-A +A

Termijn instellen vordering tot opeisen vaderschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Uittreksel uit het burgerlijk wetboek

Art. 318.B.W.
§ 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist.

§ 2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is. De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn.. 
Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.
Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot.
§ 3. Onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2, wordt het vermoeden van vaderschap teniet gedaan indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader is.
De betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot wordt bovendien, behoudens tegenbewijs, gegrond verklaard :
1° in de gevallen bedoeld in artikel 316bis ;
2° wanneer de afstamming van moederszijde door erkenning of bij rechterlijke beslissing is vastgesteld;
3° wanneer de vordering werd ingesteld vooraleer de afstamming van moederszijde is komen vast te staan.
§ 4. De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is niet ontvankelijk, als de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn.
§ 5. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.
§ 6. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, is maar gegrond als bewezen wordt dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet 6 van juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de medisch begeleide voortplanting en de verwekking van het kind hiervan het gevolg kan zijn. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van een afstammingsband ten opzichte van de verzoekster met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies, §§ 1, 1/1, 2 en 4, is voldaan. Zo niet, wordt de vordering afgewezen.

Rechtspraak:

Grondwettelijk Hof, 2 juni 2016, juridat

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 6 mei 2015 in zake K.F. tegen P.P. en D.H., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 mei 2015, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het bepaalt dat de vordering van de man die het vaderschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is, de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, en zelfs andere supranationale wettelijke bepalingen zoals met name het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (artikel 8 ervan), doordat het de niet binnen de wettelijke termijn ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap als absolute grond van niet-ontvankelijkheid instelt, zonder dat de rechter bij wie een dergelijke vordering aanhangig is gemaakt, de mogelijkheid heeft om te beoordelen of de biologische waarheid, rekening houdend met de aanwezige belangen (en in het bijzonder het hogere en primordiale belang van het kind) en met het gedrag van de partijen, niet moet samenvallen met de door het betrokken kind beleefde socioaffectieve werkelijkheid, in een casus waarin nooit enige band, welke dan ook, tussen het kind en zijn wettelijke vader heeft bestaan, noch thans bestaat (het kind is geboren en werd opgevoed binnen een gezinskern die meer bepaald uit zijn moeder en zijn biologische vader bestond voordat die uit elkaar gingen), waardoor in feite een verkeerde en volkomen onnatuurlijke afstamming wordt bekrachtigd en beperkte rechten worden toegekend aan de biologische vader, die alleen een recht op persoonlijk contact kan eisen terwijl hij in werkelijkheid vrijwel exclusief instaat voor de materiële huisvesting van het kind (de moeder ontmoet het kind via een ontmoetingscentrum) en een uitermate belangrijk ' ouderlijk gezag ' uitoefent (waarover hij niet beschikt volgens de wet), waarbij het kind bovendien zijn echte identiteit wordt ontzegd aangezien het een naam draagt die niet die van zijn vader is en die met geen enkele werkelijkheid, welke dan ook, overeenstemt, wat mogelijk ook ingaat tegen het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

B.1.1. Hoewel zij artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek in zijn geheel beoogt, heeft de prejudiciële vraag betrekking op paragraaf 2 van dat artikel. Artikel 318, § § 1 en 2, bepaalt:
« § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist.
§ 2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is. De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn.
Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.
Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot ».

B.1.2. Het vermoeden van vaderschap vindt zijn grondslag in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk, de echtgenoot tot vader heeft.

B.2.1. In de voorliggende zaak wordt aan het Hof een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat « het de niet binnen de wettelijke termijn ingestelde vordering tot betwisting van vaderschap als absolute grond van niet-ontvankelijkheid instelt, zonder dat de rechter bij wie een dergelijke vordering aanhangig is gemaakt, de mogelijkheid heeft om te beoordelen of de biologische waarheid, rekening houdend met de aanwezige belangen (en in het bijzonder het hogere en primordiale belang van het kind) en met het gedrag van de partijen, niet moet samenvallen met de door het betrokken kind beleefde socioaffectieve werkelijkheid ».

B.2.2. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil betrekking heeft op een vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap, ingesteld door een man die het vaderschap van het kind opeist, dat die man de biologische vader van het kind is, dat het kind de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, dat het nooit een band heeft gehad met zijn wettige vader, dat het is geboren en werd opgevoed binnen een gezinskern die uit zijn moeder en zijn biologische vader bestond en dat het thans vrijwel exclusief wordt gehuisvest door die man, die over het kind een uitermate belangrijk « ouderlijk gezag » uitoefent.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

Het bepalen van het ogenblik waarop een persoon ontdekt dat hij de vader van het kind is, valt onder de bevoegdheid van de feitenrechter, die in dat opzicht over een uitgebreide beoordelingsbevoegdheid beschikt.

B.3. De wet van 31 maart 1987 heeft, zoals het opschrift ervan aangeeft, verscheidene wetsbepalingen betreffende de afstamming gewijzigd.

Volgens de memorie van toelichting bestond de bedoeling van die wet onder meer erin « de waarheid zoveel mogelijk te benaderen », dat wil zeggen de biologische afstamming (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305/1, p. 3). In verband met de vaststelling van de afstamming van vaderszijde is erop gewezen dat « de wil om de regeling van de vaststelling van de afstamming zo dicht mogelijk de waarheid te doen benaderen [...] het openstellen van de mogelijkheden tot betwisting tot gevolg [behoorde] te hebben » (ibid., p. 12). Uit dezelfde parlementaire voorbereiding blijkt echter dat de wetgever tevens de « rust der families » in overweging heeft willen nemen en heeft willen beschermen door, indien hiertoe nodig, het zoeken naar de biologische waarheid te temperen (ibid., p. 15). Hij heeft ervoor geopteerd niet af te stappen van het adagium « pater is est quem nuptiae demonstrant » (ibid., p. 11).

Evenwel kon het vermoeden van vaderschap toen enkel worden betwist door de echtgenoot, door de moeder en door het kind, overeenkomstig het toenmalige artikel 332 van het Burgerlijk Wetboek.

B.4.1. Het afstammingsrecht is vervolgens diepgaand hervormd door de aanneming van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan.

Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever de teksten die ter zake door het Hof werden afgekeurd, heeft willen hervormen en rekening heeft willen houden met de sociologische evolutie door de afstammingen binnen en buiten het huwelijk dichter bij elkaar te brengen :
« De wet van 1987 heeft nagenoeg alle verschillen uitgevlakt wat de uitwerking betreft, maar ze heeft een mechanisme van vermoeden van vaderschap in stand gehouden dat stuitende gevolgen heeft voor de vaststelling van de afstamming. [...]

Dit wetsvoorstel beoogt dus tevens het vermoeden van vaderschap te behouden en er gevolgen aan te geven die nagenoeg dezelfde zijn als die van een erkenning » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0597/001, p. 6).
« Tot slot moet een rechtszaak worden ingeleid binnen een termijn van een jaar (vanaf het ontdekken van de geboorte of vanaf het jaar waarin dat feit ontdekt wordt door de echtgenoot of door degene die het kind erkent indien [lees : dat] hij niet de vader van het kind is) » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-0597/037, p. 5).

