-A +A

Uitspraak van de rechter op basis van een vernietigde strafrechtelijke uitspraak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Indien de beslissing van de rechter, gewezen in kracht van gewijsde, berust op een vonnis of arrest in strafzaken dat naderhand vernietigd, kan een procedure herroeping van gewijsde worden ingesteld.

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

TITEL VI. _ Herroeping van het gewijsde.
Art. 1132. De beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan en gewezen zijn door het burgerlijk gerecht, en door het strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan, kunnen worden herroepen op verzoek tot herroeping van het gewijsde van diegenen die partij zijn geweest of behoorlijk werden opgeroepen, onverminderd de rechten van het openbaar ministerie.

Art. 1133. Een verzoek tot herroeping van het gewijsde kan worden ingediend om de volgende redenen :
1° indien er persoonlijk bedrog is geweest;
2° indien er, sedert de beslissing, beslissende stukken zijn aan het licht gekomen die door toedoen van de partij waren achtergehouden;
3° indien tussen dezelfde partijen, handelend in dezelfde hoedanigheid, onverenigbare beslissingen zijn gewezen over hetzelfde onderwerp en op dezelfde grond;
4° indien recht gedaan is op stukken, getuigenissen, verslagen van deskundigen of eden, die na de beslissing vals zijn bevonden of verklaard;
5° indien de beslissing berust op een vonnis of arrest in strafzaken dat naderhand vernietigd is;
6° indien de beslissing berust op een proceshandeling, verricht in naam van iemand die, hetzij daartoe geen uitdrukkelijke of stilzwijgende last heet gegeven, hetzij de handeling niet heeft bekrachtigd of bevestigd.

Art. 1134. Het verzoek, ondertekend door drie advocaten, van wie er ten minste twee meer dan twintig jaren bij de balie zijn ingeschreven bevat alle middelen tot staving ervan en wordt betekend met dagvaarding in de gewone vorm vó6r het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, een en ander op straffe van nietigheid.
Wordt de herroeping van het gewijsde ingediend krachtens artikel 1133, 6° , dan moet diegene tegen wie de vordering tot ontkenning is toegewezen in de zaak betrokken worden.
Indien de bestreden beslissing uitgesproken is betreffende een geschil bedoeld in ((de artikelen 580, 2° , 3° , 6° , 8° , 9° , 10° en 11°) , 581, 582, 1° en 2°, en 583), kan het verzoek eveneens, naar gelang het geval, worden gedaan onder de handtekening van de arbeidsauditeur of de procureur-generaal. <W 30-6-1971, art. 29> <W 22-12-1977, art. 166>

Art. 1135. Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet het verzoek tot herroeping van het gewijsde gericht worden tegen alle partijen wier belang strijdig is met dat van de verzoeker.
Deze moet bovendien de andere partijen, die geen verzoek hebben ingediend, in het geding betrekken uiterlijk vó6r de sluiting van de debatten die voorafgaan aan de beslissing over de toelaatbaarheid van het verzoek.
Bij niet-nakoming van de in dit artikel gestelde regels wordt het verzoek niet toegelaten.
De beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.

Art. 1136. Het verzoek tot herroeping van het gewijsde wordt, op straffe van verval, ingediend binnen zes maanden na het ontdekken van de ingeroepen grond.

Art. 1137. Het verzoek tot herroeping van het gewijsde vormt geen beletsel voor tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

Art. 1138. Er staat geen herroeping van het gewijsde open maar enkel, tegen de beslissingen in laatste aanleg, voorziening in cassatie wegens overtreding van de wet :
1° indien de vormen die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven werden veronachtzaamd, tenzij de nietigheid door de partijen is gedekt;
2° indien er uitspraak gedaan is over niet gevorderde zaken of er meer werd toegekend dan er gevraagd was;
3° indien er werd nagelaten uitspraak te doen over één van de punten van de vordering;
4° indien er in een vonnis tegenstrijdige beschikkingen staan;
5° indien de mededeling aan het openbaar ministerie niet is geschied, in de gevallen waarin de wet die voorschrijft.

Art. 1139. De rechter bij wie het verzoek tot herroeping van het gewijsde aanhangig is gemaakt, beveelt, zo daartoe grond bestaat, aan de partijen alle rechtsmiddelen tegelijk voor te dragen.
Hij kan, bij eenzelfde beslissing, uitspraak doen over de toelating van het verzoek tot herroeping van het gewijsde en over de zaak zelf.

TITEL VII. _ Verhaal op de rechter.

