-A +A

Termijn van wraking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

zie Artikel 833 Ger.W. "Hij die een wraking wil voordragen, moet dit doen voor de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan.

Wanneer de redenen van wraking later zijn ontstaan (dus na de pledooien), dient de wraking onverwijld te worden voorgedragen. Met "onverwijld" wordt hierbij bedoeld: "van zodra de grond van wraking bekend is (Cass. 31/01/2003, A.C. 2003, 289).

In een arrest van het Hof van Cassatie van 12 maart 2010, A.C. 2010, 747 wordt dit verder verduidelijkt als volgt: "zodra de partij die zich erop beroept ervan op de hoogte is en, in elk geval, voor de sluiting van het debat".

De wraking is het recht aan elke procespartij toegekend om te weigeren gevonnist te worden door één of meerdere redenen van het bevoegde gerecht op basis van gegronde motieven" Aldus kan wraking niet meer worden voorgedragen eens er een uitspraak is tussengekomen..

Zie ook Hof van Beroep Gent, 18 april 2013, NJW, 2014/296, 136 (Alwaar het Hof de stelling van Cassatie volgde en eraan toevoegde dat eens er een uitspraak gewezen is , een partij geen dadelijk belang meer heeft bij een wraking conform de bepalingen van artikel 17 en 18 Ger.W). Zie ook noot onder dit arrest van C. Van Severen, Wraking, NJW 2014/296, 136

Wraking wanneer? (art. 833 Ger. W.)

Voor de aanvang van de pleidooien (zelfs voor de pleidooien over tussengeschillen), behoudens indien de reden tot wraking later is ontstaan. Wanneer de gronden van wraking na de aanvang van het geding zijn ontstaan moet de wraking worden voorgedragen op de eerstvolgende terechtzitting na die waarop of waarna de wrakingsgrond is ontstaan. Voor redenen die ontstaan zijn na de aanvang van de pleidooien moet de wraking onverwijld gebeuren zodra de grond voor wraking gekend is.

Krachtens artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, moet hij die een wraking wil voordragen, dit doen voor de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan.

Met de aanvang van de pleidooien wordt bedoeld het tijdstip waarop één der partijen in de zaak begint te pleiten en niet het tijdstip waarop het pleidooi van de partij die de wraking wil voordragen, een aanvang neemt.

De wraking die na de aanvang van de pleidooien wordt ingesteld, is nochtans ontvankelijk, wanneer zij gegrond is op redenen die pas aan het licht kwamen tijdens de rechtszitting waarop de pleidooien gehouden zijn.

Die uitzondering geldt niet wanneer de partij die de wraking wil voordragen, reeds vóór de aanvang van de pleidooien van de aangevoerde redenen tot wraking kennis had kunnen hebben. (Cass. 12/01/2012, AR C.12.0016.N juridat)
 

Justice must not only be done, but must be seen to be done

Er zijn 12 gronden van wraking die door de partijen kunnen worden ingeroepen en opgesomd worden in artikel acht onder de 28 van het gerechtelijk wetboek. Daarnaast is er het verondersteld gezond verstand van de rechter die zich vrijwillig kan onthouden op grond van artikel 831 gerechtelijk wetboek. Dit is het verschoningsrecht van de rechter.

