-A +A

Tussenvordering voor het eerst in hoger beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een nieuwe tegenvordering in graad beroep moet berusten op een feit of akte aangevoerd in de dagvaarding, een verweer op de hoofdvordering vormen of tot compensatie strekken.

Tegenvorderingen kunnen voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie (artikelen 807 tot 810 en 1042 van het gerechtelijk wetboek).

 

Tussenvordering voor het eerst in Hoger Beroep

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 7 november 2013, RW 214-2015, 703

AR nrs. C.12.0095.N en C.12.0110.N

J.V.D.H. e.a. t/ A.H. e.a. en G.B. t/ A.H. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 20 september 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Vierde onderdeel

3. Krachtens art. 812, tweede lid Ger.W. kan tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep.

4. Deze bepaling sluit uit dat een partij die in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, tegen die partij voor het eerst in hoger beroep een vordering instelt.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eerste en tweede verweerders, evenals de vierde verweerster in eerste aanleg geen vordering hebben ingesteld tegen de tweede tot en met de vijfde eisers, die vrijwillig in het geding voor de eerste rechter waren tussengekomen.

6. De appelrechters oordelen dat de door de eerste en tweede verweerders, alsmede door de vierde verweerster in hoger beroep tegen de tweede tot en met de vijfde eisers ingestelde vorderingen ontvankelijk zijn, op grond dat:

– de tweede tot en met de vijfde eisers partij waren in het geding voor de eerste rechter, zodat de volledige procedure hen tegenwerpelijk was;

– de eerste eiser impliciet maar zeker als vertegenwoordiger van de successie is opgetreden in de procedurele aanwezigheid van de andere erfgenamen;

– de aansprakelijkheid van wijlen architect F.V.D.H. betrokken was, zodat de erfgenamen zich niet konden vergissen over de draagwijdte van de ingestelde vordering en van hun tussenkomst.

7. Deze omstandigheden beletten niet dat door de eerste en tweede verweerders, alsmede door de vierde verweerster in eerste aanleg geen vordering werd ingesteld tegen de tweede tot en met de vijfde eisers, zodat de appelrechters niet vermochten de in hoger beroep voor het eerst ingestelde vorderingen ontvankelijk te verklaren.

Het onderdeel is in zoverre het uitgaat van de tweede tot en met de vijfde eisers gegrond.

...

Overige rechtspraak:

• Cass. 29 oktober 2004, RW 2004-05, 1618, noot S. Mosselmans

 

 

Tegenvordering voor het eerst in hoger beroep

Een nieuwe tegenvordering in graad beroep moet berusten op een feit of akte aangevoerd in de dagvaarding, een verweer op de hoofdvordering vormen of tot compensatie strekken.

Cass. 14 oktober 2005, C.04.0408/F, www.cass.be; Cass. 22 januari 2004, C.02.0506/N, www.cass.be en R.W. 2005-06, 423, noot S. MOSSELMANS en PH. THION; Cass. 18 januari 1991, Arr. Cass. 1990-91, 525; Cass. 4 mei 1990, Arr. Cass. 1989-90, 1138; Cass. 4 december 1989, Arr. Cass. 1989-90, 467 en R.W. 1990-91, 305 (weergave), noot; Cass. 10 september 1982, Arr. Cass. 1982-83, 55 en R.W. 1983-84, 524, noot; Cass. 10 april 1978, Arr. Cass. 1978, 917 en R.W. 1978-79, 1377. Voor een (omstandig gemotiveerde) toepassing door de feitenrechter: Antwerpen 16 maart 2004, P. & B. 2005, 87.

De hoven van beroep van Gent en Brussel volgen deze stelling

Gent 20 april 2001, A.J.T. 2001-02, 882; Brussel 2 maart 2001, T.B.H. 2002, 484, noot; Brussel 14 april 2000, Rev. prat. soc. 2000, 362. Zie eerder al: Luik 1 december 1992, Pas. 1992, II, 130; Arbh. Antwerpen 4 maart 1991, J.T.T. 1991, 381; Arbh. Bergen 19 december 1990, J.T.T. 1991, 50, noot; Antwerpen 1 maart 1989, R.W. 1989-90, 157; Brussel 22 september 1998, Pas. 1989, II, 38, noot.

Sommige Belgische rechtsleer, gevolgd door Nederlandse rechtsleer verdedigt het standpunt dat ook in hoger beroep de verweerder zonder beperkingen een tegenvordering mag instellen.

Zie o.m. G. Closset-Marchal en J. Van Compernolle, “Examen de jurisprudence (1985 à 1996). Droit judiciaire privé”, R.C.J.B. 1997, 550-551; G. Closset-Marchal, “Les demandes reconven-tionnelles depuis l’entrée en vigueur du Code judiciaire: aspects théoriques et pratiques”, Ann. dr. Louvain 1992, 28-29; B. Deconinck, “Incidentele vorderingen in hoger beroep: nieuwe eis – tegeneis – addenda”, R.W. 1986-87, 446; G. De Leval en A. Kohl, “La demande reconventionnelle en degré d’appel”, J.T. 1978, 502-503; E. Gutt en A.-M. Stranart-Thilly, “Examen de jurisprudence (1965 à 1970). Droit judiciaire privé”, R.C.J.B. 1974, (89) 138; R. Manette, “L’appel”, Ann. Fac. dr. Liège 1984, 78; R.P.D.B., tw. Appel, Compl. VI, s.d., nr. 773.


Het Arbeidshof te Luik heeft, middels arrest van 27 april 2001, beslist dat een tegenvordering die voor het eerst in hoger beroep is ingesteld steeds ontvankelijk is, ook al is aan de voorwaarden van art. 807 niet voldaan.

Arbh. Luik 27 april 2001, R.R.D. 2001, 193. Zie ook Bergen 7 november 1990, Pas. 1991, II, 54, noot J.S. en Bergen 13 februari 1990, J.T. 1990, 740

Opmerkelijk is een cassatiearrest van 29 november 2002

C.00.0729/N, www.cass.be, met concl. D. Thijs:

“Overwegende dat artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is;

Dat, krachtens artikel 1042 van dit wetboek, artikel 807 toepasselijk is in hoger beroep;

Dat uit die wetsbepalingen volgt dat de toepassing van artikel 807 ook in hoger beroep enkel vereist dat de uitbreiding of wijziging van de vordering berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd;

Dat niet vereist is dat de uitbreiding of wijziging van de vordering tegen dezelfde partij waartegen de vordering was gesteld, reeds bij de eerste rechter aanhangig was noch reeds virtueel in de oorspronkelijke vordering begrepen was, dit is impliciet begrepen in het voorwerp van de oorspronkelijke vordering"

Zie ook S. Mosselmans, “Artikel 807 Ger. W.”, Comm. Ger., losbl., 46. En Cass. 31 januari 2002, www.cass.be: “Overwegende dat de regel dat een nieuwe vordering niet voor het eerst in hoger beroep mag worden ingesteld, strekt tot bescherming van het recht van verdediging van de partijen”.

Men hoeft inderdaad niet te dulden dat de verweerder in hoger beroep om het even welke tegenvordering kan instellen, zon¬der enig verband met het aanhangige geschil. De grondslag daarvoor is evenwel niet, zoals het Hof van Cassatie oordeelt, de regel van art. 807 – een bepaling die niet kan gelden voor tegenvorderingen – maar wel het vereiste van wapengelijkheid en de verplichting tot loyale proces¬voering.