B.4.2. Ingevolge die wetswijziging kan het vermoeden van vaderschap thans worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

De achterliggende idee van de wetgever was de bekommernis om de toestand van de biologische vader van het kind van een gehuwde vrouw, die geen enkel recht had het vaderschap dat ten aanzien van de echtgenoot van die vrouw vaststond, te betwisten. Daardoor was de biologische vader volledig afhankelijk van de houding die de moeder aannam. De parlementaire voorbereiding geeft dienaangaande aan :
« Het is de bedoeling komaf te maken met een toestand die door de indieners van het wetsvoorstel als schokkend wordt ervaren, te weten het feit dat de biologische vader van het kind van een gehuwde vrouw het vaderschap van de echtgenoot niet mag betwisten. Krachtens de vigerende teksten beschikt de biologische vader over geen enkele mogelijkheid tot verzet en is hij aangewezen op wat de moeder terzake doet » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/024, p. 59).

B.4.3.1. Een eerste wetsvoorstel stelde voor het vaderschap, dat vaststaat op basis van de vaderschapsregel, te laten betwisten « door iedere belanghebbende », naar het voorbeeld van de betwisting van de vaderlijke erkenning (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0597/001, p. 14, en Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/024, p. 59). Daarmee werd in de eerste plaats de biologische vader van het uit een gehuwde vrouw geboren kind beoogd (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0597/001, p. 10).

Dat voorstel om aan « iedere belanghebbende » de mogelijkheid te bieden om een op een huwelijk gebaseerd vaderschap te betwisten, werd evenwel onredelijk bevonden, omdat er werd gevreesd de rust van het huwelijkse gezin te zeer te verstoren (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/024, p. 61).

B.4.3.2. Uiteindelijk werd besloten het betwistingsrecht uit te breiden tot « de persoon die het vaderschap van het kind opeist », terwijl het bezit van staat als grond van onontvankelijkheid van die vorderingen werd ingevoerd (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, amendement nr. 112, en Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/029, subamendement nr. 134).

Het bereikte compromis beoogde, enerzijds, het vorderingsrecht te beperken tot de daadwerkelijke belanghebbenden, te weten de echtgenoot, de moeder, het kind en de man die het vaderschap opeist, en, anderzijds, de gezinscel waarin het kind opgroeit zoveel mogelijk te beschermen door het bezit van staat van het kind als belemmering voor dat vorderingsrecht voorop te stellen en door in strikte termijnen voor het vorderingsrecht te voorzien (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, p. 6; Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/032, p. 31).

B.4.4.1. Wat de termijnregeling voor de man die het vaderschap van het kind opeist betreft, werd voorgesteld het nieuw ingevoerde vorderingsrecht te laten uitoefenen « binnen een jaar na de ontdekking van de geboorte » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026; Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/029; Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/033, p. 8).

Voormeld wetsvoorstel werd bekritiseerd omdat daardoor in alle gevallen van vaderlijke afstamming binnen het huwelijk de rechtsonzekerheid en de onrust in het gezin door de dreiging van een vaderschapsbetwisting nodeloos zouden kunnen worden verlengd.

B.4.4.2. Uiteindelijk werd beslist de termijn vast te stellen op één jaar « na de ontdekking van het feit dat [de man die het vaderschap van het kind opeist] de vader van het kind is » (artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek).

B.5. Bij zijn arrest nr. 145/2014 van 9 oktober 2014 heeft het Hof artikel 318, § 2, eerste lid, tweede zinsnede van de tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek getoetst aan artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Het oordeelde als volgt :

« B.6. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen dat in die inmenging wordt voorzien door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; EHRM, grote kamer, 12 oktober 2013, Söderman t. Zweden, § 78; 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 42).

B.7. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming, raken het privéleven van de verzoeker, omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, § § 48-49; 21 juni 2011, Kruskovic t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztiàn Barnabàs Tóth t. Hongarije, § 28).

De in het geding zijnde regeling voor de betwisting van het vermoeden van vaderschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.8.1. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34; 20 december 2007, Phinikaridou t. Cyprus, § § 51 tot 53; 25 februari 2014, Ostace t. Roemenië, § 33).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 46; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 51).

Bij het uitwerken van een wettelijke regeling inzake afstamming dient de wetgever de bevoegde overheden in beginsel de mogelijkheid te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen.

Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet als artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft verduidelijkt dat, bij het afwegen van de in het geding zijnde belangen, de belangen van het kind dienen te primeren (EHRM, 5 november 2002, Yousef t. Nederland, § 73; 26 juni 2003, Maire t. Portugal, § § 71 en 77; 8 juli 2003, Sommerfeld t. Duitsland, § § 64 en 66; 28 juni 2007, Wagner en J.M.W.L. t. Luxemburg, § 119; 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk t. Zwitserland, § 135; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 63).

Hoewel het belang van het kind de eerste overweging vormt, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie. Uit die bijzondere plaats volgt evenwel niet dat met de belangen van de andere in het geding zijnde partijen geen rekening zou kunnen worden gehouden.

B.8.2. In het bijzonder voor wat de termijnen in het afstammingsrecht betreft, wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het invoeren van termijnen op zich niet strijdig geacht met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; enkel de aard van een dergelijke termijn kan als strijdig worden beschouwd met het recht op eerbiediging van het privéleven (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 45; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 45; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 50; 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 46).

B.8.3. Bovendien wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaard dat de appreciatiemarge van de nationale wetgever groter is wanneer er bij de lidstaten van de Raad van Europa geen consensus bestaat omtrent het belang dat in het geding is, noch omtrent de manier waarop dat belang dient te worden beschermd (EHRM, 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 68). Daarnaast benadrukt het Europees Hof dat het niet zijn taak is om, in de plaats van de nationale overheden, beslissingen te nemen (EHRM, 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 41).

B.9.1. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen, zodat de wetgever vervaltermijnen kon invoeren (zie EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 41; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 88; 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 45; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 45; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 50).

B.9.2. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socioaffectieve werkelijkheid van het vaderschap.

B.10. Het is derhalve redelijk verantwoord dat de man die het vaderschap van het kind opeist, slechts over een korte termijn beschikt om het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder te betwisten ».

Het Hof heeft in dat arrest bijgevolg voor recht gezegd dat artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt in zoverre de man die het vaderschap van het kind opeist de vordering tot betwisting van vaderschap moet instellen binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader is van het kind.

B.6. Om de redenen die zijn aangegeven in het arrest nr. 145/2014 en die in B.5 in herinnering zijn gebracht, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord in zoverre zij betrekking heeft op de bestaanbaarheid van artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.7. Het Hof moet nog onderzoeken of artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met artikel 22bis van de Grondwet, in het geval waarin de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap betrekking heeft op een kind dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt.

B.8. Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt :

« Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit.

Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen.

Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen.

Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ».