Art. 1140. Er bestaat verhaal op de rechter in de volgende gevallen :
1° indien hij zich aan bedrog of list schuldig heeft gemaakt hetzij tijdens het onderzoek, hetzij bij zijn vonnis;
2° indien verhaal op de rechter uitdrukkelijk bij de wet is bepaald;
3° indien de wet de rechter aansprakelijk stelt voor eventuele schade;
4° indien rechtsweigering is geschied.

Art. 1141. Verhaal op de rechter bestaat insgelijks op de ambtenaren van het openbaar ministerie in de gevallen bepaald bij artikel 1140, 1° , 2° en 3° .

Art. 1142. Het verhaal op de rechter wordt, op straffe van verval, uitgeoefend binnen dertig dagen.
Deze termijn loopt te rekenen van het feit dat tot het verhaal aanleiding heeft gegeven en, in geval van bedrog of list, van de dag waarop de partij daarvan kennis gekregen heeft.

Art. 1143. Het wordt ingeleid door een ter griffie van het Hof van Cassatie in te dienen verzoekschrift, dat de middelen bevat, ondertekend is door de partij of haar bijzondere gemachtigde en vooraf betekend is aan de rechter op wie verhaal wordt genomen.
De volmacht en de bewijsstukken worden bij het verzoekschrift gevoegd.

Art. 1144. Binnen vijftien dagen na de betekening kan de rechter op wie verhaal wordt genomen, een memorie van antwoord ter griffie indienen.

Vanaf de dag van de betekening onthoudt hij zich van de kennisneming van het geschil en zelfs van enigerlei zaak die de partij, haar bloedverwanten in de rechte lijn of haar echtgenoot mochten hebben bij de rechtbank waarvan hij deel uitmaakt, en zulks op straffe van nietigheid der vonnissen.

Art. 1145. Na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen benoemt de eerste voorzitter een verslaggever; voor het overige zijn de regels inzake voorziening in cassatie van toepassing.

Art. 1146. Indien het verhaal op de rechter niet-toelaatbaar of ongegrond wordt verklaard, wordt de eiser veroordeeld tot schadevergoeding aan de magistraat en de partijen, indien daartoe grond bestaat.,

Art. 1147. Indien het verhaal op de rechter wordt ingewilligd, veroordeelt het Hof de verweerder tot vergoeding van de geleden schade of vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar andere rechters, alles naar gelang van de omstandigheden.

 

Rechtspraak:

•• Hof van Beroep Brussel 22 november 2007, NJW, 185, 557:

Er kan geen hoger beroep worden aangetekend tegen een vonnis nopens een herroeping van het gewijzigde wanneer het aanvochten vonnis waartegen de herroeping van gewijsde wordt ingeroepen zelf niet vatbaar is voor hoger beroep.

In casu werd tegen een vonnis EOT een verzoek tot herroeping van gewijsde ingesteld, die na het EOT vaststelde dat haar man voordien een overspelige relatie onderhield waarvan zij geen kennis had en waarbij zij beweerden dat zij nooit met onderlinge toestemming onder deze voorwaarden zou gescheiden zijn indien zij kennis had van het overspel. De herroeping van gewijsde werd in eerste aanleg afgewezen waartegen de vrouw hoger beroep aantekende. Het hoger beroep werd afgewezen omdat tegen een vonnis dat een echtscheiding onderlinge toestemming uitspreekt geen hoger beroep door de echtgenote en kan worden ingesteld (1299 gerechtelijk wetboek), hetgeen volgens het hof van beroep dan ook de aanwending van een buitengewone rechtsmiddel zoals de herroeping van gewijsde uitsluit.

•• Hof van Cassatie – eerste kamer – 11 mei 2001, link.

Overwegende dat, krachtens artikel 1133, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek een verzoek tot herroeping van gewijsde kan worden ingediend indien er persoonlijk bedrog is geweest door de partij zelf of door de lasthebber die haar op het proces vertegenwoordigt;

Dat van bedrog in de zin van deze bepaling sprake is wanneer door een oneerlijke proceshouding wordt belet dat de rechter wiens beslissing in kracht van gewijsde is getreden kan kennisnemen van feiten die determinerend zouden kunnen zijn voor de beslechting van het geschil; dat zulks ook het geval is wanneer dit bedrog ertoe strekt te verhinderen dat de wederpartij tegenspraak kan voeren;

• Hof van Beroep Antwerpen, 02/02/2009, RW, Jaargang : 2010-2011 (74) Pagina : 1182

NV Van B.C.F. t/ BVBA N.M.P. en NV G.G.W.