Volgens deze visie is het in strijd met een goede procesgang dat een verweerder in hoger beroep om het even welke tegenvordering kan instellen, zonder enig verband met het aanhangige geschil. Maar dit is volgens deze rechtsleer gesteund op art. 807 Ger.W. een regel die niet de tegenvordering betreft aar wel het beginselen van wapengelijkheid en de verplichting tot loyale procesvoering., die met zich meebrngen dat de tegeneis minstens een redelijk verband moet hebben met het aanhangige geschil. Het criterium van het redelijk verband mag evenwel niet beperkt zijn tot een “berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd”, ook gewijzigde omstandigheden, de procesgang, het niet samenvoegen van bepaalde zaken kunnen een nieuwe tegeneis alsnog rechtvaardigen, meer bepaald wanneer het voorwerp van een eis pas komt vast te staan in hoger beroep of de nieuwe tegenvordering rechtstreeks verband houdt met de procedure in hoger beroep of een feit dat zich in de loop daar¬van heeft voorgedaan (of dat pas dan ontdekt werd).

Rechtsleer:

Zie in dezelfde zin: B. Allemeersch en K. Wagner, “Stand van zaken en actuele ontwikkelingen inzake het geding”, R.W. 2003-04, 1136-1137.

K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 298-299; J. LAENENS, “Een nieuwe tegeneis in hoger beroep”, (noot onder Cass. 26 mei 1981), R.W. 1981-82, (2178) 2179. Vgl., maar dan over de hoofdvordering in hoger beroep, Brussel 26 mei 2000, Rev. prat. soc. 2000, 373, noot: “De eisen die berusten op een feit of akte die in de oorspronkelijke dagvaarding zijn aangevoerd of die zich sindsdien in de context van deze situatie hebben voorgedaan, zijn ontvankelijk

Zie ook Cass. 31 januari 2002, C.00.0626/N, www.cass.be.

“Overwegende dat de regel dat een nieuwe vordering niet voor het eerst in hoger beroep mag worden ingesteld, strekt tot bescherming van het recht van verdediging van de partijen; dat die regel de openbare orde niet raakt noch van dwingend recht is; dat de schending van die regel niet voor het eerst voor het Hof kan worden aangevoerd;

Overwegende dat uit de stuk-ken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat de eisers voor de feitenrechter hebben aangevoerd dat de in het middel bedoelde vordering niet ontvankelijk is omdat zij voor het eerst in hoger beroep werd ingesteld;

Dat het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk is, zoals door de verweerders opgeworpen”.

Rechtspraak

• Brussel, 03/08/2013, AR 2010AR3089, juridat

samenvatting

Tegenvorderingen kunnen voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie (artikelen 807 tot 810 en 1042 van het gerechtelijk wetboek).

tekst arrest

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

INZAKE VAN :

1) De heer O. O.
2) Mevrouw M. M. A.,
samenwonende

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 juli 2010,

TEGEN :
1) De B.V.B.A. VAN DER VEKEN & VERHOEVEN CONSULTANTS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2800 MECHELEN, Zwartzustervest 27 bus 303, ingeschreven bij de Kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0452.427.695,

2) De naamloze vennootschap ONROERENDE GOEDEREN EN PARTICIPATIES, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2018 ANTWERPEN, Langeleemstraat 53,

geïntimeerden,  

Tegenvorderingen kunnen voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie (artikelen 807 tot 810 en 1042 van het gerechtelijk wetboek).

De rechtspleging voor de rechtbank van eerste aanleg

VAN DER VEKEN & VERHOEVEN CONSULTANTS BVBA (hierna VDVV) en ONROERENDE GOEDEREN EN PARTICIPATIES NV (hierna OGEP) hebben op 22 januari 2008 O. O. en M. A. (hierna de kopers) gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Zij hielden voor een woning te hebben verkocht aan de kopers en verwezen naar een notariële akte van 11 april 2005. Volgens hen namen de kopers hun intrek in de woning op 29 maart 2007. Op datum van de dagvaarding waren de kopers volgens de eisers nog een aantal facturen verschuldigd en dienden nog enkele werken uitgevoerd te worden. Zij beweerden dat de kopers de voorlopige oplevering weigerden en zich verzetten tegen het onderzoek en het herstel van het ingeroepen gebrek.

Hun vorderingen beliepen op het ogenblik van de dagvaarding 14.849,19 euro voor VDVV en 24.309,56 euro voor OGEP, te vermeerderen met een conventionele schadevergoeding (12 %) en conventionele intresten (10 %). In de dagvaarding werd ook de kapitalisatie van de intresten gevorderd. Zij verwezen ten slotte naar de ingebrekestelling aan de kopers op 10 oktober 2007. Alvorens recht te doen vorderden zij een deskundigenonderzoek.

Met een vonnis van 29 juli 2010 besliste de eerste rechter:

1. de wering uit de debatten van de aanvullende conclusie "in toepassing van art. 756bis Ger. Wetb." voor VDVV en OGEP;
2. de tegeneis is ontoelaatbaar;
3. de kopers worden veroordeeld om aan VDVV 10.495,61 euro te betalen meer verwijlintresten aan 10 % per jaar vanaf 1 januari 2009, evenals 734,69 euro (dit is een verhoging met 7 %);
4. de kopers worden veroordeeld om aan OGEP 21.698,99 euro te betalen meer verwijlintresten aan 10 % per jaar vanaf 1 januari 2009, evenals 1.518,93 euro (dit is een verhoging met 7 %);
5. VDVV en OGEP worden veroordeeld tot 75 % en de kopers tot 25 % van de kosten.

Het hoger beroep

De kopers hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 juli 2010 met een verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie op 25 november 2010.

Het bestreden vonnis werd niet betekend.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

Volgens de kopers moet een vertragingsvergoeding in rekening gebracht worden. Zij verwijzen naar de verkoopakte, in het bijzonder punt 6, en berekenen die vertragingsvergoeding aan 5 % van de koopprijs (251.750 euro) gedeeld door 365 dagen of 34,49 euro per dag, en vermenigvuldigen die dagvergoeding met 458 dagen, dit is het tijdsverloop tussen 19 juni 2006 en 19 september 2007 of 15.796,42 euro.

Volgens hen is de schadevergoeding die door VDVV en OGEP wordt gevorderd "niet geoorloofd" en "niet toepasbaar".

Zij stemmen in met conventionele intresten aan 10 % vanaf 27 februari 2007.

Volgens hen zijn zij aldus per saldo 15.818,93 euro verschuldigd meer de conventionele intresten aan 10 % vanaf 27 februari 2007 en de gerechtelijke intresten. De kosten van beide aanleggen moeten volgens hen ten laste gelegd worden van VDVV en OGEP.

VDVV en OGEP hebben incidenteel beroep ingesteld.

Het incidenteel beroep is ontvankelijk.

Zij vorderen wat zij oorspronkelijk vorderden in de mate dat die vordering niet werd ingewilligd door de eerste rechter: de schadevergoeding beloopt volgens hen 12 % en niet 7 %; de intresten moeten gekapitaliseerd worden per 1 november 2008; de intresten lopen vanaf 1 november 2008.

Beoordeling

Over de ontvankelijkheid van de tegenvordering

De standpunten van partijen

VDVV en OGEP houden voor dat de vordering van de kopers tot betaling van een vertragingsvergoeding onontvankelijk was omdat zij niet werd ingesteld in de eerste conclusie in eerste aanleg en minstens niet meer geldig kon worden ingesteld omdat zij werd ingesteld in de eerste conclusie en VDVV en OGEP daardoor de mogelijkheid niet meer hadden om te antwoorden op de nieuwe tegenvordering. Zij verwijzen naar de beschikking op grond van artikel 747 van het gerechtelijk wetboek: "De rechtbank vestigt de aandacht erop dat een partij die nalaat gebruik te maken van een conclusietermijn, nadien geen gebruik meer kan maken van een volgende conclusietermijn om nieuwe middelen op te werpen waarop de andere partijen niet meer kunnen antwoorden, in zoverre deze nieuwe middelen reeds konden worden opgeworpen in een vorige conclusie.", evenals naar artikel 6 EVRM. Samen met de eerste rechter menen zij dat de mogelijkheid om beroep te doen op artikel 748 van het gerechtelijk wetboek tot een bijkomend uitstel zou hebben geleid en dat de partij die met haar optreden speculeert op een uitstel zich bezondigt aan deloyale procesvoering. Zij voegen eraan toe dat de tegenvordering bij conclusie had moeten worden ingesteld en dus niet geldig mondeling ter zitting kon worden ingesteld. Samen met de eerste rechter menen zij dat de deloyale procesvoering passend gesanctioneerd wordt met de ontoelaatbaarheid van de vordering.

