-A +A

Terugvordering leefloon door het OCMW

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Uittreksel uit de wet van 26 MEI 2002
Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie (Staatsblad 21 juli 2002)
 

Terugbetaling leefloon:

Art. 24. § 1. Het leefloon uitgekeerd met toepassing van deze wet wordt op de betrokkene verhaald :
1° in geval van een herziening met terugwerkende kracht, bedoeld in artikel 22, § 1.
In geval van een vergissing vanwege het centrum kan het centrum ofwel het onverschuldigde terugvorderen, ofwel op eigen initiatief, of op aanvraag van de betrokkene geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering;
2° indien hij de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem een leefloon werd uitbetaald. In dit geval is de terugvordering beperkt tot beloop van het bedrag waarvoor die inkomsten bij de berekening van het leefloon in aanmerking hadden moeten worden genomen indien hij er te dien tijde reeds de beschikking over zou hebben gehad. In afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek treedt het centrum van rechtswege en tot beloop van dat bedrag in de rechten die de begunstigde op de hierboven bedoelde inkomsten kan doen gelden.

§ 2. Buiten de gevallen bedoeld in § 1 is geen terugvordering van het leefloon bij de betrokkene mogelijk. Elke hiermee tegenstrijdige overeenkomst is nietig.

§ 3. De in § 1 vermelde beslissing moet conform zijn aan de bepalingen van artikel 21, §§ 2, 3 en 4.

§ 4. De onverschuldigd betaalde bedragen brengen van rechtswege intrest op vanaf de betaling, indien de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist, bedrog of bedrieglijke handelingen van de belanghebbende persoon.

Art. 25. § 1. Dit artikel is toepasselijk op het geval van terugvordering bedoeld in artikel 24 § 1, 1°.

§ 2. Het centrum moet aan de betrokkene schriftelijk kennis geven van zijn beslissing om het hem uitgekeerde leefloon van hem terug te vorderen. Deze beslissing moet, naast de vermeldingen bedoeld in artikel 21, § 3, de volgende aanduidingen bevatten :
1° de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald;
2° het totale bedrag van wat onverschuldigd is betaald, alsmede de berekeningswijze ervan;
3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan;
4° de in aanmerking genomen verjaringstermijn;
5° de mogelijkheid voor het centrum om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien en de procedure die hiervoor moet worden gevolgd;
6° de mogelijkheid een met redenen omkleed voorstel van terugbetaling in schijven voor te leggen.

Wanneer de beslissing de genoemde vermeldingen niet bevat, gaat de in artikel 47, § 1, tweede lid, bedoelde termijn om een beroep in te stellen niet in.

Het centrum kan zijn beslissing tot terugvordering eerst ten uitvoer leggen na verloop van één maand. Indien de betrokkene binnen deze tijd verzoekt van de terugvordering af te zien, kan het centrum niet optreden dan na zijn beslissing te hebben bevestigd door een nieuwe beslissing die bij aangetekend schrijven aan de betrokkene wordt meegedeeld.

§ 3. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het centrum afziet van de terugvordering van het onverschuldigde bij het overlijden van de persoon aan wie het is betaald.

Art. 26. Het leefloon door een centrum uitgekeerd met toepassing van deze wet wordt krachtens een eigen recht door dit centrum verhaald, binnen de grenzen, onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning, op de onderhoudsplichtigen bedoeld in artikel 4, § 1, alsook de onderhoudsplichtigen bedoeld in artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek, tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn gedurende de tijd dat het leefloon is uitgekeerd.

Art. 27. Het centrum verhaalt het leefloon krachtens een eigen recht op de persoon die verantwoordelijk is voor de verwonding of ziekte die aanleiding gegeven heeft tot de betaling van het leefloon.
Wanneer de verwonding of ziekte het gevolg is van een misdrijf, kan de vordering tegelijk met de strafrechtelijke vordering en voor dezelfde rechter worden ingesteld.

Art. 28. Het centrum kan slechts afzien van de terugvorderingen bedoeld in de artikelen 24, § 1, 26 en 27 bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing vermeld worden.

De betrokkene kan billijkheidsredenen aanvoeren ten einde de terugvordering te voorkomen.

Geen terugvordering moet worden ingesteld indien de kosten of inspanningen hieraan verbonden, niet opwegen tegen het verwachte resultaat.

Art. 29. § 1. De terugvordering bedoeld in artikel 24, § 1 en de vordering bedoeld in artikel 27, eerste lid, verjaren overeenkomstig artikel 2262bis , § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. <<< deze bepaling is nietig  verklaard door het grondwettelijk hof op 30 oktober 2008. Het hof ziet niet in waarom deze verjaring afwijkt van de verjaring van artikel 2277 burgerlijk wetboek, omdat het leefloon betrekking heeft op bedragen die op termijn een grote schuld te zijn geworden zodat ze een schuldenaar kunnen ruïneren, hetgeen in strijd is met de doelstelling zelf van de wet op de maatschappelijke integratie zoals nagestreefd door de wet van 26 mei 2002. Deze wet schendt aldus het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van andere toepassingen van artikel 2277 burgerlijk wetboek. De verjaring ten deze bedraagt de derhalve slechts vijf jaar.>>>

§ 2. De terugvordering bedoeld in artikel 26 verjaart overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.

§ 3. De vordering bedoeld in artikel 27, tweede lid, verjaart overeenkomstig artikel 2262bis , § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

§ 4. Deze verjaringen kunnen gestuit worden door een aanmaning gedaan hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs.

Terugbetaling dienstverlening (uittreksel uit de OCMWwet 8 juli 1976)

Terugbetaling door partikulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening.