I. De feiten en retroacten...

Bij exploot betekend op 14 februari 2008 liet appellante eerste en tweede geïntimeerde dagvaarden tot herroeping van gewijsde op grond van art. 1133, 1o, Ger.W.

Appellante verzoekt het hof de vordering tot herroeping van het gewijsde ontvankelijk en gegrond te verklaren...

Eerste geïntimeerde verzoekt het hof de vordering ingesteld door appellante te haren laste ontoelaatbaar, minstens onontvankelijk te verklaren, subsidiair de vordering af te wijzen als ongegrond....

Tweede geïntimeerde verzoekt het hof eveneens de vordering van appellante af te wijzen als zijnde ontoelaatbaar, minstens onontvankelijk, minstens ongegrond...

II. Beoordeling

A. De (hoofd)vordering tot herroeping van gewijsde

Eerste en tweede geïntimeerden menen dat het arrest van 15 oktober 2007 niet in kracht van gewijsde is gegaan, zodat de vordering ontoelaatbaar, minstens onontvankelijk is, aangezien overeenkomstig art. 1332 Ger.W. enkel beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan in aanmerking komen om te worden herroepen.

Met appellante stelt het hof vast dat herroeping van gewijsde mogelijk is tegen beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan en waartegen derhalve geen gewone rechtsmiddelen meer kunnen worden aangewend. Enkel verzet en hoger beroep zijn gewone rechtsmiddelen in de zin van art. 28 Ger.W., waarvoor het arrest van 15 oktober 2007 niet meer vatbaar is. De mogelijkheid van een cassatievoorziening belet niet een procedure van herroeping van gewijsde. Beide buitengewone rechtsmiddelen kunnen overigens achtereenvolgens worden ingesteld.

Aan de voorwaarde van art. 1332 Ger.W. is derhalve voldaan.

...

Appellante beroept zich in conclusie ook op een tweede grond, namelijk art. 1133, 2o, Ger.W., dat bepaalt dat een herroeping van gewijsde kan worden ingediend indien er, sedert de beslissing, beslissende stukken aan het licht zijn gekomen die door toedoen van de partij waren achtergehouden.

De rechtspleging tot herroeping van gewijsde begint met de neerlegging van een verzoekschrift, dat vervolgens betekend wordt met dagvaarding in de gewone vorm (art. 1134 Ger.W.). Het verzoekschrift moet, op straffe van nietigheid, alle middelen tot staving van de vordering tot herroeping bevatten. Deze vormvereisten zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.

Aangezien de herroeping van gewijsde een buitengewoon rechtsmiddel is door de wet onderworpen aan bijzondere en dwingende rechtsregels, die strikt moeten worden nageleefd, volgt hieruit dat art. 702, 3o, Ger.W. en art. 807 Ger.W. niet van toepassing zijn op de rechtspleging tot herroeping van gewijsde en dat derhalve de in art. 1133 Ger.W. limitatief opgesomde feiten en hun kwalificatie die initieel in het verzoekschrift worden vermeld, niet meer kunnen worden uitgebreid of gewijzigd in de loop van de procedure (zie: Cass. 27 mei 2005, RABG 2005, 1705, RW 2006- 07, 759).

In zijn advies ter zitting van 6 januari 2009 geformuleerd kwam het openbaar ministerie overigens tot eenzelfde besluit wat deze rechtsgrond betreft. Appellante werd gehoord over haar opmerkingen op dit advies.

Gelet op het bovenstaande is de uitbreiding van de vordering in herroeping van gewijsde door appellante in conclusie geformuleerd waarbij zij zich beroept op de grond vermeld in art. 1133, 2o, Ger.W. ontoelaatbaar...

• Hof van Beroep Gent 17 Juni 2010, RW 2011-2012, 703

NV D. t/ M.V.

Antecedenten

1. In de nacht van 23 op 24 juli 2004 kwam M.V. ten val op de trap in zijn woning wegens het ontbreken van een trapleuning en liep daarbij ernstige verwondingen op.

De trap was recentelijk geïnstalleerd door de NV D., maar aangezien de steunpunten van de trapleuning niet voldeden aan de vereiste kwaliteiten, werd de trapleuning gedemonteerd en kon de trap op dat moment niet volledig worden afgewerkt als gepland, waardoor de trap op het ogenblik van het sinister geen leuning had, ten gevolge waarvan het ongeluk gebeurde.