De kopers antwoorden dat zij hun tegenvordering handhaven, dat die tegenvordering ontvankelijk is en dat, in ieder geval, een tegenvordering voor het eerst kan worden ingesteld in hoger beroep.

De beslissing van het hof

Tegenvorderingen kunnen voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie (artikelen 807 tot 810 en 1042 van het gerechtelijk wetboek).

De vordering van de kopers tot betaling van een vertragingsvergoeding vindt zijn grondslag in de verkoopovereenkomst die in de inleidende dagvaarding wordt ingeroepen als grondslag voor de betaling van de facturen, en is een verweer tegen de betaling van de facturen dat ertoe strekt de wederzijdse vorderingen te compenseren.

De tegenvordering is ontvankelijk.

Over de gegrondheid van de tegenvordering

De standpunten van partijen

De kopers houden voor dat de contractuele leveringstermijn niet werd gerespecteerd: er was geen weerverlet, er waren geen meerwerken die de vertraging verantwoordden, de vertraging werd niet veroorzaakt door hun staking van betaling; zij hebben hun betalingen gestaakt toen duidelijk werd dat geen rekening werd gehouden met hun klachten; de laatste schijf moest overigens maar betaald worden na beëindiging van de werken.

Volgens VDVV en OGEP zijn de toepassingsvoorwaarden van het beding met de vertragingsvergoeding niet nageleefd door de kopers: er ligt geen aangetekende ingebrekestelling voor. De vertragingsvergoeding maakte ook niet het voorwerp uit van het deskundigenonderzoek in eerste aanleg. Verder moet volgens hen rekening worden gehouden met weekends, weerverlet, inhaalrustdagen, meerwerken, niet correcte betalingen of inhoudingen die niet in verhouding staan met eventuele gebreken of nog uit te voeren werken. Zij verwijzen naar de noodzakelijke verlenging, bevestigd bij brief van 6 juni 2006. Zij betwisten zowel de aanvangsdatum als de einddatum, die in alle geval minstens samenvalt met de datum van de oplevering die blijkt uit het op 29 maart 2007 in ontvangst nemen van de sleutels en de ondertekening van de verklaring dat het pand onder eigen verantwoordelijkheid wordt betrokken.

De beslissing van het hof

De overeenkomst tussen partijen blijkt uit de notariële akte van 11 april 2005, die onder 6. Termijnen - Oplevering voorschrijft: "De werken zijn gestart in november tweeduizend en drie. De leveringstermijn (voorlopige oplevering) van voormeld onroerend goed is voorzien op dertig mei tweeduizend en zes. Deze termijn wordt verlengd met het aantal dagen verloren ingevolge toeval of heirkracht, zoals bijvoorbeeld, staking, lockout, overheidsingrijpen, oorlog, onlusten, aanhoudende regen, vriesdagen, zware ongevallen op de werf. De voorziene termijn wordt verlengd indien de koper aan de verkoper of aan derden veranderings- en/of bijkomende werken vraagt uit te voeren, of nog ingeval van laattijdige betaling vanwege de koper of laattijdige keuze van de door de koper te kiezen materialen of ingeval de koper niet antwoordt binnen de verkoper gestelde termijn op aan hem gestelde vragen met betrekking tot de afwerking van het appartement. De verlening van de termijn is in geen geval een reden tot vernietiging van de koop en tot eisen van schadevergoeding. Bij gebrek aan afwerking binnen de gestelde termijn zal de koper bij uitsluiting van iedere andere schadevergoeding, een vergoeding ontvangen gelijk aan de huurwaarde, welke geraamd wordt op vijf procent (5 %) per jaar van de globale koopprijs van het pand. Deze vergoeding loopt vanaf de aanmaning per aangetekend schrijven door de koper aan de verkopers gericht, tot op het ogenblik van de uitnodiging tot voorlopige oplevering."

Er werd niet voorlopig opgeleverd op 30 mei 2006.

Op 6 juni 2006 schreef VDVV aangetekend aan de kopers: "We werden geconfronteerd met enkele tegenslagen die het initiële project enigszins zullen vertragen. De contractuele termijn zal dienen verlengd te worden met de dagen waarop wegens overmacht niet kon gewerkt worden. In het bijzonder gaat het om dagen van weerverlet zoals die bepaald worden per streek door de Nationale Confederatie Bouwbedrijf. In bijlage vindt U een dokument met het aantal dagen, ze verlengen dus de contractuele termijn. Mogelijks zal het slechte natte weer de termijn Uw dossier meer beïnvloeden dan wat gemiddeld in acht moet worden genomen."

Op 20 juni 2006 schreven de kopers aangetekend aan VDVV: "Op datum van 1 april 2005 hebben wij een verkoopsovereenkomst getekend (aankoop) voor een te bouwen huis met volgende referenties: De leveringsdatum van het betrokken goed was voorzien voor 30 april 2006 (art 12). Tot op heden, hetzij 30 werkdagen na de voorziene einddatum, stel ik vast dat de werken nog steeds niet zijn afgelopen. Aangezien deze situatie en conform met de wettelijke voorzieningen moet ik u in gebreke stellen om het gebouw afgewerkt af te leveren binnen de termijn van 10 werkdagen te dateren vanaf vandaag. Indien u in gebreke blijft om het huis afgewerkt af te leveren binnen deze termijn van 10 werkdagen, zal ik mij genoodzaakt zien om de bevoegde gerechtelijke autoriteiten aan te spreken om de nodige maatregelen te treffen. Bijkomend vraag ik u om vanaf de 1ste juli 2006 de in het contract overeengekomen schadevergoeding te betalen voor de opgelopen achterstand. Huidige brief is geen waarschuwing maar wel degelijk een eis om u aan de contractuele verplichtingen te houden." Op deze brief werd niet gereageerd door VDVV.

Op zicht van deze stukken hebben de kopers nadat de datum verstreken was die contractueel voorzien was voor de voorlopige oplevering (30 mei 2006) VDVV aangetekend in gebreke gesteld (20 juni 2006) om tot voorlopige oplevering over te gaan en om vanaf 1 juli 2006, dit is vanaf 10 dagen na de ingebrekestelling, de contractuele schadevergoeding te betalen.

De toepassingsvoorwaarden om de contractuele schadevergoeding te vorderen zijn voldaan en de termijn om schadevergoeding te betalen loopt vanaf 1 juli 2006, met dien verstande dat rekening zal worden gehouden met de gegronde redenen tot verlenging van de uitvoeringstermijn.

De berekening van de dagvergoeding (34,49 euro) wordt niet betwist en is in overeenstemming met de contractuele bepaling.

De bewering dat de schadevergoeding niet werd onderzocht door de deskundige, is niet ter zake.

De contractuele schadevergoeding loopt tot op het ogenblik dat de kopers hun intrek hebben genomen in de woning en daarbij verklaarden dat zij dit deden op hun eigen verantwoordelijkheid; zij legden daartoe een schriftelijke verklaring af op 29 maart 2007. Voordien was niet voorlopig opgeleverd.

De termijn van 1 juli 2006 tot 29 maart 2007 bedraagt 271 dagen.

Uit de bijlage bij de brief van 6 juni 2006 blijkt dat 87 dagen niet gewerkt werd wegens weerverlet en 12 dagen wegens inhaalrust; het aantal feestdagen en vakantiedagen werd niet berekend.

De termijn waarvoor een vertragingsvergoeding verschuldigd is, bedraagt (271 - 99 =) 172 dagen aan 34,49 euro per dag of 5.932,28 euro.

