-A +A

Uitzonderlijke omstandigheden bij vereffening van de gemeenschap waarbij geen rekening wordt gehouden met sommige goederen verworven sedert feitelijke scheiding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

art. 1278, vierde lid Ger.W.

De familierechtbank kan, op vordering van één van de echtgenoten, indien zij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, billijk acht, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, beslissen dat bij de vereffening van de gemeenschap geen rekening zal worden gehouden met sommige goederen die zijn verworven of met sommige schulden die zijn aangegaan sedert het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden.

De partijen kunnen dergelijke vordering ook instellen in de loop van de vereffening van de gemeenschap.

De toepassing van dit art. 1278, vierde lid Ger.W. veronderstelt bewezen uitzonderlijke omstandigheden. De loutere feitelijke scheiding volstaat niet. Aldus komen ook ommstandigheden die eigen zijn aan elke feitelijke scheiding niet in aanmerking.

De omstandigheden die in aanmerking worden genomen slaan op die goederen en schulden waarvoor tussen de echtgenoten geen affectio societatis bestaat, omdat zij van gescheiden inkomsten en met gescheiden uitgaven hebben geleefd.

Maar indien er een belangengemeenschap tussen de echtgenoten blijven bestaan (m.b.t. de in voormelde bepaling bedoelde goederen en schulden), dan is de toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W. uitgesloten. De rechter spreekt uit naar billijkheid. Hij is niet verplicht op het verzoek tot toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W. in te gaan indien uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn. De rechter beslist in feite en op onaantastbare wijze over het uitzonderlijke karakter van de omstandigheden eigen aan de zaak, die hij releveert. De billijkheid houdt niet in dat de rechter verplicht is met de schuld aan de feitelijke scheiding rekening te houden. De centrale maatstaf is het gebrek aan affectio societatis en niet de schuld aan de feitelijke scheiding.

Weze weliswaar herinnerd aan de volledige tekst van art. 1278 Gerechtelijk wetboek:

"Het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, heeft ten aanzien van de persoon van de echtgenoten gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is getreden, en) heeft ten aanzien van derden zijn gevolgen vanaf de dag van de overschrijving. 

Ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, werkt het terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

Ingeval een van de echtgenoten overlijdt voor de echtscheiding is overgeschreven doch nadat het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, worden de echtgenoten tegenover derden als uit de echt gescheiden beschouwd, onder de opschortende voorwaarde van overschrijving overeenkomstig artikel 1275.

De familierechtbank kan, op vordering van één van de echtgenoten, indien zij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, billijk acht, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, beslissen dat bij de vereffening van de gemeenschap geen rekening zal worden gehouden met sommige goederen die zijn verworven of met sommige schulden die zijn aangegaan sedert het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden.
De partijen kunnen dergelijke vordering ook instellen in de loop van de vereffening van de gemeenschap."

Rechtspraak Hof van Beroep Gent 5 november 2015, RW 2017-2018, 580

H. t/ C.

...

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. Gilbert H. (hierna: H.) en Lucienne C. (hierna: C.) zijn ex-echtgenoten met twee gemeenschappelijke (intussen meerderjarige) kinderen.

Zij zijn in het huwelijk getreden op 4 juli 1975 onder een bij huwelijkscontract van 27 juni 1975 bedongen gemeenschapsstelsel.

Zij zijn, na hun feitelijke scheiding sinds het najaar van 1990, uit de echt gescheiden bij (definitief) vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 3 februari 2004, met navolgende betekening (op 4 maart 2004) en overschrijving (op 20 april 2004) van het beschikkende gedeelte van de echtscheidingsuitspraak in de registers van de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.

2. Krachtens art. 1278, tweede lid Ger.W. is het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen ontbonden op 18 juni 1999, dit is de datum van de eerste dagvaarding tot echtscheiding met toepassing van de oude artt. 229 en 231 BW, uitgaande van C.

De tweede dagvaarding tot echtscheiding van 28 november 2003 met toepassing van het oude art. 232, eerste lid BW, uitgaande van H. verandert voormelde refertedatum niet.

3. In het echtscheidingsvonnis van 3 februari 2004 beveelt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude artt. 1207 e.v. Ger.W.) van de gewezen huwelijksgemeenschap H.-C., met aanwijzing van notaris D. en notaris V. als notarissen-vereffenaars in de zin van het oude art. 1209, tweede lid Ger.W. en notaris K. als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude art. 1209, derde lid Ger.W.

4. Na voorafgaande notariële werkzaamheden (blijkens processen-verbaal van 14 juni 2004, 10 september 2004, 12 december 2005 en 22 september 2006) komen de notarissen-vereffenaars tot een staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008. Bepaalde deelakkoorden vinden daarbij bevestiging.

5. Blijkens de notariële akte van 6 mei 2011 formuleren zowel H. als C. een aantal bezwaren.

6. Bij akte van 7 maart 2012 brengen de notarissen-vereffenaars advies uit.

II. Beroepen vonnis

1. Op 19 april 2012 leggen de notarissen-vereffenaars voor eensluidend verklaarde afschriften van voormelde notariële akten neer ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, en dit met toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W.

2. De partijen nemen conclusie in de lijn van hun respectieve bezwaren met het oog op aanpassing van de staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008, (...).

3. Bij vonnis van 23 mei 2013 (...) beoordeelt de rechtbank de respectieve bezwaren, om het grootste gedeelte ervan af te wijzen.

...

Aldus verzendt de rechtbank de zaak terug naar de notarissen-vereffenaars met het oog op voortzetting van de werkzaamheden van vereffening-verdeling met toepassing van het oude art. 1223 Ger.W. Het komt de notarissen-vereffenaars toe hun staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008 aan te passen, deels in de lijn van de akte van 7 maart 2012 en overeenkomstig de rechterlijke instructies.

...

III. Hogere beroepen

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 23 juli 2013 stelt H. hoger beroep in. Met zijn beroep beoogt H., met hervorming van het beroepen vonnis, de verdere inwilliging van zijn bezwaren met het oog op aanpassing van de staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008.

...

2. C. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van H. Bij wijze van incidenteel hoger beroep beoogt zij de inwilliging van haar bezwaren met het oog op aanpassing van de staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008.

...

IV. Beoordeling

...

A. Al dan niet toepassing van art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. voor wat betreft (1) de schelpenverzameling en (2) het pensioenfonds

1. Zoals aangegeven, leven de partijen feitelijk gescheiden sinds het najaar van 1990.

Het staat buiten kijf dat de start van (1) de schelpenverzameling en (2) het pensioenfonds dateert van vóór de feitelijke scheiding, met dien verstande dat zij nadien verder zijn opgebouwd (vgl. Cass. 6 februari 2009, RW 2009-10, 743).

2. H. voert aan dat de sinds het najaar van 1990 verder opgebouwde schelpenverzameling en het eveneens sinds het najaar van 1990 verder opgebouwde pensioenfonds buiten de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap H.-C. moeten worden gehouden. Hij beroept zich op art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. en voert aan dat in casu afdoende uitzonderlijke omstandigheden voorliggen die maken dat bij de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap H.-C. billijkerwijze geen rekening kan worden gehouden met de (verder opgebouwde) schelpenverzameling en het (eveneens verder opgebouwde) pensioenfonds. Hij preciseert dat de jarenlange feitelijke scheiding heeft meegebracht dat er geen solidariteit of samenwerking meer was. Hij illustreert dit gebrek aan samenwerking met een verwijzing naar beslissingen van de vrederechter van 1993 die maakten dat hij (1) beide kinderen hoofdzakelijk bij zich had en (2) de vermogensportefeuille op gemoduleerde wijze alleen bestuurde.

3. Zoals reeds aangegeven, is het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen ontbonden op 18 juni 1999, dit is de datum van de dagvaarding tot echtscheiding met toepassing van de oude artt. 229 en 231 BW, uitgaande van C (art. 1278, eerste lid Ger.W.).

...

De gewezen huwelijksgemeenschap wordt een postcommunautaire onverdeeldheid, met het oog op vereffening-verdeling. Ten aanzien van derden speelt de datum van de overschrijving van het beschikkende gedeelte van de echtscheidingsuitspraak in de registers van de ambtenaar van de burgerlijke stand, in casu 20 april 2004.