2.1. Met gerechtsdeurwaardersexploot van 28 december 2005 dagvaardde M.V. de NV D. voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper, teneinde NV D. te horen veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 2.500 euro en een geneesheer-deskundige te horen aanstellen teneinde de door hem geleden lichamelijke schade te beschrijven en te begroten.

2.2. Met een tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper van 22 december 2006, gewezen op verstek ten opzichte van NV D., werd deze laatste aansprakelijk gesteld voor de door M.V. geleden schade, werd NV D. veroordeeld tot het betalen van een provisie van 2.500 euro en werd, alvorens verder te oordelen, dr. E.W. als gerechtelijk deskundige aangesteld met opdracht als in voornoemd tussenvonnis omschreven.

Uit het verslag van dr. W. is gebleken dat M.V., op het ogenblik van de fatale val, die ‘s nachts gebeurde, het licht niet had aangestoken, welk gegeven door hem tot dan toe verzwegen werd in de procedure die heeft geleid tot het tussenvonnis van 28 maart 2006, waarbij de vordering van M.V. gegrond werd verklaard.

3.1. Met haar verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper op 13 juni 2007, en haar dagvaarding, betekend met exploot van 18 juni 2007, beoogt de NV D. de herroeping van het gewijsde van het tussenvonnis van 28 maart 2006, en vordert zij met hetzelfde verzoekschrift uitspraak te doen over de grond zelf van de zaak en bijgevolg de oorspronkelijke vordering van V. af te wijzen als ongegrond, minstens te besluiten tot een gedeelde aansprakelijkheid, waarbij 3/4 te zijnen laste wordt gelegd met terugbetaling van de door haar betaalde provisies. Appellante, de NV D., is immers van oordeel dat er gronden aanwezig zijn tot herroeping van het gewijsde, omdat M.V. de omstandigheid dat hij het licht niet had aangestoken toen hij ‘s nachts op de trap liep, verzwegen heeft, en zulks bedrog uitmaakt.

3.2. Bij het bestreden vonnis van 27 mei 2008 werd de vordering van de NV D. ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Kort samengevat overwoog de eerste rechter dat geen persoonlijk bedrog in de zin van art. 1133, 1o, Ger.W. voorhanden is, omdat geen oneerlijke proceshouding of schuldig stilzwijgen bewezen wordt.

4.1. De NV D. kan zich met het bestreden vonnis niet verzoenen. Met haar verzoekschrift hoger beroep beoogt zij de vernietiging van het bestreden vonnis en vordert zij dat – opnieuw recht doende – haar vorderingen, als gesteld voor de eerste rechter, worden toegekend...

Beoordeling

1. Partij V. is van oordeel dat de vordering tot herroeping van het gewijsde onontvankelijk is. Allereerst werpt zij op dat niet voldaan is aan de bepalingen van art. 1134 Ger.W.

Art. 1134 Ger.W. bepaalt dat het verzoek ondertekend moet zijn door drie advocaten, van wie er ten minste twee meer dan twintig jaren bij de balie zijn ingeschreven, en alle middelen tot staving ervan dient te bevatten en wordt betekend met dagvaarding in de gewone vorm voor het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, een en ander op straffe van nietigheid.

Partij V. is van oordeel dat mr. G. De L. weliswaar reeds meer dan twintig jaar aan de balie is, maar dat mr. H.V. slechts per 10 mei 1989 werd opgenomen op het tableau van advocaten aan de balie van Oudenaarde, zodat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten en het verzoek bijgevolg onontvankelijk is.

Bij de berekening van het vereiste aantal jaren baliepraktijk van de ondertekenende advocaten, moeten ook de jaren van hun stage in aanmerking worden genomen (Cass. 8 mei 1953, Pas. I, 694, RW 1952-53, 1749). De verwijzing door geïntimeerde naar het voormalig art. 495 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is daarbij niet dienend, aangezien dat artikel het advies vereiste van drie advocaten met ten minste tien jaar ervaring (P. Depuydt, “Artikel 1134 Ger.W.” in Gerechtelijk recht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl.).

2. Partij V. kan evenmin worden bijgevallen in zoverre zij aanvoert dat de vordering te laat werd gesteld.

Krachtens art. 1136 Ger.W. moet het verzoek tot herroeping van het gewijsde, op straffe van verval, binnen zes maanden na het ontdekken van de ingeroepen grond worden ingediend. De feitenrechter oordeelt daarbij op onaantastbare wijze over de kwestie wanneer de partij kennis kreeg van de gronden die aanleiding geven tot de herroeping van het gewijsde (Cass. 29 december 1870, Pas. 1871, I, 65).