VDVV en OGEP kunnen zich niet gegrond beroepen op verlenging wegens niet-betaling of niet-betaling die niet in verhouding staat tot de beweerde gebreken, omdat deze verhouding maar is komen vast te staan in het kader van het deskundigenonderzoek waarbij de herstelkost werd bepaald (5.221,15 euro) en bij de bepaling van de vertragingsvergoeding (5.932,28 euro) tegenover een schuld in hoofdsom ten aanzien van VDVV (9.333,43 euro) en OGEP (24.309,56 euro).

De kopers hebben zich terecht beroepen op de opschorting van hun betalingsverbintenis wegens enerzijds de gebreken en anderzijds de vertraging.

De kopers zijn per saldo in hoofdsom verschuldigd telkens na aftrek van de helft van de kosten weerhouden door de deskundige en van de helft van de vertragingsvergoeding:

1. aan VDVV (9.333,43 euro - ½ van 5.221,15 euro - ½ van 5.932,28 euro =) 3.761.71 euro;
2. aan OGEP (24.309,56 euro - ½ van 5.221,15 euro - ½ van 5.932,28 euro =) 18.737,84 euro.

Over het strafbeding en de conventionele intresten

De standpunten van de partijen

VDVV en OGEP vorderen 12 % schadevergoeding en 10 % conventionele intresten. Zij verwijzen naar de afwezigheid van een correcte verhouding tussen de herstellingen met een waarde van 5.221,15 euro en hun schuldvordering volgens de deskundige na compensatie met een waarde van 31.615,60 euro.

De kopers houden voor dat zij terecht hun betalingen staakten, dat zij nooit enige reactie kregen op hun vragen en eisen met betrekking tot de vertraging van de werken, dat het strafbeding de vertraging in de betaling sanctioneert en dat deze vertraging al op een andere wijze gestraft wordt namelijk door middel van conventionele intresten. Zij betwisten niet dat de conventionele intresten verschuldigd zijn.

De beslissing van het hof

De combinatie van een schadevergoeding aan 12 % en een conventionele intrest van 10 % gaat kennelijk de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven.

De kopers aanvaarden een intrest die gelijk is aan 10 %.

Het past de schade die het gevolg is van een vertraging in de betaling, te vergoeden door middel van een jaarlijkse intrest gelijk aan 10 %.

De compensatie van de wederzijdse vorderingen greep plaats op 1 november 2008, dit is met de neerlegging van het eindverslag van de deskundige. De intrest is vanaf dan verschuldigd.

Met betrekking tot de kosten

Gelet op de wederzijdse verhouding van de schuldvorderingen tussen partijen, past het, zoals ook de eerste rechter besliste, 75 % ten laste te leggen van VDVV en OGEP, en 25 % ten laste van de kopers.

De rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op het basisbedrag voor een vordering tussen 20.000 en 40.000 euro, dit is, na indexatie, 2.200 euro.

Met betrekking tot de kapitalisatie van de intresten

VDVV en OGEP vorderen de kapitalisatie van de intresten vanaf 1 november 2008 en vanaf 15 februari 2011.

Die vordering beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 1154 van het burgerlijk wetboek.

 

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond in de aangegeven mate.

Veroordeelt appellanten om aan VAN DER VERKEN & VERHOEVEN CONSULTANTS BVBA DRIEDUIZEND ZEVENHONDERD EENENZESTIG EURO EENENZEVENTIG CENT (3.761.71 euro) te betalen meer 10 % intresten per jaar vanaf 1 november 2008.

Veroordeelt appellanten om aan ONROERENDE GOEDEREN EN PARTICIPATIES NV ACHTTIENDUIZEND ZEVENHONDERD ZEVENENDERTIG EURO VIERENTACHTIG CENT (18.737,84 euro) te betalen meer 10 % intresten per jaar vanaf 1 november 2008.

Beveelt de kapitalisatie van de intresten telkens voor een jaar vanaf 1 november 2008 en vanaf 15 februari 2011.

Verdeelt de kosten tussen partijen en legt 75 % ten laste van geïntimeerden en 25 % ten laste van appellanten.

Begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 2.200 euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op
03/09/2013.


Cassatie 6 maart 2014, juridat

De bepalingen van de artikelen 13, 15, 812, tweede lid, en 813, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek verhinderen dat een partij voor het eerst in hoger beroep een tussenvordering instelt tegen een partij in het geding met wie zij in eerste aanleg geen procesverhouding had

tekst arrest

Nr. C.13.0141.N
LIBRECO nv, met zetel te 9260 Wichelen, Bohemen 156,
eiseres,
tegen
1. REGIE DER GEBOUWEN, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Gulden-Vlieslaan 87,
verweerster,
2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk, Ar-beid en Sociaal Overleg, met zetel te 1070 Anderlecht, Ernest Blerotstraat 1,
verweerder,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 juni 2011 na verwijzing door het arrest van het Hof van 10 april 2008.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel
Ontvankelijkheid
(...)

1. De verweerder werpt een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: de artikelen 19 en 608 Gerechtelijk Wetboek worden niet als geschonden wetsbepalingen aangewezen, zodat niet voldaan is aan het vereiste van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek.

2. De als geschonden aangewezen wetsbepalingen volstaan om tot cassatie te kunnen leiden indien de in het middel aangevoerde grieven gegrond zijn.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Eerste onderdeel

3. Krachtens artikel 1082, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek geeft het verzoek-schrift, indien het bestreden arrest of vonnis verscheidene punten bevat, nauwkeu-rig aan tegen welke punten de voorziening is gericht.

Krachtens artikel 1095 Gerechtelijk Wetboek kan het Hof alleen kennis nemen van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn aangewezen.

Krachtens artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek heeft, in geval cassatie wordt uitge-sproken met verwijzing, deze plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing heeft gewezen.

4. In geval van vernietiging is deze in de regel, ongeacht de door het Hof ge-bruikte bewoordingen, beperkt tot de punten van de beslissing waartegen het cas-satieberoep is gericht.

5. Het hof van beroep te Brussel oordeelt in het tussenarrest van 24 mei 2006 dat aangezien de opdracht niet werd toegewezen aan de eiseres die de laagst re-gelmatige inschrijving had ingediend, deze laatste krachtens artikel 15, eerste lid, Overheidsopdrachtenwet 1993 recht heeft op de forfaitaire schadeloosstelling vastgesteld op 10 % van het bedrag van de offerte zonder btw.

6. De appelrechters, die als verwijzingsrechters opnieuw beslissen over de vraag of de eiseres als laagst regelmatige inschrijver gerechtigd is op de in artikel 15, eerste lid, Overheidsopdrachtenwet 1993 bepaalde forfaitaire schadevergoe-ding, terwijl de desbetreffende beslissing van het hof van beroep te Brussel door het eerder cassatieberoep van de verweerster niet werd aangevochten, overschrij-den hun rechtsmacht om kennis te nemen van het geschil binnen de grenzen waar-in dit aan het verwijzingsgerecht werd onderworpen en schenden mitsdien artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

Ontvankelijkheid
(...)

7. De verweerster werpt op dat het middel haar niet aanbelangt en derhalve in zoverre tegen haar gericht niet ontvankelijk is.

8. Het middel komt uitsluitend op tegen de afwijzing door de appelrechters van de door de eiseres tegen de verweerder ingestelde tussenvordering.
In zoverre gericht tegen de verweerster is het middel derhalve bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

9. De verweerder werpt op dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien de beslissing wordt geschraagd door een zelfstandige niet-bekritiseerde reden.

10. De appelrechters oordelen dat het toelaten van een tussenvordering die voor het eerst in hoger beroep wordt gesteld het recht van verdediging miskent.