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

HOOFDSTUK V. _ Wraking en verschoning.
Art. 828. Ieder rechter kan worden gewraakt om de volgende redenen:
( wegens wettige verdenking;) <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
() indien de rechter of zijn echtgenoot persoonlijk belang bij het geschil heeft; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
() indien de rechter of zijn echtgenoot bloed- of aanverwant van de partijen of van een hunner in de rechte lijn is, (...), of in de zijlijn tot in de vierde graad, of indien de rechter bloed- of aanverwant in de voormelde graad is van de echtgenoot van een der partijen; <W 1987-03-31/52, art. 79, 006; Inwerkingtreding : 06-06-1987> <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; ED : 02-10-2001>
() (indien de rechter, zijn echtgenoot, hun bloed- of aanverwanten in de opgaande en de nederdalende lijn, een geschil hebben) over een gelijksoortige aangelegenheid als waarover de partijen in geschil zijn; <W 24-6-1970, art. 12> <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
() indien in hun naam een geding aanhangig is voor een rechtbank waarin een van de partijen rechter is; indien zij schuldeiser of schuldenaar van een der partijen zijn; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
() indien een crimineel geding is gevoerd tussen hen en een van de partijen, of hun echtgenoten, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
() indien er een burgerlijk geding hangende is tussen de rechter, zijn echtgenoot, hun bloedverwanten in de opgaande en de nederdalende lijn of hun aanverwanten in dezelfde lijn, en een van de partijen, en dat geding, indien het door de partij is ingesteld, begonnen is vóór het geding waarin de wraking wordt voorgedragen; indien dat geding, ingeval het afgehandeld is, binnen zes maanden vóór de wraking afgedaan is; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
() indien de rechter voogd, toeziende voogd of curator, voorlopig bewindvoerder of gerechtelijk raadsman, begiftigde of vermoedelijk erfgenaam, meester of vennoot van een der partijen is; indien hij beheerder of commissaris is van enigerlei instelling, vennootschap of vereniging die partij is in het geding; indien een der partijen zijn begiftigde of vermoedelijke erfgenaam is; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
() indien de rechter raad gegeven, gepleit of geschreven heeft over het geschil; indien hij daarvan vroeger kennis heeft genomen als rechter of als scheidsrechter, behalve indien hij in dezelfde aanleg: <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
1. heeft medegewerkt aan een vonnis of een uitspraak alvorens recht te doen;
2. na uitspraak te hebben gedaan bij verstek, van de zaak kennis neemt op verzet;
3. na uitspraak te hebben gedaan op een voorziening, later van dezelfde zaak kennis neemt in verenigde kamers;
(10°) indien de rechter heeft deelgenomen aan een vonnis in eerste aanleg en hij van het geschil kennis neemt in hoger beroep; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(11°) indien hij als getuige is opgetreden; indien hij, sedert de aanvang van het geding, door een partij op haar kosten ontvangen is of geschenken van haar heeft aangenomen; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(12°) indien er tussen hem en een van de partijen een hoge graad van vijandschap bestaat; indien er zijnerzijds aanrandingen, mondelinge of schriftelijke beledigingen of bedreigingen hebben plaatsgehad sinds de aanleg van het geding of binnen zes maanden vóór de voordracht van de wraking. <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
Art. 829. De bepalingen betreffende de wraking van rechters gelden voor raadsheren in sociale zaken en rechters in sociale zaken of in handelszaken.
De raadsheer of de rechter in sociale zaken of in handelszaken kan bovendien worden gewraakt:
1° indien hij met een van de partijen verbonden is geweest door een arbeidsovereenkomst;
2° indien hij lid is geweest van het personeel, of van het bestuur- of beheersorgaan van een rechtspersoon met wie een van de partijen verbonden is geweest door een arbeidsovereenkomst.
Art. 830. Er is geen reden tot wraking in de gevallen waarin de rechter verwant is aan de voogd, de curator, de voorlopige bewindvoerder of de gerechtelijke raadsman van een van beide partijen, of aan de beheerders of commissarissen van een instelling, vennootschap of vereniging die partij is in de zaak, tenzij de bedoelde voogden, beheerders of betrokkenen een afzonderlijk of persoonlijk belang hebben.
Art. 831. Iedere rechter die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden.
Art. 832. De redenen waarom een rechter kan worden gewraakt, gelden voor het openbaar ministerie, tenzij het als hoofdpartij in het geschil optreedt.
Art. 833. Hij die een wraking wil voordragen, moet dit doen voor de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvorens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven.
Art. 834. Tegen rechters aangesteld voor een plaatsopneming, een getuigenverhoor of een andere verrichting kan, op straffe van verval, geen wraking worden voorgedragen dan binnen drie dagen, die ingaan:
1° indien het vonnis op tegenspraak gewezen is, op de dag van het vonnis;
2° indien het vonnis bij verstek gewezen is en geen verzet gedaan is, op de dag dat de termijn voor verzet verstrijkt;
3° indien het vonnis bij verstek gewezen is en verzet gedaan is, op de dag dat het verzet, zelfs bij verstek, afgewezen is.
Art. 835. <W 2003-12-22/42, art. 375, 069; Inwerkingtreding : 10-01-2004> Op straffe van nietigheid wordt de vordering tot wraking ingeleid bij een ter griffie neergelegde akte die de middelen bevat en ondertekend wordt door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven.
Art. 836. De akte van wraking wordt binnen vierentwintig uren door de griffier overhandigd aan de gewraakte rechter.
Deze is gehouden binnen twee dagen onderaan op die akte een verklaring te stellen, luidens welke hij in de wraking berust of weigert zich van de zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen van wraking.
Art. 837. Te rekenen van de dag van de mededeling aan de rechter worden alle vonnissen en verrichtingen geschorst (behalve wanneer de vordering niet uitgaat van een partij of van het openbaar ministerie). <W 2003-12-22/42, art. 376, 069; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Indien een van de partijen evenwel beweert dat de verrichting spoedeisend is en dat vertraging gevaar oplevert, kan zij aan de voorzitter van de rechtbank of aan de eerste voorzitter van het hof vragen het tussengeschil op de zitting te brengen; de griffier roept de partijen op bij gerechtsbrief.
De eerste voorzitter of de voorzitter die de aanvraag inwilligt, beveelt dat een andere rechter zal optreden. (Wanneer de wraking van een onderzoeksrechter wordt gevorderd, beveelt de eerste voorzitter of de voorzitter, op vordering van het openbaar ministerie, dat een andere rechter zal optreden.) <W 2001-06-10/75, art. 6, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(De in het eerste lid bedoelde schorsing van vonnissen en verrichtingen neemt een einde wanneer de rechten die verschuldigd zijn krachtens artikel 269.1 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, niet zijn betaald binnen acht dagen te rekenen van de toezending bedoeld in artikel 838, eerste lid.) <W 2000-06-30/47, art. 43, 052; Inwerkingtreding : 27-03-2001>
Art. 838. (Binnen drie dagen na het antwoord van de rechter die weigert zich van de zaak te onthouden of bij gebreke van een antwoord binnen die termijn, zendt de griffier de akte van wraking en de verklaring van de rechter, indien er een is, aan de procureur des Konings wanneer het een vrederechter of een rechter van de politierechtbank betreft, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep wanneer het een lid van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel betreft, aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie wanneer het een lid van het hof van beroep of van het arbeidshof betreft of wanneer het een lid van het Hof van Cassatie betreft.) <W 1998-03-12/38, art. 7, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
(Over de wraking wordt binnen acht dagen in laatste aanleg uitspraak gedaan door de rechtbank van eerste aanleg, door het hof van beroep, door het arbeidshof of door het Hof van Cassatie, naar gelang van het geval, op de conclusie van het openbaar ministerie, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen om hun opmerkingen te horen.) <W 1998-03-12/38, art. 7, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
(Indien daarenboven een geldboete wegens kennelijk onontvankelijk verzoek verantwoord kan zijn, wordt, bij dezelfde beslissing, een rechtsdag bepaald op een nabije datum, waarop alleen dit punt zal worden behandeld. De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op om tegen die datum hun opmerkingen schriftelijk mee te delen.
De geldboete bedraagt125 EUR tot2 500 EUR. De Koning mag het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De geldboete wordt geïnd door de Administratie der Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.) <W 2001-06-10/75, art. 7, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001> (NOTA : tot 31 december 2001 gelden in de plaats van de bedragen van " 125 EUR " en " 2 500 EUR " de bedragen van " 5 000 Belgische frank " en " 100 000 Belgische frank " W 2001-06-10/75, art. 11>)
Binnen (achtenveertig) uren na de beslissing doet de griffier ze aan de partijen betekenen door de deurwaarder die de rechtbank of het hof daartoe aanstelt. <W 2001-06-10/75, art. 7, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
Art. 839. Indien de wrakende partij geen bewijs door geschrifte of geen begin van bewijs levert van de wrakingsgronden, kan de rechtbank de wraking verwerpen op de eenvoudige verklaring van de rechter dan wel een getuigenbewijs bevelen.
Art. 840. Indien de wraking verworpen is, mag de rechter, indien daartoe redenen zijn, schadevergoeding van de partij vorderen. Zulke vordering mag slechts worden toegelaten, indien hij er zich van onthouden heeft in de zaak zitting te nemen.
Art. 841. Erkent de gewraakte rechter de feiten waarop zijn wraking gegrond is, of worden die feiten bewezen, dan wordt hem bevel gegeven zich van de zaak te onthouden.
Indien de wraking wordt toegestaan, wordt de rechter die geweigerd heeft zich van de zaak te onthouden, verwezen in de kosten.
Art. 842. <W 2001-06-10/75, art. 8, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001> Het vonnis of arrest dat een vordering tot wraking van een rechter heeft verworpen, belet niet dat een nieuwe vordering wordt ingesteld wegens feiten die zich sedert de uitspraak voorgedaan hebben.12/38, art. 8, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12>

De regels mbt de wraking van deskundigen wordt uitgewerkt onder de artikelen 928 tot 842 Gerechtelijk wetboek.

Rechtspraak:

• Cass. 23 JANUARI 2009; 

Het verzoek tot wraking, waarvan een afschrift aan dit arrest is gehecht, werd neergelegd op de griffie van het Hof van Beroep te Brussel op 6 januari 2009. Het is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven.


