-A +A

Toepassing van de wet in de tijd en reeds verworven rechten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer, een vordering reeds verjaard is volgens de oude wet, zal deze vordering ook na de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet verjaard blijven, ook al zou de vordering met toepassing van de nieuwe wet nog niet verjaard zijn.

 


Krachtens het in art. 2 BW neergelegde algemeen rechtsbeginsel dat de wetten geen terugwerkende kracht hebben, is een nieuwe wet in de regel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan en op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Een nieuwe wet is in de regel niet alleen van toepassing op de toestanden die ontstaan na de inwerkingtreding ervan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vorige wet ontstane toestanden, die zich voordoen of blijven voortduren onder de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Inzake overeenkomsten blijft de oude wet van toepassing blijft, tenzij de nieuwe wet de openbare orde raakt of de toepassing op de lopende overeenkomsten niet uitdrukkelijk voorschrijft.

Krachtens art. 2 BW beschikt de wet immers alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht (het zogenaamde «retroactiviteitsverbod»). De datum van inwerkingtreding van een norm dient echter te worden onderscheiden van de temporele functie van deze norm. Dat een verplichtende bepaling maar in werking kan treden ten vroegste vanaf haar bekendmaking (of tien dagen daarna), verhindert niet dat die bepaling rechtsgevolgen kan verbinden aan feiten die dateren van vóór de bekendmaking (P. Popelier, Toepassing van de wet in de tijd in APR, Antwerpen, Kluwer, 1999, p. 21, nr. 33).

De (nieuwe) wet van 6 juli 2017 is derhalve niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Hieruit volgt dat wanneer, een vordering reeds verjaard is volgens de oude wet, deze ook na de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet verjaard blijft, ook al zou de vordering met toepassing van de nieuwe wet nog niet verjaard zijn (Cass. 5 juni 2014, RW 2015-16, 430; in dezelfde zin: Cass. 12 november 1996, Arr.Cass. 1996, 1039). Zie ondermeer Vred. Westerlo, 21/02/2018, 1552.

Nog dit: 

• Hof van Cassatie,1e Kamer – 8 februari 2008, RW 2010-2011, 1127

T.L. en NV D. & Cie t/ NV C.D.J.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 23 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Bergen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Tweede onderdeel

Krachtens art. 2 BW is een nieuwe wet niet van toepassing op een toestand die ontstaan is en definitief tot stand gekomen is onder vigeur van de oude wet.

Hieruit volgt dat de nieuwe wet de rechtsgevolgen van een overeenkomst slechts kan regelen indien deze nog liep bij de inwerkingtreding van die wet.

Art. 5 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers is in werking getreden op 30 december 2000 ingevolge art. 78 van die wet en art. 9 van het KB van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse C.

Het arrest stelt vast, met overneming van de redenen van de eerste rechter, dat de litigieuze overeenkomst op 9 januari 1997 werd gesloten tussen de eiser en de rechthebbende van de verweerster en dat de eiser op 31 augustus 1999 te kennen gaf dat hij de overeenkomst eenzijdig wilde beëindigen.

Doordat het arrest, om de door de eiser opgeworpen exceptie dat het hier ongeoorloofde kansspelen betrof te verwerpen, zich beroept op art. 5 van de wet van 7 mei 1999, terwijl die wetsbepaling pas na de beëindiging van de contractuele betrekkingen in werking is getreden, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.


• Cassatie 18/03/2011, C.10.0015.N, juridat

samenvatting

De wet is in beginsel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of zich voortzetten onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten; inzake overeenkomsten blijft evenwel de oude wet van toepassing, ook op de toekomstige gevolgen, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of uitdrukkelijk de toepassing bepaalt op de lopende overeenkomsten; de eerbiedigende werking is echter niet van toepassing wanneer het gaat om de toepassing van regels die de tegenwerpbaarheid aan derden betreffen (1). (1) Cass., 28 feb. 2003, AR C.00.0603.N, A.C., 2003, nr. 141.