De door de NV D. ingeroepen grond tot herroeping betreft het “persoonlijk bedrog”, als bedoeld in art. 1133, 1o, Ger.W. M.V. voert aan dat deze termijn ten laatste vanaf 22 november 2006 begon te lopen om aldus per 21 mei 2007 te eindigen, zodat het verzoekschrift, dat op 13 juni 2007 werd neergelegd, te laat is.

Het Hof valt dit standpunt niet bij.

Hoewel de adviserend geneesheer van de NV D., die aanwezig was op de zittingen van het deskundigenonderzoek, waaronder ook de zitting van 17 november 2006, op welke datum de bewuste verklaring werd afgelegd, haar cliënte op 19 november 2006 dan voor de eerste maal heeft ingelicht over de omstandigheid dat M.V. misschien het licht niet had aangestoken op het moment van het ongeval, betekent dit geenszins dat de termijn noodzakelijkerwijs op 19 november 2006 begon te lopen.

De termijn waarbinnen het verzoek tot herroeping van het gewijsde moet worden ingediend, gaat immers niet in vanaf de ontdekking van de ingeroepen grond, maar wel vanaf de dag waarop de eiser in herroeping op de hoogte was van het feit waarvan het achteraf verkregen bewijs die ontdekking mogelijk heeft gemaakt (Cass. 24 juni 1999, Arr.Cass. 1999, 395). Aldus begrepen onderstelt het ontdekken van de ingeroepen grond dat de eiser in herroeping over een daadwerkelijk bewijselement beschikt waaruit het bedrog blijkt. Toegepast op huidig geschil stelt het Hof vast dat de NV D. pas op 14 december 2006 het voorverslag ontving, en dat de NV D. met de ontvangst van dit document pas dan voor het eerst over een daadwerkelijk bewijskrachtig stuk beschikte om haar vordering tot herroeping te onderbouwen.

Zodoende is de procedure tot herroeping, die werd ingeleid op 13 juni 2007, bijgevolg tijdig.

De vordering van de NV D. is dus ontvankelijk en het incidenteel hoger beroep van M.V. is dus ongegrond.

3.1. De NV D. baseert haar verzoek tot herroeping van het gewijsde op art. 1133, 1°, Ger.W. Dit artikel bepaalt dat een verzoek tot herroeping van het gewijsde kan worden ingediend om de volgende redenen:

1° indien er persoonlijk bedrog is geweest.

Dit persoonlijk bedrog onderstelt (P. Depuydt, “Artikel 1133 Ger.W.” in Gerechtelijk recht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl.):

1. bedrieglijke kunstgrepen, aangewend om de rechter te misleiden en aldus een gunstige beslissing te verkrijgen;

2. dat deze kunstgrepen werden aangewend door de partij in wier voordeel de beslissing is uitgesproken;

3. dat deze kunstgrepen de rechter ertoe gebracht hebben te beslissen zoals hij deed;

4. het bewijs van bedrog.

Hoewel aan de term “bedrog” de gewone betekenis moet worden gegeven, kan het schuldig stilzwijgen, namelijk het doelbewust verzwijgen van een bepaald bewijselement, ook bedrog uitmaken in de zin van art. 1133, 1°, Ger.W., met dien verstande dat de aangewende kunstgrepen de rechter ertoe gebracht moeten hebben te beslissen, zoals hij beslist heeft. Het bedrog dat geen determinerende invloed heeft gehad op de beslissing, is aldus geen grond tot herroeping. Van bedrog is bijgevolg sprake wanneer door een oneerlijke proceshouding wordt belet dat de rechter wiens beslissing in kracht van gewijsde is getreden kan kennisnemen van feiten die determinerend zouden kunnen zijn voor de beslechting van het geschil (Cass. 11 mei 2001, Arr.Cass. 2001, 861, RW 2001-02, 737).

Dit bedrog wordt bovendien niet vermoed en moet derhalve bewezen worden door degene die er zich op beroept, welk bewijs kan worden geleverd met alle middelen van recht.

3.2. Volgens de NV D. bestaat het bedrog dat M.V. gepleegd zou hebben, erin dat deze laatste in de dagvaarding ten gronde verzwegen heeft dat op het moment dat het ongeluk zich voordeed, hij het licht niet aangestoken heeft. Nog volgens de NV D. is dit feit dat verzwegen werd daarbij determinerend geweest voor de rechter om te besluiten tot de (uitsluitende) aansprakelijkheid van haarzelf. Het is slechts naar aanleiding van de medische expertise, die bevolen werd bij tussenvonnis van 28 maart 2006, dat M.V. voor het eerst verklaard heeft dat hij het licht niet had aangestoken toen hij ‘s nachts op de overloop liep, wat volgens de NV D. nochtans een essentieel element is in de beoordeling van het ongeval en de aansprakelijkheid daarvoor. Door dit bedrieglijk stilzwijgen heeft M.V. aldus een voor hem gunstig vonnis verkregen, zonder welk stilzwijgen dit vonnis nooit was uitgesproken geweest in die zin.