11. De appelrechters geven hiermede aan wat volgens hen de strekking is van de in het artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek vervatte regel, maar formuleren aldus geen zelfstandige reden die hun beslissing schraagt.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

12. Krachtens artikel 13 Gerechtelijk Wetboek is een tussenvordering iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, het-zij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de par-tijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken.

Krachtens artikel 15 Gerechtelijk Wetboek is tussenkomst een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. Zij strekt ertoe, hetzij de be-langen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te be-schermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen beve-len.
Krachtens artikel 813, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek geschiedt gedwongen tussenkomst bij dagvaarding. Tussen partijen in het geding kan zij worden aange-bracht bij gewone conclusies.

Krachtens artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, kan tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaats vinden in hoger beroep.

13. Deze bepalingen verhinderen dat een partij voor het eerst in hoger beroep een tussenvordering instelt tegen een partij in het geding met wie zij in eerste aan-leg geen procesverhouding had.

14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweer-der voor de eerste rechter vorderde dat de vordering van de eiseres tegen verweer-ster als ongegrond zou worden afgewezen en dat de eiseres, dan wel de verweer-ster zou worden veroordeeld tot de aan zijn zijde gevallen kosten.

15. De appelrechters die de tussenvordering van de eiseres tegen de verweerder op grond van artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek onontvankelijk ver-klaren, terwijl blijkt dat tussen deze partijen reeds in eerste aanleg een procesver-houding was ontstaan, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

C.13.0141.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Het geschil betreft de vordering tot schadevergoeding van eiseres lastens eerste verweerster op grond van art. 15 Overheidsopdrachtenwet 1993, wegens het als laagste inschrijver geweerd zijn bij een openbare aanbesteding.

2. Tweede verweerder werd door eerste verweerster in gedwongen tussenkomst geroepen.

3. Bij tussenarrest van 24 mei 2006 oordeelde het hof van beroep te Brussel dat eiseres (m.b.t. perceel 4) recht had op de bij voormeld artikel bedoelde vergoeding. In het eindarrest van 18 oktober 2006 oordeelde datzelfde hof dat de vordering van eiseres slechts gegrond was t.b.v. de som van 44.620,83 euro.

4. Bij arrest van 10 april 2008 vernietigde uw Hof de bestreden arresten en verwees het de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, op grond van een schending van art. 15, eerste lid, Overheidsopdrachtenwet 1993.

5. Bij eindarrest van 28 juni 2011 verklaarde de rechter op verwijzing de oorspronkelijke vordering van eiseres (m.b.t. perceel 4) ontvankelijk doch ongegrond t.o.v. eerste verweerster en oordeelde dat de eisuitbreiding van eiseres en de vordering t.o.v. tweede verweerder (m.b.t. perceel 4) niet ontvankelijk was.

6. Tegen deze beslissing voert eiseres twee middelen tot cassatie aan.

II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN

1. Het bestreden arrest werkt de arresten van het hof van beroep te Brussel van 24 mei 2006 en 18 oktober 2006 - voor zover niet vernietigd door het Hof van Cassatie bij arrest van 10 april 2008 - verder uit, en verklaart het hoger beroep van eiseres tegen het vonnis - voor zover nog niet ongegrond verklaard door het hof van beroep te Brussel - ongegrond; het verklaart tevens - voor de volledigheid - de oorspronkelijke vordering van eiseres m.b.t. perceel 4 ontvankelijk doch ongegrond ten overstaan van eerste verweerster.

2. In het eerste onderdeel van het eerste middel verwijt eiseres het bestreden arrest de omvang van de volledige verbreking van de toen aangevochten beslissing bij arrest van uw Hof van 10 april 2008 te hebben miskend, die volgens haar beperkt zou zijn geweest tot het bedrag van de schadevergoeding die aan eiseres zou toekomen en zich niet zou hebben uitgestrekt tot de gegrondheid zelf van de vordering van eiseres tot het bekomen ervan.

2.1. In de regel is de cassatie beperkt tot de draagwijdte van het middel dat eraan ten grondslag ligt(1).

2.2. Aan de rechter die kennis neemt van een geschil op verwijzing na (gedeeltelijke) cassatie, komt slechts rechtsmacht toe binnen de grenzen van de verwijzing; die verwijzing is in beginsel beperkt tot de omvang van de vernietiging, zij het met inbegrip van onafscheidbare beslissingen en beslissingen die het gevolg zijn van de vernietigde beslissing(2).

2.3. Ook wanneer het arrest geheel nietig is, wordt de vernietiging, in de regel, niettemin beperkt tot de punten van de beslissing waartegen de voorziening is gericht(3).

2.4. Hoewel vernietiging, in de regel, beperkt is tot de draagwijdte van het middel dat de grondslag ervan vormt, is de rechter op verwijzing bevoegd om uitspraak te doen over een hem voorgelegd geschil, dat beslecht is door een ander dictum van de vernietigde beslissing dan het door het cassatieberoep bestredene, wanneer het, uit het oogpunt van de omvang van de vernietiging, niet onderscheiden is van het bestreden dictum(4).

2.5. Wanneer het Hof, in geval van gedeeltelijke vernietiging, de zaak binnen bepaalde grenzen verwijst, bedoelt het daarmee dat het niet bestreden of niet vernietigde dictum van de bestreden beslissing, dat t.a.v. de omvang van de cassatie onderscheiden is en waartegen dus geen cassatieberoep meer kan worden aangenomen, voor de rechter op verwijzing niet opnieuw ter discussie kan gesteld worden(5).

2.6. Hoewel uit de artikelen 1082, eerste lid, en 1095 Ger.W. bepaalde regels afgeleid kunnen worden over de omvang van de vernietiging in burgerlijke zaken, kan de schending van art. 1110 van dat wetboek, dat betrekking heeft op de rechtsmacht van de rechter naar wie de zaak na vernietiging is verwezen, volstaan om de vernietiging te verantwoorden, indien het middel gegrond was in zoverre het staande houdt dat het appelgerecht, uitspraak doende als gerecht op verwijzing, doordat het weigert uitspraak te doen over een gevorderde zaak die wettelijk bij dat aanhangig was gemaakt, de mate waarin de zaak aanhangig was heeft miskend(6).

2.7. Volgens de geest en de algemeenheid van de bewoordingen van art. 1110, eerste lid, Ger.W. mag het wettelijke gevolg van de verwijzing niet beperkt worden tot het onderzoek van het vernietigde dictum, maar moet het gehele geschil - in zoverre het nog moet worden beslecht - voor de rechter op verwijzing komen(7).

2.8. Op basis van de voormelde respectieve jurisprudentiële invalshoeken van uw Hof wat de omvang en de gevolgen van de cassatie met verwijzing betreft, stel ik vast dat in deze het bestreden arrest oordeelt dat de vernietiging van de arresten van het hof van beroep te Brussel op het derde onderdeel van het enig door de toenmalige eiseres (huidige eerste verweerster) aangevoerde middel wegens schending van artikel 15, eerste lid, Overheidsopdrachtenwet 1993 in dit geval geen beperking inhoudt van de bevoegdheid van de verwijzingsrechter om zich over alle door partijen aangevoerde verweermiddelen uit te spreken, hierin inbegrepen deze m.b.t. de principiële gegrondheid van de vordering van de toenmalige verweerster (huidige eiseres), doch enkel wat de vorderingen betreft die gesteld werden m.b.t. perceel 4. Uw Hof heeft volgens het bestreden arrest immers uitdrukkelijk bepaald dat de twee arresten van 24 mei 2006 en van 18 oktober 2006 (van het hof van beroep te Brussel) dienden vernietigd te worden behalve voor wat de percelen 5 en 6 betreft (bestreden arrest p. 14, nr. 19, laatste al.).