De terugwerking van de echtscheidingsuitspraak tussen de (ex-)echtgenoten tot de dag van het instellen van de echtscheidingsprocedure vangt echter gebeurlijk onvoldoende het gebrek aan zogeheten affectio societatis op indien de echtgenoten (reeds voordien) feitelijk gescheiden leven. Vandaar dat, krachtens art. 1278, vierde lid Ger.W., de rechter, op vordering van een van de echtgenoten, indien hij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, billijk acht, in het echtscheidingsvonnis kan beslissen dat bij de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap geen rekening wordt gehouden met sommige goederen die zijn verworven of met sommige schulden die zijn aangegaan sinds het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden (zie o.m.: E. Coene, «Commentaar bij art. 1278 Ger.W.» in Comm. Pers. 1999, p. 31-44, nrs. 49-83; W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 247-251, nrs. 450-455). Krachtens art. 1278, vijfde lid Ger.W. kunnen de partijen een dergelijke vordering ook instellen in de loop van de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap.

De vordering is ontvankelijk zolang de notariële staat van vereffening-verdeling hetzij ingevolge bekrachtiging door de partijen hetzij ingevolge rechterlijke homologatie geen definitief karakter heeft verkregen. De vordering kan gerust in de loop van de notariële werkzaamheden, bijvoorbeeld in het raam van de bezwarenprocedure, worden ingesteld. In voorkomend geval is het eerst aan de notaris(sen)-vereffenaar(s) om standpunt in te nemen en (zo nodig) nadien pas aan de rechter.

Goederen die zijn verworven of schulden die zijn aangegaan vóór de feitelijke scheiding worden derhalve niet bedoeld. Evenmin worden bedoeld goederen of schulden die krachtens de regels aangaande het gemeenschapsstelsel eigen zijn, eventueel tegen betaling van vergoeding aan het gemeenschappelijke vermogen.

Art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. geldt voor elke vorm van echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting. De echtgenoot die er zich op beroept, moet de feitelijke scheiding bewijzen.

De toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W. onderstelt (bewezen) uitzonderlijke omstandigheden, terwijl de feitelijke scheiding in se daartoe niet volstaat. Omstandigheden die inherent zijn aan elke feitelijke scheiding komen niet in aanmerking. De omstandigheden moeten in essentie hierop neerkomen dat m.b.t. de bedoelde goederen en schulden geen affectio societatis tussen de echtgenoten bestaat, omdat zij van gescheiden inkomsten en met gescheiden uitgaven hebben geleefd. Is er een belangengemeenschap tussen de echtgenoten blijven bestaan (m.b.t. de bedoelde goederen en schulden), dan is de toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W. uitgesloten.

De rechter spreekt uit naar billijkheid. Hij is niet verplicht op het verzoek tot toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W. in te gaan indien uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn. De rechter beslist in feite en op onaantastbare wijze over het uitzonderlijke karakter van de omstandigheden eigen aan de zaak, die hij releveert. De billijkheid houdt niet in dat de rechter verplicht is met de schuld aan de feitelijke scheiding rekening te houden. De centrale maatstraf is het gebrek aan affectio societatis en niet de schuld aan de feitelijke scheiding.

De toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W. kan als zodanig geen terugwerking behelzen van de ontbinding van het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen. Het moet specifiek gaan om bepaalde goederen en schulden waarmee, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak, billijkheidshalve geen rekening kan worden gehouden, met dien verstande dat die bepaalde goederen en schulden de facto kunnen gelijkstaan met de geheelheid van goederen en schulden die sedert de feitelijke scheiding zijn verworven of aangegaan.

4. Naar het oordeel van het hof liggen (los van de discussie over de toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W., ondanks het gegeven dat de start van de schelpenverzameling en het pensioenfonds dateert van vóór de feitelijke scheiding) in casu (hoe dan ook) geen afdoende uitzonderlijke omstandigheden voor. De door H. aangevoerde omstandigheden maken niet dat bij de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap H.-C. billijkerwijze geen rekening kan worden gehouden met de sinds het najaar van 1990 verder opgebouwde schelpenverzameling en het sinds het najaar van 1990 verder opgebouwde pensioenfonds. De jarenlange feitelijke scheiding in se volstaat niet, terwijl de focus op de schelpenverzameling en het pensioenfonds (los van andere elementen van de huwelijksgemeenschap H.-C.) niet duidelijk is, behalve als de vermogenswaarde aanzienlijk is. De beslissingen van de vrederechter van 1993 die meebrachten dat H. (1) beide kinderen hoofdzakelijk bij zich had en (2) de vermogensportefeuille op gemoduleerde wijze alleen bestuurde, bieden onvoldoende verantwoording voor de beoogde toepassing van art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. Het in de beslissing van de vrederechter van 22 juni 1993 bedoelde alleenbestuur omvat overigens de verplichting om «de opbrengst te plaatsen op een gemeenschappelijke rekening waarover de partijen enkel in onderling overleg kunnen beschikken».

De verdere redenering van H. op basis van de parlementaire voorbereiding van medio 2013 «tot wijziging van art. 130 BW en van diverse bepalingen inzake het huwelijksvermogensrecht, in het bijzonder met betrekking tot de levensverzekering, de vergoedingsregelingen en de gevolgen van de echtscheiding» gaat niet op. De parlementaire voorbereiding van een (nog) niet tot stand gekomen wet kan hic et nunc niet zonder meer gelden (zie: R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 120 e.v., nrs. 28 e.v.; R. Barbaix, «Individuele levensverzekeringen en aanvullende pensioenen in het nieuwe huwelijksvermogensrecht», TEP 2014, 276 e.v.). Voorts speelt art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. niet voor het pensioenfonds. De huwelijksgemeenschap H.-C. is ook dienaangaande onverkort blijven werken. Naarmate de opbouw van het pensioenfonds gebeurde tijdens de werking van de huwelijksgemeenschap H.-C. en meer precies tot 18 juni 1999, is de vermogenswaarde ervan gemeenschappelijk (R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 114-120, nrs. 17-27).

5. Het bezwaar van H. slaagt niet, in de lijn van wat ook de notarissen-vereffenaars en de eerste rechter oordelen.

...

E. Pensioenfonds

1. Zoals reeds aangegeven, kan het bezwaar van H. niet dienen in zoverre hij zich beroept op art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. om het pensioenfonds (...) buiten vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap H.-C. te houden.

De huwelijksgemeenschap H.-C. is ook dienaangaande onverkort blijven werken. Naarmate de opbouw van het pensioenfonds gebeurde tijdens de werking van de huwelijksgemeenschap H.-C. en meer precies tot 18 juni 1999, is de vermogenswaarde ervan gemeenschappelijk (GwH 27 juli 2011, JT 2012, 156, noot Y.-H. Leleu en L. Rousseau, NFM 2012, noot B. Scheers, RABG 2011, 1353, noot C. Hendrickx, RNB 2012, 3061, 211, noot H. Casman, TBH 2012, noot C. Devoet, T.Fam. 2012, 19, noot U. Cerulus, T.Not. 2011, 595, noot J. Du Mongh; Cass. 30 november 2012, Rev.trim.dr.fam. 2013, 968; R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 114-120, nrs. 17-27).

2. Aannemen dat de aanspraken m.b.t. het zogeheten HPF, dat een groepsverzekering uitmaakt (met recente uitbetaling aan H., gelet op het bereiken van diens pensioenleeftijd), tot de huwelijksgemeenschap H.-C. behoren, althans in voormelde mate van opbouw tijdens de werking ervan (zie: A. Van Geel en Ch. Declerck, «Actuele planningstechnieken in vraag gesteld», NFM 2011, p. 197, nr. 43), heeft tot gevolg dat de vermogenswaarde van deze groepsverzekering moet worden verdeeld bij de vereffening-verdeling na echtscheiding. De vraag rijst hoe die verdeling concreet moet gebeuren, mede gelet op het (ter terechtzitting van 15 oktober 2015 te kennen gegeven) feit dat het verzekerde kapitaal van de groepsverzekering intussen is uitbetaald. H. geeft aan dat hij medio 2015 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, zodat uitbetaling heeft plaatsgevonden.