Art. 97. (Voor de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk VII dient onder "kosten van de maatschappelijke dienstverlening" te worden verstaan :
1. de betalingen in speciën;
2. de kosten van de in natura verleende hulp;
3. de kosten van hospitalisatie;
4. de kosten van huisvesting met inbegrip van die welke gemaakt zijn in de inrichtingen van het centrum;
5. de kosten berekend volgens vooraf vastgestelde algemene tarieven.) <KBN244 1983-12-31/57, art. 7,002>

Zijn uitgesloten de administratie- en onderzoekskosten, alsmede de kosten van de prestaties van het centrum bedoeld door artikel 60, § 1, 2 en 4.
(Het voorgaande lid heeft geen toepassing op de door een OCMW, bij toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, gemaakte kosten inzake schuldbemiddeling.) <W 1998-07-05/57, art. 18, 036; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

Art. 98. <KBN244 1983-12-31/57, art. 8, 002>
§ 1. Onverminderd de toepassing van andere wettelijke en reglementaire bepalingen, bepaalt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, rekening houdend met de inkomsten van de betrokkene, de bijdrage van de begunstigde in de kosten van de maatschappelijke dienstverlening.
(Deze laatste heeft in ieder geval het recht op een zakgeld, waarvan het bedrag door het centrum wordt vastgesteld.) <W 1992-08-05/46, art. 53, 016; Inwerkingtreding : 18-10-1992>

(Wanneer de maatschappelijke dienstverlening wordt verstrekt in de vorm van betaling van de kosten van het verblijf in een rusthuis en de begunstigde bijdraagt in deze kosten overeenkomstig het eerste lid, bedraagt het zakgeld minstens 900 EUR per jaar, uitbetaald in maandelijkse schijven. Dit bedrag kan bij koninklijk besluit opgetrokken worden en wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

De Koning bepaalt welke kosten in geen geval op dit zakgeld mogen worden aangerekend. Hij bepaalt eveneens het statuut van het zakgeld, in het bijzonder bij niet aanwending in geval van overlijden.) <W 2003-05-03/40, art. 2, 068; Inwerkingtreding : 26-05-2003>
In geval van vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte vanwege de begunstigde, vordert het centrum het geheel van die kosten terug, ongeacht de financiële toestand van de betrokkene.

§ 2. De kosten van de maatschappelijke dienstverlening worden eveneens krachtens een eigen recht door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verhaald :
_ op degenen die aansprakelijk zijn voor de verwonding of ziekte die het verstrekken van de hulpverlening noodzakelijk heeft gemaakt; wanneer de verwonding of ziekte het gevolg is van een misdrijf, kan de vordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters als de publieke vordering worden ingesteld;
_ op de onderhoudsplichten van de begunstigde tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn voor de verstrekte hulp.
(§ 3. In afwijking van § 2 kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn algemeen afzien van het verhalen van de maatschappelijke dienstverlening verleend aan personen die ten laste zijn genomen in instellingen, waar bejaarden worden gehuisvest, op de onderhoudsplichtigen, met de goedkeuring van de gemeentelijke overheid.) <W 2004-07-09/30, art. 101, 075; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(Ingeval van toepassing van het eerste lid, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uitzonderlijk toch de maatschappelijke dienstverlening op de onderhoudsplichtigen verhalen, wanneer het patrimonium van de persoon die deze hulp geniet opzettelijk in aanzienlijke mate is verminderd tijdens de vijf laatste jaren vóór de aanvang van de maatschappelijke hulp (of tijdens de maatschappelijke hulp).) <W 2005-12-23/31, art. 78, 082; Inwerkingtreding : 09-01-2006> <W 2006-10-26/48, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 09-04-2007>

Art. 99. § 1. (Wanneer een persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem hulp werd verleend door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vordert dit laatste de kosten van de hulpverlening van hem terug tot beloop van het bedrag van de bovenbedoelde inkomsten, rekening houdende met de vrijgestelde minima.) <KBN244 1983-12-31/57, art. 9, 002>

§ 2. Met afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, treedt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat een voorschot toekent op een pensioen of op enige andere sociale uitkering, van rechtswege en tot het bedrag van dat voorschot, in de rechten op de achterstallen die de gerechtigde kan doen gelden.

Art. 100. <KBN244 1983-12-31/57, art. 10, 002> (§ 1.) Elke materiële individuele dienstverlening ten voordele van een begunstigde die roerende of onroerende goederen nalaat, geeft aanleiding tot een vordering tot verhaal op zijn erfgenamen of legatarissen, van de daaraan verbonden kosten door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gemaakt gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, of een gedeelte ervan, maar slechts ten belope van het actief van de nalatenschap. <W 1992-08-05/46, art. 54, 016; Inwerkingtreding : 18-10-1992>

(§ 2. De roerende goederen, zoals onder meer contant geld, juwelen en andere voorwerpen, meegebracht door de zieken en door de kostgangers overleden in de instellingen van het centrum en die er geheel of gedeeltelijk ten laste van het centrum verzorgd of gehuisvest waren, worden door het centrum bewaard gedurende drie jaar te rekenen vanaf het overlijden.

§ 3. De erfgenamen en legatarissen van de zieken en kostgangers waarvan de verzorgings- en onderhoudskosten werden vereffend kunnen hun rechten laten gelden op alle zaken bedoeld in § 2.

§ 4. Bij gebreke van erfgerechtigden, of indien de zaken bedoeld in § 2, meegebracht naar het centrum, niet werden teruggevraagd binnen de termijn van drie jaar na het overlijden, behoren deze goederen van rechtswege het centrum toe.