3.3. Het Hof is op grond van de voorliggende stukken en feitelijke elementen uit het dossier echter van oordeel dat in onderhavig geschil geen bedrog of een oneerlijke proceshouding bewezen wordt.

Met de initiële dagvaarding van 22 december 2005 heeft M.V. de feiten, die aan de grondslag liggen van het ongeval, op correcte wijze uiteengezet, waarbij tevens melding werd gemaakt van het gegeven dat het ongeval om 2 u 30 ‘s nachts is gebeurd. De essentiële gegevens, noodzakelijk om de vorderingen van partij V. op een correcte wijze te kunnen beoordelen, waren naar oordeel van het Hof dan ook aanwezig.

Weliswaar moet een partij zich als loyale procespartij gedragen en de feiten aldus op een correcte wijze weergeven, maar deze verplichting reikt niet zo ver dat een partij er ook toe gehouden zou zijn alle elementen, die tegen haar eigen middelen, argumenten en verweer kunnen worden ingebracht en die tot de ongegrondheid van haar eigen vordering kunnen leiden, aan de rechter mede te delen.

In beginsel behoort het aan een tegenpartij de vorderingen van een procespartij te betwisten, indien zij dit nodig acht. Dat de NV D., die als procespartij nochtans de mogelijkheid had de uiteenzetting door M.V. te betwisten, dit heeft nagelaten en verstek heeft laten gaan, kan dan ook niet ten kwade worden geduid aan M.V.

Daarenboven kan niet van een eisende partij worden verwacht dat zij alle feiten, middelen, argumenten en vorderingen in extenso weergeeft in de inleidende dagvaarding. Een dergelijke interpretatie zou trouwens niet stroken met de bepalingen van art. 702, 3o, Ger.W., dat bepaalt dat het exploot van dagvaarding het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering moet vermelden.

Uit de bewoordingen en de redactie van de dagvaarding kan bovendien niet worden afgeleid dat M.V. bedrieglijke kunstgrepen heeft aangewend om de rechter te misleiden. Ook een bedrieglijk stilzwijgen wordt door de NV D. niet bewezen. Uit niets blijkt immers dat M.V. doelbewust en te kwader trouw het gegeven dat hij het licht niet had aangestoken, verzwegen heeft. Het enkele feit dat niet in de dagvaarding vermeld stond dat hij het licht niet had aangestoken, is op zichzelf geen bewijs dat dit met een bedrieglijk oogmerk zou zijn gebeurd.

3.4. Nog aangenomen dat er sprake zou zijn van een bedrieglijk stilzwijgen, dan wordt er evenmin bewezen dat dit verzwegen gegeven een invloed zou hebben gehad op de beslissing, a fortiori dat dit stilzwijgen van die aard zou zijn dat het de rechter ertoe gebracht zou hebben anders te beslissen dan hij deed, m.a.w., determinerend was in de beoordeling van het geschil.

3.5. De vordering tot herroeping van het gewijsde is ongegrond en het hoger beroep is bijgevolg eveneens ongegrond.

...


• Hof van Beroep te Antwerpen 5e Kamer – 8 september 201, RW 2012-2013, 1499

H. en P. t/ NV A.B.E. en NV K.B.

...

1. De heer H. en mevrouw P. hebben op 3 november 2010 ter griffie van dit hof een verzoekschrift neergelegd met als titel: “Verzoekschrift tot herroeping van gewijsde (art. 1132 Ger.W.) inzake 2006/AR1448 H. en P. t/ NV A.B.E. en NV K.B.”.

Daaruit leidt het hof af dat zij wensen dat het gewijsde van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 3 januari 2008, in die zaak gewezen, zou worden herroepen. Dit wordt door NV A.B.E. en door NV K.B. eveneens zo begrepen.