Werken met een onmiddellijke verrekening via een (in voorkomend geval tegen nadelige voorwaarden door te voeren of te verrekenen) vervroegde afkoop(waarde) was een optie. Door de onmiddellijke verrekening verkrijgt de echtgenoot-niet-houder van de groepsverzekering een vervroegd en zeker recht. Zowel deze vervroegde betaling als het wegvallen van het vroegtijdig overlijdensrisico moeten worden verrekend bij de waardebepaling. Daarbij moeten bovendien ook de sociale, fiscale en andere lasten worden verrekend (R. Barbaix, «Groepsverzekering en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 119-120, nr. 26). Die optie was echter economisch moeilijk te verantwoorden. In die optiek kon worden gewerkt met uitgestelde aanspraken of aanspraken onder opschortende voorwaarde. Tot de huwelijksgemeenschap behoort dan een niet-vervallen recht op kapitaal van de groepsverzekering (R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 118-119, nr. 25).

Gelet op de effectieve uitbetaling is een en ander in het onderhavige geval niet meer aan de orde. Ingevolge de uitbetaling is onmiddellijke verrekening zonder meer mogelijk.

In casu opteren beide partijen sowieso voor een onmiddellijke verrekening. De discussie is beperkt tot de waardering. Meer precies rijst de vraag naar het ijkpunt voor de waardering: de datum van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (18 juni 1999) of de datum van de effectieve verdeling (art. 890 BW).

3. Het hof sluit zich aan bij de gevestigde zienswijze in de rechtspraak en de rechtsleer dat de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering op de datum van de effectieve verdeling in aanmerking moet worden genomen: dit is de waarde na aftrek van de RIZIV-bijdragen en andere bijzondere bijdragen en belastingen, zij het enkel rekening gehouden met de tot op het tijdstip van ontbinding met arbeidsinkomsten betaalde premies (zie: A. Van Geel en Ch. Declerck, «Actuele planningstechnieken in vraag gesteld», NFM 2011, p. 196-197, nr. 42). Zoals C. terecht aanstipt, kan enkel rekening worden gehouden met de opbouw van de groepsverzekering tot op de datum van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (18 juni 1999), maar is wel actualisering aangewezen ten tijde van de verdeling, gelet op art. 890 BW (zie ook: Gent 24 maart 2005, T.Not. 2005, 481). De actuele aangroei van de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering moet ten tijde van de verdeling worden bekeken.

De aldus bedoelde waarde ligt voor, gelet op door de notarissen-vereffenaars in die zin (via het bedrijf T.W.) ingewonnen informatie. De informatie maakt dat het gaat om een bedrag van 432.739,85 euro. Zoals reeds aangegeven, blijkt evenwel intussen uitbetaling (van, in totaal, een veel ruimer nettobedrag) te hebben plaatsgevonden. Het past derhalve voormelde formule en zodoende berekening aan de hand van «de waarde na aftrek van de RIZIV-bijdragen en andere bijzondere bijdragen en belastingen, zij het enkel rekening gehouden met de tot op het tijdstip van ontbinding met arbeidsinkomsten betaalde premies» en «de verdere aangroei van de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering ten tijde van de verdeling» op basis van het effectief uitbetaalde bedrag door te voeren.

4. Het bezwaar van H. slaagt niet, in de lijn van wat de notarissen-vereffenaars (uiteindelijk in hun akte van 7 maart 2012, gelet op het bezwaar van C.) en de eerste rechter oordelen.

De notarissen-vereffenaars moeten hun staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008 in voormelde zin verder aanpassen. Het komt hen toe daarbij te werken met gebeurlijk via het bedrijf T.W. bijkomend in te winnen informatie, gelet op het effectief uitbetaalde bedrag.

...

I. Actualiseren van de gemeenschappelijke effectenrekeningen en bijhorende zichtrekeningen

1. H. betoogt dat de gemeenschappelijke effectenrekeningen en bijhorende zichtrekeningen los van een gebeurlijke toebedeling (die H. overigens betwist) moeten worden gewaardeerd ten tijde van de verdeling (art. 890 BW; Cass. 12 september 2008, RABG 2009, 822). Dit geldt voor alle onverdeelde elementen, ongeacht of zij aan H. dan wel aan C. toekomen. Dat de (actuele) waarden moeilijk of zelfs nagenoeg niet meer te achterhalen zijn, verleent volgens H. geen vrijbrief. H. vervolgt dat diegene die de bedoelde rekeningen beheert, in het raam van een beheersrekening rekening en verantwoording is verschuldigd (art. 577-2 BW). Daar blijkens de staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008 C. houder is van de effectenrekening met bijhorende zichtrekening (...), moet zij dienovereenkomstig rekening en verantwoording afleggen.

C. betwist, mede gelet op de afgesproken toebedeling die blijkt uit de staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008 en de notariële akte van 7 maart 2012, terwijl het voorts gaat om een nieuw bezwaar dat geenszins besloten zit in de notariële akte van 6 mei 2011.

2. Mede in het licht van de cassatiearresten van 6 mei 1990 (Arr.Cass. 1989-90, 1036) en tevens 9 mei 1997 (Arr.Cass. 1997, 531) beklemtoont het hof dat uit de (oude) artt. 1209-1223 Ger.W. en uit de toelichting daarbij in het verslag van de Koninklijke Commissie (Ch. Van Reephingen) over de gerechtelijke hervorming volgt dat die wetsbepalingen aldus moeten worden gelezen dat slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen (overeenkomstig oud art. 1218 Ger.W.) in het proces-verbaal van de notaris(sen)-vereffenaar(s) door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal, bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt, tenzij de partijen akkoord gaan om andere betwistingen aan de rechtbank of het hof voor te leggen. Een dergelijk akkoord ligt in het onderhavige geval niet voor.

Ook de andere mogelijke uitzonderingen (openbare orde, overmacht, in gebreke blijvende notaris(sen)-vereffenaar(s)) zijn hier niet aan de orde.

Hierbij dient nog aangestipt te worden dat, in alle voormelde uitzonderingssituaties, de (homologatie)rechter de «nieuwe» bezwaren nooit rechtstreeks kan beslechten. Zij moeten steeds in eerste instantie door de notaris(sen)-vereffenaar(s) worden behandeld die, bij gebrek aan verzoening, zijn/haar/hun advies te kennen geeft/geven. Een en ander geldt ook bij akkoord van de partijen (zie: A. Van Den Bossche, «Proces-verbaal van beweringen en zwarigheden & afsluiting van de procedure» in KFBN (ed.), Vereffening-verdeling, Antwerpen, Kluwer, 1992, 135; vgl.: M. Puelinckx-Coene en J. Verstraete, «Overzicht van rechtspraak (1988-1995): Erfenissen», TPR 1997, p. 339, nr. 246).

Nu geen van voormelde uitzonderingssituaties in het onderhavige geval aan de orde zijn, kan het hof niet ingaan op voormeld(e) «nieuw» bezwaar/vordering.

...

 

Nog dit: 

Rechtspraak:

• Cass. 18 mei 2009, AR C.07.0517.N, AC, 2009, nr. 325, met concl. van advocaat-generaal Mortier

• Hof van Casatie 2/02/2012 C.10.0498.N, T.Fam. 2012/9, met noot, L.Voet, Opmaak van de beheersrekening: de ongelijke bijdrage in de afbetaling van het wookrediet en de woonstvergoeding

M.C.
eiseres,

tegen
E.L.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 18 september 2008.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel

1. Luidens artikel 1434 Burgerlijk Wetboek, is het gemeenschappelijk vermogen vergoeding verschuldigd ten belope van de eigen of uit vervreemding van en eigen goed voortkomende gelden die in dat vermogen zijn gevallen en niet zijn belegd of wederbelegd, alsook, in het algemeen, telkens als het voordeel heeft getrokken uit de eigen goederen van een der echtgenoten.

2. Krachtens artikel 1378, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

Door de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen, ontstaat tussen de gewezen echtgenoten een onverdeeldheid, die in de regel beheerst wordt door het gemeen recht.

