-A +A

uitdrukkelijk ontbindend beding toetsingsrecht van de rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een uitdrukkelijk ontbindend beding, zelfs al voldoet het aan alle geldigheidsvoorwaarden sluit een gerechtelijke controle a posteriori niet uit. De rechter kan dus na de eenzijdige ontbinding van de overeenkomst op basis van een uitdrukkelijk ontbindend beding gevat worden mbt de wijze van uitoefening van de eenzijdige ontbindingsbeslissing, die niet mag gebeuren in strijd met de vereisten van goede trouw, dan wel geen kennelijk onredelijk karakter heeft. De redelijkheid van de ontbindingsbeslissing kan derhalve worden getoetst aan de omstandigheden waarin zij werd uitgeoefend, waarbij de tijdens de duur van de overeenkomst aangenomen houding een rol kan spelen.

Een uitdrukkelijk ontbindend beding dient zeer strikt worden geïnterpreteerd. 

Rechtspraak:

•• Hof van Beroep te Antwerpen, 5e Kamer – 29 juni 2007, RW 2009-2010, 105

1. De antecedenten

Bij exploot betekend op 4 maart 2004 hebben de heer B. en mevrouw P. de heer R. en mevrouw B. gedagvaard teneinde:

– de verklaring van eenzijdige ontbinding van een verkoopovereenkomst betreffende de aandelen W. opgenomen in de brief van 27 januari 2004 van nul en generlei waarde te verklaren;

– te zeggen voor recht dat deze overeenkomst nooit ontbonden is geweest en verder bestaat;

– gedaagden te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst en levering van de aandelen tegen de overeengekomen prijs uiterlijk tegen 31 december 2004;

– gedaagden te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding herleid naar 1 euro.

Bij tegeneis vorderden gedaagden dat voor recht wordt gezegd dat de overeenkomst conform de contractuele bepalingen ontbonden is per 27 januari 2004.

Bij vonnis van 18 februari 2005 heeft de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen de vordering van eisers ongegrond en de tegenvordering gegrond verklaard.

Bij verzoekschrift neergelegd op 15 april 2005 hebben de echtgenoten B.-P. hoger beroep ingesteld.

Zij handhaven hun oorspronkelijke vordering, zij het dat thans een schadevergoeding van 10.000 euro ten provisionele titel wordt gevraagd.

Voor zover besloten zou worden tot een rechtsgeldige eenzijdige ontbinding van de overeenkomst, vorderen zij de veroordeling van geïntimeerden tot terugbetaling van alle reeds overgenomen aandelen van NV W., te vermeerderen met interesten.

In conclusies roepen appellanten in dat het bestreden vonnis «onwettig» is, omdat de rechtbank van koophandel ratione materiae niet bevoegd was kennis te nemen van dit geschil.

Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

...

2. Beoordeling

Het doel en de grondslag van de vorderingen werden in het bestreden vonnis uiteengezet en het hof verwijst hiernaar.

...

De relevante feiten kunnen als volgt worden samengevat.

– NV W., een vastgoedvennootschap, is eigenaar van een onroerend goed gelegen aan de (...)steenweg te Antwerpen.

– in dit onroerend goed werd een juwelierszaak «A.» uitgebaat. De BVBA A. is eigenaar van de handelszaak. – Geïntimeerden waren de enige aandeelhouders en bestuurders van beide vennootschappen.

– bij overeenkomst van 24 september 1999 verkopen geïntimeerden de totaliteit van de aandelen (350) van NV W. aan appellanten voor 619.500 euro (1.770 euro per aandeel), betaalbaar over een periode van zes jaar tegen jaarlijkse aanbetaling van 88.500 euro (waarde van 50 aandelen), waarbij het saldo uiterlijk tegen december 2004 moet betaald zijn.

Art. 4 van de overeenkomst bevat een uitdrukkelijk ontbindend beding ingeval de betalingen niet stipt worden uitgevoerd, bedingt een interest van 1% per maand op achterstallige bedragen en een aanvullende schadevergoeding van 15% op de uitstaande gelden in geval van wanprestatie. De aandelen werden in verhouding tot de betalingen overgedragen.

– in augustus 2001 hebben appellanten de VOF A. die in het onroerend goed van NV W. hun handelszaak ging uitbaten, opgericht.

– BVBA A. heeft haar activa verkocht en werd in december 2001 in vereffening gesteld.

– er werden nog andere overeenkomsten gesloten, namelijk:

(1) tussen BVBA A. en VOF A.: koop-verkoop van roerende goederen 25.000 euro op 2 januari 2002;

(2) tussen geïntimeerden en appellanten/VOF A.: koop-verkoop van roerende goederen op 7 maart 2002;

(3) deze stofferende goederen waren verbonden aan de juwelierszaak;

(4) tussen NV W. en VOF A.: handelshuurovereenkomst voor een deel van het pand aan de (...)steenweg op 7 maart 2002, en op dezelfde datum een woninghuurovereenkomst inhoudende dat appellanten een deel van het pand als woning betrekken; een ander gedeelte bleef ingevolge overeenkomst bewoond door geïntimeerden.

De aflevering van de roerende goederen en de terbeschikkingstelling van de gehuurde ruimten hebben voor wrijvingen gezorgd tussen partijen.