2.9. Nochtans dient in casu evenwel te worden opgemerkt dat het cassatieberoep van de toenmalige eiseres (huidige eerste verweerster) in het derde onderdeel van haar enig middel tot cassatie (waarop de vernietiging destijds door uw Hof werd uitgesproken) enkel kritiek voerde op de overwegingen van het bestreden arrest waarbij het bedrag van de door haar aan de toenmalige verweerster (huidige eiseres) verschuldigde vergoeding werd vastgesteld. Zij betwistte m.i. aldus de wettigheid van het arrest van het hof van beroep te Brussel van 24 mei 2006 niet in zoverre dit onder randnummer 35 expliciet besliste (p. 14, nr. 35) dat "Nu de opdracht niet toegewezen werd aan de [eiseres] die de laagste regelmatige offerte had ingediend, deze laatste krachtens art. 15, lid 1, van de Overheidsopdrachtenwet recht (heeft) op de forfaitaire schadeloosstelling vastgesteld op 10% van het bedrag, zonder BTW, van deze offerte".

2.10. Niettegenstaande de vaststelling in het beschikkend gedeelte van het cassatiearrest dat het tussenarrest en het eindarrest volledig werden vernietigd (behalve in zoverre zij uitspraak deden over de heraanbesteding van de percelen 5 en 6), hield voormelde beslissing m.i. dan ook stand. Deze vernietiging kon immers niet verder strekken dan de draagwijdte van het aangevoerde middel dat werd ingewilligd. In de mate dat dit middel geen kritiek had op de zelfstandige beschikking dat eiseres recht had op een vergoeding bij toepassing van artikel 15, lid 1, van de Overheidsopdrachtenwet als indiener van de laagste offerte, (cf. de toenmalige voorziening in cassatie d.d. 14 maart 2004, p. 15-17 en 18-19), kon het bestreden arrest niet wettig beslissen dat de beslissing ook op dat punt vernietigd was en dat het zelf opnieuw kon onderzoeken of eiseres wel beantwoordde aan alle voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling.

2.11. Het komt mij dan ook voor dat de appelrechters hun rechtsmacht, om kennis te nemen van het geschil binnen de grenzen waarin dit aan de rechter op verwijzing werd onderworpen, hebben overschreden.

2.12. Het eerste onderdeel van het eerste middel is derhalve in zoverre gegrond.

3. Met haar tweede middel komt eiseres op tegen de beslissing van het bestreden arrest waarbij haar eisuitbreiding en haar vordering t.o.v. de tweede verweerder niet ontvankelijk werd verklaard en zij tot de gedingkosten in hoger beroep werd veroordeeld.

3.1. Het bestreden arrest is van oordeel (p. 15, nr. 20) dat de vordering die eiseres tegen tweede verweerder instelde na verwijzing door het Hof van Cassatie, neerkomt op een tussenkomst van deze partij.

3.2. Ingevolge art. 812, tweede lid, Ger.W. kan de tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal in hoger beroep plaatsvinden.

3.3. Deze bepaling is ingegeven door het recht van verdediging en is niet van openbare orde(8) noch van dwingend recht(9).

3.4. Dit verbod tot tussenkomst slaat, volgens het bestreden arrest (p. 15, nr. 20, al. 2), zowel op de vrijwillige dan wel gedwongen agressieve tussenkomst en op de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een nieuwe procesverhouding wordt gecreëerd.

3.5. De tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd, doordat de ene (als eiser) iets vordert tegen de andere (als verweerder), houdt in dat een partij tegen een andere partij in het geding een vordering instelt, terwijl tussen die partijen voordien geen procesverhouding bestond. Anders dan bij de tussenkomst, die een tussenvordering betreft waarbij een nieuwe procesverhouding wordt gecreëerd met een rechtssubject dat aldus partij wordt in het geding, groeit het aantal in het geding zijnde partijen in het eerste geval niet(10).

3.6. De creatie van een nieuwe procesverhouding kan niet voor het eerst in hoger beroep. Dit wordt door uw Hof onderschreven in zijn arrest van 29 oktober 2004(11), waarin wordt geoordeeld dat uit de samenhang van de artikelen 13, 15, 813, tweede lid, en 812, tweede lid, Ger.W. volgt dat wanneer een partij in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, artikel 812, tweede lid, Ger.W. uitsluit dat in hoger beroep tussen die partijen een tussenvordering tot veroordeling wordt ingesteld(12).

3.7. Het creëren van een nieuwe procesverhouding houdt in dat een partij het initiatief neemt om als eiser te vorderen tegen een verweerder, terwijl voordien tussen deze partijen geen procesverhouding voorlag.

3.8. Te dezen lijkt evenwel uit de procedurestukken waarop uw Hof vermag acht te slaan dat voor de eerste rechter de tweede verweerder (die door eerste verweerster in gedwongen tussenkomst en vrijwaring werd geroepen) rechtstreeks tegen eiseres concludeerde en de afwijzing van haar vordering vorderde evenals haar veroordeling tot de kosten. Bovendien stelde hij naderhand - op ontvankelijk bevonden wijze (cf. art. 1050 Ger.W.) - een principaal hoger beroep tegen eiseres in.

3.9. Eén en ander impliceert m.i. derhalve dat er tussen eiseres en tweede verweerder voor de eerste rechter reeds een procesverhouding bestond, derwijze dat tweede verweerder t.a.v. eiseres geen derde in de procedure meer was en het verbod van artikel 812, tweede lid, Ger.W. dan ook niet van toepassing.

3.10. Het komt mij dan ook voor dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden, en dat ook het tweede middel in zoverre gegrond is.

4. Waar dit middel volgens tweede verweerder niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het zou opkomen tegen een overbodig motief, nu de beslissing van de appelrechters naar recht verantwoord is door hun overweging dat het toelaten van de tussenvordering die voor het eerst in hoger beroep wordt gesteld het recht van verdediging miskent(13), ben ik evenwel van oordeel dat deze beslissing van de appelrechters als dusdanig echter geen zelfstandige reden uitmaakt die de beslissing draagt, maar mij louter afgeleid lijkt uit wat volgens hen de strekking is van de in artikel 812, tweede lid, Ger.W. geformuleerde regel.

4.1. Die grond van niet-ontvankelijkheid in hoofde van tweede verweerder lijkt mij dan ook niet te kunnen aangenomen worden.

5. Dit is m.i. wel het geval, bij gebrek aan belang, wat de door eerste verweerster aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid betreft, nu dit middel inderdaad uitsluitend betrekking heeft op de door eiseres tegen tweede verweerder ingestelde tussenvordering.

III. CONCLUSIE: VERNIETIGING
____________________
(1) Cass. 7 jan. 2011, AR C.09.0488.N, AC 2011, nr. 18, met concl. advocaat-generaal Dubrulle.
(2) Cass. 15 dec. 2003, AR S.03.0068.N, AC 2003, nr. 646; Cass. 10 dec. 2007, AR C.07.0313.N, AC 2007, nr. 622.
(3) Cass. 29 nov. 1996, AR C.96.0148.N, AC 1996, nr. 469, met concl. advocaat-generaal De Riemaecker; zie ook Cass. 3 juin 2005, AR D.04.0019.N, AC 2005, nr. 316.
(4) Cass. 13 jan. 2005, AR C.04.0280.F, AC 2005, nr. 22; zie ook Cass. 27 maart 2003, AR C.02.0159.F - C.02.0239.F, AC 2003, nr. 210, en Cass. 20 jan. 2004, AR P.03.1189.N, AC 2004, nr. 30.
(5) Cass. 13 feb. 2006, AR C.04.0454.F, AC 2006, nr. 92, met concl. eerste advocaat-generaal J.F. Leclercq.
(6) Cass. 13 jan. 2005, AR C.04.0280.F, AC 2005, nr. 22.
(7) Cass. 4 nov. 2005, AR C.04.0074.F - C.04.0089.F, AC 2005, nr. 562.
(8) Cass. 20 sept. 1995, AR P.95.0272.F, AC 1995, nr. 390.
(9) Cass. 2 dec. 1982, AR nr. 6653, AC 1982-83, nr. 204.
(10) S. Mosselmans, Tussenvorderingen in het gerechtelijk privaatrecht, RW 2004-05, (1601), 1605-1610, nrs. 13, 16 en 17.
(11) Cass. 29 okt. 2004, AR C.02.0406.N, AC 2004, nr. 517.
(12) Zie S. Mosselmans, De tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen voor het eerst in hoger beroep een procesverhouding wordt gecreëerd, noot onder Cass. 29 okt. 2004, RW 2004-05, (1618), 1619; zie ook Cass. 5 jan. 2007, AR C.06.0026.N, AC 2007, nr. 8 en Cass. 13 sept. 2012, AR C.11.0776.F, AC 2012, nr. 467.
(13) Cass. 31 jan. 2002, AR C.00.0626.N, AC 2002, nr. 72.
 