Krachtens artikel 577-2, § 3, Burgerlijk Wetboek, heeft de mede-eigenaar deel in de rechten en draagt hij bij in de lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel.
H

Hieruit volgt dat de betaling met eigen gelden van een gemeenschappelijke schuld door een echtgenoot na het instellen van de echtscheidingsvordering, geen aanleiding geeft tot een vergoeding ten laste van het gemeenschappelijk vermogen op grond van artikel 1434 Burgerlijk Wetboek, maar tot een vordering op grond van artikel 577-2, § 3, Burgerlijk Wetboek ten laste van de deelgenoot.

3. De appelrechters stellen vast dat tijdens het huwelijk een woning werd aangekocht waarvoor twee woonkredieten werden aangegaan en dat de verweerder met betrekking tot een van deze kredieten met eigen gelden een vervroegde terugbetaling deed van 21.219,68 euro, na de feitelijke scheiding, misschien na de inleiding van de echtscheidingseis.

Op grond van deze vaststellingen oordelen de appelrechters niet wettig dat de verweerder voor de vervroegde aflossing recht heeft op een vergoeding ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, overeenkomstig artikel 1434 Burgerlijk Wetboek.
Het middel is gegrond.
Tweede middel

4. Het middel, in zijn beide onderdelen, gaat ervan uit dat de appelrechters de vordering tot actualisering van de geschatte waarde van de gezinswoning die aan de verweerder is toegewezen, afwijzen.
5. De appelrechters stellen vast dat:
- de eiseres vraagt dat de waarde van de woning zou worden geactualiseerd;
- de verweerder zich verzet tegen deze actualisatie, en stelt dat als ze toch moet gebeuren, een herschatting moet plaatsvinden, en hiervoor een deskundige moet worden aangesteld.
De appelrechters oordelen dat:
- er geen reden is om tot herschatting over te gaan;
- de eiseres terecht inroept dat als ze nu al meer dan 5 jaar op de betaling van de opleg moet wachten, ze gerechtigd is op een compensatie wegens het verloop van tijd sinds het ogenblik waarop de waarde is vastgesteld op grond waarvan de verweerder de woning kan overnemen en het ogenblik waarop de eiseres de haar verschuldigde opleg zal ontvangen;
- een dergelijke compensatie passend toegekend wordt indien op het bedrag van de opleg interest wordt aangerekend aan de wettelijke rentevoet, met ingang van de datum waarop de partijen zich met de schatting akkoord hebben verklaard.

6. Hieruit blijkt dat de appelrechters de gevorderde actualisering van de waarde van de gezinswoning toekennen door de geschatte waarde te verhogen met interest vanaf het ogenblik waarop de partijen zich met de schatting akkoord hebben verklaard.
Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel
Eerste onderdeel

7. De appelrechters beslissen dat de verweerder geen woonstvergoeding verschuldigd is na 17 maart 2003 omdat de partijen op die datum een akkoord hadden bereikt omtrent de overname en de waarde van de woning en omdat op de hiervoor verschuldigde opleg interest wordt aangerekend vanaf deze datum.

8. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de appelrechters verwijzen naar het proces-verbaal van opening van werkzaamheden van 17 maart 2003 opgesteld door notaris Geysels.
Volgens de aanhalingen van het arrest vermeldt dit proces-verbaal dat de koopwaarde van het onroerend goed werd geschat op 237.500 euro, dat de partijen zich neerleggen bij deze geschatte verkoopwaarde die als basis kan dienen voor een eventuele overname en dat de beide partijen menen in aanmerking te komen voor een preferentiële overname.

9. Door te oordelen dat de partijen op 17 maart 2003 een akkoord hadden bereikt omtrent de overname, miskennen de appelrechters de bewijskracht van het proces-verbaal van 17 maart 2003 en schenden zij bijgevolg de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.
Het onderdeel is gegrond.
Vierde middel

10. Krachtens artikel 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

Door de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen, ontstaat tussen de gewezen echtgenoten een postcommunautaire onverdeeldheid, die de goederen bevat die deel uitmaakten van de gemeenschap op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, evenals de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht.

Krachtens artikel 577-2, § 3, Burgerlijk Wetboek, heeft de mede-eigenaar deel in de rechten en draagt hij bij in de lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel.
Krachtens artikel 577-2, § 5, Burgerlijk Wetboek, heeft de mede-eigenaar recht op het gebruik en het genot van de gemeenschappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en in zoverre zulks verenigbaar is met het recht van zijn deelgenoten.

11. Hieruit volgt dat de deelgenoot die alleen het genot van een onverdeeld goed heeft gehad, voor dit uitsluitend genot aan de deelgenoten een vergoeding verschuldigd is.

12. Het krachtens artikel 223, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek, of artikel 1280, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, toegekende uitsluitend genot van de gezinswoning kan, naargelang van het geval, zijn toegekend als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen de echtgenoten tijdens het huwelijk of als loutere bestuursmaatregel.

Wordt het uitsluitend genot van de gezinswoning toegekend als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen echtgenoten, dan is er, naargelang van hetgeen waarmee de vrederechter of de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg heeft rekening gehouden, aanleiding tot verrekening van dit genot van de echtgenoot op zijn aandeel in de inkomsten van de onverdeelde goederen en wordt, in het geval het aandeel van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot in de onverdeelde inkomsten hoger is dan het genoten voordeel, dit genot in zoverre aangezien als een voorschot op dit aandeel.

13. De enkele omstandigheid dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in zijn beschikking genomen op grond van artikel 1280 Gerechtelijk Wetboek geoordeeld heeft over de bijdrage van de partijen in de kosten voor onderhoud en opvoeding van de kinderen en over de bijdrage in de lasten met betrekking tot het woonkrediet, rekening houdend met alle gegevens waaronder de behuizing van de partijen, en het uitsluitend genot van de gezinswoning aan de verweerder toekent, houdt niet in dat de rechter, die uitspraak doet over de vereffening-verdeling, niet kan oordelen dat de echtgenoot die tijdens de echtscheidingsprocedure alleen het genot van de gezinswoning had een vergoeding verschuldigd is voor dit genot.

14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- bij beschikking van 22 december 2004, de vrederechter op grond van artikel 223 Burgerlijk Wetboek, de verweerder machtigde afzonderlijk te verblijven in de echtelijke woonst;
- de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, oordelend over de voorlopige maatregelen in de loop van het echtscheidingsgeding, in een beschikking van 18 september 1997 aan de verweerder toelating verleende om afzonderlijk te verblijven in de echtelijke woonst.

15. De appelrechters beslissen dat de verweerder slechts een woonstvergoeding verschuldigd is voor de periode tussen het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden en 17 maart 2003, en dus niet voor de periode tussen de inleiding van de eerste echtscheidingseis en het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden, omdat:
- de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in de beschikking van 18 september 2007 genomen op grond van artikel 1280 Gerechtelijk Wetboek, over de wederzijdse verplichtingen van de partijen met betrekking tot de bijdrage in de kosten voor onderhoud en opvoeding van de kinderen geoordeeld heeft en over de bijdrage in de maandelijkse lasten met betrekking tot het woonkrediet, in functie van alle gegevens die hem werden meegedeeld, ook van de behui-zing van de partijen, dit onder verwijzing naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 28 februari 2006 waarbij in hoger beroep uitspraak werd gedaan over de voorlopige maatregelen die de vrederechter had genomen op grond van de artikelen 221-223 Burgerlijk Wetboek;
- de voorzitter aldus een beslissing genomen heeft met betrekking tot de omdeling van de huwelijkslasten, waaraan bij de vereffening geen afbreuk mag worden gedaan en waardoor de vereffeningsrechter is gebonden.