De magistraten wiens wraking gevorderd wordt, hebben op 6 en 7 januari 2009 de bij artikel 836, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, voorgeschreven verklaring gedaan, volgens welke kamervoorzitter Paul Blondeel weigert zich van de zaak te onthouden en de raadsheren Koenraad Moens en Catharina Van Santvliet verklaren dat het verzoek ten hunne opzichte zonder voorwerp is, dam zij geen deel uitmaken of meer uitmaken van de achttiende kamer van het Hof van Beroep te Brussel en ook geen bijzondere opdracht hebben gekregen om zitting te houden in de zaak.

II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconctudeerd.

IIL BESLISSING VAN HET HOF
1. De verzoekster vordert de wraking van kamervoorzitter Paul Blondeel en van de raadsheren Koenraad Moens en Catherine Van Santvliet op grond van de artikelen 828, 1°, en 828, 9°, van bet Gerechtelijk Wetboek om reden dat deze magistraten eerder van datzelfde geschil reeds kennis zouden hebben genomen, minstens niet zouden beschikken over de vereiste onpartijdigheid en objectiviteit.

2. Krachtens artikel 833 van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij die een wraking wil voordragen dit doen voor de aanvang van de pleidooien, ook van die welke
betrekking hebben op de tussengeschitlen over de rechtspleging, tenzij de wrakingsgronden daarna zijn tussengekomen.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan volgt dat de verzoekster in de zaak AR 2008/MR/22 op 20 november 2008 een conclusie heeft neergelegd, waarbij zij niet alleen vorderde dat de zaak overeenkomstig het artikel 88, §2 juncto her artikel 109 van her Gerechtelijk Wetboek door de eerste voorzitter zou worden toebedeeld aan een andere kamer dan de achttiende kamer, maar, in ondergeschikte orde, ook dat de achttiende kamer door tussenkomst van de eerste voorzitter op grond van bet "non bis in idem" beginsel anders zou worden samengesteld.

War de gevorderde toebedeling van de zaak aan een andere kamer betrett, wees de verzoekster erop dat krachtens bet bijzonder reglement van bet Hofvan Beroep te Brussel de eerste kamer bis als inleidingskamer fungeert voor alle burgerlijke en commerci61e zaken, zodat het verzoekschrift tot hoger beroep ten onrecht rechtstreeks werd ingediend bij de achttiende kamer van dit hof.

Wat de in ondergeschikte orde gevorderde wijziging van de samenstelling van de achttiende kamer betreft, zette de verzoekster uiteen dat een behandeling van de zaak door de achttiende kamer voor gevolg zou hebben dat magistraten, die eerder reeds kemais namen van het geschil, er opnieuw kennis zouden van nemen, buiten een van de uitzonderingsgevallen voorzien door het artikel 828, 9°, van her Gerechtelijk Wetboek, hetgeen meteen ook niet zou stroken met "de vereiste objectieve onpartijdigheid, algemeen rechtsbeginsel dat onder meer uitdrukking vindt in de artikelen 292 en 828, 8° en 9°, Ger.W.". In haar conclusie van 21 november 2008 stelde de nv UGC Belgium dat de
verzoekster, die zelfs niet betwist dat de achttiende kamer bevoegd is om in deze zaak uitspraak te doen ten gronde, misbruik maakt van haar mogelijkheid een verdelingsincident uit te lokken.

Voorts wees de nv UGC Belgium er op dat, waar de verzoekster zich beroept op artikel 828, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek, zij zich in werkelijkheid beroept op een wrakingsgrond, zodat er manifest geen sprake is van een verdelingsincident.

Gezien de vormvoorschriften van artikel 835 van her Gerechtelijk Wetboek niet werden nageleefd zou deze vordering tot wraking evenwel niet ontvankelijk zijn.

Door de vzw FCB werd in dezelfde zin geconcludeerd dat hetgeen door de verzoekster werd aangevoerd niet kon worden aangebracht "via een zgn. verdelingsincident doch enkel via een verzoek tot wraking op grond van de daartoe ge6igende procedure".

Bij arrest van de achttiende kamer van het Hof van Beroep te Brussel van 23 december 2008 werd vastgesteld dat door de onderscheiden partijen over dit tussengeschil werd gepleit ter terechtzitting van 25 november 2008.

Voorts werd het verzoek van de verzoekster bij dit arrest verworpen in zoverre het de toepassing beoogde van het artikel 88, §2, van het Gerechtelijk Wetboek.

Inzoverre het verzoek in werkelijkheid de wraking van rechters beoogde werd het
als niet ontvankelijk afgewezen omdat het niet werd ingesteld zoals, op straffe van nietigheid, voorzien in artikel 835 van het Gerechtetijk Wetboek.

4. Hieruit volgt dat het verzoek tot wraking in zoverre gericht tegen kamervoorzitter Paul Btondeet werd ingeleid nadat partijen reeds hadden gepleit over een tussengeschil nopens de rechtspleging, terwijl de verzoekster de tegen die magistraat aangevoerde wrakingsgronden toen reeds kende. Het verzoek tot wraking gewaagt niet van een nieuwe wrakingsgrond die zou ontstaan zijn nadat de verzoekster ter terechtzitting van 25 november 2008 over het tussengeschil had gepleit.

Het verzoek is in zoverre niet ontvankelijk.

5. In zoverre gericht tegen de raadsheren Koenraad Moens en Catharina Van Santvliet, die geen deel uitmaken of meer uitmaken van de achttiende kamer van het Hof van Beroep te Brussel en ook geen bijzondere opdracht bebben gekregen om in de onderhavige zaken te zetelen of verder te zetelen, is het verzoek zonder voorwerp.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het verzoek.

Overige rechtspraak:

•  Cass. 23 januari 2009 C.2009.0008.N

Een verzoek tot wraking van een magistraat dat werd ingeleid nadat partijen reeds hadden gepleit over een tussengeschil nopens de rechtspleging, terwijl de verzoeker de tegen die magistraat aangevoerde wrakingsgronden toen reeds kende, en zonder dat een nieuwe wrakingsgrond wordt aangevoerd die zou ontstaan zijn nadat de verzoeker over dit tussengeschil had gepleit, is niet ontvankelijk . Zie Cass., 26 dec. 2001, AR P.01.1716.F, A.C., 2001, nr.
722.- Art. 833 Gerechtelijk Wetboek

• Cass. 12 januari 2009 C.2008.0614.F

De magistraat wiens wraking gevorderd wordt, heeft door de vraag te stellen naar de mate waarin de zaak bij hem aanhangig is en de zaak te verdagen om de appellante de gelegenheid te geven hierover een advocaat te raadplegen, geen raad over het geschil gegeven en neemt hij geen houding aan die bij de partij of bij derden gewettigde verdenking kan wekken omtrent zijn geschiktheid om met de vereiste onpartijdigheid en onafhankelijkheid uitspraak te doen.