Nuttige tips: 

Hof van Beroep Gent, 18/11/2014, RW 2016-2017, 1226

Samenvatting

Een voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering kan niet ingesteld onder dezelfde voorwaarden als die waaronder de (oorspronkelijke) eiser zijn (oorspronkelijke) vordering kan uitbreiden of wijzigen. Het voorwerp van deze voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering moet minstens enig feitelijk verband vertonen met een bij de eerste rechter aanhangige vordering en derhalve met de oorzaak ervan. Dit wil zeggen dat een dergelijke tegenvordering moet terugvallen op een rechtsfeit en/of een rechtshandeling waarop voor de eerste rechter de (oorspronkelijke) eiser zijn (oorspronkelijke) vordering baseerde (in de gedinginleidende akte). Gebeurlijk kan een dergelijke tegenvordering terugvallen op een rechtsfeit en/of rechtshandeling waarop voor de eerste rechter de (oorspronkelijke) eiser een uitgebreide of gewijzigde vordering baseerde, dan wel op een rechtsfeit en/of rechtshandeling waarop voor de eerste rechter de (oorspronkelijke) verweerder zelf een eerdere tegenvordering baseerde (in een conclusie).

Tekst arrest
H.-D. t/ NV A.B.E. e.a.

...

I. Beroepen vonnis

Bij vonnis van 28 juni 2011 gaat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk in op de bij dagvaarding van 13 september 2010 met toepassing van art. 1561 Ger.W. ingestelde vordering van de NV A.B.E. tot gerechtelijke vereffening-verdeling van een aantal onroerende goederen en meer precies twee percelen bouwland te L./N. en een hoeve te H.

De twee percelen bouwland behoren toe deels aan H.-D. en deels aan Albert H. De hoeve behoort toe deels aan (Martine) D., deels aan V. en deels aan (Catherine) D.

De rechtbank wijst daarbij notaris C.C. (met standplaats te L.) aan als notaris-vereffenaar en notaris S.L. (met standplaats te I.) als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude art. 1209, derde lid Ger.W.

De rechtbank beveelt de verkoop van de niet-gevoeglijk verdeelbare goederen en zegt voorts voor recht dat het aandeel in de verkoopopbrengst van deze niet-gevoeglijke verdeelbare goederen, toekomende aan H.-D., zal worden aangewend tot voldoening van de schuldvordering van A.B.

II. Litigieuze tenuitvoerlegging

Een en ander gebeurt nadat A.B., in uitvoering van een vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk van 9 juni 2009 met een veroordeling van H.-D. tot betaling van 25.340,39 euro, vermeerderd met de toebehoren, laat overgaan tot (1) een betekening-bevel voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend goed bij gerechtsdeurwaardersexploot van 15 september 2009 en (2) uitvoerend beslag op onroerend goed bij gerechtsdeurwaardersexploot van 7 oktober 2009.

Deze executiemaatregelen hebben als voorwerp niet alleen voormelde onverdeelde onroerende goederen, maar ook (1) een woning te L., (2) een landgebouw te L. en (3) een perceel bouwland te L. Die laatste drie onroerende goederen behoren in exclusieve eigendom toe aan H.-D.

Gelet op de weigering tot overschrijving van dit beslag door de daartoe bevoegde hypotheekbewaarder van het tweede hypotheekkantoor te Kortrijk, wegens een eerder beslag door toedoen van de NV K. (bij gerechtsdeurwaardersexploot van 12 juni 2007 met navolgende overschrijving op 19 juni 2007), wordt A.B. op haar verzoek met toepassing van art. 1610 Ger.W. in de plaats gesteld bij beschikking van de beslagrechter te Kortrijk van 5 maart 2010.

Het eerdere beslag van de NV K. slaat op (1) voormelde onverdeelde onroerende goederen (behalve de hoeve te H., die niet in het beslag van de NV K. is begrepen) en (2) de onroerende goederen die in exclusieve eigendom aan H.-D. toebehoren.

De indeplaatsstelling, met aanwijzing van notaris C. (met het oog op verdere uitwinning en rangregeling), slaat in de eerste plaats op (1) de woning te L. en (2) het landgebouw te L., die in exclusieve eigendom aan H.-D. toebehoren.

Bij beschikking van de beslagrechter te Kortrijk van 7 september 2010 wordt de opdracht van notaris C. uitgebreid met betrekking tot het perceel bouwland te L. dat in exclusieve eigendom aan H.-D. toebehoort. Tegelijk wordt de in art. 1587 Ger.W. bepaalde termijn met zes maanden verlengd.

Wat betreft de onroerende goederen die in exclusieve eigendom aan H.-D. toebehoren, wordt een verkoopdag bepaald op 23 januari 2012, zij het dat die uiteindelijk wordt afgeblazen, gelet op de gedane betaling.

A.B. beaamt dat, gelet op deze betaling, H.-D. integraal aan voormelde veroordeling zijn tegemoetgekomen.

III. Hogere beroepen

1. Na de betekening van het beroepen vonnis door A.B. bij gerechtsdeurwaardersexploot van 8 december 2011, stellen H.-D. bij dagvaarding van 6 januari 2012 hoger beroep in. Zij beogen daarbij in essentie de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van A.B. tot gerechtelijke vereffening-verdeling van de bedoelde onverdeelde onroerende goederen.

H.-D. verwijten A.B. misbruik van executierecht nu zij voor een beperkte oorzaak, benevens de uitwinning van voormelde drie onroerende goederen die in exclusieve eigendom aan H.-D. toebehoren, tevens de uitwinning beoogt van de bedoelde onverdeelde goederen. Naar analogie met art. 1563 Ger.W. zou A.B. eerst (enkel) de uitwinning moeten nastreven van de onroerende goederen die in exclusieve eigendom aan H.-D. toebehoren.

H.-D. voeren ook aan dat de bedoelde onverdeelde goederen, inzonderheid de twee percelen bouwland te L./N., wel degelijk voor verdeling in natura in aanmerking komen, wat de eerste rechter overigens heeft aangenomen.

H.-D. beogen voorts, bij wijze van (nieuwe) tegenvordering in hoger beroep, na (een bevel tot) overlegging van bepaalde stukken, de veroordeling van A.B. tot (terug)betaling van een bedrag van 8.970,56 euro en minstens 4.992,91 euro (meer toebehoren). Deze tegenvordering gaat terug op een afrekening in de lijn van (ingevolge de overdracht van een schuldvordering van H.-D. op de Vlaamse Gemeenschap) door A.B. ontvangen bedragen.

2. A.B. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep.

...

3. Albert H. neemt conclusie in de lijn van het hoger beroep van H.-D.

...

IV. Beoordeling

1. Het hoger beroep van H.-D. is tijdig, regelmatig en zodoende ontvankelijk.

Het kan echter geenszins slagen.

2. Zoals aangegeven, heeft de beoogde verkoop (bepaald op 23 januari 2012) van de beslagen onroerende goederen die in exclusieve eigendom aan H.-D. toebehoren, niet plaatsgehad, gelet op de gedane betaling. Blijkbaar hebben H.-D. hun schuld ten aanzien van A.B. voldaan, in de tijdspanne dat zij hoger beroep hebben ingesteld (bij dagvaarding van 6 januari 2012).