16. Door aldus te oordelen, miskennen de appelrechters het gezag van gewijsde van de voormelde beschikking en verantwoorden zij hun beslissing dat de verweerder slechts een woonstvergoeding verschuldigd is voor de periode tussen het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden en 17 maart 2003, niet naar recht.
Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven
De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist dat:
- de verweerder voor de vervroegde aflossing van het woonkrediet recht heeft op een vergoeding ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, die deel uitmaakt van de vergoedingsrekening;
- de verweerder slechts een woonstvergoeding verschuldigd is voor de periode tussen het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden en 17 maart 2003;
en oordeelt over de kosten.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiseres in een vierde van de kosten en laat de beslissing met betrekking tot de overige kosten aan de feitenrechter over.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 534,68 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 2 februari 2012 uitgesproken

• Cassatie 05/12/2013, C130041N-C130067N, juridat en RABG 2014/15, met noot A. Reniers, Individuele levensverzekerring als spaarverrichting in het licht van de vereffening en verdeling van een gemeenschappelijk vermogen: moeilijk gaat ook, RABG 2014/15, 1034, met talrijke verwijzingen.

Nr. C.13.0041.N
T.P.,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
B.W.,
verweerster.

II
Nr. C.13.0067.N
B.W.,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest
tegen
T.P.,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 oktober 2012.

II. CASSATIEMIDDELEN

In de zaak C.13.0041.N
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

In de zaak C.13.0067.N
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Voeging
1. De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest.
Zij dienen gevoegd te worden.

B. De zaak C.13.0041.N

Eerste onderdeel

2. De appelrechters beslissen dat de aandelen in de vennootschap Dokter T. P.bvba eigen zijn, maar dat de vermogenswaarde van de artsenpraktijk, ingebracht in de voormelde vennootschap, gemeenschappelijk is.

Zij bevestigen op dit punt de beslissing van de eerste rechter die in dezelfde zin besliste dat de lidmaatschapsrechten in de vennootschap eigen blijven, doch dat de vermogenswaarde van de artsenpraktijk die in de vennootschap werd ingebracht en derhalve de vermogenswaarde van de aandelen van die vennootschap in het gemeenschappelijk vermogen vallen.

De eerste aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat derhalve niet.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

3. Het arrest beslist enerzijds dat de artsenpraktijk gewaardeerd dient te wor-den op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijksstelsel, meer bepaald op 11 februari 2004, zijnde de datum van de inleidende dagvaarding tot echtscheiding.

Anderzijds bevestigt het arrest de in het vonnis van 18 maart 2011 bevolen onderzoeksmaatregel waarbij aan de deskundige de opdracht werd gegeven om de waarde van de vennootschap waarin de praktijk werd ingebracht, te bepalen "op datum van heden".

4. Die beschikkingen zijn tegenstrijdig, zodat het arrest artikel 1138, 4°, Ge-rechtelijk Wetboek schendt.
Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

4. Het tweede onderdeel kan niet tot ruimere cassatie leiden.

C. De zaak C.13.0067.N

Eerste middel

Eerste onderdeel

5. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het mid-del in de zaak C.13.0041.N voor zover dit de tegenstrijdigheid inroept over het beoordelingstijdstip van de vermogenswaarde van de artsenpraktijk en van de aandelen van de vennootschap waarin die praktijk werd ingebracht.
Gelet op het antwoord in r.o 3 en 4 is het onderdeel gegrond.

Tweede middel

Tweede onderdeel

Ontvankelijkheid

6. De verweerder voert aan dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat het, ingevolge een tegenstrijdigheid, onnauwkeurig is.

7. Het onderdeel voert zonder tegenstrijdigheid aan dat de appelrechters de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen schenden door te oordelen dat de ver-zekeringspolissen in het raam van de verdeling gewaardeerd dienen te worden op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk en niet op de datum van de daadwerkelijke verdeling.

De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.
Gegrondheid

8. Krachtens artikel 1427 Burgerlijk Wetboek, wordt het wettelijk stelsel ontbonden door het overlijden van een der echtgenoten, de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed, de gerechtelijke scheiding van goederen of nog de overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel.

Door de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen, ontstaat tussen de gewezen echtgenoten een onverdeeldheid, die in de regel beheerst wordt door het gemeen recht.

9. Krachtens artikel 577, § 2 en § 8, Burgerlijk Wetboek, worden de onverdeelde aandelen vermoed gelijk te zijn en is de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen aan de regels die bepaald zijn in de titel Erfenissen van dit wetboek.

Krachtens artikel 890 Burgerlijk Wetboek, worden, om te beoordelen of er benadeling is geweest, de onverdeelde goederen geschat op hun waarde ten tijde van de verdeling.

10. Hieruit volgt dat, bij de verdeling, de waarde van de goederen die aanvankelijk behoorden tot het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten en op het ogenblik van de verdeling, ingevolge de ontbinding van het stelsel, afhangen van de tussen hen ontstane post-communautaire onverdeeldheid, moet worden bepaald op het ogenblik van de verdeling.

11. De appelrechters oordelen dat de gemengde levensverzekeringen op naam van de verweerder een duidelijke spaarverrichting uitmaken, zodat het uitgekeerde kapitaal, of bij afkoop, de concrete afkoopwaarde in het gemeenschappelijk ver-mogen valt en dat de verzekeringspolissen in de staat van vereffening moeten worden vermeld met hun afkoopwaarde op de datum van de ontbinding van het stelsel.

12. Door te oordelen dat de verzekeringen in het kader van de verdeling dienen te worden gewaardeerd op de datum van de ontbinding van het stelsel, schenden de appelrechters het artikel 890 Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Derde middel

13. De eiseres heeft voor de appelrechters gevorderd dat de door de verweerder ontvangen huurgelden met betrekking tot het beroepsgedeelte van de woonst, ver-rekend moeten worden vanaf de datum van inleiding van de echtscheidingsvorde-ring, dit is 11 februari 2004, in plaats van juni 2005, zodat 16 maanden huur die-nen te worden toegevoegd aan de staat van vereffening.

14. De appelrechters laten na uitspraak te doen over deze vordering van de eise-res en schenden aldus artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek.
Het middel is gegrond.

Overige grieven

15. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,

Voegt de zaken C.13.0041.N en C.13.0067.N.

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre:
- het oordeelt, enerzijds, dat de artsenpraktijk gewaardeerd moet worden op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijksstelsel, en, anderzijds, bij beves-tiging van het beroepen vonnis, dat de waardering moet geschieden op de dag van de verdeling en dat een deskundige de waarde ervan moet bepalen op de "datum van heden";
- het oordeelt dat de gemengde levensverzekeringen in de staat van vereffening moeten worden opgenomen met hun afkoopwaarde op de datum van de ont-binding van het stelsel;
- het nalaat uitspraak te doen over de vordering van de eiseres om 16 maanden huur met betrekking tot het beroepsgedeelte van de woonst toe te voegen aan de staat van vereffening;
- het oordeelt over de kosten.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

• Hof van Beroep te Brussel, 3e Kamer – 28 juni 2013, RW 2014-2015, 1421

C.S. t/ B.D.

Antecedenten

S.C. en D.B. zijn op 7 december 1985 te Boekarest (Roemenië) in het huwelijk getreden onder het wettelijk stelsel naar Roemeens recht; op dat ogenblik hadden zij beiden de Roemeense nationaliteit. Thans hebben beide partijen de Belgische nationaliteit.

Bij vonnis van 14 november 1995 gewezen door het gerechtshof van sector 3 Stad Boekarest (Roemenië) werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

Bij vonnis van 4 oktober 2005 gewezen door deze rechtbank werd de vereffening-verdeling bevolen van de ontbonden huwgemeenschap en notaris I. te (...) werd aangesteld als notaris-vereffenaar en notaris J. te (...) werd belast met de bevoegdheden overeenkomstig (oud) art. 1209, § 3 Ger.W.

Op 26 juni werden de werkzaamheden geopend, waarvan proces-verbaal werd opgesteld.

...

Op 13 oktober 2009 stelde de notaris-vereffenaar zijn staat van vereffening-verdeling op.

Op 25 november 2009 werd proces-verbaal van beweringen en zwarigheden opgesteld inhoudende bezwaren geformuleerd door beide partijen, gevolgd door het advies van de notaris-vereffenaar op 8 december 2009.

Partijen bereikten geen akkoord, reden waarom de zaak aanhangig werd gemaakt voor de rechtbank.

...