2. NV A.B.E. en NV K.B. besluiten primair tot de nietigheid van het verzoekschrift, minstens de onontvankelijkheid van de vordering en roepen daartoe in dat:

– het verzoekschrift niet is ondertekend door drie advocaten, van wie er ten minste twee meer dan twintig jaren bij de balie zijn ingeschreven;

– het verzoekschrift de middelen, waarop het verzoek is gebaseerd, niet vermeldt;

– niet wordt aangetoond dat het verzoek is gebaseerd op enige grond die werd ontdekt binnen zes maanden die aan het verzoek voorafgaan.

3. Als akte van rechtsingang geldt in deze zaak het verzoekschrift tot herroeping van gewijsde, dat door de heer H. en mevrouw P. ter griffie van dit hof werd neergelegd op 3 november 2010, dat bij gerechtsbrief ter kennis is gebracht van NV A.B.E. en NV K.B. en dat door de heer H. en mevrouw P., met miskenning van art. 1134 Ger.W., niet werd betekend met dagvaarding in de gewone vorm.

Dit verzoekschrift is uitsluitend ondertekend door de heer H. en mevrouw P.

4. Krachtens art. 1134 Ger.W. dient het verzoek tot herroeping van gewijsde ondertekend te zijn door drie advocaten, van wie er ten minste twee meer dan twintig jaren bij de balie zijn ingeschreven. Dit verzoek dient ook alle middelen te bevatten tot staving en dient te worden betekend met dagvaarding. Deze vereisten zijn alle op straffe van nietigheid voorgeschreven.

5. De herroeping van het gewijsde is een buitengewoon rechtsmiddel, omdat het ertoe strekt een in kracht van gewijsde gegane beslissing, die door de wet als een uitdrukking van de waarheid wordt gezien, te herroepen (Cass. 27 mei 2005, AR nr. C.03.0368.N). De kracht van gewijsde behoort tot de openbare orde (Cass. 24 juni 2010, AR nr. C.09.0458.N).

Het voorschrift dat het verzoek tot herroeping van gewijsde dient ondertekend te zijn door drie advocaten, van wie er ten minste twee meer dan twintig jaren bij de balie zijn ingeschreven, is ingegeven door het uitzonderlijk karakter van deze procedure en de bijzondere professionele ervaring die daarvoor vereist is (verslag Hermans in Pasin. 1967, nrs. 11-12, p. 978).

Daaruit volgt dat de in de art. 860 e.v. Ger.W. bepaalde regels in verband met de excepties van nietigheid onverzoenbaar zijn met de procedure tot herroeping van gewijsde, voor zover het verzuim of de onregelmatig verrichte handeling het gemis aan ondertekening betreft in overeenstemming met wat in art. 1134 Ger.W. is voorgeschreven.

De miskenning van de plicht tot ondertekening van het verzoekschrift, zoals bepaald in art. 1134 Ger.W., brengt de nietigheid van het verzoekschrift mee.

6. Daaraan voegt het hof toe dat ook de toepassing van de in de art. 860 e.v. Ger.W. bepaalde regels in verband met de excepties van nietigheid, tot de nietigverklaring leidt.

6.1. Luidens art. 862, § 1, 2o Ger.W. brengt het verzuim of de onregelmatigheid van de handtekening, de nietigheid van de akte mee, zonder dat dient te worden onderzocht of de belangen van de partij die zich daarop beroept, werden geschaad.

Weliswaar is het verzoekschrift ondertekend door de heer H. en mevrouw P., maar daarmee is het verzoekschrift niet ondertekend door diegenen die daartoe in art. 1134 Ger.W. zijn aangewezen, zodat de ondertekening onregelmatig is.

6.2. In randnr. 5 werd het doel uiteengezet dat de wetgever beoogde door de verplichting op te leggen dat het verzoekschrift zou worden ondertekend door drie advocaten, zoals hierboven reeds werd gepreciseerd. Door een verzoekschrift neer te leggen dat door geen enkele advocaat werd ondertekend, werd dit doel niet bereikt.

Overigens kan uit het verzoekschrift niet worden afgeleid op welke van de in art. 1133 Ger.W. opgesomde gronden de heer en mevrouw H.-P. zich beroepen en er kan evenmin worden nagegaan of deze eventuele grond al dan niet binnen zes maanden vóór het indienen van het verzoek werd ontdekt. Ook daaruit blijkt dat het door de wet beoogde doel niet werd bereikt.

7. In conclusie voeren de heer en mevrouw H.-P. aan dat zij geen advocaten vonden.

Zij tonen echter niet aan dat zij, specifiek voor het instellen van dit rechtsmiddel, advocaten hebben aangezocht die, ofschoon zij oordeelden dat de voorziening kans op slagen had, weigerden het verzoekschrift te ondertekenen. Voor zover het hof in hun doos met stukken kon terugvinden, is het meest recente stuk dat betrekking heeft op de tussenkomst van een advocaat, de brief van mr. M. van 20 mei 2008, waarin wordt verwezen naar een op 28 april 2008 gegeven negatief advies ten aanzien van het instellen van een voorziening in cassatie tegen het arrest van 3 januari 2008.