Zoals A.B. zelf aangeeft, is de door haar benaarstigde gerechtelijke vereffening-verdeling van de bedoelde onverdeelde onroerende goederen achterhaald. De oorspronkelijke vordering van A.B. daartoe heeft haar voorwerp verloren, zodat H.-D. geen belang (in de zin van art. 17-18 Ger.W.) hebben om de afwijzing van de vordering te blijven nastreven.

Misbruik van executierecht van A.B., zoals H.-D. blijven aanvoeren, was hoe dan ook geenszins aan de orde. Het stond A.B., als schuldeiser met een uitvoerbare titel, vrij te kiezen welke goederen zij uitwon. Krachtens art. 7-8 Hyp.W. staat de schuldenaar met zijn hele vermogen in voor de nakoming van zijn verbintenissen; dit vermogen vormt het gezamenlijk onderpand van zijn schuldeisers. Het in casu niet (en evenmin naar analogie) aan de orde zijnde art. 1563 Ger.W. vormt de uitzondering die de regel bevestigt. A.B. vermocht derhalve, ook voor een beperkte oorzaak, benevens de uitwinning van voormelde drie onroerende goederen die in exclusieve eigendom aan H.-D. toebehoren, tevens de uitwinning beogen van de bedoelde onverdeelde goederen. A.B. was overigens een louter chirografaire schuldeiser die, blijkens ingewonnen inlichtingen, moest onderdoen voor onder meer prioritaire schuldeisers, inzonderheid de fiscus die een wettelijke hypotheek genoot. Daar komt bij dat H.-D. veelvuldige kansen op een minnelijke regeling hebben gekregen, terwijl zij er blijkbaar niet voor terugdeinsden valse betalingsbeloften te doen.

Om dezelfde reden is het argument van H.-D. dat de bedoelde onverdeelde goederen, inzonderheid de twee percelen bouwland te L./N., wel degelijk voor verdeling in natura in aanmerking komen, wat de eerste rechter overigens heeft aangenomen, achterhaald.

3. De zienswijze die Albert H. in de lijn van het hoger beroep van H.-D. verdedigt, is even vergeefs.

4. Zoals aangegeven, beogen H.-D. voorts, bij wijze van (nieuwe) tegenvordering in hoger beroep, na (een bevel tot) overlegging van bepaalde stukken, de veroordeling van A.B. tot (terug)betaling van een bedrag van 8.970,56 euro en minstens 4.992,91 euro (vermeerderd met toebehoren).

Zoals eveneens aangegeven, gaat deze tegenvordering terug op een afrekening in de lijn van (ingevolge de overdracht van een schuldvordering van H.-D. op de Vlaamse Gemeenschap) door A.B. ontvangen bedragen.

Het Gerechtelijk Wetboek bevat geen uitdrukkelijk verbod van nieuwe tegenvorderingen in hoger beroep (vgl. art. 14 juncto art. 1042 Ger.W.). Al zijn de toelaatbaarheidsvereisten van art. 807 Ger.W. als zodanig niet van toepassing op de tegenvordering, toch wordt volgens een vaste cassatierechtspraak aangenomen dat een tegenvordering die voor het eerst in hoger beroep wordt ingesteld slechts toelaatbaar is, (1) indien zij gebaseerd is op een feit of akte die vermeld is in de inleidende dagvaarding; (2) indien zij een verweer vormt tegen de hoofdvordering of (3) indien zij strekt tot schuldvergelijking (Cass. 10 april 1978, Arr.Cass. 1978, 917; Cass. 4 december 1989, Arr.Cass. 1989-90, 467; Cass. 4 mei 1990, Arr.Cass. 1989-90, 1138; Cass. 18 januari 1991, Arr.Cass. 1990-91, 525; Cass. 22 januari 2004, RW 2005-06, 423; Cass. 14 oktober 2005, Arr.Cass. 2005, 1940; Cass. 23 februari 2006, Arr.Cass. 2006, 429).

Hoe dan ook mag een volstrekt nieuwe tegenvordering, wegens het beginsel van de gelijkheid van de partijen, niet onbeperkt in hoger beroep worden toegelaten (zie bv.: J. Laenens, “Een nieuwe tegeneis in hoger beroep” (noot onder Brussel 26 mei 1981), RW 1981-82, 2178-2179).

Er zijn inderdaad beperkingen inzake de door de oorspronkelijke verweerder voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering. Deze beperkingen liggen in de lijn van het oude art. 464, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het oude art. 46 van de wet van 9 juli 1926 op de werkrechtersraden, waarvan art. 807 Ger.W. juncto art. 1042 Ger.W. enkel afwijken aan de zijde van de oorspronkelijke eiser. Aldus overweegt het Hof van Cassatie in zijn voormeld arrest van 10 april 1978 “dat het feit dat de bewoordingen van art. 464, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet volledig werden overgenomen in het Gerechtelijk Wetboek, niet betekent dat de opstellers ervan hebben willen afwijken van de regels van dit artikel, maar integendeel dat die herhaling wegens de tekst van art. 807 e.v. en art. 1042 Ger.W. nutteloos was geworden” (Arr.Cass. 1977-78, (917) 918-919).

Een tekstuele extrapolatie van art. 807 Ger.W., bepaling die enkel voor de oorspronkelijke eiser geldt, is evenwel uitgesloten. Dit neemt niet weg dat, inzonderheid omwille van de wapengelijkheid, een voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering niet kan dan onder dezelfde voorwaarden als die waaronder de (oorspronkelijke) eiser zijn (oorspronkelijke) vordering kan uitbreiden of wijzigen. Het voorwerp van deze voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering moet minstens enig feitelijk verband vertonen met een bij de eerste rechter aanhangige vordering en derhalve met de oorzaak ervan (zie in diezelfde zin: M. Castermans, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, Story Publishers, 2009, p. 674-675, nr. 1057). Dit wil zeggen dat een dergelijke tegenvordering moet terugvallen op een rechtsfeit en/of een rechtshandeling waarop voor de eerste rechter de (oorspronkelijke) eiser zijn (oorspronkelijke) vordering baseerde (in de gedinginleidende akte). Gebeurlijk kan een dergelijke tegenvordering terugvallen op een rechtsfeit en/of rechtshandeling waarop voor de eerste rechter de (oorspronkelijke) eiser een uitgebreide of gewijzigde vordering baseerde, dan wel op een rechtsfeit en/of rechtshandeling waarop voor de eerste rechter de (oorspronkelijke) verweerder zelf een eerdere tegenvordering baseerde (in een conclusie).

Het voorwerp van voormelde, voor het eerste in hoger beroep ingestelde tegenvordering van H.-D. vertoont geen afdoende verband met een bij de eerste rechter aanhangige vordering en derhalve met de oorzaak ervan. Het gegeven dat H.-D. voor de eerste rechter vragen stelden bij en discussie voerden over de afrekening met betrekking tot hun (toenmalige) (totaal)schuld ten aanzien A.B., is onvoldoende. H.-D. beoogden alsdan een afrekening van hun totaalschuld. Thans gaat om de beoogde (terug)betaling van een bedrag van 8.970,56 euro en minstens 4.992,91 euro (vermeerderd met de toebehoren) ingevolge betalingen die na het beroepen vonnis van 28 juni 2011 hebben plaatsgevonden (met omkaderende briefwisseling). Die vordering vertoont geen afdoende verband met een bij de eerste rechter aanhangige vordering en derhalve met de oorzaak ervan.

Gelet op de door A.B. opgeworpen exceptie ter zake, dient deze voor het eerste in hoger beroep ingestelde tegenvordering dan ook onontvankelijk te worden verklaard.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 30/12/2014 - 23:30
Laatst aangepast op: vr, 05/05/2017 - 15:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.