Dezelfde roerende goederen nagelaten door een overleden persoon, voor wiens rekening het centrum opdracht heeft gekregen van de vrederechter om de gehuurde plaatsen te ontruimen die dze bewoonde voor zijn overlijden, behoren, nadat voornoemde termijn verstreken is, het centrum toe.) <W 1992-08-05/46, art. 54, 016; Inwerkingtreding : 18-10-1992>

Art. 100bis. <KBN244 1983-12-31/57, art. 11, 002>
§ 1. De Koning kan regels en voorwaarden vaststellen betreffende :
a) de berekening van de kosten van de maatschappelijke dienstverlenging bedoeld onder 2°, 4° en 5°, van artikel 97;
b) het bepalen van de bijdrage van de begunstigde zoals bedoeld in artikel 98, § 1;
c) (het verhaal op de begunstigde, de onderhoudsplichtigen of op zijn debiteurs zoals bepaald in artikel 98, §§ 2 en 4, en artikel 99, § 1.) <W 2005-12-23/31, art. 79, 082; Inwerkingtreding : 09-01-2006>

§ 2. (Onverminderd artikel 98, § 3, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts afzien van het bepalen van de bijdrage van de begunstigde, van de terugvordering of het verhaal bedoeld in de artikelen 98, §§ 1 en 2, 99 en 100, bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing worden vermeld.) <W 2004-07-09/30, art. 102, 075; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
Het openbaar centrum moet niet optreden wanneer de kosten of inspanningen hieraan verbonden niet opwegen tegen het verwachte resultaat.

Art. 101. De terugbetaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening kan gewaarborgd worden door een wettelijke hypotheek op al de voor hypotheek vatbare goederen die aan de begunstigde van de dienstverlening toebehoren of van zijn nalatenschap afhangen.
Deze hypotheek heeft slechts gevolg vanaf de dag van haar inschrijving.

Ten opzichte van de erfgenamen of legatarissen van de begunstigde, die tot betaling van de schuldvordering gehouden zijn, kan deze hypotheek ten alle tijde geldig ingeschreven worden. Onverminderd de bepalingen van artikel 112 van de hypothecaire wet van 16 december 1851, wordt de inschrijving, wanneer ze binnen drie maanden na het overlijden gevorderd wordt, onder de naam van de overledene genomen, zonder dat de erfgenamen of legatarissen nader moeten bepaald worden in de borderellen die aan de hypotheekbewaarder dienen te worden overgelegd. In dit geval wordt de overledene door zijn naam, voornamen en door de data en plaatsen van zijn geboorte en overlijden aangeduid.

(Behalve wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat geen inschrijving van de wettelijke hypotheek dient te geschieden, wordt die inschrijving door de ontvanger van het centrum gevorderd voor het door hem te bepalen bedrag; de onroerende goederen waarop de inschrijving wordt gevorderd, worden in de borderellen individueel aangewezen door de vermelding van hun aard, het arrondissement, de gemeente en de plaats waar ze gelegen zijn, alsmede van hun kadastrale aanduiding.

De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd en de rang wordt afgestaan krachtens de toestemming van de hierboven bedoelde ontvanger. De vordering, te dien einde opgesteld door deze laatste en neergelegd op het kantoor van de hypotheekbewaarder, vormt de authentieke akte bedoeld door de artikelen 92 en 93 van de hypotheekwet van 16 december 1851.

De kosten betreffende de inschrijving, de doorhaling, de vermindering en de rangafstand komen ten laste van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.) <W 1992-08-05/46, art. 55, 016; Inwerkingtreding : 18-10-1992>

Art. 102. De vordering tot terugbetaling bedoeld in de artikelen 98 en 99 verjaart overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.
De vordering bedoeld in artikel 98, § 2, laatste lid, verjaart overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van 17 april 1878 houdende voorafgaandelijke titel van het Wetboek van Strafvordering.
(De vordering bedoeld door artikel 100, § 1, verjaart drie jaar na het overlijden van de betrokkene.) <W 1992-08-05/46, art. 56, 016; Inwerkingtreding : 18-10-1992>

(Deze verjaringen kunnen gestuit worden door een aanmaning gedaan hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs.) <W 1992-08-05/46, art. 56, 016; Inwerkingtreding : 18-10-1992>

Art. 103. De inkomsten van de goederen en van de kapitalen die toebehoren aan de kinderen, die toevertrouwd zijn aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of onder zijn voogdij staan, kunnen tot het vertrek van die kinderen ten bate van dit centrum geïnd worden tot beloop van de gemaakte kosten.

Art. 104. § 1. Indien het kind dat aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is toevertrouwd of onder zijn voogdij staat, overlijdt en geen enkele erfgenaam zich aanmeldt, behoren zijn goederen toe aan dit centrum dat daarvan in bezit kan gesteld worden op verzoek van de ontvanger en op de conclusies van het openbaar ministerie.

Erfgenamen die zich later zouden aanmelden, kunnen slechts de opbrengsten vanaf de dag van hun aanvraag terugvorderen. Deze moet, op straffe van verjaring, ingediend worden binnen (drie) jaar na het overlijden van het kind. <W 1992-08-05/46, art. 57, 017; Inwerkingtreding : 18-10-1992>

§ 2. De erfgenamen die de nalatenschap zouden verkrijgen, moeten het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vergoeden, ten belope van het actief van die nalatenschap, voor de uitgaven waartoe het overleden kind aanleiding heeft gegeven gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, onder voorbehoud van aftrekking van de door het centrum gedurende diezelfde periode ontvangen inkomsten.

De vordering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verjaart (drie) jaar na de datum van het overlijden van het kind. <W 1992-08-05/46, art. 57, 017; Inwerkingtreding : 18-10-1992>

Overige gronden tot terugbetaling art. 1235 B.W.

ART. 1235
Iedere betaling onderstelt een schuld: hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd.
Geen terugvordering kan plaatshebben ten opzichte van natuurlijke verbintenissen die men vrijwillig voldaan heeft.

Rechtspraak:

Arbeidsrechtbank te Brugge

7e Kamer – 6 februari 2008, RW 2008-2009, 75 met noot.

Met uitzondering van de situatie voorzien in de artikelen 98 en 99 OCMW-Wet en in art. 1235 B.W. mag het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de gedane kosten voor maatschappelijke dienstverlening niet terugvorderen van de ontvanger.