B.9. Artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek biedt het kind de mogelijkheid om een vordering tot betwisting van vaderschap in te stellen op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Met die bepaling waarborgt de wetgever het recht op identiteit dat, volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het voorwerp moet uitmaken van een grondig onderzoek wanneer de aanwezige belangen worden vergeleken (EHRM, 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 47). Een kind dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, kan daarentegen geen vordering tot betwisting van vaderschap instellen.

B.10. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 juli 2006 blijkt dat de wetgever niet heeft gewild dat de vader of de moeder van een kind « het verval dat hij/zij heeft opgelopen met betrekking tot zijn eigen rechtsvordering, gewoon [zou kunnen] omzeilen door de rechtsvordering in te leiden namens het kind » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/4, p. 9). De wetgever heeft dan ook uitdrukkelijk bepaald dat de vordering van het kind niet kan worden ingesteld vóór de leeftijd van twaalf jaar.

Die leeftijd wordt immers in aanmerking genomen als die waarop het kind een onderscheidingsvermogen heeft (ibid., nr. 3-1402/7, p. 52). De hoofdindiener verduidelijkt « dat niet het kind zelf een vordering moet instellen maar dat dit moet geschieden door toedoen van een voogd ad hoc die kan oordelen over de wenselijkheid van de vordering van het kind » (ibid.).

In zoverre zij het onderscheidingsvermogen van het kind in aanmerking neemt om het niet toe te staan een vordering tot betwisting van vaderschap in te stellen vóór de leeftijd van twaalf jaar, is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met artikel 22bis van de Grondwet, dat uitdrukkelijk preciseert dat met de mening van het kind rekening wordt gehouden « in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen ».

De wetgever heeft rekening gehouden met de ernst van de handeling die erin bestaat een rechtsvordering in te stellen tegen een van zijn ouders, en met het feit dat het kind kan zijn beïnvloed door een van zijn ouders of verwanten.

De wetgever wilde overigens niet dat de vordering van het kind zou worden ingesteld door een andere houder van de vordering tot betwisting - de wettige vader, de moeder of de man die het vaderschap opeist -, die niet in rechte is getreden binnen de termijn die hem bij de in het geding zijnde bepaling is opgelegd, wegens het mogelijke belangenconflict tussen het kind en die houder.

Het is juist dat in het in B.2.2 beoogde geval de in het geding zijnde bepaling tot gevolg heeft dat aan het kind zijn recht op identiteit en de mogelijkheid om zijn belang in aanmerking te laten nemen bij de afweging, door de rechter, van de verschillende aanwezige belangen, tijdelijk worden ontzegd. Het belang van het kind moet evenwel de eerste overweging zijn, ook al heeft het geen absoluut karakter, omdat het kind de zwakke partij is in de familiale relatie.

Die ontzegging is echter slechts tijdelijk omdat het kind een vordering tot betwisting van vaderschap zal kunnen instellen, waarbij het zal worden vertegenwoordigd door een voogd ad hoc, overeenkomstig artikel 331sexies van het Burgerlijk Wetboek.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :

Artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de man die het vaderschap van het kind opeist de vordering tot betwisting van vaderschap moet instellen binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader is van het kind.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 2 juni 2016.

 

Nog dit: 

Zie ook het baanbrekend arrest van 03/02/11 van het grondwettelijk Hof waardoor zelfs het bezit van staat niet meer als beletsel geldt voor de vordering tot betwisting van vaderschap. Klik hier voor dit arrest

Uittreksel uit dit arrest:

Artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek schendt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de vordering tot betwisting van vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van de moeder.

Immers:

Artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek regelt de mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder van het kind. Het vermoeden van vaderschap is ingesteld in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek. Binnen de in paragraaf 2 van artikel 318 bepaalde termijnen - die verschillen naar gelang van de vorderingsgerechtigden - staat de vordering enkel open voor de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

De mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is evenwel onderworpen aan een beperking : de vordering is - voor alle vorderingsgerechtigden - onontvankelijk wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat aanvankelijk geen eensgezindheid leek te bestaan over de vraag of het bezit van staat elke betwisting van de afstamming onmogelijk diende te maken, onder meer omdat dit begrip niet noodzakelijk samenvalt met het begrip « belang van het kind », en omdat de opvattingen over de familievrede, die het wil beschermen, snel evolueren (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/024, pp. 60-62). Na uitvoerig overleg binnen de subcommissie Familierecht van de Commissie voor de Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de wetgever gemeend het « bezit van staat » als grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te moeten invoeren.

Het daartoe strekkende amendement, dat aan de basis ligt van de in het geding zijnde bepaling, werd als volgt verantwoord :

« Ten eerste beoogt het voorgestelde amendement degenen die een vordering mogen instellen te beperken tot de personen die daadwerkelijk belanghebbenden zijn, namelijk de echtgenoot, de moeder, het kind en de persoon die het vaderschap of het moederschap van het kind opeist.
Vervolgens lijkt het ons nodig de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen door eensdeels het bezit van staat te behouden die overeenstemt met de situatie van een kind dat door iedereen werkelijk als het kind van zijn ouders wordt beschouwd, ook al strookt dat niet met de biologische afstamming, en anderdeels door termijnen te bepalen voor het instellen van de vordering » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, p. 6, en DOC 51-0597/032, p. 31).

Het was derhalve de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de afstammingsband beter te beschermen, enerzijds, door het bezit van staat te behouden en anderzijds, andere derden, zoals grootouders, te beletten om op te treden (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3- 1402/7, p. 4). Nadat binnen de Senaatscommissie voor de Justitie bij die uitgangspunten vraagtekens werden geplaatst, onder meer met betrekking tot de interpretatieproblemen waartoe het begrip « bezit van staat » aanleiding kon geven, bevestigde de minister van Justitie dat de Kamer niet heeft overwogen de regels inzake het « bezit van staat » te wijzigen :

« Het ontwerp wijzigt reeds een groot aantal regels, en ook al rijzen er bij de toepassing van het begrip soms problemen, toch hoeft dit niet te worden aangepast.

De wetgever heeft er in 1987 voor gekozen het begrip te behouden om ervoor te zorgen dat de biologische waarheid het niet altijd wint van de sociaal-affectieve realiteit. Deze keuze moet behouden blijven en het bezit van staat hoeft dus niet te worden aangepast » (Parl. St., Senaat, 2005- 2006, nr. 3-1402/7, p. 9).

Artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek dient evenwel getoetst aan artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

De wettelijke regeling van de relatie van de vader tot het kind dat is geboren binnen het huwelijk, raakt het privéleven van de vader (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102). De uitdrukking « eenieder » in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens slaat zowel op het kind als op zijn vermoedelijke vader (EHRM, 6 juli 2010, Grönmark t. Finland, § 48).

De in het geding zijnde regeling van betwisting van het vermoeden van vaderschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet sluit, evenmin als artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereist dat erin is voorzien in een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden bovendien de positieve verplichting in voor de overheid om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen van individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e. a. t. Nederland, § 31).

De wetgever beschikt over een appreciatiemarge om bij de uitwerking van een wettelijke regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn.

Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen. Die belangenafweging moet ertoe leiden dat de biologische en sociale werkelijkheid primeert op een wettelijk vermoeden indien dit laatste frontaal ingaat tegen de vastgestelde feiten en de wensen van de betrokkenen, zonder dat het iemand een tastbaar voordeel oplevert (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e. a. t. Nederland, § 40; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 44; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 113).

Het mogelijk belang van het kind om het « bezit van staat » te genieten van kind van de echtgenoot van de moeder, mag het niet halen op het legitieme recht van deze laatste om ten minste één gelegenheid te krijgen om het vaderschap te betwisten van een kind dat op grond van wetenschappelijke bewijzen, niet van hem is.

Het geval waarin een wettelijk vermoeden voorrang krijgt op de biologische werkelijkheid is niet bestaanbaar met de verplichting een daadwerkelijk respect voor het privé- en gezinsleven te waarborgen, zelfs rekening houdend met de appreciatiemarge waarover de wetgever beschikt (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, §§ 112 en 113).

Het feit dat iemand nooit werd toegelaten zijn vaderschap te betwisten ten aanzien van zijn kind, werd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet evenredig geacht met de nagestreefde doelstellingen, omdat aldus geen billijk evenwicht tot stand is gebracht tussen het algemeen belang van de bescherming van de rechtszekerheid van de familiale banden en het recht van de betrokkene om een heronderzoek te verkrijgen van het wettelijk vermoeden van vaderschap in het licht van de biologische bewijzen (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 114).

De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

Door het « bezit van staat » als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de echtgenoot van de moeder die te goeder trouw het socio-affectieve vaderschap heeft opgenomen, op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om zijn vaderschap te betwisten omdat zijn handelen te goeder trouw precies heeft bijgedragen tot de totstandkoming van de feiten die de criteria uitmaken van het bezit van staat.
Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de vaststaande feiten en de belangen van alle betrokken partijen.

Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever nagestreefde, legitieme doelstellingen, en derhalve niet bestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.


Grondwettelijk Hof, 28 maart 2013, 2013-2014, 983

Arrest nr. 46/2013

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 19 januari 2012 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt art. 318, § 2 BW art. 22 van de Grondwet en art. 8 van het EVRM, in zoverre die bepaling het [P.B.] onmogelijk maakt om op te komen tegen zijn juridische afstamming met [K. en K. B.] en dit zonder dat enig concreet en daadwerkelijk belang een dergelijke inmenging kan verantwoorden nu het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot niet zou overeenstemmen met de socio-affectieve werkelijkheid?”.

...

In rechte

...

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op art. 318, § 2 BW, dat bepaalt:

“De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is.

“Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.

[...]”.

B.1.2. Het vermoeden van vaderschap vindt zijn grondslag in art. 315 BW, dat bepaalt dat het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen driehonderd dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk, de echtgenoot tot vader heeft.

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt of art. 318, § 2 BW verenigbaar is met art. 22 van de Grondwet, gelezen in samenhang met art. 8 van het EVRM, doordat de door de wettige vader ingestelde vordering tot betwisting van vaderschap niet ontvankelijk is wanneer de vordering niet is ingesteld binnen de termijn van één jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de biologische vader van het kind is “nu het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot niet zou overeenstemmen met de socio-affectieve werkelijkheid”.

B.2.2. Uit de gegevens van de zaak en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op een vordering ingesteld door de ex-echtgenoot die het vermoeden van vaderschap betwist, dat het vermoeden van vaderschap van de ex-echtgenoot van de moeder niet overeenstemt met de socio-affectieve werkelijkheid en er derhalve geen bezit van staat is, en dat het juridisch vastgestelde vaderschap ingaat tegen de wensen van alle betrokkenen.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de hypothese zoals vermeld in art. 318, § 2, eerste lid, eerste zinsnede van de tweede zin BW.

B.3. De wet van 31 maart 1987 heeft, zoals het opschrift ervan aangeeft, verschillende wetsbepalingen betreffende de afstamming gewijzigd.

Volgens de memorie van toelichting bestond de bedoeling van die wet er onder meer in “de waarheid zoveel mogelijk te benaderen”, d.w.z. de biologische afstamming (Parl.St. Senaat 1977-78, nr. 305/1, p. 3). In verband met de vaststelling van de afstamming van vaderszijde is erop gewezen dat “de wil om de regeling van de vaststelling van de afstamming zo dicht mogelijk de waarheid te doen benaderen [...] het openstellen van de mogelijkheden tot betwisting tot gevolg [behoorde] te hebben” (ibid., p. 12). Uit dezelfde parlementaire voorbereiding blijkt echter dat de wetgever tevens de “rust der families” in overweging heeft willen nemen en heeft willen beschermen door, indien hiertoe nodig, het zoeken naar de biologische waarheid te temperen (ibid., p. 15). Hij heeft ervoor geopteerd niet af te stappen van het adagium “pater is est quem nuptiae demonstrant” (ibid., p. 11).

B.4.1. Bij gebrek aan een specifieke termijnregeling voor het instellen van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap, diende toepassing te worden gemaakt van art. 332 BW, dat bepaalde:

“Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 315, kan worden betwist door de echtgenoot, door de moeder en door het kind.

[...]

“De rechtsvordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte en die van de echtgenoot of van de vorige echtgenoot binnen een jaar na de geboorte of na de ontdekking ervan.

[...]”.

Aangaande de termijnbepaling heeft de wetgever geoordeeld dat het belang van het kind prioritair is en dat het “onaanvaardbaar [is] dat een ontkenning van vaderschap nog zou kunnen plaatshebben na verloop van een zekere tijd, m.a.w. nadat redelijkerwijze mag aangenomen worden dat bezit van staat is tot stand gekomen” (Parl.St. Senaat 1984-85, nr. 904/2, p. 115).

Hoewel de wetgever aan de echtgenoot van de moeder de mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap niet volledig heeft willen verhinderen, heeft hij aldus de wil geuit de rechtszekerheid betreffende de familiale relaties en het belang van het kind als prioritair te beschouwen en heeft hij bijgevolg in art. 318, § 2 BW voorzien in een vaste vervaltermijn van één jaar bepaald voor het instellen van een vordering tot betwisting van het vaderschap.

B.4.2. Het afstammingsrecht is evenwel diepgaand hervormd door de goedkeuring van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan.

Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever de teksten die ter zake door het Hof werden afgekeurd, heeft willen hervormen en rekening heeft willen houden met de sociologische evolutie door de afstammingen binnen en buiten het huwelijk dichter bij elkaar te brengen:

“De wet van 1987 heeft nagenoeg alle verschillen uitgevlakt wat de uitwerking betreft, maar ze heeft een mechanisme van vermoeden van vaderschap in stand gehouden dat stuitende gevolgen heeft voor de vaststelling van de afstamming. [...] Dit wetsvoorstel beoogt dus tevens het vermoeden van vaderschap te behouden en er gevolgen aan te geven die nagenoeg dezelfde zijn als die van een erkenning” (Parl.St. Kamer 2003-04, DOC 51-0597/001, p. 6).