– tegen einde december 2003 waren 155 aandelen overgenomen en betaald;

– op 9 januari 2004 worden appellanten aangemaand tot betaling van 208.240,50 euro, zijnde de prijs voor 95 af te nemen aandelen, vermeerderd met de interesten en schadevergoeding;

– mevrouw P. antwoordt op 12 januari 2004 de terugkeer van haar echtgenoot af te wachten om te repliceren, maar wijst er reeds op dat mondeling was afgestapt van het afbetalingsschema, de betaling van de resterende aandelen werd opgeschort, gelet op de problemen inzake de huurovereenkomsten en afgifte van de roerende goederen, en verzekert geïntimeerden dat alles zal betaald zijn einde 2004;

– bij brief van 27 januari 2004 geven geïntimeerden, die andersluidende afspraken betwisten, te kennen gebruik te maken van het ontbindend beding;

– het voorstel van appellanten de resterende 195 aandelen tegen 30 juni 2004 over te nemen tegen betaling van 345.150 euro wordt door geïntimeerden afgewezen. Hangende het geding (18 april 2005) werd voor dit bedrag aanbod van gerede betaling gedaan.

Ter discussie staat de vraag naar de rechtsgeldige uitwerking van het uitdrukkelijk ontbindend beding opgenomen in de overeenkomst van aandelenoverdracht. Dit beding bestraft de niet-stipte naleving van de betalingsverbintenis a rato van de prijs voor 50 aandelen per jaar.

Het standpunt van appellanten is samengevat dat de ontbindingsgraad ten tijde van de eenzijdige ontbindingsbeslissing niet meer van kracht was, subsidiair dat de niet-uitvoeringsexceptie geput uit de overeenkomsten betreffende de aflevering van de roerende goederen en ontruiming van de gehuurde delen van het onroerend pand, de opschorting van de betalingsverbintenis van de aandelen verantwoordt en dat de ontbindingsbevoegdheid op onredelijke wijze werd uitgeoefend.

Partijen zijn het grondig oneens omtrent hun gemeenschappelijke bedoelingen – al dan niet overname van de hele handelszaak van de BVBA A., samen met de overdracht van de aandelen van NV W. – en omtrent de onderlinge afhankelijkheid van de diverse overeenkomsten.

Dat er een feitelijke band bestaat tussen de diverse overeenkomsten kan niet worden ontkend, maar zulks is niet voldoende om de overeenkomsten als één onlosmakelijk geheel met onderling afhankelijke verbintenissen te beschouwen.

Appellanten hebben uitvoerig geconcludeerd omtrent de onderhandelingen die partijen startten in 1998.

Hoewel het juist is dat er destijds in juni 1999 een ontwerp van overeenkomst houdende overdracht van de aandelen van de BVBA A. (te betalen prijs 4.000.000 fr.) werd opgesteld, blijft het evenwel een feit dat een dergelijke aandelenoverdracht geen plaats heeft gevonden en dat enkel een deel van de activa van de BVBA A. door middel van de hierboven vermelde, toch beduidend later gesloten koopovereenkomsten werden aangekocht door appellanten.

Dat het de wens van appellanten was het handelsfonds, eigendom van BVBA A., te verwerven is mogelijk, maar werd niet geconcretiseerd en de beweerde overname van het hele handelsfonds kan bezwaarlijk worden afgeleid uit het niet ondertekenen van de ontwerpovereenkomst. Appellanten geven in hun conclusies overigens zelf toe dat de overname van A. niet volgens oorspronkelijk opzet verliep.

Het is juist dat appellanten in april 1999 een bedrag van 30.000 Nederlandse gulden hebben betaald aan geïntimeerden. Geïntimeerden houden zich wat de ontvangen som betreft op de vlakte door aan te geven dat deze betaling niets te maken heeft met het geschil, terwijl appellanten beweren dat deze gelden werden betaald om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van geïntimeerde R. het historisch patrimonium van de juwelierszaak bijeen te houden.

Deze betaling komt evenwel in de latere overeenkomsten nergens meer ter sprake en wordt evenmin op een of andere wijze verrekend, ook thans niet, zodat de bedoeling van deze betaling niet geduid kan worden, omdat de partijen om redenen die hun eigen zijn, hieromtrent geen verdere uitleg (wensen te) verschaffen. De handelszaak van appellanten en de huurovereenkomsten kunnen overigens worden uitgevoerd los van de overeenkomst van overdracht van de aandelen van NV W.

De rechtsgeldigheid van het uitdrukkelijk ontbindend beding moet derhalve worden beoordeeld in het raam van de aandelenoverdracht van 24 september 1999, en appellanten kunnen hier geen exceptie van niet-uitvoering geput uit de andere overeenkomsten tegenwerpen. Dit beding bestraft de niet-stipte naleving van de betalingsverbintenis a rato van de prijs voor vijftig aandelen per jaar.

Het staat vast dat de betalingsverbintenis niet werd uitgevoerd zoals contractueel overeengekomen.

Volgens het door appellanten opgegeven betalingsschema werden in 1995 25, in 2000 10, in 2001 geen en in 2002 115 aandelen overgenomen en betaald.

Geïntimeerden weerleggen noch bevestigen deze wijze van uitvoering, maar het staat vast dat volgens de termen van de overeenkomst een pakket van 250 aandelen per december 2003 betaald moest zijn, terwijl er toen slechts 155 aandelen waren betaald.