Van dit principe mag slechts worden afgeweken mits vervulling van 3 cumulatieve voorwaarden:

(a) de terugbetaling was geen toekenningsvoorwaarde voor de verstrekte hulp maar louter een modaliteit ervan;
(b) zowel het vooropstellen van deze modaliteit als het effectief terugvorderen wordt in de twee OCMW-beslissingen (op verschillende tijdstippen genomen) afdoende gemotiveerd en
(c) de terugbetaling mag de menselijke waardigheid van de aangesproken persoon niet in het gedrang brengen.

In deze zaak beslist de rechtbank dat de terugvordering van de als voorschot betaalde achterstallige ziekenfondsbijdragen niet toegelaten is wanneer de betrokkene slechts over het leefloon beschikt.

OCMW Brugge t/ M.D.

...

II. Voorwerp van de vordering

Eiser vraagt verweerder te veroordelen tot betaling van een saldo van 385,21 euro, nl. de voorgeschoten achterstallige ziekenfondsbijdragen.

Verweerder laat geen middelen gelden.

III. Gronden van het vonnis – beoordeling

...

1. Gegevens

In maart 2003 genoot verweerder het leefloon maar was niet in regel bij zijn ziekenfonds; daartoe diende 485,21 euro achterstallige ziekenfondsbijdragen voor de periode van januari tot en met december 2001 betaald te worden.

In zijn beslissing van 10 april 2003 overwoog eiser dat deze bijdragen ten laste konden worden genomen «mits zij worden terugbetaald door betrokkene».

Eiser besliste: «485,21 euro ten laste te nemen om de verzekerbaarheid te regelen bij het ziekenfonds en rechtstreeks te betalen aan het V.N. Ziekenfonds.

Terugvordering: 485,21 terug te vorderen op betrokkene voor de tenlasteneming van de bijdragen».

Eiser nam akte: «betrokkene ondertekende een afbetalingsverbintenis om maandelijks 10,00 euro te betalen door inhouding op het zakgeld vanaf 1 mei 2003».

Verweerder had al op 1 april 2003 een «schulderkenning en terugbetalingsverbintenis» ondertekend, waarin hij verklaarde «... 485,21 euro verschuldigd te zijn aan het OCMW B., als bijdragen en lidmaatschapsgelden: verplichte verzekering V.N. Ziekenfonds januari 2001 – februari 2001. Ondergetekende verklaart deze schuld te zullen afbetalen met 10 euro per maand ...».

Uit de stukken kan verder worden afgeleid dat er van het leefloon van 583,66 euro een bedrag van 560,17 euro moest dienen voor zijn kosten in Begeleid Wonen.

De (dubbele) beslissing werd aangetekend ter kennis gebracht op 14 april 2003.

Kennelijk werd tienmaal 10 euro ingehouden op verweerders zakgeld, want eiser vordert slechts een saldo van 385,21 euro.

Verweerder werd op 20 juli 2004 aangetekend in gebreke gesteld, maar eiser vraagt slechts intrest vanaf 2 februari 2006.
 ...
 3. Betaling van een schuld jegens derden als «materiële hulp in de meest passende vorm»

Het is de taak van het OCMW om «de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is» teneinde «eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid» (art. 57, § 1, eerste lid, en art. 1, eerste lid, OCMW-wet). Dit is de realisatie van het grondrecht dat in art. 23 G.W. klinkt als: «Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden» waaronder «het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand».

De erkenning van het recht op een bestaansminimum vormde het sluitstuk in de ontwikkeling van de welvaartsstaat – met de inkomensbescherming als kern – terwijl de erkenning van het recht op maatschappelijke dienstverlening een heroriëntering uitdrukte naar de verzorgingsstaat – met het menswaardig bestaan als kern – (Bouverne-De Bie, M., «Laat ons de geschiedenis meenemen – 30 jaar OCMW», OCMW- Visies 2007, 8-9).

Het OCMW heeft wel de vrije beoordeling van de aard en omvang van de maatschappelijke dienstverlening (Arbitragehof 8 mei 2002, B.S. 10 augustus 2002). Het komt aan het OCMW, en in beroep aan de arbeidsrechtbank, toe om geval per geval te oordelen of en in welke vorm die dienstverlening kan geschieden (R.v.St. 13 januari 1982, nr. 21.891).

Financiële hulp is een vorm van materiële hulp als bedoeld in art. 60, § 3, OCMW-wet.

Het OCMW kan dit doen door in de plaats van de betrokkene een schuld te betalen die dringend is en wezenlijk voor de vrijwaring van zijn menselijke waardigheid, de hoofdtaak van het OCMW (art. 1 OCMW-wet). Niet elke schuld of kost op zich, maar het onmiddellijk en rechtstreeks effect ervan op de toestand van de betrokkene, kan het verlies van menselijke waardigheid veroorzaken. Zo is de toegang tot medische en aanverwante zorgen vereist voor de menselijke waardigheid, en wordt ze zeer ernstig belemmerd bij een gebrek aan ziekteverzekering. Het betalen van ontbrekende ziekenfondsbijdragen was noodzakelijk om verweerder zonder verwijl verzekerbaar te maken in de ziekteverzekering, en dit laatste maakt onmiskenbaar een wezenlijk deel uit van het geheel aan middelen om een leven te kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Wanneer de hulp van het OCMW erin bestaat ervoor te zorgen dat deze verzekerbaarheid zonder verwijl wordt gerealiseerd, heeft het de menselijke waardigheid hersteld en zijn wettelijke taak volbracht.

Het OCMW voorkomt op die manier ook dat het later eventueel zware medische kosten zou moeten ten laste nemen. Het doet er dus ook zijn voordeel bij en getuigt aldus van goed beleid.

4. Eenmalige financiële hulp kan in principe niet worden teruggevorderd

Gelet op het specifieke noodkarakter van maatschappelijke dienstverlening kan deze niet worden teruggevorderd enkel op grond van de vaststelling dat de toestand van de betrokkene opnieuw verbetert, de zgn. «verbetering van de fortuintoestand» (Arbrb. Leuven 14 juli 1999, OCMW-Visies 1999, 3, 69; D. Simoens, OCMW-dienstverlening, Brugge, die Keure, 2003, 363).