“Tot slot moet een rechtszaak worden ingeleid binnen een termijn van een jaar (vanaf het ontdekken van de geboorte of vanaf het jaar waarin dat feit ontdekt wordt door de echtgenoot of door degene die het kind erkent indien hij niet de vader van het kind is)” (Parl.St. Kamer 2005-06, DOC 51-0597/037, p. 5).

B.4.3. In vergelijking met het vorderingsrecht van art. 332 BW, zoals ingevoerd bij de wet van 31 maart 1987, dient te worden vastgesteld dat het vermoeden van vaderschap thans kan worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

Voor wat de termijnregeling betreft is er, ten aanzien van de (ex-)echtgenoot van de moeder, weinig veranderd. Art. 318, § 2 BW bepaalt immers dat de vordering dient te worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. In vergelijking met de regeling van 1987, volgens welke de echtgenoot de vordering diende in te stellen binnen een jaar na de geboorte of na de ontdekking van de geboorte, is enkel het aanvangspunt van de vervaltermijn gewijzigd.

B.5. Het Hof dient art. 318, § 2, eerste lid, eerste zinsnede van de tweede zin BW te toetsen aan art. 22 van de Grondwet, gelezen in samenhang met art. 8 van het EVRM.

Art. 22 van de Grondwet bepaalt:

“Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

“De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht”.

Art. 8 van het EVRM bepaalt:

“1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

“2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”.

Uit de parlementaire voorbereiding van art. 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever “een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met art. 8 EVRM, teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden” (Parl.St. Kamer 1992-93, nr. 997/5, p. 2).

B.6. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Art. 22, eerste lid van de Grondwet sluit, evenmin als art. 8 van het EVRM, een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, maar beide artikelen vereisen dat in die inmenging wordt voorzien door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31).

B.7. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming, raken het privéleven van de verzoeker, omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM 28 november 1984, Rasmussen t/ Denemarken, § 33; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 30; EHRM 12 januari 2006, Mizzi t/ Malta, § 102; EHRM 16 juni 2011, Pascaud t/ Frankrijk, §§ 48-49; EHRM 21 juni 2011, KruÅ¡ković t/ Kroatië, § 20; EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland, § 60; EHRM 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth t/ Hongarije, § 28).

De in het geding zijnde regeling voor de betwisting van het vermoeden van vaderschap valt derhalve onder de toepassing van art. 22 van de Grondwet en van art. 8 van het EVRM.

B.8.1. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM 26 mei 1994,

Keegan t/ Ierland, § 49; 2 EHRM 7 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31; EHRM 2 juni 2005, Znamenskaya t/ Rusland, § 28; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 34; EHRM 20 december 2007, Phinikaridou t/ Cyprus, §§ 51 tot 53).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd: om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Dit vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar ook tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM 6 juli 2010, Backlund t/ Finland, § 46; EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 46; EHRM 29 januari 2013, Röman t/ Finland, § 51), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen. Die belangenafweging zou in principe ertoe moeten leiden dat de biologische en sociale werkelijkheid primeert op een wettelijk vermoeden indien dat laatste frontaal zou ingaan tegen de vastgestelde feiten en de wensen van de betrokkenen (EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 40; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 44; EHRM 10 oktober 2006, Paulik t/ Slowakije, § 46).

B.8.2. In het bijzonder voor wat de termijnen in het afstammingsrecht betreft, wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het invoeren van termijnen op zich niet strijdig geacht met art. 8 EVRM; enkel de aard van een dergelijke termijn kan als strijdig worden beschouwd (EHRM 6 juli 2010, Backlund t/ Finland, § 45; EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 45; EHRM 29 januari 2013, Röman t/ Finland, § 50).

B.8.3. Bovendien wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaard dat de appreciatiemarge van de nationale wetgever groter is wanneer er bij de lidstaten van de Raad van Europa geen consensus bestaat over het belang dat in het geding is, noch over de manier waarop dat belang dient te worden beschermd (EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland, § 68). Daarnaast benadrukt het Europees Hof dat het niet zijn taak is om, in de plaats van de nationale overheden, beslissingen te nemen (EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 41).

B.9. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen, zodat de wetgever ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals “bezit van staat” en vervaltermijnen kon invoeren. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

B.10.1. De wetgever vermocht te oordelen dat hij die huwt in beginsel aanvaardt om te worden beschouwd als vader van ieder kind dat zijn vrouw zal baren. Rekening houdend met de bekommernissen van de wetgever en met de waarden die hij heeft willen verzoenen, komt het in beginsel niet onredelijk voor dat hij de echtgenoot slechts een korte termijn heeft willen toekennen om de vordering tot vaderschapsbetwisting in te stellen.

B.10.2. Daarnaast kan het vaststellen van een termijn voor het instellen van een vordering tot betwisting van het vaderschap eveneens worden verantwoord door de zorg om de rechtszekerheid en een definitief karakter van de familiale relaties te waarborgen.

B.10.3. Art. 318, § 2 BW bepaalt dat de vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. De interpretatie van het begrip “feit” behoort tot de bevoegdheid van de rechter ten gronde, waarbij hem een ruime appreciatiebevoegdheid wordt verleend. Overeenkomstig art. 331octies BW kunnen de rechtbanken immers “zelfs ambtshalve, een bloedonderzoek of enig ander onderzoek volgens beproefde wetenschappelijke methodes gelasten”, waarbij niets hen belet het tijdstip van de uitkomst van dat onderzoek als aanvangspunt van de termijn van één jaar te beschouwen.

B.11. Rekening houdend met de belangrijke appreciatiemarge waarover de wetgever beschikt, zoals uiteengezet in overweging B.8.1, om te zoeken naar een billijk evenwicht tussen alle in het geding zijnde rechten en belangen en met de in overweging B.8.2 vermelde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in verband met termijnen die het in bepaalde gevallen toestaat, dient er voorts op te worden gewezen dat de wetgever in art. 318 BW ook in de mogelijkheid voorziet om, onder de in dat artikel vermelde voorwaarden, een vordering tot ontkenning en onderzoek van vaderschap voor de kinderen in te stellen en om een vordering tot betwisting en vaststelling van vaderschap voor iemand die beweert de biologische vader te zijn, in te stellen.

B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

NOOT onder dit arrest in het RW van J.T over de evolutie van de rechtspraak terzake


Grondwettelijk Hof, 29 januari 2014, RW 2014-2015, 497

Arrest nr. 16/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 14 januari 2013 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt art. 318, § 2 BW art. 10, 11 en 22 van de Grondwet en art. 8 en 14 EVRM, in zoverre die bepaling het [I.S.] onmogelijk maakt om op te komen tegen de juridische afstamming van zijn biologische kinderen [H.D. en R.D.] ten aanzien van [E. V.R.] en dit zonder dat enig concreet en daadwerkelijk belang een dergelijke inmenging kan verantwoorden, nu het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot niet zou overeenstemmen met de socio-affectieve werkelijkheid?”.