1. Beoordeling

1. Aangaande de scharnierdatum

Overwegende dat de instrumenterende notaris de datum van de inleiding van de echtscheidingsvordering in Roemenië, meer bepaald 8 maart 1994, als spildatum aanhoudt. Dat hij dit reeds in het proces-verbaal van opening van werkzaamheden heeft gesteld en deze datum onder punt 1 van de staat van vereffening en verdeling van 13 oktober 2009 heeft hernomen.

Dat partijen ter zake geen bezwaar hebben geformuleerd.

Dat de eerste rechter heeft vastgesteld dat op dit punt geen discussie wordt gevoerd.

Overwegende dat geïntimeerde aanvoert dat zij instemt met voormelde peildatum maar niettemin wenst te beklemtonen dat:

– appellant na het inleiden van de echtscheiding en dus na de peildatum systematisch aanzienlijke bedragen op de gemeenschappelijke rekening van partijen heeft gestort;

– er in augustus 1994 “een financiële beweging” was ten bedrage van meer dan 24.789,35 euro (meer dan 1.000.000 fr.); dat deze gelden deel uitmaken van de gemeenschap en cash in de woning aanwezig waren, ook reeds op 8 maart 1994;

– er rekening moet worden gehouden met de uitspraak van de vrederechter van 14 september 1994.

Overwegende dat appellant inroept dat deze argumentatie van geïntimeerde geen juridische grondslag heeft en dat geïntimeerde geen zwarigheid met betrekking tot de spildatum heeft geformuleerd. Dat hij voorts opwerpt dat geïntimeerde het gemeenschappelijk vermogen in 1993 heeft verarmd door gelden van de rekening (...) af te halen en deze niet aan te wenden ten behoeve van de huwgemeenschap; dat de door hem na de spildatum uitgevoerde transacties op de gemeenschappelijke rekening niet toebehoorden aan de huwgemeenschap per 8 maart 1994; dat geïntimeerde het tegendeel dient aan te tonen; dat de goederen in de kluis waarvan de notaris bij de afsluiting van de boedelbeschrijving melding heeft gemaakt, werden overhandigd aan notaris G. die een rubriekrekening opende en hierop een bedrag van 431.698 fr. heeft gestort.

Overwegende dat overeenkomstig art. 1278 Ger.W. het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terugwerkt tot op de dag waarop de eerste echtscheidingsvordering werd ingeleid. Dat overeenkomstig het vierde lid van dit artikel de rechtbank op vordering van één van de echtgenoten kan beslissen, indien zij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak billijk acht, dat bij de vereffening geen rekening wordt gehouden met sommige goederen die zijn verworven of sommige schulden die zijn aangegaan sedert het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden. Dat in casu geen toepassing werd gemaakt van art. 1278, vierde lid Ger.W., omdat geen der partijen hiertoe een vordering heeft geformuleerd. Dat een boedelbeschrijving werd opgemaakt die tot doel heeft de omvang van de activa en de passiva van het gemeenschappelijk vermogen of de onverdeeldheid vast te stellen.

Dat de ontbinding van het stelsel het gemeenschappelijk vermogen omzet in een postcommunautaire onverdeeldheid, die bestaat uit de goederen en de schulden die aanwezig waren op het ogenblik van de ontbinding. Dat het bestuur van die onverdeeldheid wordt geregeld door art. 577-2, §§ 5-7 BW; dat deze bepalingen met terugwerkende kracht tot op de datum van de inleiding van de echtscheidingseis in de plaats komen van de bestuursregeling uit het aangenomen stelsel.

Dat in zoverre appellant aanvoert dat geïntimeerde gelden behorend tot het gemeenschappelijk vermogen zou hebben afgehaald en aangewend zonder dat dit in het belang van het gezin is gebeurd, hij hiervan het bewijs moet leveren. Dat appellant dit niet doet. Dat met het argument van appellant met betrekking tot de verarming van het gemeenschappelijk vermogen door geïntimeerde vóór de spildatum dan ook geen rekening kan worden gehouden.

Overwegende dat, zoals hierboven reeds werd gesteld, krachtens art. 1278, tweede lid Ger.W. het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terugwerkt tot op de dag dat de vordering is ingesteld; dat deze regel inhoudt dat voor de echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel vanaf de vereffeningsdatum het gemeenschappelijk vermogen tussen hen ophoudt te bestaan. Dat de postcommunautaire onverdeeldheid enkel de goederen bevat die aanwezig waren op het ogenblik van de ontbinding en de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht (zie in die zin: Cass. 18 mei 2009, Arr.Cass. 2009, 1308, conclusie advocaat-generaal R. Mortier; Cass. 4 mei 2001, EJ 2001, 122, noot S. Mosselmans; Cass. 17 november 1983, Arr.Cass. 1983-84, 315). Dat de goederen door een van de echtgenoten verworven en de schulden aangegaan sedert het ogenblik van de ontbinding buiten de vereffening en verdeling blijven.

...

3. Aangaande de vereffening van de rekeningen (bezwaar 2 van appellant en bezwaar 1.3 van geïntimeerde)

Overwegende dat appellant aanvoert dat de rekening met nummer 230-(...), die werd geopend op zijn naam, werd geblokkeerd; dat het saldo, volgens hem 3.603,21 euro, hem toekomt; dat hoogstens het saldo op 8 maart 1994, dat toen 1.093,34 euro bedroeg, aan de gemeenschap zou kunnen toebehoren; dat hij beweert dat geïntimeerde bij haar vertrek uit de echtelijke woning op 15 oktober 1993 een bedrag van 3.098,37 euro van de gemeenschappelijke rekening, (...), heeft afgehaald en dat zij dit bedrag heeft aangewend voor persoonlijke doeleinden, zodat dit dient terug te keren naar het gemeenschappelijk vermogen; dat het “vrij doorzichtig is” dat geïntimeerde haar rekening op 18 oktober 1993 heeft gesaldeerd en dezelfde dag nog een nieuwe rekening heeft geopend; dat geïntimeerde het saldo per 8 maart 1994 van de door haar na haar vertrek geopende rekening (...) dient mee te delen.

Overwegende dat geïntimeerde stelt dat de rekening met nummer 230-(...) weliswaar op naam van appellant stond, maar dat het een rekening van de gemeenschap betrof die werd geopend tijdens het huwelijk; dat appellant, aldus nog geïntimeerde, net vóór de verzegeling van de kluis 10.238 euro van deze rekening heeft afgehaald; dat einde juni-begin juli 1994 op deze rekening 16.856,76 euro stond; dat dit bedrag moet worden opgenomen in het actief, in elk geval het bedrag van 3.606,21 euro; dat volgens geïntimeerde de notaris ten onrechte slechts de som van 1.093,34 euro in rekening heeft gebracht (saldo van deze rekening op de scharnierdatum); dat geïntimeerde met klem betwist op 15 oktober 1993 een bedrag van 3.098,37 euro van de gemeenschappelijke rekening te hebben afgehaald; dat volgens haar appellant dit heeft gedaan en dat dit wordt aangetoond aan de hand van het bewijs van afname ondertekend door C.; dat zij ten slotte opmerkt dat deze gelden werden afgehaald vóór de scharnierdatum en hiermee dan ook geen rekening kan worden gehouden, zoals ook de eerste rechter besliste.

Overwegende dat vaststaat dat de rekening met nummer 230-(...) werd geopend op naam van geïntimeerde; dat deze rekening in oktober 1993 werd gesaldeerd ingevolge uitbetaling aan het loket van een bedrag van 124.988 fr.; dat de instrumenterende notaris reeds in de staat van vereffening en verdeling het bezwaar van appellant van de hand wees, meer bepaald om reden dat de kwestieuze afhaling plaatsvond vóór de scharnierdatum, dat er geen verder bewijs werd bijgebracht, dat er evenmin melding van werd gemaakt in de inventaris en dat ook geen klacht werd neergelegd; dat de notaris in zijn navolgend advies zijn standpunt niet wijzigde; dat hij integendeel bijkomend overwoog dat uit het door appellant bijkomend bijgebrachte stuk, meer bepaald de verklaring van F. van 11 januari 2009 blijkt dat er geen gegevens bekend zijn over een volmacht op deze rekening en dat de handtekening op de loketcheque deze zou kunnen zijn van appellant; dat hij er nog aan toevoegde dat de nietigverklaring van de betreffende verrichting op grond van art. 1422, derde lid BW niet werd gevorderd.