Maatschappelijke dienstverlening is – behoudens het geval van art. 60, § 3, tweede lid, OCMW-wet – slechts aan één voorwaarde onderworpen, nl. de afwezigheid van de mogelijkheid voor de betrokkene om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (art. 1 OCMW-wet), voor het overige is ze onvoorwaardelijk.

Mocht het OCMW de verleende hulp nadien terugvorderen (buiten de wettelijk bepaalde gevallen, zie verder), dan zou het a.h.w. terugkomen op zijn beslissing en afbreuk doen aan de band tussen de hulp en de nood. De regel luidt dus: «Gegeven blijft gegeven». Wanneer een nood zich voordoet, moet het OCMW deze nood lenigen conform de OCMW-wet, zonder er rekening mee te houden of deze ooit wordt terugbetaald door de betrokkene of de Staat.

Het OCMW kan zich ook niet van de terugbetaling verzekeren door de betrokkene vooraf een terugbetalingsverbintenis en/of schuldbekentenis te laten ondertekenen (Parl. St. Senaat 1974-75, nr. 581/1, 147; Vr. en Antw. Senaat 1984-85, 1413, nr. 14; R. Stockx, B. Lietaert en K. Neyt, «Mag de linkerhand terugnemen wat de rechterhand geeft? Terugvorderbare OCMW- steun met vraagtekens», T.S.R. 2001, 92).

Een dergelijke terugbetalingsverbintenis kan wel een instrument zijn om de betrokkene tot verantwoordelijksheidszin aan te sporen, maar kan niet als voorwaarde voor de dienstverlening worden gehanteerd en is in rechte waardeloos: de regelgeving betreffende de maatschappelijke dienstverlening is van openbare orde, wat trouwens meebrengt dat de rechtbank zich in de plaats van het OCMW moet stellen en ook bij verstek een controle moet uitoefenen op de terugvordering.

OCMW en betrokkene kunnen er dus niet eenzijdig of in overleg van afwijken door bv. overeen te komen om de dienstverlening toch aan een buitenwettelijke voorwaarde, zoals de terugbetaling, te onderwerpen (Arbrb. Leuven 30 oktober 2002, AR 301.101; Arbrb. Mechelen 13 maart 2002, AR 75.610; Arbrb. Bergen 6 september 2000, AR 99.966/99; Arbrb. Brussel 10 november 2000, AR 7.12.2000, AR 25.925/00; Arbrb. Hasselt 26 maart 1997, AR 965.302; Arbrb. Namen 19 augustus 2005, J. dr. jeun. 2005, 66; D. Cuypers en B. De Vos, «Subjectief recht op maatschappelijke dienstverlening: overzicht van rechtspraak 1994-1998», T.S.R. 1999, 630). Een terugvordering van gegeven steun op basis van een terugbetalingsverbintenis is onmogelijk (R. Stockx, B. Lietaert en K. Neyt, o.c., T.S.R. 2001, 92).

De hierboven vermelde «schulderkenning en terugbetalingsverbintenis» is bovendien ondertekend op 1 april 2003 en dus vooraleer verweerder de financiële dienstverlening toegekend kreeg, zodat de vraag rijst hoe verweerder kon erkennen iets verschuldigd te zijn dat hij nog niet eens ontvangen had.

Voor zover de vordering gebaseerd is op deze verklaring is zij ongegrond.

5. De terugvordering van de kosten van de hulpverlening

De OCMW-wet bevat slechts drie gevallen van terugvordering, waarvan twee ten laste van de betrokkene:

• ingeval van vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte door de begunstigde, vordert het Centrum het geheel van die kosten terug, ongeacht de financiële toestand van de betrokkene (art. 98, § 1, vierde lid, OCMW- wet);

• wanneer een persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem hulp werd verleend, vordert het Centrum de kosten van de hulpverlening terug ten belope van het bedrag van deze inkomsten, rekening houdend met de vrijgestelde minima (art. 99, § 1, OCMW-wet);

– • wanneer het Centrum een voorschot toekent op een pensioen of op enige andere sociale uitkering, treedt het Centrum (in afwijking van art. 1410 Ger. W.) van rechtswege en tot het bedrag van dat voorschot, in de rechten op de achterstallen die de gerechtigde kan doen gelden (art. 99, § 2, OCMW-wet).

Daarnaast kunnen sommige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek – onder bepaalde voorwaarden, zie verder – een grond uitmaken voor de terugvordering ten laste van de betrokkene:

•– wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, kan het OCMW het onverschuldigde terugvorderen op grond van de algemene regel dat iedere betaling een schuld onderstelt: hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd (art. 1235 B.W.);

•– wanneer het OCMW de financiële steun in correcte omstandigheden «terugvorderbaar» heeft gesteld en mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden (zie verder).

Enigszins verwant daarmee geldt art. 98, § 1, eerste lid, OCMW-wet: het OCMW bepaalt de bijdrage van de begunstigde in de kosten van de maatschappelijke dienstverlening, rekening houdend met de inkomsten van de betrokkene. Het «bepalen van een bijdrage in de kosten van de maatschappelijke dienstverlening» en het «invorderen» ervan is echter niet hetzelfde als het «terugvorderbaar stellen» en «terugvorderen» van financiële steun. Deze laatste behoort overigens niet tot de «kosten van de maatschappelijke dienstverlening» zoals bedoeld in art. 98, § 1, eerste lid, OCMW-wet (D. Simoens, OCMW-Dienstverlening, p. 349). Dat ook in art. 98, § 1, vierde lid en art. 99, § 1, OCMW-wet, sprake is van «kosten» doet geen afbreuk aan het gemaakte onderscheid.

