-A +A

uitdrijving en uithuiszetting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wat zijn de waarborgen bij uithuiszetting?
 

- Voorafgaande oproeping in minnelijke schikking

- De vrederechter beoordeelt de ernst van de inbreuk alvorens tot uithuiszetting te beslissen

- Geen uithuiszetting zonder dat er 1 maand verstreken na de betekening van het vonnis;

- Verplichte tussenkomst van het OCMW met als doel de acute woningnood veroorzaakt door de uithuiszetting te ledigen.

Wettelijke basis Art. 1344ter Gerechtelijk wetboek

§ 1.
Dit artikel is van toepassing op elke vordering ingeleid bij verzoekschrift, bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning waarbij de uithuiszetting wordt gevorderd van een natuurlijk persoon die een huurovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in afdeling II of afdeling IIbis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het Burgerlijk Wetboek, uit een goed dat blijkens de inleidende akte de huurder tot woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, tot verblijfplaats dient.

§ 2.
Wanneer de vordering aanhangig wordt gemaakt bij verzoekschrift of bij vrijwillige verschijning, zendt de griffier, behoudens verzet van de huurder zoals bepaald in § 4, na een termijn van vier dagen na de inschrijving op de algemene rol van de vordering tot uithuiszetting, via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen bij gewone brief, een afschrift van het verzoekschrift naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, van de verblijfplaats van de huurder.

§ 3.
Wanneer de vordering aanhangig wordt gemaakt bij dagvaarding, zendt de gerechtsdeurwaarder, behoudens verzet van de huurder zoals bepaald in § 4, na een termijn van vier dagen na de betekening van het exploot, via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen bij gewone brief, een afschrift van de dagvaarding naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de woonplaats of, bij gebreke van een woonpaats, van de verblijfplaats van de huurder.

§ 4.
De huurder kan in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning of bij de griffie binnen een termijn van twee dagen na de oproeping bij gerechtsbrief, of bij de gerechtsdeurwaarder binnen een termijn van twee dagen na de betekening, zijn verzet kenbaar maken tegen de mededeling aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van het afschrift van de inleidende akte.
Het verzoekschrift of de dagvaarding vermeldt de tekst van het vorige lid.

§ 5.
Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn biedt, op de meest aangewezen wijze, aan om, binnen zijn wettelijke opdracht, hulp te bieden.]

 

Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 3 W. 30 november 1998 (B.S., 1 januari 1999), van toepassing op elke vordering tot uithuiszetting ingeleid vanaf 11 januari 1999 (art. 9).
Toekomstig recht
Artikel 1344ter § 2 wordt gewijzigd bij art. 15 W. 10 juli 2006 (B.S., 7 september 2006 (tweede uitg.)), met ingang van een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2009 (art. 39).

[Art. 1344ter

§ 1.
Dit artikel is van toepassing op elke vordering ingeleid bij verzoekschrift, bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning waarbij de uithuiszetting wordt gevorderd van een natuurlijk persoon die een huurovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in afdeling II of afdeling IIbis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het Burgerlijk Wetboek, uit een goed dat blijkens de inleidende akte de huurder tot woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, tot verblijfplaats dient.

§ 2.
Wanneer de vordering aanhangig wordt gemaakt bij verzoekschrift of bij vrijwillige verschijning, zendt de griffier, behoudens verzet van de huurder zoals bepaald in § 4, na een termijn van vier dagen na de inschrijving op de [rol] van de vordering tot uithuiszetting, via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen bij gewone brief, een afschrift van het verzoekschrift naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, van de verblijfplaats van de huurder.

§ 3.
Wanneer de vordering aanhangig wordt gemaakt bij dagvaarding, zendt de gerechtsdeurwaarder, behoudens verzet van de huurder zoals bepaald in § 4, na een termijn van vier dagen na de betekening van het exploot, via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen bij gewone brief, een afschrift van de dagvaarding naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de woonplaats of, bij gebreke van een woonpaats, van de verblijfplaats van de huurder.

§ 4.
De huurder kan in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning of bij de griffie binnen een termijn van twee dagen na de oproeping bij gerechtsbrief, of bij de gerechtsdeurwaarder binnen een termijn van twee dagen na de betekening, zijn verzet kenbaar maken tegen de mededeling aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van het afschrift van de inleidende akte.
Het verzoekschrift of de dagvaarding vermeldt de tekst van het vorige lid.

§ 5.
Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn biedt, op de meest aangewezen wijze, aan om, binnen zijn wettelijke opdracht, hulp te bieden.]