• Cass. 18 februari 2010

Een rechter die moet oordelen of een rechtsvordering het gezag van gewijsde miskent van een eerdere beslissing doet geen uitspraak over een zaak waarvan hij reeds voordien kennis genomen heeft, ook al heeft hij die eerdere uitspraak geveld

• Cass. 28/10/2010 juridat

Wraking is het recht dat de wet aan een partij toekent om de berechting door een of meer leden van het bevoegde gerecht te weigeren.
Wraking mag dus niet meer worden voorgedragen zodra de zaak waarvan de rechters kennisgenomen hebben niet langer bij hen aanhangig is omdat zij hun beslissing hebben gewezen.
Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de zaak, nadat zij werd gepleit en behandeld op de terechtzitting van 24 juni 2010 van het hof van beroep, in beraad werd genomen en dat er op 30 augustus 2010 een arrest werd gewezen waardoor dat hof zijn bevoegdheid volledig heeft uitgeoefend.
De wraking is voorgedragen bij een verzoekschrift dat op 22 september 2010 ter griffie van het hof van beroep is neergelegd, en bijgevolg is de vordering niet ontvankelijk.

Nog dit: 

Initiatiefrecht tot wraking:

Elke partij in het geding, maar ook niemand anders dan een partij in het geding kan een verzoek tot wraking neerleggen. Een advocaat is geen partij. Vijandigheid tussen een advocaat en een rechter maken dus strikt genomen geen wraking uit ten ware de houding zou overslaan of kunnen overslaan naar de cliënt.

Redenen tot wraking:

Beperkt tot de 12 voormelde redenen, die een persoonlijke houding veronderstellen van de rechter ten aanzien van de partijen of één van hen.

Wraking tegen wie?

De wraking moet gericht zijn tegen welbepaalde rechters en niet tegen een rechtscollege als zodanig

 

Procedure:

De wraking gebeurt zeker niet op de zitting, maar door neerlegging van een wrakingsakte in de vorm van een gemotiveerd verzoekschrift ter griffie van het gerecht dat van de zaak kennis moet nemen en ondertekend door een advocaat die minstens 10 jaar bij de balie is ingeschreven met aanduiding van de bewijsmiddelen, ministens het begin van bewijs. De rechter die over het wrakingsverzoek dient te oordelen kan een getuigenbewijs bevelen.Enkel de gronden vermeld in het verzoekschrift tot wraking worden behandeld. Gronden die later in het mondeling debat worden bijgebracht worden onbesproken gelaten.(Cass. 2 juni 2008, AR C.08.0215.N, www.cass.be en Juristenkrant 2008 (weergave W. Vandeputte), afl. 173, 24.).

Binnen 24 uur wordt de akte van wraking door de griffier overhandigd aan de gewraakte rechter.
Binnen 2 dagen moet de rechter op de akte een verklaring stellen waarmee hij in de wraking berust of weigert zich van de zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen van wraking.
Aanvaardt de rechter zich te onthouden, dan heeft het verzoek geen voorwerp meer en dient het niet naar het hof te worden verwezen. Van zodra de gewraakte rechter kennis heeft van het wrakingsverzoek en voorzover het wrakingsverzoek uitgaat van en partij in het geding, wordt de procedure geschorst.

Bevoegde wrakingsrechter.

De rechtbank die uitspraak doet over de wraking is het gerecht, onmiddellijk hoger in rang dan dat waartoe de gewraakte rechter behoort.

Binnen 3 dagen na het antwoord van de gewraakte rechter [of, bij het uitblijven van een antwoord van de gewraakte rechter, binnen die termijn] zendt de griffie de akte van wraking samen met de eventuele verklaring van de rechter aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat over de wraking moet oordelen.

De partijen worden voor dit gerecht opgeroepen via gerechtsbrief of aangetekende brief. De procedure verloopt op tegenspraak, in die zin alle partijen die in het geding betrokken zijn gehoord worden. Let wel in dit geding is de gewraakte rechter geen partij en wordt deze dus ook niet opgeroepen. De enige wijze waarop de gewraakte rechter argumenten kan doen gelden is door en in de schriftelijke reactie binnen de 3 dagen na kennisname van de wrakingsakte, dan wel na vrijwillige of gedwongen tussenkomst.

Het openbaar ministerie concludeert. Deze conclusie mag mondeling zijn.
Over de wraking wordt binnen 8 dagen uitspraak gedaan : de voorgeschreven termijn is substantieel en van openbare orde.

Indien het wrakingsverzoek kennelijk onontvankelijk wordt geoordeeld kan een geldboete worden opgelegd. (de geldboete bedraagt 125 tot 2.500 EUR).

Indien de wraking wordt verworpen dan kan de rechter, schadevergoeding van de wrakende partij vorderen

Indien de wraking wordt toegelaten dan wordt de rechter die weigerde zich van de zaak te onthouden in de kosten verwezen.

De uitspraak wordt binnen de 48 uur betekend aan de partijen, door de deurwaarder die werd aangesteld in de uitspraak.

Er is geen beroep mogelijk : de uitspraak over de wraking wordt gewezen in laatste aanleg.

Alleszins wordt het recht van verdediging in acht genomen : de wrakingsprocedure is op tegenspraak t.o.v. de wrakende partij en t.o.v. de andere partijen in het hoofdgeding.
De gewraakte rechter is alleszins geen partij, behoudens vrijwillige of gedwongen tussenkomst.
Er wordt uitspraak gedaan op de conclusie van het openbaar ministerie maar deze conclusie mag mondeling zijn.
Over de wraking wordt binnen 8 dagen uitspraak gedaan : de voorgeschreven termijn is substantieel en van openbare orde.

Spaghetti-arrest Cass. 14 oktober 1996, JT 1996, 670

Art. 828, 1° wettige verdenking) werd als wrakingsgrond werd ingevoerd bij wet van 10 juni 2001 naar aanleiding en in reactie op Spaghetti-arrest Cass. 14 oktober 1996, JT 1996, 670 en beoogde om – vooral rekening houdende met de positie van onderzoeksrechters – het toepassingsgebied van de wraking te verruimen. Het
begrip “wettige verdenking” vindt oorsprong in art. 648, 2° Ger.W. waarin de gronden tot onttrekking van de zaak aan de rechter zijn opgegeven. Voorheen  sloeg “wettige verdenking” voornamelijk op de bekommernis dat de rechter zich zou laten leiden door “gevoelens die niets uit te staan hebben met het recht”. (Cass. 21 juni 1932, Pas. 1932, I, p. 197).

• Cass.10 december 1992, RW 1992-93, 1101;
• Cass. 5 mei 1994, RW 1994-95, 861).