Dat het betreffende bewijsstuk werd ondertekend met de leesbare handtekening “C.”; dat deze handtekening volgens geïntimeerde niet door haar werd aangebracht, maar door appellant; dat appellant niet beweert dat de betreffende handtekening niet van hem is; dat appellant zijn stelling tevens meent te kunnen staven aan de hand van de stand van de door geïntimeerde na de feitelijke scheiding van partijen geopende eigen rekening; dat geïntimeerde deze stand heeft meegedeeld; dat de notaris hiervan melding maakt in zijn advies met betrekking tot de door partijen geformuleerde zwarigheden; dat hij ter zake verwijst naar het aangehechte stuk van de akte van 8 december 2009; dat hieruit blijkt dat op deze rekening op de scharnierdatum een bedrag van 239,15 euro stond; dat hieruit aldus niet kan worden afgeleid dat geïntimeerde de rekening met nummer 230-(...) zou hebben leeggehaald om er een eigen rekening mee te spijzen; dat in de gegeven omstandigheden geenszins wordt aangetoond dat geïntimeerde de betreffende rekening in haar uitsluitend voordeel heeft gesaldeerd; dat dit bezwaar van appellant dan ook wordt afgewezen.

Overwegende dat appellant niet aangeeft om welke reden de rekening met nummer 230-(...) in zijn voordeel zou moeten worden vrijgegeven; dat het niet is omdat deze rekening tijdens het huwelijk op zijn naam werd geopend, dat het een rekening is die enkel eigen tegoeden bevat; dat het eigen karakter van de gelden op deze rekening niet wordt aangetoond; dat geïntimeerde op geloofwaardige wijze aantoont dat deze rekening de zichtrekening was waarop alle verrichtingen van de gemeenschap gebeurden; dat de bijgebrachte stukken deze stelling ondersteunen; dat het saldo van deze rekening op 8 maart 1994 44.105 fr. of 1.093,34 euro bedroeg; dat de notaris dit bedrag terecht heeft opgenomen als onderdeel van het tot de gemeenschap behorend actief; dat om de sub 1 uiteengezette motieven geen rekening kan worden gehouden met de bewegingen op deze rekening na de scharnierdatum.

...

6. Aangaande de extra opname van 370.000 fr. (9.172,06 euro) (bezwaar 1.3. van appellant)

Overwegende dat blijkens een verklaring van appellant van 1 november 1995 appellant volgend aanbod deed. “Er zijn nog ongeveer 370.000 fr. Ik bied je aan 120.000 fr. van wat er nog is (de notaris kost 220.000 fr., in de rekening restten ongeveer 140.000 fr.); dat was over de vereffening uit België. (...)”.

Dat de instrumenterende notaris heeft afgeleid dat het gaat om een “algehele verdeling met toekenning van 120.000 fr. aan mevr. B.”; dat hij opmerkt dat nergens in deze in duidelijke woorden opgestelde verklaring te lezen valt dat het zou gaan om supplementaire inkomsten van appellant.

...

Overwegende dat zelfs rekening houdende met de door appellant voorgestelde vertaling, er niet aan kan worden voorbijgegaan dat in deze tekst duidelijk wordt bepaald dat er een bedrag van 370.000 fr. rest en dat appellant bereid was in te stemmen met het feit dat hiervan 120.000 fr. aan geïntimeerde zou toekomen.

...

Dat geïntimeerde onder verwijzing naar rechtspraak van dit hof terecht opwerpt dat, aangezien een overeenkomst m.b.t. de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen gesloten tijdens de feitelijke scheiding van de echtgenoten strijdig is met de openbare orde en niet kan gelden als bewijs van minnelijke verdeling, een dergelijke overeenkomst wel kan worden aangewend als bewijs met betrekking tot de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen (Brussel 25 mei 2010, Rev.trim.dr.fam. 2011, 784).

Dat naar analogie ook een voorstel tot minnelijke verdeling als bewijs van de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen geldt.

Dat appellant zijn stelling tracht te staven aan de hand van een schrijven van geïntimeerde van 12 december 1995; dat geïntimeerde in dit schrijven verklaart dat zij geen geld wenst en dat wat nog te verdelen was, het appartement in Roemenië is; dat hieruit niet kan worden afgeleid dat het bedrag van 370.000 fr. niet in rekening zou kunnen worden gebracht; dat in deze brief immers duidelijk staat dat geïntimeerde het enkel heeft over de goederen in Roemenië.

Dat het feit dat zij in dat schrijven stelde niets te willen buiten een ketting (...), niet impliceert dat het bedrag van 370.000 fr. waarvan appellant op 1 november 1995 gewag maakt, niet aanwezig zou zijn geweest; dat geïntimeerde zich hierover niet uitspreekt; dat de uitleg van appellant dat zijn verklaring van 1 november kadert in een poging tot een minnelijke transactie te komen, geen afbreuk doet aan het feit dat er klaar en duidelijk wordt verklaard dat er een som van 370.000 fr. te verdelen is.

Dat evenmin van belang is dat zijn verklaring een toegeving inhield, omdat in geval van een dading wederzijdse toegevingen moeten worden gedaan om tot een oplossing van het geschil te komen; dat ongeacht zijn bereidheid tot toegeving, en ongeacht de hoegrootheid hiervan, het bedrag van 370.000 fr. als te verdelen som overeind blijft.

Dat dit bezwaar van appellant faalt.

...

8. Aangaande de interesten (bezwaar 3 van appellant)

Overwegende dat de notaris onder punt 7.4.5. van de staat van vereffening en verdeling heeft bepaald dat appellant de interesten op het door hem in te brengen bedrag dient te betalen vanaf de datum van ontbinding van het stelsel met toepassing van art. 1436 BW en dit aan het wettelijk tarief.

Dat appellant van oordeel is dat geen interest verschuldigd is voor de periode tot 15 oktober 2007 om reden dat huidige procedure werd geschorst in afwachting van de afhandeling van de rechtszaken met betrekking tot de onroerende goederen van partijen in Roemenië en dat deze vertraging opliepen door toedoen van geïntimeerde die pas na de indiening van een aanvraag tot vereffening en verdeling door appellant in Roemenië bereid was in te stemmen met een vergelijk.

Dat geïntimeerde dit standpunt betwist en appellant verantwoordelijk acht voor de opgelopen vertraging.

Overwegende dat de eerste rechter het standpunt van de notaris bijvalt; dat hij de bewering van appellant als zou de vertraging in het verloop van de procedure te wijten zijn aan geïntimeerde niet bewezen acht op grond van de bijgebrachte stukken; dat hij er voorts op wijst dat appellant zelf de voortgang van de procedure heeft verhinderd door een strafklacht tegen geïntimeerde neer te leggen.

Overwegende dat partijen uit de echt gescheiden zijn in november 1995; dat geïntimeerde in 1999 heeft gedagvaard in vereffening en verdeling; dat het vonnis tot aanstelling van een notaris met het oog op het uitvoeren van de verrichtingen van vereffening en verdeling dateert van oktober 2005; dat de opening der werkzaamheden plaatsvond in 2006 en de staat van vereffening en verdeling werd opgesteld op 13 oktober 2009; dat niet wordt aangetoond dat geïntimeerde de procedure zou hebben vertraagd; dat partijen betwistingen hebben gevoerd in Roemenië m.b.t. hun goederen aldaar; dat uit de bijgebrachte stukken niet valt af te leiden dat hierbij dilatoir is gehandeld; dat dit niet kan worden afgeleid uit de uitslag van de gevoerde procedures in Roemenië; dat het niet is omdat geïntimeerde zich tot in hoger beroep heeft verweerd en zij pas nadat alle rechtsmiddelen waren uitgeput, bereid was een akkoord te sluiten, dat zij verantwoordelijk zou zijn voor de vertraging die huidige procedure opliep; dat de procedure van vereffening en verdeling in België reeds in 1999 door haar werd geïnitieerd.