Tot januari 2004 heeft deze wijze van uitvoering van overeenkomst geen aanleiding gegeven tot protesten of aanmaningen.

Dat geïntimeerden een dergelijk afwijkend betalingsritme hebben toegestaan, betekent echter niet dat zij afstand hebben gedaan van hun recht de naleving van de overeenkomst te vorderen of van hun recht om het uitdrukkelijk ontbindend beding in te roepen. De afstand van een contractueel recht vereist een wilsuiting of het stellen van daden door de houder ervan die ondubbelzinnig wijzen op het prijsgeven van een recht, het is geen sanctie van het gedrag van de schuldeiser.

Buiten een louter gedogen van een vertraagd betalingsritme dat geen afstand impliceert, tonen appellanten niet aan uit welke feiten of handelingen van geïntimeerden zij een afstand van het uitdrukkelijk ontbindend beding kunnen afleiden.

Het bestaan van een rechtsgeldig uitdrukkelijk ontbindend beding belet evenwel niet een rechterlijke controle a posteriori omtrent de wijze van uitoefening van de eenzijdige ontbindingsbeslissing, die niet mag gebeuren in strijd met de vereisten van goede trouw. De redelijkheid van de ontbindingsbeslissing kan derhalve wel getoetst worden aan de omstandigheden waarin zij werd uitgeoefend; of zulks al dan niet te goeder trouw gebeurde, moet worden beoordeeld op grond van de omringende omstandigheden, waarbij de tijdens de duur van de overeenkomst aangenomen houding wel een rol kan spelen.

In casu blijkt dat tussen partijen, ondanks de wellicht gespannen sfeer, voornamelijk te wijten aan de weinig comfortabele situatie dat beiden het pand als woning deelden, voldoende vertrouwen aanwezig was in de normale uitvoering van de overeenkomst.

Een definitieve breuk gestoeld op het niet strikt naleven van het opgelegd betalingsregime dat nochtans van in den beginne niet stipt werd uitgevoerd, was in de concrete context niet te voorzien, omdat anders dan door geïntimeerden wordt beweerd, niet één ingebrekestelling omtrent het niet naleven van de betalingen in het verleden voorligt. De aanmaning van 9 januari 2004 maakt overigens, anders dan geïntimeerden in conclusies beweren, geen gewag van eerdere mondelinge ingebrekestellingen, maar enkel van een eerdere vraag te laten weten wanneer appellanten aan hun verplichting tot betaling wensten te voldoen, wat blijk geeft van een souplesse van de zijde van geïntimeerden.

In deze omstandigheden moest de ingebrekestelling van 9 januari 2004 en de teneur zeker als een verrassing overkomen bij appellanten die, gelet op de vooropgestelde datum voor betaling – niet weerlegd is dat de brief ontvangen werd op 12 januari 2001 – de facto over amper zes dagen beschikten om een betaling van 208.240,50 te verrichten, welke termijn, gelet op het gevorderde bedrag, iedere redelijkheid mist. Dit bedrag omvatte immers ook een interestberekening en een schadebeding dat gebeurlijk voor betwisting vatbaar was en alleszins nader onderzoek vergde. Deze abnormaal korte termijn om aan de betalingsverbintenis te voldoen is ook moeilijk verzoenbaar met de vroeger getolereerde afwijkende betalingswijze van de aandelen.

Even onredelijk was de houding van geïntimeerde in deze concrete omstandigheden niet te willen wachten op het resultaat van een reeds op 21 januari 2004 gepland gesprek waarop in de antwoordbrief van 12 januari 2004 werd gewezen, maar nagenoeg onmiddellijk het uitdrukkelijk ontbindend beding in werking te stellen. Het mag dan al zijn dat deze samenkomst voornamelijk betrekking had op de perikelen in verband met het ontruimen van de gehuurde ruimten in het pand, feit is dat partijen met betrekking tot alle overeenkomsten, ook die gesloten tussen de onderscheiden vennootschappen, de facto elkanders gesprekspartners waren.

Hoewel de voorwaarden om het uitdrukkelijk ontbindend beding in te roepen weliswaar voorhanden waren, hebben appellanten, gelet op de concrete omstandigheden, hun ontbindingsbevoegdheid in strijd met de beginselen van goede trouw (art. 1134, derde lid, B.W.) uitgeoefend. Uitwerking wordt derhalve ontzegd aan het uitdrukkelijk ontbindend beding, dat niet te goeder trouw door geïntimeerden werd ingeroepen.

De overeenkomst blijft derhalve van kracht tussen partijen, die elk hetzij (gedwongen) uitvoering hetzij gerechtelijke ontbinding kunnen vorderen. Geïntimeerden hebben geen gerechtelijke ontbinding gevraagd. Zij hebben ook hangende de procedure hardnekkig geweigerd in te gaan op de betalingsvoorstellen door appellanten gedaan. Appellanten geven aan uitvoering van de overeenkomst na te streven, en hun conclusie moet zo begrepen worden dat zij gedwongen uitvoering van de overeenkomst vragen, gelet op de weigering van geïntimeerden. Deze uitvoering moet geschieden overeenkomstig de contractuele bepalingen, die ook voorzien in een interest en in een schadevergoeding wegens te late betaling en niet enkel in betaling van het louter saldo (345.250 euro) op de verkoopprijs van 619.500 euro.