...

In rechte

...

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op art. 318, § 2 BW. Art. 318, §§ 1 en 2 BW bepaalt:

Ҥ 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

“§ 2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is.

“Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.

“[…]”.

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt of art. 318, § 2 BW verenigbaar is met art. 10, 11 en 22 van de Grondwet, gelezen in samenhang met art. 8 en 14 EVRM, doordat de door de biologische vader ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap niet ontvankelijk is wanneer de vordering niet is ingesteld binnen de termijn van één jaar na de ontdekking van het feit dat hij de biologische vader van het kind is “nu het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot niet zou overeenstemmen met de socio-affectieve werkelijkheid”.

B.2.2. Uit de gegevens van de zaak en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op een vordering ingesteld door de man die het vaderschap van een kind opeist en aldus het vermoeden van vaderschap betwist.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot het geval vermeld in art. 318, § 2, eerste lid, tweede zinsnede van de tweede zin van het Burgerlijk Wetboek.

Het bepalen van het ogenblik waarop een persoon ontdekt dat hij de vader van het kind is, valt onder de bevoegdheid van de feitenrechter, die in dat opzicht over een uitgebreide beoordelingsbevoegdheid beschikt.

B.3. De wet van 31 maart 1987 heeft, zoals het opschrift ervan aangeeft, verschillende wetsbepalingen betreffende de afstamming gewijzigd.

Volgens de memorie van toelichting bestond de bedoeling van die wet er onder meer in “de waarheid zoveel mogelijk te benaderen”, d.w.z. de biologische afstamming (Parl.St. Senaat 1977-78, nr. 305/1, p. 3). In verband met de vaststelling van de afstamming van vaderszijde is erop gewezen dat “de wil om de regeling van de vaststelling van de afstamming zo dicht mogelijk de waarheid te doen benaderen […] het openstellen van de mogelijkheden tot betwisting tot gevolg [behoorde] te hebben” (ibid., p. 12). Uit dezelfde parlementaire voorbereiding blijkt echter dat de wetgever tevens de “rust der families” in overweging heeft willen nemen en heeft willen beschermen door, indien hiertoe nodig, het zoeken naar de biologische waarheid te temperen (ibid., p. 15). Hij heeft ervoor geopteerd niet af te stappen van het adagium “pater is est quem nuptiae demonstrant” (ibid., p. 11).

Het vermoeden van vaderschap kon toen evenwel enkel worden betwist door de echtgenoot, door de moeder en door het kind, overeenkomstig het toenmalige art. 332 BW.

B.4.1. Het afstammingsrecht is vervolgens diepgaand hervormd door de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan.

Uit de parlementaire voorbereiding van deze wet blijkt dat de wetgever de teksten die ter zake door het Hof werden afgekeurd, heeft willen hervormen en rekening heeft willen houden met de sociologische evolutie door de afstammingen binnen en buiten het huwelijk dichter bij elkaar te brengen:

“De wet van 1987 heeft nagenoeg alle verschillen uitgevlakt wat de uitwerking betreft, maar ze heeft een mechanisme van vermoeden van vaderschap in stand gehouden dat stuitende gevolgen heeft voor de vaststelling van de afstamming. […]. Dit wetsvoorstel beoogt dus tevens het vermoeden van vaderschap te behouden en er gevolgen aan te geven die nagenoeg dezelfde zijn als die van een erkenning” (Parl.St. Kamer 2003-04, DOC 51-0597/001, p. 6).

“Tot slot moet een rechtszaak worden ingeleid binnen een termijn van een jaar (vanaf het ontdekken van de geboorte of vanaf het jaar waarin dat feit ontdekt wordt door de echtgenoot of door degene die het kind erkent indien hij niet de vader van het kind is)” (Parl.St. Kamer 2005-06, DOC 51-0597/037, p. 5).

B.4.2. Ingevolge die wetswijziging kan het vermoeden van vaderschap thans worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

De achterliggende idee van de wetgever was de bekommernis om de toestand van de biologische vader van het kind van een gehuwde vrouw, die geen enkel recht had het vaderschap dat ten aanzien van de echtgenoot van die vrouw vaststond, te betwisten. Daardoor was de biologische vader volledig afhankelijk van de houding die de moeder dienaangaande innam. De parlementaire voorbereiding geeft dienaangaande aan:

“Het is de bedoeling komaf te maken met een toestand die door de indieners van het wetsvoorstel als schokkend wordt ervaren, te weten het feit dat de biologische vader van het kind van een gehuwde vrouw het vaderschap van de echtgenoot niet mag betwisten. Krachtens de vigerende teksten beschikt de biologische vader over geen enkele mogelijkheid tot verzet en is hij aangewezen op wat de moeder terzake doet” (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/024, p. 59).

B.4.3.1. Een eerste wetsvoorstel stelde voor het vaderschap, dat vaststaat op basis van de vaderschapsregel, te laten betwisten “door iedere belanghebbende”, naar het voorbeeld van de betwisting van de (vaderlijke) erkenning (Parl.St. Kamer 2003-04, DOC 51-0597/001, p. 14 en Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/024, p. 59). Daarmee werd in de eerste plaats de biologische vader van het uit een gehuwde vrouw geboren kind beoogd (Parl.St. Kamer 2003-04, DOC 51-0597/001, p. 10).

Dat voorstel om aan “iedere belanghebbende” de mogelijkheid te bieden om een op een huwelijk gebaseerd vaderschap te betwisten, werd evenwel onredelijk bevonden, omdat er werd gevreesd de rust van het huwelijkse gezin te zeer te verstoren (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/024, p. 61).

B.4.3.2. Uiteindelijk werd besloten het betwistingsrecht uit te breiden tot “de persoon die het vaderschap van het kind opeist”, terwijl het bezit van staat als grond van onontvankelijkheid van die vorderingen werd ingevoerd (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/026, amendement nr. 112, en Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/029, subamendement nr. 134).

Het bereikte compromis beoogde, enerzijds, de houders van het vorderingsrecht te beperken tot de daadwerkelijke belanghebbenden, namelijk de echtgenoot, de moeder, het kind en de man die het vaderschap opeist, en, anderzijds, de gezinscel waarin het kind opgroeit zoveel mogelijk te beschermen door het bezit van staat van het kind als belemmering voor dat vorderingsrecht voorop te stellen en door in strikte termijnen voor het vorderingsrecht te voorzien (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/026, p. 6; Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/032, p. 31).

B.4.4.1. Wat de termijnregeling voor de man die het vaderschap van het kind opeist betreft, werd voorgesteld het nieuw ingevoerde vorderingsrecht te laten uitoefenen “binnen een jaar na de ontdekking van de geboorte” (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/026; Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/029; Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/033, p. 8).

Voormeld wetsvoorstel werd bekritiseerd omdat daardoor in alle gevallen van vaderlijke afstamming binnen het huwelijk de rechtsonzekerheid en de onrust in het gezin door de dreiging van een vaderschapsbetwisting nodeloos zouden worden verlengd.