8. In het verzoekschrift wordt vermeld dat in het bestreden arrest de vordering om te horen zeggen dat het exploot van 6 januari 1994 nietig zou zijn, onterecht ongegrond werd verklaard en dat dit wordt bewezen door de voorlegging van het origineel van het aan de heer H. overhandigde exemplaar. Uit de brief van de heer H. van 21 januari 1994 blijkt echter dat hij dit exemplaar reeds sedert 17 januari 1994 in zijn bezit had. De vordering werd dus niet gesteld binnen de in art. 1136 Ger.W. op straffe van verval bepaalde termijn.

9. Art. 702, 3o en art. 807 Ger.W. zijn niet van toepassing op de procedure van herroeping van gewijsde (Cass. 27 mei 2005, AR nr. C.03.0368.N). De in art. 1133 Ger.W. limitatief opgesomde feiten en hun kwalificatie die in het initieel verzoekschrift worden vermeld, kunnen niet meer worden uitgebreid of gewijzigd. Overigens wijst het hof erop dat ook in de conclusie van de heer H. en mevrouw P. geen feit noch rechtsgrond kan worden gevonden die zou kunnen doen besluiten tot een tijdig en toelaatbaar ingestelde vordering tot herroeping van gewijsde.

10. De heer en mevrouw H.-P. vragen betaling van een bedrag in hoofdsom van 180.579 euro.

De basisrechtsplegingsvergoeding bedraagt 5.500 euro.

De heer en mevrouw H.-P. vragen van de rechtsplegingsvergoeding te worden vrijgesteld. Daartoe is geen reden: zij hebben vrij beslist zonder de wettelijk verplichte bijstand van advocaten deze procedure in te stellen, waarvan NV A.B.E. terecht opwerpt dat zij daardoor verplicht is geweest het hele dossier opnieuw in te studeren. Uit hun aan het hof op 11 november 2010 gerichte brief blijkt duidelijk dat zij zich van meet af aan bewust waren van de onregelmatigheden waarmee hun verzoekschrift was aangetast. In deze brief, verzonden nadat de griffie hen op 3 november 2010 had gevraagd contact op te nemen, schrijven zij onder meer “Wij zijn ons bewust van de geringe kans op alsnog gerechtigheid. Er mag in de eerste plaats niet vergeten worden dat wij oorspronkelijk gedwongen werden ons te doen bijstaan door een of andere advocaat en dat wij vervolgens in de steek gelaten werden door de advocatuur”.

Door zo te handelen hebben de heer en mevrouw H.-P. een tergend en roekeloos geding ingesteld. De hierdoor veroorzaakte schade leidt echter niet tot andere schade dan die welke wordt vergoed door de toekenning van de rechtsplegingsvergoeding. 

Nog dit: 

• Cassatie 24 juni 2010, RW 2012-2013, 211

De berusting in een beslissing die gegrond is op een bepaling van openbare orde, is nietig.

Is van openbare orde de wetgeving die de wezenlijke belangen van de staat of de gemeenschap betreft of die, in het privaatrecht, de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde van de samenleving berust.

De herroeping van het gewijsde is een buitengewoon rechtsmiddel dat ertoe strekt een in kracht van gewijsde gegane beslissing, die door de wet als een uitdrukking van de waarheid wordt gezien, te herroepen.

De kracht van gewijsde van een rechterlijke beslissing behoort omwille van de rechtszekerheid en de maatschappelijke rust tot de juridische grondslagen waarop de economische of morele orde van de samenleving berust, zodat ook de door de wet bepaalde gronden waarop een in kracht van gewijsde gegane beslissing kan worden herroepen, de openbare orde raken.

De appelrechters vermochten dan ook naar recht te oordelen dat een beslissing waarbij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt herroepen, uitspraak doet op grond van een bepaling van openbare orde en dat de berusting in een dergelijke beslissing nietig is.

Noot onder dit arrest van Frédéric Dupon in het RW 2012-2013, 211

De onmogelijkheid om te berusten in een vonnis tot herroeping van gewijsde. De ene berusting is de andere niet

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 23/05/2014 - 07:46
Laatst aangepast op: vr, 23/05/2014 - 14:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.