Het komt partijen toe standpunt in te nemen omtrent de in uitvoering van de overeenkomst te betalen bedragen. Het debat wordt te dien einde heropend.

Rechtsleer:

NOOT onder voormeld arrest in het rechtskundig weekblad 2009-2010, 105, Julie De Coninck– De voor de toepassing van de exceptio non adimpleti contractus vereiste samenhang tussen verbintenissen en de toetsing van een op een uitdrukkelijk ontbindend beding gegronde ontbindingsbeslissing aan de goede trouw. lees deze noot met het paswoord van RW

•• Burgerlijke Rechtbank te Gent,  14e Kamer – 13 januari 2009, RW 2009-2010, 114

...

II. Relevante elementen van het voorliggende geval

1. De eisers (hierna: de kopers) onderschrijven op 19 november 2007 een onderhandse overeenkomst tot aankoop van de verweerders (hierna: de verkopers) van een onroerend goed (woning) te 9000 Gent, (...), tegen de prijs van 139.000 euro, met betaling van een voorschot ten bedrage van (10% of) 13.900 euro op de derdenrekening van de betrokken vastgoedmakelaar.

2. De overeenkomst bepaalt (in art. 2) nadrukkelijk dat de verkopers het (volle) eigendomsrecht (inclusief «het genotsrecht») zullen overdragen bij het verlijden van de notariële akte. Wat de overdracht van «het gebruiksrecht» betreft, bepaalt de overeenkomst nadrukkelijk dat de woning is verhuurd. De overeenkomst vervolgt evenwel (nog steeds in art. 2) dat de verkopers de bedoelde woning zullen ter beschikking stellen van de kopers op de datum van het verlijden van de notariële akte, op straffe van uitdrijving/vrijmaking door toedoen van een gerechtsdeurwaarder.

3. Daar de overeenkomst verder bepaalt dat de notariële akte zal worden verleden (op eerste verzoek van de kopers) binnen de daartoe geijkte fiscale maximumtermijn van vier maanden (en zodoende uiterlijk op 19 maart 2008), plannen de partijen deze gelegenheid voor 5 maart 2008.

De notariële akte is echter tot op heden niet verleden.

Aangezien de kopers beweren te hebben vernomen dat de verkopers hun huurders te laat zouden hebben opgezegd, richten zij op 1 februari 2008 een brief (ingebrekestelling) aan de verkopers teneinde zekerheid te krijgen dat de huurders de woning uiterlijk op 5 maart 2008 zullen hebben verlaten, wat naar hun zeggen een essentiële voorwaarde was bij het sluiten van de overeenkomst, met verzoek dienaangaande een bewijs te verschaffen. Tegelijk delen de kopers mee dat zij zich, bij gebrek aan het bedoelde bewijs/een positieve reactie binnen vijftien dagen, op het (in art. 6) van de overeenkomst bepaalde uitdrukkelijk ontbindende beding beroepen.

De verkopers reageren meteen in een brief van 4 februari 2008 met de melding/bevestiging dat de huurders de woning (pas) zullen verlaten op 29 april 2008. De verkopers verklaren verder bereid te zijn om aan de vertraagde terbeschikkingstelling tegemoet te komen door (1) de lopende huurprijs/verblijfspost van de kopers en/of één aflossing van de hypotheeklening en (2) de kosten voor opslag van het meubilair van de kopers te betalen.

Hierop melden de kopers in een brief van 20 februari 2008 dat zij niet op het voorstel van de verkopers kunnen ingaan. Zij vervolgen dat, aangezien de verkopers op die manier erkennen dat de huurders de woning niet uiterlijk op 5 maart 2008 zullen hebben verlaten, zij de overeenkomst als ontbonden («nietig») beschouwen. Naar hun oordeel hebben de verkopers nagelaten om binnen vijftien dagen gevolg te geven aan een ingebrekestelling tot nakoming van hun verbintenissen zoals zij uit de overeenkomst voortvloeien. De kopers vorderen hierbij het betaalde voorschot ten bedrage van 13.900 euro terug, alsook betaling van de voor het geval van wanprestatie (in art. 6) contractueel bepaalde schadevergoeding van 10% van de koopprijs of (eens te meer) 13.900 euro.

Op 7 maart 2008 repliceren de verkopers met verduidelijking van de verhuring van de verkochte woning. Het zou een in april 2004 aangegane mondelinge woninghuurovereenkomst betreffen, wat maakt dat zij, gelet op de dwingende bepalingen van de Woninghuurwet van 20 februari 1991, eigenlijk in de onmogelijkheid verkeren om naar aanleiding van de verkoop op te zeggen: zij kunnen immers bezwaarlijk opzeggen voor eigen gebruik met toepassing van art. 3, § 2, Woninghuurwet, terwijl de in art. 3, §§ 3 en 4, Woninghuurwet bedoelde opzeggingsmogelijkheden zich pas voordoen bij het verstrijken van de eerste en de tweede driejarige periode (in casu dus in april 2010 respectievelijk april 2013). Daar de (mondelinge en zodoende geen vaste datum dragende) huurovereenkomst hoe dan ook, gelet op art. 9, tweede lid, Woninghuurwet, aan de kopers tegenwerpbaar is, wijzen de verkopers verder op de mogelijkheid voor de kopers om hetzij, gelet op de overname van de huurovereenkomst, zelf op te zeggen voor eigen gebruik met toepassing van art. 3, § 2, Woninghuurwet, hetzij gebruik te maken van de verkorte opzegging met toepassing van art. 9, tweede lid, Woninghuurwet.