Terzijde: er zij aan herinnerd dat de betrokkene in ieder geval recht heeft op een zakgeld – waarvan het bedrag door het OCMW wordt vastgesteld – maar dat in dit zakgeld geenszins de medische kost kan begrepen zijn (Arbrb. Dendermonde 12 december 1995, C.D.P.K. 1997, 158). Dit doet vragen rijzen naar de wettigheid van de aktename in de bestreden beslissing dat verweerder maandelijks 10,00 euro zou betalen door «inhouding op het zakgeld», en de uitvoering ervan: blijkbaar werd er tienmaal 10 euro ingehouden, want eiser vordert slechts een saldo van 385,21 euro.

6. De toekenning en de terugvordering van «terugvorderbare» financiële dienstverlening

Sedert de invoering van de OCMW-wet zijn de maatschappelijke realiteit en het denken daarover geevolueerd. Hoewel deze wet een trendbreuk uitdrukte met een caritatief verleden, zijn gaandeweg de budgettaire, morele en praktische grenzen van het principe «gegeven is gegeven» verkend en is daarnaast een emancipatorische component (empowerment) de resten van een caritatief denken gaan vervangen. De budgettaire overwegingen zijn niet ter zake: het OCMW moet de noodzakelijk hulp verlenen en kan zich daaraan niet onttrekken op grond van de overweging dat de hulp nooit verhaald zal kunnen worden; aan niemand mag om deze redenen de noodzakelijke hulp worden ontzegd.

Terwijl aan het principe van de onvoorwaardelijkheid zeker niet getornd kan worden zonder de wet volledig uit te hollen, lijkt het wel geoorloofd om nieuwe vormen van maatschappelijke dienstverlening te ontwikkelen die aangepast zijn aan de voormelde actuele realiteit. Aldus is het concept «terugvorderbare» steun ontstaan, die in bepaalde uitzonderlijke gevallen inderdaad de meest passende vorm van steun kàn zijn (art. 60, § 3, OCMW-wet).

Hoewel de wet dus nergens «terugvorderbare» financiële steun vermeldt, heeft deze vorm zich in de praktijk wel ontwikkeld in allerlei gedaanten, overigens vaak «op maat» zoals het behoort, soms nagenoeg op contractuele basis (lening, huurwaarborgbetaling mits samensparen, schuldbetaling tegen terugbetaling, overbruggingskrediet, enz.) waarmee de grenzen van de OCMW-wet werden bereikt.

Zodoende dreigt men immers het principe van de onvoorwaardelijkheid van de hulpverlening te schenden: het onderscheid tussen financiële hulpverlening in de meest passende vorm – zoals een contractuele of terugvorderbare vorm – en financiële hulpverlening op voorwaarde van terugbetaling wordt dan flinterdun. Deze evolutie zou finaal in conflict kunnen komen met de essentie van de OCMW-wet als een dergelijke hulpvorm de regel zou gaan worden: hij moet dus een uitzondering blijven en uiteraard adequaat gemotiveerd worden.

Hoewel in de bestreden beslissing het woord «mits» de indruk kan geven dat de terugbetaling als voorwaarde gold, laten de context en de verdere formulering van de terugvordering een dergelijke interpretatie niet toe. De terugbetaling was in casu geen toekenningsvoorwaarde, want uit niets blijkt dat eiser de hulpverlening afhankelijk maakte van verweerders terugbetaling. Het ware uiteraard beter geweest het woord «mits» niet te gebruiken om elke mogelijke foutieve interpretatie uit te sluiten.

De terugbetaling was een modaliteit, een kenmerk van de verleende hulp: eiser verleende de noodzakelijk gebleken financiële steun zonder buitenwettelijke voorwaarden te stellen, maar voegde eraan toe dat verweerder die diende terug te betalen wegens zijn specifieke aard en finaliteit.

Op termijn zou verweerder misschien – mits lang sparen – in staat zijn geweest om de vereiste som van 485,21 euro zelf te betalen, maar de hulpverlening van eiser bestond erin deze som op dat ogenblik ineens te betalen, zodat verweerder die administratieve inregelstelling niet zelf hoefde te doen, en vooral zodat hij onmiddellijk in regel was met zijn ziekteverzekering.

Wegens de rechtstreekse betaling aan het ziekenfonds (en niet aan verweerder) en de afwezigheid van een overeenkomst, kon deze hulp niet als een werkelijke lening noch als een voorschot aan hemzelf worden beschouwd, maar het is begrijpelijk dat een betrokkene een dergelijke hulp wel als zodanig percipieert.

Indien verweerder daarmee niet instemde en een niet-terugvorderbare hulp wenste, had hij tegen deze beslissing beroep kunnen aantekenen (Arbrb. Namen 25 oktober 2002, AR 115.657; Arbrb. Doornik, afd. Moeskroen, 12 november 2002, AR 22.535; Arbrb. Hasselt 16 februari 2001, AR 2003501).
...

Dat de toekenningsbeslissing de financiële steun «terugvorderbaar» noemt, ontslaat het OCMW niet van de verplichting om – als het effectief wil terugvorderen – een formele terugvorderingsbeslissing te nemen. Beslissen dat een financiële steun «terugvorderbaar» is, is slechts een modaliteit of kenmerk van de hulpverlening bepalen, maar is nog niet hetzelfde als beslissen om deze financiële steun terug te vorderen. Zo‘n beslissing tot terug- of invordering stelt de betrokkene overigens uitdrukkelijk in staat er op onbetwistbare wijze kennis van te nemen, en biedt hem de mogelijkheid om eventueel aan het OCMW te vragen er om billijkheidsredenen van af te zien (art. 100bis, § 2, OCMW-wet).

