen die beslissing door art. 167 BW uitdrukkelijk is onttrokken aan het toezicht van de toezichthoudende overheden en een beroep is opengesteld bij de rechter.

5. Aan de aanstaande echtgenoten, die een principieel (subjectief) recht op een huwelijk genieten, kan geen negatieve bewijslast worden opgedrongen; de bewijslast rust bij de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Aangezien de intentie van de huwelijkskandidaten nooit met absolute zekerheid te achterhalen valt, dienen de (door de ambtenaar van de burgerlijke stand) aangebrachte bewijsmiddelen een beslissend karakter te hebben (cf. het begrip kennelijk, zoals gehanteerd in art. 146bis BW), namelijk een eenduidig en niet tegen te spreken vermoeden van (voorgenomen) schijnhuwelijk.

6. De rechter die moet oordelen over het beroep van de kandidaat-echtgenoten tegen de beslissing tot weigering van de huwelijksvoltrekking van de ambtenaar van de burgerlijke stand, heeft volle rechtsmacht en mag zich zodoende volledig in de plaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand stellen.

Alles wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand behoort, wordt onderworpen aan het toezicht van de rechter. De beoordelingsbevoegdheid reikt dan ook verder dan een eenvoudige wettigheidscontrole op de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Voorts moet de rechter ook rekening houden met de situatie zoals die is op het ogenblik dat de zaak door hem wordt behandeld, en dus ook met nieuwe elementen, c.q. gegevens die dateren van na de weigeringsbeslissing van de ambtenaar of die pas nadien bekend zijn geworden (Cass. 13 april 2007, RW 2008-09, 407, noot J. Dujardin).

7. Het Hof ziet geen redenen om de bestreden beschikking teniet te doen.

...

8. Ter zitting van 6 januari 2015 heeft het hof kunnen vaststellen dat de man en de vrouw vlot met elkaar kunnen communiceren. Voorts heeft het hof zelf kunnen vaststellen dat de vrouw de Nederlandse taal meer dan voldoende machtig is, aangezien zij vlot kon antwoorden op alle door het hof gestelde vragen. Geen enkel element uit de alsdan afgelegde verklaringen wees erop dat de relatie tussen de man en de vrouw artificieel of geveinsd zou zijn.

Daarnaast blijkt dat de verklaringen van de man en de vrouw ook nagenoeg volledig gelijklopend zijn. Tegenstrijdigheden in de respectieve verklaringen worden nergens vastgesteld. Beiden zijn ab initio ook eerlijk geweest over het feit dat hun relatie aanvankelijke gedurende lange tijd via mail, skype, e.d.m. verliep.

De man en de vrouw hebben duidelijk reeds enkele jaren, sedert minstens 2012, samengewoond in Beerse.

Ter gelegenheid van een politionele controle van de woonplaats op 14 januari 2012 werden zowel de man als de vrouw aangetroffen.

De talrijke bijgebrachte schriftelijke verklaringen die zich in het dossier van de man en de vrouw bevinden bevestigen deze samenwoning en de duurzame relatie tussen beiden.

Tevens hebben de man en de vrouw in 2014 een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd, zoals blijkt uit het ter zake bijgebrachte stuk uit het dossier van de man en de vrouw.

De beweerde zgn. België-route is niet afdoende hard gemaakt. De door de ambtenaar van de burgerlijke stand aangehaalde verklaring van de vrouw dat zij en de man het systeem hebben misbruikt, moet in zijn integraliteit worden geciteerd. Bekentenissen kunnen overigens krachtens art. 1356 BW ook niet worden gesplitst. De tegenpartij mag de bekentenis niet opdelen en enkel dit stukje gebruiken dat in het kader van haar bewijsvoering past; integendeel, de partij die een bekentenis als bewijsmiddel hanteert, moet de bewuste verklaring in al haar onderdelen nemen. In dat verband past het dan ook vast te stellen dat de vrouw duidelijk verklaarde dat zij en haar partner het systeem hebben misbruikt omdat ze elkaar graag zagen (eigen cursivering van het hof). Dit laatste wijst op een effectieve affectieve relatie en de intentie een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

Alleszins blijkt dat de man en de vrouw op heden duidelijk voldoende bindingen hebben met België, omdat zij hier o.a. al enkele jaren samenwonen en beiden bovendien ook in België werkzaam zijn. Ook hun sociaal leven is hier in België verankerd, zoals de talrijke stukken uit het dossier van de man en vrouw aantonen; de man en de vrouw doen bijvoorbeeld vrijwilligerswerk en zijn o.a. ook actief in de plaatselijke parochie. Ook worden onderscheiden attesten van door de vrouw gevolgde inburgeringscursussen bijgebracht.

9. Ook de gegevens van het – overigens uitermate summiere – politioneel onderzoek (een buurtonderzoek is blijkbaar nooit uitgevoerd) brengen geen duidelijke elementen aan het licht, die eenduidig op een voorgenomen schijnhuwelijk wijzen.

Dat de vrouw zich bevindt in een precaire verblijfstoestand en derhalve mogelijk een verblijfsrechtelijk voordeel zal halen uit het huwelijk, doet evenmin afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen. Om een huwelijk te weigeren moet immers blijken dat dit kennelijk het enige doel is van het huwelijk. Het fundamenteel recht op huwelijk is trouwens niet verbonden aan de verblijfstoestand van de huwelijkskandidaten, zoals het huwelijk niet geweigerd kan worden op grond van het loutere feit dat één van de aanstaande of kandidaat-echtgenoten illegaal in België zou verblijven.

Het nastreven van een verblijfsvoordeel, een materieel voordeel of om het even welk huwelijksvoordeel, is immers in se niet onrechtmatig en niet onverenigbaar met de werkelijke wil om te huwen, voor zover de aanstaande echtgenoten naast het beogen van een huwelijksvoordeel ook de bedoeling hebben om een gebonden levensgemeenschap tot stand te brengen.

Ook de bemiddeling tegen betaling van een tussenpersoon blijkt nergens afdoende uit het dossier.

Dat de man en de vrouw elkaar leerden kennen langs virtuele weg, doet hieraan geen afbreuk. Blijkbaar was de man te timide om spontaan een relatie te beginnen op een andere manier. In de hedendaagse maatschappij. waar sociale media niet meer weg te denken zijn, is het trouwens een realiteit dat relaties soms voortspruiten uit initiële contacten via het internet.

Ten slotte maakt ook het aangevoerde leeftijdsverschil (waarbij de man tien jaar ouder is) geen determinerende tegenindicatie uit. Overigens gaf de vrouw ter zitting van 6 januari 2015 een voldoende mature indruk.

10. Naar het oordeel van het hof zijn er in de voorliggende zaak dan ook onvoldoende zekere, gewichtige en overeenstemmende vermoedens, die strekken tot het bewijs dat het voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk is.

Ook een hernieuwd onderzoek van de stukken noopt tot de conclusie dat niet zonder redelijke twijfel kan worden aangenomen dat het voorgenomen huwelijk er kennelijk en uitsluitend op gericht zou zijn om aan de man een verblijfsrechtelijk voordeel te verschaffen en geenszins om een duurzame levensgemeenschap te vormen.

11. De bestreden beschikking wordt bevestigd.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: za, 24/02/2018 - 17:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.