Tekst arrest

Nr. C.10.0015.N
C.B.S. IMMO II nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 1,
eiseres,

tegen
1. W. V., die voorheen woonplaats heeft gekozen bij gerechtsdeurwaarder Alain Van der Steichel, voor Willy Mertens, met kantoor te Balansstraat 117, 2018 Antwerpen,
verweerder,
2. E. L., . als erfgename van H. V. D. B.,
verweerster,
3. C. V. D. B., als erfgename van H. V. D. B.,
verweerster,
4. S. V. D. B., . als erfgenaam van H. V. D. B.,
verweerder,
5. BOUWBEDRIJF LUC ILEGEMS nv, met zetel te 2200 Herentals, Atealaan 8,
verweerder,

6. G. P.,
verweerder,
7. EUROBETON nv, met zetel te 2240 Zandhoven, Vaartstraat 13,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 maart 2009.
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Eerste middel
Tweede onderdeel
1. De vijfde verweerster werpt op dat het onderdeel niet ontvankelijk is: de beslissing van de appelrechters blijft verantwoord door hun vaststelling dat er geen geldige betekening noch aanvaarding heeft plaatsgevonden.
Gelet op het antwoord op het tweede middel, moet de grond van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.

2. Krachtens artikel 25, eerste lid, Wetboek van Koophandel, geldt inzake handelsverbinteinssen, de vrijheid van bewijs.

3. Door te oordelen dat de briefwisseling tussen de verkoper en de koper (de eiseres) geen bewijs oplevert van de overdracht van schuldvordering aangezien de brief van 6 mei 1992 niet als een afzonderlijke akte kan worden beschouwd, schenden zij artikel 25, eerste lid, Wetboek van Koophandel.
Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede middel
Eerste onderdeel
4. Krachtens artikel 1690, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, kan de overdracht van schuldvordering worden ingeroepen tegen andere derden dan de gecedeerde schuldenaar door het sluiten van de overeenkomst van overdracht.
Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling kan de overdracht slechts tegen de gecedeerde schuldenaar worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan de gecedeerde schuldenaar ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend.
Deze bepaling is in werking getreden op 25 juli 1994.

5. Krachtens artikel 2 Burgerlijk Wetboek beschikt de wet alleen voor het toekomende, zij heeft geen terugwerkende kracht.
De wet is in beginsel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of zich voortzetten onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Inzake overeenkomsten blijft evenwel de oude wet van toepassing, ook op de toekomstige gevolgen, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of van dwingend recht is of uitdrukkelijk de toepassing bepaalt op de lopende overeenkomsten.

De eerbiedigende werking is echter niet van toepassing wanneer het gaat om de toepassing van regels die de tegenwerpbaarheid aan derden betreffen.
Hieruit volgt dat het nieuwe artikel 1690 Burgerlijk Wetboek niet alleen van toepassing is op de cessie-overeenkomsten die tot stand komen na de inwerkingtreding van deze wetsbepaling maar dat die bepaling vanaf haar inwerkingtreding ook de tegenwerpbaarheid beheerst van voordien tot stand gekomen overdrachten.
6. De appelrechters die de tegenwerpbaarheid van de beweerde overdracht van schuldvordering van 6 mei 1992, die na de inwerkingtreding van de nieuwe wet ter kennis werd gebracht van de gecedeerde schuldenaar, beoordelen op grond van het oude artikel 1690 Burgerlijk Wetboek, schenden de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.
Het onderdeel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer
 


Hof van Cassatie, 27 juni 2012, AR nr. P.12.0873.F,  RW 2013-2014, 100 met noot en juridat

abstract

Wanneer een  nieuwe wet is in haar definitie van verzwarende omstandigheid repressiever dan de oude, wet die ten tijde van het misdrijf nog van toepassing was zonder dat de nieuwe wet die verzwarende omstandigheden reeds in verking was getreden dan dienen de feitenrechters de oude tekst in aanmerking te nemen,

tekst arrest

P.D.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 september 2009, en tegen twee arresten die op 27 april 2012, met de nummers 3360 en 3361, zijn gewezen door het Hof van Assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

B. Cassatieberoep van 10 mei 2012, ingesteld tegen het motiverend arrest dat op 27 april 2012 met nummer 3361 is gewezen

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiser werd vervolgd en veroordeeld onder meer wegens verkrachting met twee verzwarende omstandigheden, namelijk de dood van het slachtoffer en haar bijzonder kwetsbare toestand.