Om financiële hulp buiten de wettelijk uitdrukkelijk benoemde gevallen en uitzonderlijk te kunnen terugvorderen, moet het OCMW dus niet alleen beslissen om de financiële steun toe te kennen, maar meteen in duidelijke bewoordingen en gemotiveerd beslissen om deze hulp «terugvorderbaar» te stellen en bovendien even duidelijk beslissen om hem effectief terug te vorderen, met vermelding van het bedrag en de (eventuele) terugbetalingsmodaliteiten.

In casu heeft eiser daaraan voldaan.

7. De menselijke waardigheid als absolute norm

Mag het OCMW de terugbetaling vragen op grond van art. 1251, 3o, B.W. en na een adequate beslissing, dan betekent dit nog niet dat het dit in alle omstandigheden mag doen: het OCMW moet ook de tekst en de geest van de OCMW-wet naleven. De grens of het criterium is de menselijke waardigheid die op een bepaald ogenblik en in een concrete situatie voor de betrokkene moet gerealiseerd worden en blijven.

Wellicht kennen veel OCMW‘s in de regel en terecht een dergelijke eenmalige financiële hulp toe zonder terug te vorderen, maar het behoort tot de beleidsvrijheid van het OCMW om dit bij uitzondering wel te doen, als de menselijke waardigheid maar niet bedreigd wordt. Kent het OCMW de financiële steun – zoals in casu – enkel toe «mits terugbetaling», waardoor die «terugvorderbaar» wordt, dan kan dit alleen:

– in uitzonderlijke omstandigheden,

•– na een specifieke en adequate motivering, en

–• als de menselijke waardigheid van het leven van de betrokkene niet wordt gehypothekeerd of aangetast door de terugbetalingsplicht (Arbrb. Antwerpen 25 februari 2002, AR 339.475; Arbrb. Turnhout 11 januari 2002, AR 24.930).

De betrokkene moet in staat zijn deze terugbetaling te dragen, zonder gevaar voor een verlies van de menselijke waardigheid. Deze voorwaarde geldt zowel bij de beslissing waarbij de eenmalige financiële steun als «terugvorderbaar» wordt toegekend, als bij de beslissing tot terugvordering en haar uitvoering, d.w.z. gedurende de hele recuperatieperiode (Arbrb. Hoei 5 september 2001, AR 54.405; Arbrb. Luik 4 oktober 2001, AR 314.003).

Anders dan in art. 98, § 1, vierde lid, OCMW-wet wordt bepaald, rust hier op het OCMW overigens geen verplichting om tot terugvordering over te gaan «ongeacht de financiële toestand van de betrokkene», en zelfs in dit geval zou de betrokkene niet gedwongen mogen worden tot een leven dat niet beantwoordt aan de menselijke waardigheid (D. Simoens, OCMW- dienstverlening, 362); deze evidentie moet het OCMW altijd voorstaan wanneer het terugvordert.

8. Het leefloonbedrag laat een terugbetaling niet toe

Verweerder had als inkomen enkel en alleen het leefloon.

Behoudens andersluidende gegevens wordt het leefloon wettelijk geacht te volstaan om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid; dit laatste is daarmee zelfs nog niet in alle situaties gewaarborgd (Arbrb. Brugge, afd. Brugge 4 januari 2001, A.J.T. 2000-01, 873; Soc. Kron. 2002, 551).

Eiser heeft nagelaten te onderzoeken of het leefloon voor verweerder volstond voor een leven dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Wegens dit gebrek aan gegevens kan de rechtbank dit onderzoek niet overdoen en moet zij noodzakelijkerwijze uitgaan van het vermoeden dat er geen andersluidende gegevens zijn en dat het leefloon dus volstond.

De betaling van 10 euro per maand gedurende vier jaren moge voor de modale burger geen probleem opleveren, dit is niet evident voor wie enkel over een leefloon beschikt. Terwijl de normale bijdragen voor het ziekenfonds geacht mogen worden betaald te kunnen worden door wie het leefloon geniet – en ook door verweerder nog effectief betaald dienden te worden – is dit niet het geval voor een bijkomende maandelijkse terugbetalingslast van 10 euro. Het is niet logisch dat mensen met het leefloon als enig inkomen leningen of terugbetalingen krijgen opgelegd waardoor op hun reeds karig inkomen nog wordt beknibbeld (R. Stockx, B. Lietaert en K. Neyt, o.c., T.S.R. 2000, 95).

Het leefloon mag in de regel geacht worden te volstaan om menswaardig te leven en dus onder meer om de gewone ziekenfondsbijdragen van 5,10 euro per maand te betalen, maar niet voor een bijkomende 10 euro. Het leefloon is al erg krap, en eiser bewijst niet dat er in de concrete situatie van verweerder ruimte was voor een dergelijke langdurige maandelijkse extra- kost van 10 euro.

 

Nuttige tips: 

Rechtsleer: Dries Simoens, Terugvordering door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ven de verstrekte hulp ten laste van de ontvanger ervan, RW 2008-2009, 50

Commentaar: 

GwH, 14/07/2011, AR 133/2011, juridat

samenvatting

Het Hof zegt voor recht :
Artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het toestaat de vordering tot terugvordering gedurende vijf jaar uit te oefenen.

tekst arrest

Het Grondwettelijk Hof,
wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest van 13 december 2010 in zake Saqip Idrizaj en Kumrije Sinani tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Hoei, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 december 2010, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat de in artikel 24, § 1, van dezelfde wet bedoelde vordering tot terugvordering van het leefloon verjaart overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek wanneer de onverschuldigde betaling is uitgevoerd zonder bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene, terwijl, volgens artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, de terugvordering van de in dezelfde omstandigheden betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

B.1. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat de in artikel 24, § 1, van dezelfde wet bedoelde terugvordering van het leefloon verjaart overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid,
van het Burgerlijk Wetboek wanneer de onverschuldigde betaling is uitgevoerd zonder bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene, terwijl, volgens artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, de terugvordering van de in dezelfde omstandigheden betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd.