B.4.4.2. Uiteindelijk werd beslist de termijn vast te stellen op één jaar “na de ontdekking van het feit dat [de man die het vaderschap van het kind opeist] de vader van het kind is” (art. 318, § 2 BW).

B.5. Het Hof dient art. 318, § 2, eerste lid, tweede zinsnede van de tweede zin van het Burgerlijk Wetboek te toetsen aan art. 22 van de Grondwet, gelezen in samenhang met art. 8 EVRM.

...

Uit de parlementaire voorbereiding van art. 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever “een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met art. 8 EVRM, teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden” (Parl.St. Kamer 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

B.6. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Art. 22, eerste lid, van de Grondwet sluit, evenmin als art. 8 EVRM, een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, maar beide artikelen vereisen dat die inmenging wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31).

B.7. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming raken het privéleven van de verzoeker, omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM 28 november 1984, Rasmussen t/ Denemarken, § 33; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 30; EHRM 12 januari 2006, Mizzi t/ Malta, § 102; EHRM 16 juni 2011, Pascaud t/ Frankrijk, §§ 48-49; EHRM 21 juni 2011, KruÅ¡ković t/ Kroatië, § 20; EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland, § 60; EHRM 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth t/ Hongarije, § 28).

De in het geding zijnde regeling voor de betwisting van het vermoeden van vaderschap valt derhalve onder de toepassing van art. 22 van de Grondwet en van art. 8 EVRM.

B.8.1. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM 26 mei 1994, Keegan t/ Ierland, § 49; EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31; EHRM 2 juni 2005, Znamenskaya t/ Rusland, § 28; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 34; EHRM 20 december 2007, Phinikaridou t/ Cyprus, §§ 51 tot 53).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd: om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Dit vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar ook tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM 6 juli 2010, Backlund t/ Finland, § 46; EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 46; EHRM 29 januari 2013, Röman t/ Finland, § 51).

Bij het uitwerken van een wettelijke regeling inzake afstamming dient de wetgever de bevoegde overheden de mogelijkheid te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen.

Zowel art. 22bis, vierde lid van de Grondwet als art. 3, eerste lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft verduidelijkt dat, bij het afwegen van de in het geding zijnde belangen, de belangen van het kind dienen te primeren (EHRM 5 november 2002, Yousef t/ Nederland, § 73; EHRM 26 juni 2003, Maire t/ Portugal, §§ 71 en 77; EHRM 8 juli 2003, Sommerfeld t/ Duitsland, §§ 64 en 66; EHRM 28 juni 2007, Wagner en J.M.W.L. t/ Luxemburg, § 119; EHRM 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk t/ Zwitserland, § 135; EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland, § 63).

Hoewel het belang van het kind de eerste overweging vormt, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie. Die bijzondere plaats maakt het evenwel niet mogelijk om ook geen rekening te houden met de belangen van de andere in het geding zijnde partijen.

B.8.2. In het bijzonder voor wat de termijnen in het afstammingsrecht betreft, wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het invoeren van termijnen op zich niet strijdig geacht met art. 8 EVRM; enkel de aard van een dergelijke termijn kan als strijdig worden beschouwd (EHRM 6 juli 2010, Backlund t/ Finland, § 45; EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 45; EHRM 29 januari 2013, Röman t/ Finland, § 50).

B.8.3. Bovendien wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaard dat de appreciatiemarge van de nationale wetgever groter is wanneer er bij de lidstaten van de Raad van Europa geen consensus bestaat over het belang dat in het geding is, noch over de manier waarop dat belang dient te worden beschermd (EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland, § 68). Daarnaast beklemtoont het Europees Hof dat het niet zijn taak is om, in de plaats van de nationale overheden, beslissingen te nemen (EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 41).

B.9.1. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen, zodat de wetgever vervaltermijnen kon invoeren (zie: EHRM 28 november 1984, Rasmussen t/ Denemarken, § 41; EHRM 12 januari 2006, Mizzi t/ Malta, § 88; EHRM 6 juli 2010, Backlund t/ Finland, § 45; EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 45; EHRM 29 januari 2013, Röman t/ Finland, § 50).

B.9.2. In die optiek is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de juridische werkelijkheid.

B.10. Het is derhalve redelijk verantwoord dat de man die het vaderschap van het kind opeist, slechts over een korte termijn beschikt om het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder te betwisten.

B.11. De toetsing aan de overige in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen leidt niet tot een ander antwoord.

B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

• Grondwettelijk Hof arrest nr. 46/2013 van 28 maart 2013, RW 2013-14, 577, noot

• Grondwettelijk Hof arrest nr. 46/2014 van 20 maart 2014

Grondwettelijk Hof, 20 maart 2014, RW 2014-2015, 497
Arrest nr. 48/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 27 mei 2013 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schenden art. 322 en 332quinquies BW, art. 10, 11 en 22 van de Grondwet, eventueel in samenhang gelezen met art. 8 EVRM, art. 17 en 23 BUPO, aldus uitgelegd dat er bij de beoordeling van de vordering tot onderzoek naar het vaderschap geen rekening kan worden gehouden met de socio-affectieve werkelijkheid, bezit van staat, de rust der families, de rechtszekerheid van de familiale banden, het algemeen belang, de vaststaande feiten m.b.t. het tijdsverloop en de leeftijd van de betrokken partijen en de belangen van de betrokken partijen?”.

...

In rechte

...

B.1. Art. 322, eerste lid BW bepaalt:

“Wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens de artikelen 315 of 317, noch op grond van een erkenning, kan het bij vonnis worden vastgesteld onder de bij artikel 332quinquies bepaalde voorwaarden”.

Art. 332quinquies BW bepaalt:

Ҥ 1. De vorderingen tot onderzoek naar het moederschap of het vaderschap zijn onontvankelijk indien het meerderjarige of het ontvoogde minderjarige kind zich daartegen verzet.

“§ 2. Indien het verzet uitgaat van een minderjarig kind dat niet ontvoogd is en de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, of van degene van de ouders van het kind ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, wijst de rechtbank, zonder afbreuk te doen aan § 3, de vordering slechts af indien ze betrekking heeft op een kind dat minstens één jaar oud is op het ogenblik van de indiening ervan, en de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.

“Er wordt geen rekening gehouden met het verzet van het kind dat onbekwaam is verklaard, zich in een staat van verlengde minderjarigheid bevindt, of waarvan de rechtbank, op grond van feitelijke elementen vastgesteld in een met reden omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het geen onderscheidingsvermogen heeft.

Ҥ 3. De rechtbank wijst de vordering hoe dan ook af indien het bewijs wordt geleverd dat degene wiens afstamming wordt onderzocht niet de biologische vader of moeder van het kind is.

“§ 4. Indien tegen de man die een vaderschapsonderzoek vordert een strafvordering is ingesteld wegens een in artikel 375 van het Strafwetboek bedoeld feit dat gepleegd is op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke periode van verwekking, wordt op verzoek van een van de partijen de uitspraak verdaagd, tot wanneer de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden. Indien de betrokkene hiervoor wordt veroordeeld, zal de vordering tot onderzoek naar het vaderschap op vraag van één van de partijen worden verworpen”.