De eiser voert aan dat de tekst van de tweede verzwarende omstandigheid een wetsbepaling overneemt, meer bepaald art. 376, derde lid Sw., dat, tussen de dag waarop de misdaad is gepleegd en de datum van de uitspraak van het vonnis, in het voordeel van de beschuldigde is gewijzigd. Hij leidt daaruit af dat het hof van assisen, door de vroegere, minder restrictieve omschrijving in aanmerking te nemen, art. 7.1 EVRM en art. 2, tweede lid Sw. heeft geschonden.

In het voormelde art. 376, derde lid Sw. werden de woorden “die ingevolge zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid bijzonder kwetsbaar is” vervangen door de woorden “van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was”.

Deze nieuwe tekst vloeit voort uit art. 5 van de wet van 26 november 2011 tot wijziging en aanvulling van het Strafwetboek teneinde het misbruik van de zwakke toestand van personen strafbaar te stellen, en de strafrechtelijke bescherming van kwetsbare personen tegen mishandeling uit te breiden.

De nieuwe wet is in haar definitie van verzwarende omstandigheid repressiever dan de oude, namelijk in zoverre zij afziet van de verwijzing naar “bijzondere” kwetsbaarheid en genoegen neemt met een “kwetsbare toestand”. Desbetreffend dienden de feitenrechters de oude tekst in aanmerking te nemen, wat zij effectief gedaan hebben.

Voor het overige stelt het arrest vast dat uit de overeenstemmende verklaringen van de drie beschuldigden blijkt dat de eiser weet had van de lichamelijk onvolwaardige toestand van het slachtoffer, aangezien hij haar midden in de nacht had aangetroffen, aan de kant van de weg, zij wartaal uitsloeg en niet in staat was zich zonder hulp van een derde te verplaatsen.

De verzwarende omstandigheid werd bijgevolg niet toegepast zonder dat de nieuwe voorwaarde was nagegaan, namelijk een kwetsbare toestand die duidelijk was of de dader bekend was, als vereist bij art. 5 van de wet van 26 november 2011.

Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging is miskend. Hij voert aan dat geen tegenspraak gevoerd kon worden over de kwestie of de kwetsbare toestand van het slachtoffer de dader duidelijk en bekend was, omdat de verzwarende omstandigheid op onwettige wijze geformuleerd was, gelet op de wijziging die art. 5 van de wet van 26 november 2011 in art. 376, derde lid Sw. heeft aangebracht.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt evenwel niet dat de eiser kritiek heeft uitgeoefend op de wijze waarop de aan de jury voorgelegde vragen waren gesteld, noch dat hij gevraagd heeft dat de formulering aan de nieuwe wet zou worden aangepast.

De eiser kan geen grief afleiden uit het feit dat hem een debat was onthouden, als hij dat debat had kunnen aangaan op het ogenblik dat het ontwerp van de vragen die de jury zouden worden voorgelegd, ter goedkeuring aan de partijen was voorgelegd.

Aangezien dit onderdeel voor het eerst wordt aangevoerd voor het Hof, is het niet ontvankelijk.

...

Rechtsleer: Toepassing van de wet in de tijd, Popelier, P. APR

Commentaar: 

Krachtens art. 2 BW is een nieuwe wet in beginsel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover de toepassing geen afbreuk doet aan onherroepelijk vastgestelde rechten. Inzake overeenkomsten blijft de oude wet van toepassing, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of van dwingend recht is of uitdrukkelijk de toepassing ervan voorschrijft op de lopende overeenkomsten.

Deze uitzonderingsregel met betrekking tot het overgangsrecht inzake overeenkomsten betreft enkel de rechtsgevolgen van lopende overeenkomsten, niet die van overeenkomsten die reeds vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn beëindigd.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 20/05/2018 - 13:33
Laatst aangepast op: zo, 20/05/2018 - 13:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.