B.2.1. Artikel 24 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (hierna : de wet van 26 mei 2002) bepaalt de gevallen waarin het OCMW op de betrokkene het leefloon kan verhalen dat hem werd uitgekeerd :
« § 1. Het leefloon uitgekeerd met toepassing van deze wet wordt op de betrokkene verhaald :
[...]
2° indien hij de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem een leefloon werd uitbetaald. In dit geval is de terugvordering beperkt tot beloop van het bedrag waarvoor die inkomsten bij de berekening van het leefloon in aanmerking hadden moeten worden genomen indien hij er te dien tijde reeds de beschikking over zou hebben gehad. In afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek treedt het centrum van rechtswege en tot beloop van dat bedrag in de rechten die de begunstigde op de hierboven bedoelde inkomsten kan doen gelden.
[...] ».

Buiten de in artikel 24, § 1, bedoelde gevallen, is geen enkele terugvordering van het leefloon bij de betrokkene mogelijk (artikel 24, § 2, van de wet van 26 mei 2002).

B.2.2. Artikel 29 van de wet van 26 mei 2002 bepaalde, vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009 :
« § 1. De terugvordering bedoeld in artikel 24, § 1 en de vordering bedoeld in artikel 27, eerste lid, verjaren overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
[...] ».

B.2.3. Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :

« Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar ».

B.3. Artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers bepaalt :

« De terugvordering van de ten onrechte betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.

De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven.

De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien ten onrechte werd betaald in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene ».

Die bepaling treedt echter pas in werking op de datum die de Koning bepaalt, overeenkomstig artikel 41 van de voormelde wet. Op de datum van de uitspraak van dit arrest is daartoe geen enkel koninklijk besluit aangenomen.

B.4. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over een verschil in behandeling dat zou voortvloeien uit de vergelijking tussen de in artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verjaringstermijn van tien jaar en de in artikel 30, § 1, van de voormelde wet van 29 juni 1981 bedoelde verjaringstermijn van drie jaar.

B.5. In zijn arrest nr. 147/2008 van 30 oktober 2008 heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 29, § 1, van de voormelde wet van 26 mei 2002, vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond in zoverre de verjaringstermijn waarnaar het verwijst, de in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verjaringstermijn van vijf jaar overschrijdt. Tegemoetkomend aan die rechtspraak wordt in het arrest van het Arbeidshof te Luik, waartegen de cassatievoorziening bij de verwijzende rechter is ingesteld, de toepassing van artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 geweerd in zoverre de verjaringstermijn vijf jaar overschreed.

B.6. Er moet nog worden onderzocht of de aldus toegepaste verjaringstermijn bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in vergelijking met de verjaringstermijn van drie jaar zoals bedoeld in artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981.

B.7. In tegenstelling tot wat het OCMW van de stad Hoei aanvoert, belet niets het Hof zich uit te spreken over de grondwettigheid van een wetsbepaling wanneer die wordt vergeleken met een bepaling die, zoals te dezen het geval is, nog niet in werking is getreden.

B.8. Door artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 aan te nemen, heeft de wetgever ervoor gezorgd niet toe te staan dat de inzake sociale zekerheid gestorte uitkeringen, wanneer die onverschuldigd zijn geïnd, binnen de gemeenrechtelijke termijnen kunnen worden teruggevorderd. Hij heeft rekening willen houden met het feit dat « de eigen aard en het toenemende technische aspect van de normatieve teksten die ons socialezekerheidssysteem beheersen [...] een bijzondere regeling [vereisen] voor de materie van de terugvordering van onverschuldigde bedragen ten aanzien van de principes van het burgerlijk recht » (Parl. St., Senaat, 1979-1980, 508, nr. 1, p. 25). Hij heeft tevens erover gewaakt dat de korte verjaringstermijnen niet van toepassing zijn « in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene » en in dat geval de verjaringstermijn tot vijf jaar beperkt (artikel 30, § 1, derde lid, van de voormelde wet van 29 juni 1981).

B.9.1. Hoewel het wenselijk kan voorkomen dat de verjaringstermijnen inzake sociale prestaties zoveel als mogelijk worden geharmoniseerd, kan uit het enkele feit dat de verjaringstermijn bedoeld in artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002, vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009 en overeenkomstig het voormelde arrest nr. 147/2008 van het Hof tot vijf jaar teruggebracht, verschilt van die welke is opgenomen in een nimmer in werking gestelde bepaling die beoogde een dergelijke harmonisatie tot stand te brengen, niet worden afgeleid dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verschillende verjaringstermijnen, gepaard zou gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken partijen.

B.9.2. Het leefloon maakt deel uit van een niet op bijdragen berustend residuair stelsel. Het is een « geïndexeerd inkomen dat de persoon in staat moet stellen om een menswaardig bestaan te leiden » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 7).

Overeenkomstig artikel 3 van de wet van 26 mei 2002, moet de aanvrager van een leefloon aan een aantal voorwaarden voldoen; zo mag hij, onder andere, niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak op kunnen maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven; daarnaast moet de aanvrager werkbereid zijn, onder voorbehoud van de bovenvermelde gezondheids- of billijkheidsredenen.

Het uitgekeerde leefloon kan op de betrokkene worden verhaald indien hij de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem een leefloon werd uitbetaald.

In dat geval is de terugvordering beperkt tot beloop van het bedrag waarvoor die inkomsten bij de berekening van het leefloon in aanmerking hadden moeten worden genomen indien hij er te dien tijde reeds de beschikking over zou hebben gehad. De omstandigheid dat die terugvordering gedurende vijf jaar kan plaatsvinden, en niet slechts gedurende drie jaar, kan op zichzelf niet in strijd worden geacht met de doelstelling van maatschappelijke integratie die door de wet van 26 mei 2002 wordt nagestreefd en doet derhalve niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken personen.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :

Artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het toestaat de vordering tot terugvordering gedurende vijf jaar uit te oefenen.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 juli 2011,

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: zo, 14/05/2017 - 14:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.