B.2. Het Hof is ondervraagd over de verenigbaarheid van die bepalingen met art. 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 8 EVRM en met art. 17 en 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, “aldus uitgelegd dat er bij de beoordeling van de vordering tot onderzoek naar het vaderschap geen rekening kan worden gehouden met de socio-affectieve werkelijkheid, bezit van staat, de rust der families, de rechtszekerheid van de familiale banden, het algemeen belang, de vaststaande feiten m.b.t. het tijdsverloop en de leeftijd van de betrokken partijen en de belangen van de betrokken partijen”.

B.3. Art. 322, eerste lid BW voorziet in de mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wanneer het vaderschap niet vaststaat op grond van het vaderschapsvermoeden, noch op grond van een erkenning.

Krachtens art. 332quinquies BW is de vordering tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet ontvankelijk wanneer het meerderjarige of het ontvoogde minderjarige kind zich daartegen verzet (§ 1).

Hetzelfde artikel bepaalt ook dat de vordering tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap als ongegrond wordt afgewezen wanneer tegen die vordering verzet wordt aangetekend en de vaststelling van de afstamming strijdig is met de belangen van het kind (§ 2), wanneer het bewijs wordt geleverd dat degene wiens afstamming wordt onderzocht niet de biologische vader of moeder van het kind is (§ 3) of wanneer tegen de man die de vordering indient, een strafvordering is ingesteld wegens verkrachting (§ 4).

B.4. Uit de feiten van de zaak en uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op een vordering tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap die werd ingesteld door een meerderjarig kind van wie de vaderlijke afstamming niet vaststaat op grond van het vaderschapsvermoeden, noch op grond van een erkenning.

De in het geding zijnde artikelen bepalen niet op grond van welke gegevens een dergelijke vordering gegrond wordt verklaard. Art. 324 BW bepaalt in dat verband evenwel dat de afstamming wordt bewezen door het bezit van staat ten aanzien van de vermeende vader en dat bij gebreke van bezit van staat de afstamming van vaderszijde door alle wettelijke middelen wordt bewezen.

B.5. Op verzoek van de verweerders, die de rechtsopvolgers van die vermeende biologische vader zijn, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het strijdig is met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven dat de vordering tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, ingesteld door een meerderjarig kind van wie de vaderlijke afstamming niet vaststaat, als gegrond moet worden toegewezen zodra de afstamming kan worden bewezen, zonder dat de rechter in een dergelijk geval rekening kan houden met andere factoren, meer bepaald “de socio-affectieve werkelijkheid, bezit van staat, de rust der families, de rechtszekerheid van de familiale banden, het algemeen belang, de vaststaande feiten m.b.t. het tijdsverloop en de leeftijd van de betrokken partijen en de belangen van de betrokken partijen”.

B.6. Art. 22 van de Grondwet bepaalt:

“Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

“De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht”.

Art. 8 EVRM bepaalt:

“1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

“2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”.

Uit de parlementaire voorbereiding van art. 22 van de Grondwet blijkt dat de grondwetgever een zo groot mogelijke concordantie heeft willen nastreven met art. 8 EVRM (Parl.St. Kamer 1992-93, nr. 997/5, p. 2).

Art. 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bevat een soortgelijke waarborg als de voormelde bepalingen. Art. 23, eerste lid van hetzelfde Verdrag bepaalt dat het gezin de natuurlijke en fundamentele kern van de maatschappij vormt en recht heeft op bescherming door de maatschappij en de Staat.

B.7. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Art. 22, eerste lid van de Grondwet en art. 8 EVRM sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31; EHRM 12 oktober 2013, grote kamer, Söderman t/ Zweden, § 78).

B.8. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming raken het privéleven, omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM 28 november 1984, Rasmussen t/ Denemarken, § 33; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 30; EHRM 12 januari 2006, Mizzi t/ Malta, § 102; EHRM 16 juni 2011, Pascaud t/ Frankrijk, §§ 48-49; EHRM 21 juni 2011, Kručković t/ Kroatië, § 20; EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland, § 60; EHRM 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth t/ Hongarije, § 28).

De in het geding zijnde regeling voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap valt derhalve onder de toepassing van art. 22 van de Grondwet, art. 8 EVRM en art. 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

B.9. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM 26 mei 1994, Keegan t/ Ierland, § 49; EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31; EHRM 2 juni 2005, Znamenskaya t/ Rusland, § 28; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 34; EHRM 20 december 2007, Phinikaridou t/ Cyprus, §§ 51 tot 53; EHRM 25 februari 2014, Ostace t/ Roemenië, § 33).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd: om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Dit vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar ook tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM 6 juli 2010, Backlund t/ Finland, § 46; EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 46; EHRM 29 januari 2013, Röman t/ Finland, § 51).

Zelfs indien het wettelijke vermoeden iemand tot voordeel strekt, dan nog kan dat voordeel op zichzelf niet verantwoorden dat elk onderzoek naar het vaderschap bij voorbaat wordt uitgesloten (zie: EHRM 16 juni 2011, Pascaud t/ Frankrijk, §§ 57-69).

B.10. Weliswaar dient de wetgever bij het uitwerken van een regeling inzake afstamming de bevoegde overheden in beginsel de mogelijkheid te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen (arrest nr. 30/2013, overweging B.7, arrest nr. 139/2013, overweging B.6.2, arrest nr. 16/2014, overweging B.8.1, en arrest nr. 46/2014, overweging B.9.1), maar dat beginsel heeft geen absoluut karakter. Het geldt met name niet in de voorliggende situatie, waarin de wetgever redelijkerwijze heeft kunnen oordelen, binnen de grenzen van de voormelde appreciatiemarge, dat in een gerechtelijke procedure tot vaststelling van de afstamming het recht van eenieder op vaststelling van zijn afstamming de overhand dient te krijgen op het belang, in het algemeen, van de rust van de families en de rechtszekerheid van de familiale banden en op het recht, in het bijzonder, van de verwanten van de biologische vader om hun privé- en gezinsleven niet verstoord te zien.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overigens vastgesteld dat het recht om te weten van wie men afstamt en om die afstamming te doen erkennen “geenszins verdwijnt met de leeftijd, wel integendeel” (EHRM 13 juli 2006, Jäggi t/ Zwitserland, § 40; EHRM 16 juni 2011, Pascaud t/ Frankrijk, § 65; EHRM 25 september 2012, Godelli t/ Italië, § 69).

B.11. Uit wat voorafgaat volgt dat de in het geding zijnde bepalingen een billijk evenwicht tussen de aanwezige belangen eerbiedigen, dat zij derhalve geen afbreuk doen aan het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven en dat zij evenmin op discriminerende wijze afbreuk doen aan de waarborg vervat in art. 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

 

 
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 09/02/2017 - 10:38
Laatst aangepast op: do, 09/02/2017 - 10:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.