[Art. 1344quater
De uithuiszetting, bedoeld in artikel 1344ter, § 1, kan in ieder geval niet ten uitvoer worden gelegd dan na verloop van een termijn van één maand na de betekening van het vonnis, tenzij de verhuurder het bewijs levert dat het goed verlaten is, tenzij partijen een andere termijn overeenkwamen en dit akkoord in het vonnis werd opgenomen of tenzij de rechter op verzoek van de huurder of de verhuurder die het bewijs levert van uitzonderlijk ernstige omstandigheden, onder meer de mogelijkheden van de huurder om opnieuw gehuisvest te worden in dusdanige omstandigheden dat geen afbreuk wordt gedaan aan de eenheid, de financiële middelen en de behoeften van het gezin en dit in het bijzonder gedurende de winterperiode, deze termijn verlengt of inkort. In dit laatste geval stelt de rechter, rekening houdend met de belangen van de twee partijen en onder de voorwaarden die hij bepaalt, de termijn vast gedurende welke de uithuiszetting niet kan worden uitgevoerd.
De gerechtsdeurwaarder moet de huurder of de bewoners van het goed in ieder geval ten minste vijf werkdagen van tevoren op de hoogte brengen van de werkelijke datum van de uithuiszetting.]

Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 4 W. 30 november 1998 (B.S., 1 januari 1999), van toepassing op elke vordering tot uithuiszetting ingeleid vanaf 11 januari 1999 (art. 9).

[Art. 1344quinquies
Bij de betekening van een vonnis tot uithuiszetting, als bedoeld in artikel 1344ter, § 1, deelt de gerechtsdeurwaarder aan de persoon mee dat de goederen, die zich na verloop van de wettelijke of van de door de rechter bepaalde termijn nog in de woning zouden bevinden, op zijn kosten op de openbare weg zullen worden gezet en, wanneer zij de openbare weg belemmeren en de eigenaar van de goederen of zijn rechtverkrijgenden die daar achterlaat, door het gemeentebestuur eveneens op zijn kosten zullen worden weggehaald en gedurende een termijn van zes maanden zullen worden bewaard tenzij het gaat om goederen die aan snel bederf onderhevig zijn of schadelijk zijn voor de openbare hygiëne, gezondheid of veiligheid. De gerechtsdeurwaarder bevestigt deze mededeling in het exploot van betekening.]

Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 5 W. 30 november 1998 (B.S., 1 januari 1999), van toepassing op elke vordering tot uithuiszetting ingeleid vanaf 11 januari 1999 (art. 9).

[Art. 1344sexies

§ 1.
Bij de betekening van elk ander vonnis tot uithuiszetting dan bedoeld in artikel 1344quinquies, zendt de gerechtsdeurwaarder, behoudens verzet zoals bepaald in § 2, na een termijn van vier dagen na de betekening van het vonnis, bij gewone brief, een afschrift van het vonnis naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de plaats waar het goed gelegen is.

§ 2.
De persoon wiens uithuiszetting is bevolen kan, binnen een termijn van twee dagen vanaf de betekening van het vonnis, bij de gerechtsdeurwaarder zijn verzet kenbaar maken tegen de mededeling van het vonnis aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn.
Het exploot vermeldt de tekst van het vorige lid.

§ 3.
Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn biedt, op de meest aangewezen wijze, aan om, binnen zijn wettelijke opdracht, hulp te bieden.]

Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 6 W. 30 november 1998 (B.S., 1 januari 1999), van toepassing op elke vordering tot uithuiszetting ingeleid vanaf 11 januari 1999 (art. 9).

[Art. 1344septies
Voor de huur van woningen worden de hoofdvorderingen inzake de aanpassing van de huurprijs of inzake de invordering van achterstallige huurgelden of inzake de uithuiszetting verplicht vooraf aan de rechter voorgelegd overeenkomstig de artikelen 731, eerste lid, 732 en 733. Het schriftelijk verzoek om minnelijke schikking wordt aan het dossier van de rechtspleging toegevoegd nadat de griffier de datum van neerlegging erop heeft vermeld; ingeval het verzoek mondeling wordt gedaan, maakt de griffier daarvan proces-verbaal op dat aan het dossier van de rechtspleging wordt toegevoegd.
Wanneer geen minnelijke schikking tot stand komt en een partij haar vordering ten gronde voor de rechter wenst te brengen, handelt zij overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Het verzoek om minnelijke schikking dat is ingediend overeenkomstig de voorafgaande leden heeft, wat de termijnen betreft die bij wet worden verleend, de gevolgen van een dagvaarding vanaf de dag van zijn indiening, voorzover wanneer de partijen niet tot een schikking zijn gekomen, de vordering in rechte wordt ingeleid binnen een maand na de datum van het proces-verbaal waaruit de ontstentenis van schikking blijkt.]

Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 375 W. 24 december 2002 (B.S., 31 december 2002 (eerste uitg.)), van toepassing op de vorderingen ingeleid vanaf 10 januari 2003 (art. 376).

Rechtspraak:

 

• Cass. 23 oktober 2003 Arr. Cass. 2003, afl. 10, 1957; http://www.cass.be (19 november 2003); , NjW 2004, afl. 68, 485; , Pas. 2003, afl. 9-10, 1684; , R.W. 2003-04, afl. 31, 1222 ; T.B.P. 2004 (verkort), afl. 10, 653

Alhoewel bij de uitvoering van een vonnis tot uitzetting de goederen in de regel op de openbare weg worden gezet, kan, indien vaststaat dat de goederen door de eigenaar zullen worden achtergelaten en dat het toelaten van de door de uitvoering veroorzaakte hinder of milieustoornis in strijd zou zijn met een behoorlijk bestuur van de gemeente, de uitvoerende gerechtsdeurwaarder met de gemeente overeenkomen dat de goederen rechtstreeks naar de daartoe door de gemeente aangewezen plaats zullen worden overgebracht; in dit geval worden de goederen die na het verstrijken van de in art. 2 van de wet van 30 december 1975 bepaalde termijnen niet door de eigenaar of diens rechtverkrijgenden zijn opgeëist, eigendom van de gemeente. (Artt. 2 en 4, Wet 30 december 1975).

Parlementaire vraag 658 van de heer Yves Leterme, Vragen en Antwoorden, Kamer, 10 september 2002, p. 17070.

Vraag en antwoord

Artikel 1344quinquies van het Gerechtelijk Wetboek geeft aan de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid om bij een uithuiszetting de goederen die zich in het huis bevinden op de openbare weg te laten zetten.
Wanneer de eigenaar de goederen daar achterlaat, kan de gerechtsdeurwaarder de gemeente vorderen om bijstand te verlenen en de goederen van de openbare weg te verwijderen. De gemeente moet de goederen 6 maanden bewaren, tenzij het om bederfbare goederen gaat.
In de praktijk zorgt dit artikel blijkbaar af en toe voor interpretatieproblemen.

1. a) Mag de gerechtsdeurwaarder gemeenten vorderen om goederen uit de woning te halen of behelst de opvordering alleen het verwijderen van goederen van de openbare weg?
b) Met andere woorden wordt een strikte interpretatie gehanteerd van dit artikel?

2. Mogen de gemeenten bederfbare waren meteen afvoeren naar een stortplaats?
3. Geeft dit artikel aan de gemeenten een vorderingsmogelijkheid om haar kosten te verhalen op de uitgedrevene?
4. Kunnen deze kosten niet beschouwd worden als gerechtskosten of kosten van uitvoering die door de eiser voorgeschoten moeten worden?
5. a) Wat als de eigenaar na 6 maanden zijn goederen niet komt ophalen?
b) Mogen die zonder meer afgevoerd worden of moeten de gemeenten nogmaals verwittigen dat ze ter beschikking liggen?
c) Riskeren gemeenten geen vordering voor onrechtmatige wegmaking van goederen?

Antwoorden:

1. Artikel 40 van de Grondwet luidt als volgt:
“De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de hoven en rechtbanken.
De arresten en vonnissen worden in naam des Konings ten uitvoer gelegd.”
Vonnissen en akten kunnen alleen ten uitvoer worden gelegd op overlegging van de uitgifte of van de minuut, voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging dat de Koning bepaalt (artikel 1386 van het Gerechtelijk Wetboek).
Ingevolge artikel 790 van hetzelfde wetboek bevat de uitgifte van het vonnis of arrest op straffe van nietigheid een integraal afschrift van de rechterlijke beslissing, voorafgegaan door het opschrift en gevolgd door het formulier van tenuitvoerlegging.
Naar luid van de tekst van het formulier van tenuitvoerlegging houden de procureurs-generaal en procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg de hand aan de tenuitvoerlegging van de arresten en vonnissen en bieden alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt (koninklijk besluit van 27 mei 1971 tot vaststelling van het formulier van tenuitvoerlegging van de arresten, vonnissen, beschikkingen, rechterlijke bevelen of akten die dadelijke tenuitvoerlegging meebrengen, Belgisch Staatsblad van 3 juli 1971).
Dit koninklijk besluit geeft aan de openbare macht niet meer bevoegdheid dan zij op grond van de wet heeft verkregen. Deze bevoegdheid wordt omschreven met name in de nieuwe gemeentewet (koninklijk besluit van 24 juni 1988 tot codificatie van de gemeentewet onder het opschrift “Nieuwe gemeentewet”, Belgisch Staatsblad van 3 september 1988, erratum Belgisch Staatsblad van 8 juni 1990), de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
Luidens artikel 15 van de Grondwet mag de openbare macht de woning slechts betreden in de gevallen waarin de wet haar dat toelaat.
Hieruit volgt dat de grondwettelijke onschendbaarheid van de woning de regel is en dat het betreden van de woning door de openbare macht uitzondering blijft. De wet mag niet zo worden uitgelegd dat aan de grondwettelijke regel afbreuk wordt gedaan.
Uiteraard geldt het bovenstaande onverminderd de rechtspraak van de hoven en rechtbanken die grondwettelijk de exclusieve bevoegdheid hebben om uitlegging aan de wet te geven in de gevallen die bij hen worden aangebracht.
De goederen die door de gerechtsdeurwaarder op de openbare weg worden geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting en die daarbij worden achtergelaten door hun eigenaar, worden door de gemeentebesturen weggenomen om een einde te maken aan de belemmering van de openbare weg [artikel 2, tweede lid, van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting (Belgisch Staatsblad van 17 januari 1976)].

2. De goederen die door hun eigenaar of diens rechtverkrijgenden na het verstrijken van de zes maanden na de weghaling, niet zijn opgeëist, worden eigendom van de gemeente, in afwijking van artikel 2279, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek ingevolge artikel 4, eerste lid, van de wet van 30 december 1975.
De burgemeester mag evenwel zonder het verstrijken van die termijn af te wachten, beschikken over de goederen die aan snel verderf onderhevig zijn of schadelijk zijn voor de openbare hygiëne, gezondheid of veiligheid. De bestemming aan de betrokken goederen gegeven, wordt vermeld in het gemeenteregister. In geval van verkoop wordt de opbrengst ter beschikking gehouden van de eigenaar tot het verstrijken van de termijn van zes maanden na de weghaling, waarna zij eigendom van de gemeente wordt (artikel 4, tweede lid, van dezelfde wet).

3. De gemeentebesturen mogen de kosten die zij gemaakt hebben voor het weghalen en bewaren van goederen aanrekenen aan de eigenaar of zijn rechtverkrijgenden (artikel 5 van de wet van 30 december 1975). Zij kunnen de teruggave van de goederen of de teruggave van de opbrengst van de verkoop daarvan zelfs afhankelijk stellen van de voorafgaande betaling van de kosten. De wetgever heeft voormeld retentierecht van de gemeentebesturen beperkt. De goederen die overeenkomstig artikel 1408, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek niet in beslag kunnen worden genomen, moeten in ieder geval teruggegeven worden.
 

 

Nog dit: 
Let wel:
In 2017 heeft de wetgever het kraken strafbaar gesteld. Hierbij de goedgekeurde tekst
Nieuw artikel 442/1 Strafwetboek:


“Art. 442/1. § 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig euro tot honderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die, zonder een bevel van de overheid hetzij zonder toestemming van een houder van een titel die of een recht dat toegang verschaft tot de betrokken plaats of gebruik van of verblijf in het betrokken goed toestaat en buiten de gevallen waarin de wet het toelaat, op eender welke manier andermans niet bewoonde huis, appartement, kamer of verblijf, of de aanhorigheden ervan of enige andere niet bewoonde ruimte of andermans roerend goed dat al dan niet als verblijf kan dienen, hetzij binnendringt, hetzij bezet, hetzij erin verblijft zonder zelf houder te zijn van voormelde titel of recht.

§ 2. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die binnen de vastgestelde termijn geen gevolg geeft aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1 van de wet van … betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed of aan de uithuiszetting bedoeld in artikel 1344decies van Gerechtelijk Wetboek.

§ 3. Het in paragraaf 1 bedoelde misdrijf kan alleen worden vervolgd op klacht van een persoon die houder is van een titel of een recht op het betrokken goed.”

Gerelateerd
5
Average: 5 (1 vote)
Aangemaakt op: ma, 26/10/2009 - 18:44
Laatst aangepast op: di, 10/10/2017 - 11:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.