Verwantschap in de vierde graad geen reden tot gewettigde verdenking

• Cass 11/01/2012, P.12.0009.F, juridat,

Samenvatting

De verwantschap in de vierde graad, met de korpschef van het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, van een procespartij die naar dat rechtscollege is verwezen, vormt op zich niet zo een nauwe graad van verwantschap dat zij een grond tot gewettigde verdenking kan vormen tegen alle leden van dat rechtscollege.

Tekst arrest

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
De verzoekers, die vervolgd worden wegens belaging en laster, voeren aan dat, enerzijds, de klager een volle neef is van de eerste voorzitter van het hof van beroep en dat, anderzijds, één van de telastleggingen betrekking heeft op feiten die tegen een rechter van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen zouden zijn gepleegd.

De verwantschap in de vierde graad, met de korpschef van het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, van een procespartij die naar dat rechtscollege is verwezen, vormt op zich niet zo een nauwe graad van verwantschap dat zij een grond tot gewettigde verdenking kan vormen tegen alle leden van dat rechtscollege.

De magistraat die slachtoffer zou zijn geweest van een van de aan de verzoekers tenlastegelegde misdrijven, maakt geen deel uit van het rechtscollege dat kennis moet nemen van de zaak. Het feit dat hij deel uitmaakt van een rechtbank die tot het rechtsgebied van het hof van beroep behoort, kan geen grond opleveren om alle magistraten waaruit de rechtbank is samengesteld te verdenken van werkelijke of schijnbare partijdigheid.

De in het verzoekschrift aangevoerde gronden zijn dus onvoldoende om de onpartijdigheid van het gehele hof van beroep te Bergen in twijfel te trekken.
Het verzoek is kennelijk niet ontvankelijk.

Dictum
Het Hof,
Gelet op de artikelen 544 en 545, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, wijst het verzoek af.
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel
 


Hof van Cassatie, België, AR P060843N, 29/09/2006

Samenvatting

Gelet op het autonoom karakter van de wrakingsprocedure is een beslissing inzake wraking van een rechter in een strafzaak geen voorbereidende beslissing of een beslissing van onderzoek in de zin van artikel 416, Sv.; het cassatieberoep tegen zulke beslissing kan vóór de eindbeslissing over de strafvordering worden ingesteld

Tekst arrest

Nr. P.06.0843.N
PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT,
eiser,
tegen
D.J.M.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 mei 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.
...
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 764, zevende lid, 837, eerste lid, en 838, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen
De behandeling van het verzoek tot wraking door het Hof van Beroep te Gent, 1ste kamer, werd vastgesteld op de zitting van 2 maart 2006. Op die zitting werd, buiten de aanwezigheid van het openbaar ministerie en met akkoord van meester M., zonder enige reden, de zaak uitgesteld naar de zitting van 9 maart 2006.
Op 9 maart 2006 werd de zaak behandeld en in beraad genomen en voor arrest gesteld op 23 maart 2006.
De procureur-generaal verzocht op 13 maart 2006, de heropening van het debat.

Grieven
Eerste onderdeel
Artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek stelt:
"over de wraking wordt binnen acht dagen in laatste aanleg uitspraak gedaan door het Hof van Beroep, op de conclusie van het openbaar ministerie, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen om hun opmerkingen te horen".

De termijn van acht dagen binnen dewelke uitspraak moet worden gedaan over de wraking neemt een aanvang vanaf de datum van de terechtzitting waarop de zaak voor behandeling is gesteld, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen. (Cass. 17 september 2002, AR P.02.386.N en P.02.602.N en P.02.0066.N Pas. 2002, nr. 454, met conclusie advocaat-generaal P. Duinslaeger)

Ten aanzien van een verzoek tot wraking van een rechter in strafzaken, is de regeling van de termijn binnen dewelke over de wraking uitspraak moet worden gedaan van openbare orde en substantieel. (Cass. 18 november 1997, met de conclusie van advocaat-generaal G. Bresseleers, R.W. 1998-99, 82)

In casu werd de zaak voor behandeling gesteld op de zitting van 2 maart 2006 en zonder aanwijsbare reden, buiten aanwezigheid van het openbaar ministerie en met toestemming van verzoeker tot wraking, uitgesteld naar de zitting van 9 maart 2006 en vervolgens voor uitspraak gesteld op 23 maart 2006.

Op het ogenblik dat de procureur-generaal om heropening van de debatten verzocht, nl. 13 maart 2006, was de termijn van 8 dagen opgenomen in artikel 838, tweede lid, reeds ruimschoots overschreden.

Uiteindelijk werd over het wrakingsverzoek na heropening der debatten bij tussenarrest van 6 april 2006, pas uitspraak gedaan bij arrest van 4 mei 2006.

Het arrest van 4 mei 2006 is dan ook nietig.

Tweede onderdeel
Artikel 764, 7°, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de vorderingen tot wraking op straffe van nietigheid aan het openbaar ministerie worden meegedeeld.

Nu op de zitting van 2 maart 2006 de zaak buiten aanwezigheid van het openbaar ministerie werd uitgesteld, werd niet voldaan aan het voorschrift van artikel 764, 7°, Gerechtelijk Wetboek, en is het gewezen arrest nietig.
Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 3, 5, 6, 780, 3°, 828, 12°, 831, 835 en 839, van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 149 van de Grondwet;
- artikel 258 van het Strafwetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel van verbod uitspraak te doen over niet gevorderde zaken;
- het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter.

Aangevochten beslissingen
In het bestreden arrest wordt het verzoek tot wraking van J.V.D.B. gegrond verklaard op grond van de overweging dat logischerwijze mocht worden verwacht dat ondervoorzitter J.V.D.B.zich op de zitting van 2 januari 2006 zou onthouden, gelet op het tussengekomen arrest en het uitstellen van de zaak in afwachting van het tussen te komen arrest, wat evenwel niet gebeurde wat een scherpe discussie tot gevolg had tussen ondervoorzitter J.V.D.B.en advocaat C. M..

Eerste onderdeel
Overeenkomstig artikel 835 Gerechtelijk Wetboek wordt op straffe van nietigheid de vordering tot wraking die de middelen bevat, ingeleid bij een ter griffie neergelegde akte.

In het verzoekschrift tot wraking op basis van artikel 828, 12°, Gerechtelijk Wetboek, worden geen incidenten op de zitting van 2 januari 2006, vermeld waaruit een hoge graad van vijandschap zou moeten blijken.

In het bestreden arrest wordt de vordering tot wraking dan ook gegrond verklaard op basis van een middel dat niet werd vermeld in het verzoekschrift tot wraking en waarop de rechters wiens wraking wordt gevorderd niet konden antwoorden.