5. Op 4 maart 2008 gaan de kopers over tot dagvaarding. Naar zeggen van de kopers zouden de huurder nog steeds de bedoelde woning niet hebben verlaten...

III. Vorderingen

1. De hoofdvordering van de kopers strekt tot:

– nietigverklaring, minstens (vaststelling van de) ontbinding van de overeenkomst van 19 november 2007, onder meer op grond van bedrog;

– terugbetaling door de verkopers van het voorschot ten bedrage van 13.900 euro, vermeerderd met de (moratoire) interest vanaf 20 februari 2008;

– betaling door de verkopers van een schadevergoeding van 13.900 euro, vermeerderd met de (moratoire) interest vanaf 20 februari 2008;

...

2. De verkopers nemen conclusie tot afwijzing van de hoofdvordering en stellen een tegenvordering in die strekt tot betaling door de kopers van een schadevergoeding van 13.900 euro (door middel van een «solidaire veroordeling/veroordeling in solidum»);

...

De verkopers voeren hierbij aan dat de kopers zich ten onrechte op het uitdrukkelijk ontbindende beding hebben beroepen. Daar de kopers, naar zeggen van de verkopers, zelf in gebreke zijn gebleven hun verbintenissen (tot medewerking bij het verlijden van de notariële akte en tot betaling van het saldo van de koopprijs) na te komen, zijn zij (volgens de verkopers) gehouden tot betaling van voormelde schadevergoeding.

IV. Beoordeling

1. Anders dan de kopers aanvoeren, doet art. 6 van de litigieuze overeenkomst van 19 november 2007 de uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenissen niet afhangen van een ontbindende voorwaarde. Art. 6 voorziet daarentegen in de mogelijkheid voor de contractpartijen om de overeenkomst als buitengerechtelijk ontbonden te beschouwen in geval van een toerekenbare niet-nakoming door een van hen van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenissen (zie aangaande het onderscheid tussen het uitdrukkelijk ontbindend beding en de ontbindende voorwaarde: S. Stijns, «De opschortende voorwaarde in de onroerende koop: de notariële praktijk tegen het licht gehouden van de recente rechtspraak en rechtsleer», Not. Fisc. M. 2008, p. 89-90, nr. 17.2; S. Stijns, Verbintenissenrecht, I, Brugge, die Keure, 2005, p. 196-197, nr. 276). Art. 6 onderstelt immers een wanprestatie van de ene contractpartij en een beslissing (van de andere contractpartij) om dientengevolge de overeenkomst als ontbonden te beschouwen. Wil die andere contractpartij art. 6 toepassen, dan moet zij immers hiervan kennisgeven (in beginsel na of tegelijk met een ingebrekestelling; S. Stijns, Verbintenissenrecht, I, 2005, p. 199-200, nr. 279).

2. Daar de verkopers zich (in art. 2 van de overeenkomst) ertoe hebben verbonden om de verkochte woning ter beschikking te stellen van de kopers op de datum van het verlijden van de notariële akte, op straffe van uitdrijving/vrijmaking door toedoen van een gerechtsdeurwaarder, en deze datum later werd gepland op 5 maart 2008, bleven zij in gebreke voor zover zij de woning pas uiterlijk op 29 april 2008 zouden kunnen ter beschikking stellen. De verkopers hebben dit overigens zelf aangegeven en een voorstel tot remediëring van deze wanprestatie gedaan.

3. In het raam van een rechterlijke controle a posteriori (mede in het licht van art. 1134, derde lid, B.W.) rijst de vraag of voormelde, op deze wanprestatie gebaseerde partijbeslissing van de kopers al dan niet rechtmatig was. De rechtbank is van oordeel dat zij hierbij verder mag gaan dan een louter formele controle en zodoende ook kan nagaan of de beslissing van de kopers geen kennelijk abusief karakter heeft (S. Stijns, Verbintenissenrecht, I, p. 200-201, nr. 281; zie ook: J. Baeck, «(Feitelijk?) vooruitlopen op de vernietiging en de ontbinding van contracten», T.P.R. 2008, p. 368-370, nr. 56).

Welnu, de rechtbank acht het kennelijk abusieve karakter van de (partij)beslissing aan de zijde van de kopers voorhanden, mede gelet op:

– het niet als zodanig bewezen (ook niet in het licht van de ter terechtzitting van 16 december 2008 overgelegde nieuwe stukken) gegeven dat het voor de kopers bij het sluiten van de litigieuze overeenkomst een wezenlijke voorwaarde uitmaakte dat de huurders (van wie zij wisten dat die er waren) de woning uiterlijk op 5 maart 2008 zouden hebben verlaten, derwijze dat de kopers met onoverkomelijke problemen zouden hebben gezeten indien de huurders de woning pas op 29 april 2008 zouden hebben verlaten: hoewel de kopers aangeven hun lopende huurovereenkomst te hebben opgezegd tegen einde april 2008 en zodoende hun vorige (huur)woning (eigenlijk pas) diende te verlaten tegen einde april 2008, bewijzen zij niet dat de beweerdelijk voorgenomen werkzaamheden in de door hen aangekochte woning van die aard waren dat een onmiddellijke bewoning van de aangekochte woning onmogelijk was;