Dat overeenkomstig art. 1436 BW van rechtswege interesten op de vergoedingsrekeningen verschuldigd zijn vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel tot aan de werkelijke betaling (zie in dit verband: Cass. 6 mei 2005, Arr.Cass. 2005, 1001; J. Verstraete, “Vruchten en interesten bij de verdeling” in Vigilantibus ius scriptum. Feestbundel voor Hugo Vandenberghe, Brugge, die Keure, 2007, 415 e.v.).

Dat het vergoedingsgerechtigde vermogen met andere woorden recht heeft op het vergoedingssaldo vermeerderd met deze interesten voor zover gevorderd; dat het kantonnement dat als uitbetaling geldt, de loop van de interesten stuit voor wat het gekantonneerde bedrag betreft; dat appellant evenwel niet tot kantonnering is overgegaan; dat gelet op wat voorafgaat het bezwaar van appellant ongegrond is.

...

12. Aangaande de belastingteruggave (bezwaar 2 van appellant en bezwaar 3 van geïntimeerde)

Overwegende dat geïntimeerde van oordeel is dat de teruggave voor het aanslagjaar 1995, inkomstenjaar 1994, haar toekomt nu zij de echtelijke woning in 1993 heeft verlaten, appellant in 1994 niet heeft gewerkt en zij de verrekening van de respectieve aandelen heeft aangevraagd; dat het gaat om een bedrag van 570,35 euro.

Dat de eerste rechter dit bezwaar van geïntimeerde als onontvankelijk heeft afgewezen om reden dat deze betwisting niet binnen de daartoe gestelde termijn als zwarigheid werd opgeworpen.

Dat appellant het standpunt van de eerste rechter volgt en voor het overige opmerkt dat:

– hij een overzicht van de door hem gegenereerde inkomsten voor het jaar 1994 heeft gegeven, meer bepaald in zijn laatste conclusies waar hij een totaal opgeeft van 7.018 euro;

– geïntimeerde van haar kant dient aan te tonen dat zij in 1994 over enig inkomen waarop bedrijfsvoorheffing werd ingehouden, beschikte.

Overwegende dat overeenkomstig art. 1209 tot 1223 Ger.W. de betwistingen die zijn opgenomen in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt; dat in principe voor de rechtbank geen nieuwe zwarigheden kunnen worden aangevoerd; dat indien partijen bij een gerechtelijke verdeling bezwaren wensen te formuleren, zij door de notaris worden opgeroepen om aanwezig te zijn bij het opstellen van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden en uitgenodigd worden tot ondertekening; dat deze oproeping overeenkomstig art. 1218 BW dient te geschieden hetzij bij deurwaardersexploot, hetzij bij aangetekend schrijven; dat de notaris op deze wijze de belanghebbenden aanmaant inzage te nemen van de staat van vereffening en verdeling; dat hij hen tevens waarschuwt dat bij gebrek van overeenstemming een proces-verbaal van zwarigheden wordt opgemaakt.

Dat aan de hand van de bijgebrachte stukken blijkt dat de notaris partijen bij aangetekende brief van 15 oktober 2009 heeft uitgenodigd aanwezig te zijn in zijn kantoor teneinde hun eventuele opmerkingen bij de staat van vereffening kenbaar te maken; dat de notaris er in deze brief op heeft gewezen dat ingeval een akkoord zou worden bereikt met de staat van vereffening, de verdeling dienovereenkomstig zou geschieden en dat bij gebrek aan akkoord een proces-verbaal van zwarigheden zou worden opgesteld.

Overwegende dat de notaris de ter zake geldende wettelijke verplichtingen heeft nageleefd; dat aan geïntimeerde de gelegenheid werd geboden om tijdig zwarigheden te opperen en dat zij, bij gebreke hiertoe over te gaan op het daartoe bepaalde moment, het recht om dit later te doen heeft verbeurd.

Dat er weliswaar vier uitzonderingen zijn op de algemene regel dat de afsluiting van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden het scharniermoment uitmaakt, waarna – op straffe van onontvankelijk te worden verklaard – geen nieuwe zwarigheden meer kunnen worden geformuleerd, meer bepaald:

– partijen gaan akkoord om voor de rechter nieuwe zwarigheden in te roepen;

– de notaris is in gebreke gebleven en heeft de partijen niet uitgenodigd om hun opmerkingen mee te delen of heeft nagelaten hun zwarigheden te noteren;

– er werd een nieuw stuk of een nieuw feit van overwegend belang ontdekt;

– het bezwaar raakt de openbare orde.

Dat evenwel geen van deze uitzonderingen hier aan de orde is.

Dat uit wat voorafgaat volgt dat het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde op dit punt ongegrond is.

...


Cass. 16/11/2015, AR C. 13.0520.F

Samenvatting

De ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel doet tussen de partijen een postcommunautaire onverdeeldheid ontstaan die zowel de goederen bevat die aanwezig waren op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, als de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht.

Tekst arrest

AR nr. C.13.0520.F

H.G. t/ R.T.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 19 februari 2013.

...

III. Beslissing van het Hof

Krachtens art. 1278, tweede lid Ger.W. werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

De ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel doet tussen de partijen een postcommunautaire onverdeeldheid ontstaan die de goederen bevat die aanwezig waren op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, evenals de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht.

Krachtens art. 577-2, § 3 BW heeft de mede-eigenaar deel in de rechten en draagt hij bij in de lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel.

Hieruit volgt dat de deelgenoot die het uitsluitend genot van een onverdeeld goed heeft gehad, voor dit genot aan de overige deelgenoten een vergoeding verschuldigd is.

Als de echtgenoot die gemachtigd werd in de gezinswoning te blijven wonen de onderhoudsplichtige is en de voorlopige onderhoudsbijdragen die hij aan de andere echtgenoot heeft betaald meer bedragen dan de helft van de onder de partijen te verdelen onverdeelde inkomsten, is de onderhoudsplichtige echtgenoot die de woning alleen heeft betrokken, geen enkele bezettingsvergoeding verschuldigd, aangezien de voorlopige onderhoudsbijdragen een voorschot vormen op het deel van de onderhoudsgerechtigde partij in de onverdeelde inkomsten.

Het arrest oordeelt:

– “hoewel het arrest van 15 juni 2004 niet preciseert dat de kosteloze bezetting van de vroegere echtelijke woning een bijdragend karakter heeft, kan die stelling evenwel gevolgd worden door de redenen van het arrest; doordat de eiser het pand, gedeeltelijk kosteloos, bewoonde kon de onderhoudsbijdrage aan de verweerster op het bedrag van 870 euro – vervolgens van 450 euro – aan hulpverlening behouden blijven”;

– “die kwalificatie is niet bindend, noch voor de notaris, noch voor de rechter-vereffenaar”;

– de verrekening is ook mogelijk “als de rechter bij voorraad de bijdragen niet gekwalificeerd heeft of als hij ze gekwalificeerd heeft als eenvoudige beheersmaatregelen”;

– “in dit geval werd die berekening toegepast, op (...) de staat van vereffening, wanneer de notaris [...] de helft van de door de verweerster betaalde huur op de verschuldigde bezettingsvergoeding heeft geboekt, zoals het arrest van 15 juni 2004 dat had voorgeschreven”;

– “dat arrest besliste ook terecht dat de vorderingen van de eiser (namelijk dat de onderhoudsbijdrage aan de verweerster een voorschot op de vereffening van de gemeenschap of aftrekbaar van de bezettingsvergoeding zou zijn) tot gevolg zouden hebben dat geen enkele uitkering betaald zou worden, aangezien alle bedragen die hiervoor betaald werden terugvorderbaar zouden zijn”.

Met deze redenen die het bedrag van de voorlopige onderhoudsbijdrage van de eiser aan de verweerster niet vergelijken met het deel van laatstgenoemde in de onverdeelde inkomsten, verantwoordt het bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht dat de eiser bezettingsvergoedingen moet betalen tijdens de echtscheidingsprocedure, onder de enkele aftrek van een bedrag dat overeenstemt met de helft van de door de verweerster betaalde huur.

...

Rechtsleer: S. Mosselmans, Onderhoudsbijdrage tussen echtgenoten in echtscheiding: begroting, aanrekening en woonstvergoeding, Brussel, Larcier, 2007, 76-78 en de verwijzingen aldaar.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 05/12/2017 - 08:28
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 08:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.