Bovendien werden op het proces-verbaal van de zitting van 2 januari 2006, dat bij het verzoekschrift tot wraking was gevoegd tot staving ervan, geen incidenten geakteerd tussen meester M., die op die zitting in de plaats van meester V.S. optrad, en ondervoorzitter J.V.D.B. .

Uit al het hogervermelde dient te worden besloten dat de volledige rechtspleging nietig is.

Tweede onderdeel
Overeenkomstig artikel 839 Gerechtelijk Wetboek, kan de rechtbank de wraking verwerpen op eenvoudige verklaring van de rechter dan wel een getuigenbewijs bevelen, indien de wrakende partij geen bewijs door geschrifte of geen begin van bewijs levert van de wrakingsgronden.

De wrakende partij leverde het in artikel 839 Gerechtelijk Wetboek genoemde bewijs niet en de gewraakte magistraten stellen in hun verklaring van 8 februari 2006 duidelijk dat er in hunnen hoofde geen enkele vorm van vijandigheid of animositeit ten aanzien van partij D., noch ten aanzien zijn raadsman bestaat.

Het hof diende bijgevolg de wraking op gewone verklaring van de betrokken magistraten te verwerpen of ten minste te motiveren, om welke reden de verklaring van de gewraakte magistraten niet geloofwaardig is.

Derde onderdeel
Artikel 831 Gerechtelijk Wetboek verplicht iedere rechter die weet dat er tegen hem een wrakingsgrond bestaat, zich van de zaak te onthouden.

De gewraakte magistraten waren van mening op de zitting van 2 januari 2006 dat er tegen hen geen wrakingsgrond bestond en hebben zich dan ook terecht niet verschoond, zoniet zouden zij zich schuldig maken aan rechtsweigering.

Door in het bestreden arrest de gegrondheid van de vordering tot wraking te motiveren met: "logischerwijze mocht worden verwacht dat ondervoorzitter J.V.D.B. zich op de zitting van 2 januari 2006 zou onthouden ..." stelt het arrest eigenlijk, dat het feit dat de gewraakte rechters van oordeel waren dat er tegen hen geen wrakingsgrond bestond en de vaststelling dat meester M. met die zienswijze niet akkoord kon gaan, het bewijs vormt van een hoge graad van vijandigheid in de zin van artikel 828, 12°, Ger. W.

De door de wet vereiste "hoge vijandigheid" kan niet afgeleid worden uit het feit dat rechters het standpunt van verzoeker met betrekking tot de aanwezigheid van een wrakingsgrond niet zijn bijgevallen.

De rechter beslist zelf in eer en geweten, en op onaantastbare wijze of er in zijnen hoofde een reden tot wraking aanwezig is.

Het bestreden arrest omkleedt dan ook niet regelmatig met redenen, noch verantwoordt het naar recht waarom uit deze twee gegevens een hoge graad van vijandschap moet worden afgeleid.

Vierde onderdeel
Artikel 6 Gerechtelijk Wetboek verbiedt de rechters in zaken die aan hun oordeel zijn onderworpen, uitspraak te doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.

Dat door in het bestreden arrest te stellen dat logischerwijze mocht worden verwacht dat ondervoorzitter J.V.D.B. zich op 2 januari 2006 zou onthouden, gelet op het pas tussengekomen arrest, het hof zijn arrest vrijwel uitsluitend motiveert op zijn arrest van 15 december 2005, zijn uitspraak zelf niet motiveert, noch zegt waarom met het arrest van 2 januari 2006 rekening moet worden gehouden en tevens aan de gewraakte rechters het recht ontneemt in eer en geweten te oordelen of zij zich overeenkomstig artikel 831 Gerechtelijk Wetboek, vrijwillig dienen te onderhouden.
Het hof omkleedt zijn arrest niet regelmatig met redenen en verantwoordt het niet regelmatig naar recht en verleent aan het arrest van 15 december 2005 het karakter van een algemene en als regel geldende beschikking.

Derde middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 780, 3°, en 772 van het Gerechtelijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter.

Bij tussenarrest van 27 april 2006 werden de debatten heropend op verzoek van het openbaar ministerie.

Dit tussenarrest betekent dat het hof, het door het openbaar ministerie neergelegd nieuw stuk nl. de mail van 20 december 2005, van overwegend belang vindt en dat dit stuk dus van wezenlijke, fundamentele, beslissende aard is voor de oplossing van het betrokken geschil.

In het eindarrest wordt niet gemotiveerd waarom met dit stuk totaal geen rekening wordt gehouden - het wordt zelfs niet vermeld - alhoewel uit dit stuk blijkt dat de wrakingsprocedure werd misbruikt ten einde ondervoorzitter J.V.D.B. te weren in een zeer belangrijk dossier, dat in de loop van 2006 door de correctionele rechtbank zal worden behandeld.

Het bestreden arrest komt dan ook tekort aan zijn verplichting tot motivering.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Krachtens artikel 416, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat een beroep in cassatie tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort eerst open na het eindarrest of het eindvonnis.
Vermeld artikel 416 is van toepassing op alle beslissingen die de rechtsmacht van de strafrechter hetzij over de strafvordering, hetzij over de burgerlijke vordering niet uitputten.

2. De wrakingsprocedure heeft een autonoom karakter. De beslissing inzake wraking is geen verbereidende beslissing of een beslissing van onderzoek in de zin van artikel 416.
Het cassatieberoep tegen een arrest dat uitspraak doet over een verzoek van wraking van een rechter in een strafzaak kan derhalve worden ingesteld v&§972;&§972;r de eindbeslissing over de strafvordering.

3. Het cassatieberoep dat is gericht tegen de beslissing tot wraking van het Hof van Beroep te Gent van 4 mei 2006 en is ingesteld voor de eindbeslissing over de strafvordering, is ontvankelijk.

Tweede middel
Derde onderdeel
4. Artikel 828, 12°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt indien er tussen hem en een van de partijen een hoge graad van vijandschap bestaat.
Deze bepaling is krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing in strafzaken in de mate dat de toepassing ervan niet onverenigbaar is met wetsbepalingen of rechtsbeginselen die het strafprocesrecht beheersen.

5. Een hoge graad van vijandschap kan worden afgeleid uit een geheel van omstandigheden waaruit blijkt dat de rechter door zijn houding jegens één van de partijen of jegens de advocaat die haar vertegenwoordigt of haar bijstaat, de sereniteit van de behandeling van de zaak in gevaar heeft gebracht of brengt.