– het (ten tijde van de beslissing tot ontbinding op 20 februari 2008 – ogenblik waarop de kopers, blijkens stuk 11 van hun stukkenbundel, blijkbaar al een nieuwe huurovereenkomst hadden onderschreven) te beperkte karakter van de wanprestatie aan de zijde van de verkopers;

– het (op 4 februari 2008 door de verkopers geformuleerde) tijdige en redelijke voorstel tot remediëring dat de kopers (op 20 februari 2008) onredelijkerwijze naast zich hebben neergelegd;

– de mogelijkheid voor de kopers om samen met de verkopers de verhuring van de verkochte woning uit te klaren en zodoende (te gepasten tijde) (mogelijk, bij gebrek aan registratie van de woninghuurovereenkomst) vast te stellen dat zij gebruik (hadden) kunnen maken van de verkorte opzegging met toepassing van art. 9, tweede lid, Woninghuurwet: deze bepaling maakt het immers voor de kopers mogelijk om de huurovereenkomst op te zeggen binnen drie maanden na het verlijden van de notariële akte om de in art. 3, §§ 2 tot 4, Woninghuurwet bedoelde redenen;

– het gegeven dat de litigieuze overeenkomst hoe dan ook voorziet in de mogelijkheid om, ingeval de verkopers de bedoelde woning niet ter beschikking stellen van de kopers op de datum van het verlijden van de notariële akte, de huurders te doen uitdrijven en de bedoelde woning te doen vrijmaken door toedoen van een gerechtsdeurwaarder, dit alles ten laste van de verkopers.

Gelet op de concrete omstandigheden van het voorliggende geval, zoals in de eerste plaats bekeken ten tijde van de beslissing tot ontbinding op 20 februari 2008, is het kennelijk onredelijk om tot ontbinding over te gaan en om de verkopers hierbij een schadevergoeding van 13.900 euro te doen betalen omdat zij het verkochte goed niet op 5 maart 2008 maar pas op 29 april 2008 zouden kunnen ter beschikking stellen.

4. Uit voormelde redengeving volgt dat:

– de hoofdvordering van de kopers ongegrond voorkomt;

– zulks ook het geval is in zoverre de kopers gewag maken van bedrog aan de zijde van verkopers, omdat allerminst is bewezen dat deze laatsten listen of kunstgrepen hebben aangegrepen, laat staan listen of kunstgrepen die maken dat de kopers de overeenkomst anders niet zouden hebben aangegaan.

5. Nu de rechtbank het kennelijk abusieve karakter van de (partij)beslissing aan de zijde van de kopers voorhanden acht, rijst de vraag naar de gevolgen daarvan.

Men zou kunnen stellen dat aan de onterechte beslissing van de kopers elk rechtsgevolg moet worden ontnomen, zodat het contract opnieuw in werking wordt gesteld (S. Stijns, «Contractualisering van sancties in het privaatrecht, inzonderheid bij contractuele wanprestatie», R.W. 2001-02, p. 1282, nr. 61; S. Stijns, Verbintenissenrecht, I, 2005, p. 201, nr. 281).

Een gewoon schadeherstel behoort echter ook tot de mogelijkheden (en kadert overigens binnen het voorwerp van de tegenvordering van de verkopers; art. 1138, 2o, Ger. W.).

Bijgevolg gaat de rechtbank, mede gelet op het nadrukkelijke debat dienaangaande op de terechtzitting van 18 november 2008, ervan uit dat de overeenkomst hoe dan ook door toedoen van de kopers is ontbonden ingevolge hun beslissing van 20 februari 2008 (wat de partijen immers ter terechtzitting van 18 november 2008 beamen). Daar deze beslissing onterecht wordt bevonden, staat vast dat de kopers zich (ook aan hun zijde) verder door de overeenkomst hadden moeten verbonden zien. De kopers hadden zodoende, zij het met opschorting (ingevolge de exceptio non adimpleti contractus), hun verbintenissen tot medewerking aan het verlijden van de authentieke akte en tot betaling van het saldo van de koopprijs moeten nakomen. Zij zijn evenwel in gebreke gebleven.

6. In die optiek is de tegenvordering van de verkopers, strekkende tot betaling door de kopers van een schadevergoeding van 13.900 euro, gegrond, met dien verstande dat het door de kopers betaalde voorschot deze schadevergoeding dekt (en mogelijk zelfs overstijgt in zoverre de interesten op dit voorschot lopen vanaf de datum van de storting op de derdenrekening van de betrokken vastgoedmakelaar I., terwijl de gerechtelijke interesten op de schadevergoeding pas beginnen te lopen op de datum van het instellen bij conclusie van de tegenvordering, en meer precies op 13 juni 2008). Daar deze schadevergoeding zich vooralsnog op de derdenrekening van de betrokken vastgoedmakelaar I. bevindt, moet zij in de eerste plaats ten behoeve van de verkopers worden vrijgegeven. In diezelfde optiek nuanceert de rechtbank de tegenvordering in zoverre zij strekt tot een «solidaire veroordeling/veroordeling in solidum» (...).

...

• Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen Afdeling Gent, 18 november 2015, RW 2016-2017, 1152

NV B.P.F. t/ G.K., NV B.K. en NV L.

I. De rechtspleging

Bij vonnis van 17 oktober 2014 werd huidige zaak verwezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, naar de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen. De voorzitter van de rechtbank verwees op 7 januari 2015 de zaak naar de afdeling Gent. (...)

II. De vorderingen

De vordering van de eiseres strekt er bij syntheseconclusie van 1 augustus 2014 toe om: “verweerder te veroordelen om te betalen aan mijn verzoekster:

– uit hoofde van de borgstelling ten behoeve van de NV L., het bedrag van 36.205,04 euro, vermeerderd met de conventionele interesten vanaf 27 oktober 2013 tot de algehele betaling aan 15,40% op de hoofdsom;

– uit hoofde van de borgstelling ten behoeve van de NV B.K., het bedrag van 46.082,01 euro, vermeerderd met de conventionele interesten vanaf 27 oktober 2013 tot de algehele betaling aan 15,40% op de hoofdsom; (...)”.

De verweerder en vrijwillig tussenkomende partijen vragen de vordering af te wijzen als ongegrond. Zij stellen een tegenvordering in, die luidt als volgt:

“– de eiseres te veroordelen om aan concludant en de vrijwillig tussenkomende partij NV B.K. te betalen de som van 11.307,19 euro te vermeerderen met de interesten aan 8% (interestvoet Wet Bestrijding Betalingsachterstand) vanaf 1 augustus 2012 tot de datum van volledige betaling.

– subsidiair de eiseres te veroordelen om aan concludant en de vrijwillig tussenkomende partij NV B.K. te betalen de som van 10.931,84 euro te vermeerderen met de interesten aan 8% (interestvoet Wet Bestrijding Betalingsachterstand) vanaf 4 juni 2010 tot de datum van volledige terugbetaling;

– wat de vordering ten aanzien van de concluant en de vrijwillig tussenkomende partij NV L. betreft, deze te begroten op respectievelijk 2.789,52 euro en 2.528,78 euro. Dit bedrag moet dan nog verminderd worden met twee betalingen waarmede de eiseres geen rekening heeft gehouden, zijnde respectievelijk 121,97 euro en 349,33 euro.
...
III. De beoordeling

1. Ter zake lijkt het de rechtbank raadzaam om eerst de tegenvordering van de verweerder en vrijwillig tussenkomende partijen te onderzoeken.

De eiseres vordert de terugbetaling van het openstaande saldo mermeerderd met interest met betrekking tot het kaskrediet dat zij toestond aan enerzijds de NV L. en anderzijds de NV B.K. Deze kredieten werden gewaarborgd door met name de solidaire borgstelling van de h. K.

Aan de aan deze vennootschappen toegekende kredietopeningen en straight loans werd door de eiseres begin 2011 – met inachtneming van een opzegtermijn van negentig dagen – een einde gemaakt op grond van art. 19, § 1 van de algemene voorwaarden voor kredietopeningen aan ondernemingen. Voor de terugbetaling van het openstaande saldo werd de h. K. als borg aangesproken.

De verweerder en vrijwillig tussenkomende partijen voeren aan dat vermeld art. 19 niet met de nodige goede trouw is toegepast. Zij gaan derhalve niet akkoord dat de rente van 15,40% wordt aangerekend op het openstaande saldo. Zij voeren ook aan dat de eiseres de kosten van de omzetting van de hypothecaire volmacht in een hypotheek niet kan doorrekenen.

De eiseres betoogt dat zij de kredietopeningen zonder meer kon opzeggen, zonder daarvoor een reden te moeten opgeven. Zij verwijst naar vermeld art. 19, § 1, dat bepaalt: “De bank heeft het recht, zonder daarvoor een reden te moeten meedelen, de gebruikmaking van de kredietopening te schorsen of de kredietopening te beëindigen door het betekenen ervan per aangetekende brief met een voorbericht van dertig dagen ingaand op de datum van verzending. De schorsing of de beëindiging met voorbericht kan slaan op de kredietopening in haar geheel of op één of meer gebruiksvormen of maximum opneembare bedragen en dit zowel voor het benutte als voor het niet-benutte deel van de kredietopening of de gebruiksvorm ervan. (...) Door de beëindiging met voorbericht worden alle door de kredietnemer in de door de beëindiging getroffen gebruiksvormen opgenomen bedragen onmiddellijk opeisbaar op het ogenblik dat de beëindiging ingaat, behalve voor gebruiksvormen waarbij er een looptijd werd bedongen voor terugbetaling van de opnemingen, in welk geval de looptijd voor terugbetaling onverminderd behouden blijft.”

2. Het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer moeten worden gebracht, verbiedt een partij misbruik te maken van de rechten die de overeenkomst haar toekent. Rechtsmisbruik bestaat in het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgvuldig persoon.

De rechter moet de verhouding onderzoeken tussen het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft en de schade die aan de andere partij berokkend wordt. Bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Er kan sprake zijn van rechtsmisbruik, zelfs als het bedoelde recht van openbare orde of van dwingend recht is.