6. Een beslissing van het hof van beroep dat in een bepaalde zaak oordeelt dat een welbepaalde rechter, ten opzichte van de advocaten die de verzoeker tot wraking vertegenwoordigen of bijstaan, een houding heeft aangenomen die doet vrezen voor een serene behandeling van deze zaak, heeft niet tot gevolg dat dit oordeel kan worden doorgetrokken naar andere zaken en een wraking van die rechter van zodra hij dient te oordelen in een zaak waarin diezelfde advocaten optreden.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt:
- in huidige zaak werd de wraking gevraagd onder meer van ondervoorzitter J.V.D.B. wegens het bestaan van of het gevoel van het bestaan van een hoge graad van vijandigheid tussen hem en de advocaat van verzoeker, Mr. C. M.;
- de gewraakte magistraten stellen in hun verklaring overeenkomstig artikel 836, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek, dat er in hunnen hoofde geen enkele vorm van vijandigheid of animositeit bestaat ten aanzien van verzoeker, noch ten aanzien van zijn raadsman;
- het Hof van Beroep te Gent, in de zaak nr. 2005/AR/2807, bij arrest van 15 december 2005, oordeelde dat ondervoorzitter J. V.d.B. ten opzichte van de advocaten W. V.S. en C. M., een houding heeft aangenomen die doet vrezen voor een serene behandeling van de zaak J.B. Dit arrest baseert zijn oordeel op de reden van het vonnis van 4 oktober 2004 waarin J. V. d. B. deelnam, dat "de rechtbank zich niet van de indruk (kan) ontdoen dat de wendingen die het dossier louter krijgt (in de vorm van gewijzigde verklaringen of intrekking van verklaringen) geïnspireerd zijn door het overleg tussen bepaalde beklaagden en hun raadslieden (...). De initiële verklaring komt derhalve als de betrouwbaarste voor";
- het bestreden arrest oordeelt dat, gelet op het arrest van het hof van beroep van 15 december 2005, er kon worden verwacht "dat ondervoorzitter V. d. B. zich op 2 januari 2006 in de zaak van verzoeker zou onthouden, gelet op dit pas tussengekomen arrest (...) en het uitstellen van de zaak in afwachting van het tussen te komen arrest";
- het bestreden arrest oordeelt verder dat dit evenwel niet gebeurde, wat een hevige, scherpe discussie tot gevolg had tussen ondervoorzitter J.V.D.B.en advocaat C. M., deels in openbare zitting, deels in raadkamer;
- de verzoeker tot wraking voerde geen enkel schriftelijk bewijs of begin van bewijs aan om dit feit te staven.

8. Het hof van beroep kon uit de door de aangenomen omstandigheden van het pre-processueel verloop die vreemd zijn aan de zaak van de verweerder niet afleiden dat dit pre-processueel verloop van aard was om de serene behandeling van de zaak van verzoeker door ondervoorzitter J. V.d.B. mogelijks in het gedrang te brengen en het recht van de verdediging te schaden.

9. Het onderdeel is gegrond.
Dictum,
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
De kosten zijn begroot op de som van nul euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

P.06.0843.N Conclusie van het parket Generaal bij dit arrest
Advocaat-generaal met opdracht P. Cornelis heeft in substantie gezegd:

1. Procedure
Het verzoek tot wraking werd ingediend in het kader van correctionele vervolgingen tegen D. J.-M. die bijgestaan werd door advocaten M. en V.S. De zaak was door de 19de kamer van de rechtbank van 1ste aanleg te Gent vastgesteld, samengesteld uit ondervoorzitter V.d.B. en rechters L. en V.W.

Op de zitting van 5 december 2005 werd de zaak op 2 januari 2006 uitgesteld op verzoek van Mr. M., gelet op het feit dat het hof van beroep te Gent nog geen uitspraak had gedaan op een verzoek tot wraking van ondervoorzitter V.d.B. in een andere zaak, waar een andere verdachte door dezelfde advocaten M. en V.S.
werd verdedigd.

Op 15 december 2005 velde het hof van beroep zijn arrest in de eerste wrakingszaak. Ondervoorzitter V.d.B.
was gewraakt op grond van een ernstige animositeit tussen hem en beide advocaten.

Op de zitting van 2 januari 2006 in onderhavige zaak verzocht Mr. M. een nieuw uitstel om haar toe te laten een verzoekschrift tot wraking tegen de drie leden van de zetel neer te leggen.

Het verzoek werd op 3 februari 2006 neergelegd en steunt op het bestaan van een gevoel van vijandigheid tussen de rechters en de raadsman van verdachte, nl. Mr. C.M.

De akte van wraking werd aan de rechters medegedeeld, die weigerden zich van de zaak te onthouden en hun verklaring aflegden, zoals voorgeschreven bij art. 836 Ger. W. De procureur-generaal concludeerde tot de ongegrondheid van het verzoek.

Het bestreden arrest verklaarde de vordering gegrond, t.a.v. ondervoorzitter V.d.B. Rechter L. was ondertussen tot raadsheer in het hof van beroep te Brussel benoemd, zodat de vordering, wat hem betreft, zonder voorwerp werd verklaard. De vordering tegen rechter V.W. werd ongegrond verklaard.

2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Gelet op de rechtspraak van Uw Hof, stelt zich de vraag van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
Het is bij Uw arrest van 18 november 1997 (1), dat Uw Hof zich op de meest omstandige manier heeft uitgesproken over de wraking van een strafrechter. U oordeelde toen dat de artikelen 828 tot 847 van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk zijn in strafzaken in de mate dat de toepassing ervan niet onverenigbaar is met wetsbepalingen of rechtsbeginselen die het strafprocesrecht beheersen. Dit is het gevolg van de ontstentenis van enige regeling van de wrakingsprocedure in strafzaken.

Hoewel de procedure een strafrechtelijk karakter heeft, dienen de regels inzake vormen en termijnen van het Ger. W. in het stadium van het strafgeding van toepassing te zijn.

Wat het cassatieberoep betreft, dienen, omwille van het strafrechtelijk karakter van de procedure, de bestaande regels van het Wetboek van Strafvordering, nl. de artikelen 416 en 417 toegepast te worden.

Dit heeft tot gevolg dat het cassatieberoep tegen een arrest dat uitspraak doet over een verzoek tot wraking eerst kan worden ingesteld na de eindbeslissing over de strafvordering, en dat het instellen van een cassatieberoep dient te geschieden in de vorm bepaald bij art. 417 W. Sv., ook wanneer het arrest omtrent de wraking is door een burgerlijke kamer van het hof van beroep gewezen.

Dit arrest van 18 november 1997 is conform met de vaste rechtspraak van Uw Hof, die blijkt uit talrijke gepubliceerde arresten, en trouwens recentelijk bevestigd door Uw arresten van 8 december 1998 (2), 27 februari 2002 (3), 18 september 2002 (4), en 19 mei 2004 (5).