De aanwending van een recht voor een ander doel dan dat waarvoor het werd ingevoerd, vormt een misbruik van recht (Cass. 19 maart 2015 C.13.0218.F., Arr.Cass. 2015, 785. Zie ook: Cass. 12 februari 2014, P.13.1304.F, Arr.Cass. 2014, 394).

De controle die de rechter uitoefent op de toepassing van een uitdrukkelijk ontbindend beding moet zich niet beperken tot een louter formele controle naar het verenigd zijn van de voorwaarden voor de toepassing van het beding. Zoals alle rechten, is ook het recht om toepassing te maken van een uitdrukkelijk ontbindend beding vatbaar voor misbruik. Indien derhalve wordt aangevoerd dat misbruik werd gemaakt van het recht om het uitdrukkelijk ontbindend beding toe te passen, kan de rechter dit vaststellen en er een sanctie aan verbinden.

3. De eiseres betwist niet (noch in conclusie, noch ter zitting) de door de verweerder en vrijwillig tussenkomende partijen aangevoerde volgende feiten:

– reeds meer dan tachtig jaar bestaat er een bankrelatie tussen de bedrijven van de h. K. en de eiseres (en haar rechtsvoorgangsters):

– de eiseres dagvaarde enkel de h. K. in persoon en niet de vennootschappen die de kredietcontracten met de eiseres hebben ondertekend (niettegenstaande zij solvabel zijn);

– de kredietopeningen, aangegaan voor een totale som van 3.400.000 euro, zijn aangegaan in het kader van de professionele activiteiten van de NV L. en de NL B.K., namelijk de bouwpromotie;

– tegenover deze kredieten stonden voldoende valabele waarborgen;

– de overeengekomen terugbetalingsmodaliteiten waren 180.000 euro per verkocht appartement, rechtstreeks door de notaris in te houden en over te maken aan de eiseres als afkorting op de hoofdsom. Er waren op het moment van de opzegging van de kredietopeningen nog zeven appartementen en garages te verkopen voor een totale geschatte verkoopwaarde van 2.500.000 euro. De interesten en de kosten werden per maand betaald, wat blijkt uit de bankuittreksels;

– de kredietnemers hebben zich steeds strikt gehouden aan de gemaakte afspraken;

– de kredietnemers hadden geen belastingschulden of RSZ-schulden.

Noch in conclusie, noch ter zitting, geeft de eiseres (zelfs op expliciete vraag van de rechtbank), enige reden op voor de opzegging van de kredietopeningen.

4. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de eiseres duidelijk misbruik heeft gemaakt van haar recht de kredietovereenkomsten te ontbinden. Dat de bank – om zich in te dekken – in art. 19 § 1 van de algemene voorwaarden voor kredietopeningen aan ondernemingen bepaalt dat zij kredieten kan opzeggen zonder daar enige reden voor te moeten opgeven, doet daaraan niet af.

De bank dient te handelen als een goede huisvader. Van de bank kan verwacht worden dat zij de economie ondersteunt en desbetreffend haar verantwoordelijkheid opneemt. Het zonder enige reden opzeggen van belangrijke kredieten toegekend aan gezonde bedrijven (zoals ter zake de vrijwillig tussenkomende partijen), kan de economie in een neerwaartse spiraal drijven en oorzaak zijn van – nochtans vermijdbare – faillissementen. Minstens kan de bank, door op die manier kredieten op te zeggen, aan deze bedrijven grote schade berokkenen, aangezien deze laatsten daardoor genoodzaakt zijn op korte termijn elders gelden op te halen tegen – hoogstwaarschijnlijk slechtere – voorwaarden.

...
5. De tegenvordering ter zake is gegrond in die mate dat de interest aan 15,40% per jaar door de eiseres niet kan worden aangerekend op de openstaande vorderingen. Ter zitting kan de eiseres geen antwoord verschaffen op de vraag wat de exacte toepasselijke rentevoet was voor het ter beschikking stellen van het kapitaal (in de vorm van de straight loans en de kredietopeningen).

Daarenboven voeren de verweerder en de vrijwillig tussenkomende partijen terecht aan dat de kosten van de omzetting van de hypothecaire volmacht in een hypotheek (zijnde 10.931,84 euro) niet aan hen kunnen worden aangerekend, aangezien er geen enkele reden was om tot omzetting over te gaan. Deze kosten blijven ten laste van de eiseres.

De verweerder en de vrijwillig tussenkomende partijen voeren eveneens aan dat er nog rekening dient te worden gehouden met extra bedragen die op de rekening zijn gekomen na de opeisbaarstelling van het krediet, zijnde 653,28 euro op 5 juni 2012, 9.857,38 euro op 1 augustus 2012 en 11.516,03 euro op 29 november 2012. De eiseres ontkent dit niet. Toch blijkt niet duidelijk uit de samenstelling van het openstaande saldo dat met deze bedragen rekening is gehouden.

6. Teneinde de eiseres de mogelijkheid te geven duiding te geven bij de toepasselijke conventionele rentevoeten voor het ter beschikking stellen van het kapitaal, past het het debat te heropenen. Aan de partijen wordt gevraagd aan de rechtbank een gedetailleerde afrekening te maken van de ter zake nog te betalen bedragen, rekening houdend met wat hierboven is geoordeeld.

...

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 21:58
Laatst aangepast op: vr, 24/03/2017 - 15:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.