Het huidige stelsel werd door adv.-gen. Bresseleers in zijn conclusie voor voormelde arrest van 18 november 1997 gekwalificeerd als een "hybride constructie die, ik citeer, eenvoud mist om aantrekkelijk te zijn maar noodzakelijk voorvloeit uit de consequentie toepassing van de geldende wetsbepalingen en algemene beginselen."
Adv.-gen. Bresseleers spreekt van een autonome karakter van de wrakingsprocedure. "Aangezien cassatieberoep tegen een beslissing over de wraking slechts mogelijk is na de eindbeslissing op de strafvordering, valt alsdan het autonoom karakter weg, en vereist een doelmatig procesverloop dat het cassatieberoep dan aan de regels van het strafprocesrecht onderworpen is."

Het arrest van Uw Hof gaat verder dan het openbaar ministerie en zegt dat het vonnis van wraking een autonome beslissing is, zolang er geen uitspraak is gedaan over de strafvordering. Deze autonomie gaat echter voor het Hof niet zover dat de beslissing als een eindvonnis beschouwd zou moeten zijn, in de zin van artikel 416, eerste lid W. Sv. Het arrest blijft trouw aan de vroegere rechtspraak van het Hof volgens welke het cassatieberoep enkel na de eindbeslissing over de strafvordering ontvankelijk is, mits tegen deze eindbeslissing ook cassatieberoep werd ingesteld.

Bij de procedures van wraking in burgerlijke zaken zijn de beslissingen onmiddellijk voor cassatie vatbaar:
het gaat inderdaad om beslissingen die voor het eindvonnis definitief uitspraak doen over een tussengeschil.

Het openbaar ministerie bij Uw Hof heeft reeds het verschil tussen de burgerlijke en strafrechtelijke procedures en de complexiteit van de regels beklemtoond. Adv.-gen. Dubrulle schreef in zijn conclusie voor Uw arrest van 8 december 1998:

"Il est pourtant permis de s'interroger sur la finalité et sur la sécurité juridique d'une telle dualité de solutions et également sur la dualité admise par la Cour, au sein d'une même matière pénale, la procédure civile devant les juges de la récusation se transformant en procédure pénale à partir du pourvoi en cassation."

Men kan zich ook afvragen of zulk verschil nog verantwoord is, in het licht van de evolutie van de wetgeving en van de rechtspraak gedurende de laatste jaren die tot een toenadering strekt tussen de burgerlijke en de strafrechtelijke procedure en waarvan men een voorbeeld in Uw arrest van 22 juni ll. inzake de verwijzing van een rechtbank naar een andere kan vinden.

Kan men beschouwen dat de burgerlijke en de strafrechtelijke procedures zo verschillend van aard zijn dat men in strafzaken het hele verloop van de rechtspleging moet afwachten vooraleer men een definitief antwoord krijgt op een geschil omtrent de onpartijdigheid van de rechter.

Ingeval dit geschil zich bij het begin van de procedure voordoet, kan men het risico nog nemen het strafgeding verder te laten verlopen, op het gevaar af het eventueel te zien vernietigen, soms met moeilijk herstelbare gevolgen?

Is uiteindelijk de onpartijdigheid van de rechter geen voorwaarde die zo inherent aan het rechterlijke ambt is dat een geschil ter zake onmiddellijk volledig onderzocht moet worden, en dat dit geschil een afzonderlijk geheel vormt, tot in de laatste instantie?

Dit is de vraag die ik aan het Hof stel, dat een stap verder in de richting van de autonomie van de wrakingsprocedure zou kunnen doen. Zulke autonomie zou met zich meebrengen dat een beslissing, die uitspraak doet op een wraking van een strafrechter een eindbeslissing is in de zin van art. 416, eerste lid W. Sv.

Gelet op de schorsende kracht van het cassatieberoep in strafzaken zou de wetgever, ingeval van een nieuwe rechtspraak van Uw Hof, regels moeten voorzien om een snelle behandeling van de cassatieprocedure te verzekeren.

Om op dit punt te besluiten, conc1udeer ik dat het cassatieberoep van de procureur-generaal te Gent rege1matig naar de vorm en ontvankelijk is.

3. Beoordeling van de middelen

Wat het onderzoek van de middelen betreft, meen ik dat het derde onderdeel van het tweede middel gegrond is. Men kan inderdaad niet afleiden uit een beslissing van wraking, volgens welke het gedrag of de houding van een bepaalde rechter ten aanzien van een bepaalde advocaat doet vrezen voor een serene behandeling van een zaak dat dit het geval za1 zijn in andere zaken, met dezelfde rechter en dezelfde advocaat. Andere elementen, eigen aan elke zaak moeten in aanmerking om een nieuwe wraking te verantwoorden.

De redengeving van het hof van beroep lijkt me hier onvoldoende. Het arrest verwijst naar de vroegere beslissing van wraking en naar een hevige, scherpe discussie tussen ondervoorzitter V.d.B. en advocaat M., zonder dat verzoeker een bewijs brengt van dit element. Zodoende werd de beslissing van het arrest niet wettig verantwoord.

Ik concludeer tot cassatie met verwijzing.
_________________
(1) Cass.,18 november 1997, A.R. P.96.1364.N, nr. 485 met concl.
(2) Cass., 8 december 1998, A.R.P.98.1312.F, nr. 512 met concl.
(3) Cass., 27 februari 2002, A.R. P.01.1775.F, nr.141.
(4) Cass., 18 september 2002, A.R. P.02.0874.F, nr. 459.
(5) Cass., 19 mei 2004, A.R. P.04.0548.F, nr. 268.

Nuttige tips: 

Termijn van wraking

zie Artikel 833 Ger.W. "Hij die een wraking wil voordragen, moet dit doen voor de aanvang van de pleidooientenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan.

Wanneer de redenen van wraking later zijn ontstaan (dus na de pledooien, dient de wraking onverwijld te worden voorgedragen. Met "onverwijld" wordt hierbij bedoeld: "van zodra de grond van wraking bekend is (Cass. 31/01/2003, A.C. 2003, 289).

In een arrest van het Hof van Cassatize van 12 maart 2010, A.C. 2010, 747 wordt dit verdr verduidelijkt als volgt: "zodra de partij die zich erop beroept ervan op de hoogte is en, in elk geval, voor de sluiting van het debat".

De wraking is het recht aan elke procespartij toegekende om te weigeren gevonnist te worden  door één of meerdere redenenvan het bevoegde gerecht op basis van gegronde motieven" Aldus kan wraking niet meer worden voorgedragen eens er een uitspraak is tussengekomen..

Zie ook Hof van Beroep Gent, 18 april 2013, NJW, 2014/296, 136 (Alwaar het Hof de stelling van Cassatie volgde en eraan toevoegde dat eens er een uitspraak gewezen is , een partij geen dadelijk belang meer heeft bij een wraking conform de bepalingen van artikel 17 en 18 Ger.W. Zie ook noot onder dit arrest van C. Van Severen, Wraking, NJW 2014/296, 136

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 08/09/2014 - 22:58
Laatst aangepast op: ma, 08/05/2017 - 17:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.