-A +A

Tegenvordering voor het eerst in hoger beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een nieuwe tegenvordering in graad beroep moet berusten op een feit of akte aangevoerd in de dagvaarding, een verweer op de hoofdvordering vormen of tot compensatie strekken.

Tegenvorderingen kunnen voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie (artikelen 807 tot 810 en 1042 van het gerechtelijk wetboek).

Tegenvordering voor het eerst gesteld in hoger beroep

Een nieuwe tegenvordering in graad beroep moet berusten op een feit of akte aangevoerd in de dagvaarding, een verweer op de hoofdvordering vormen of tot compensatie strekken.

Cass. 14 oktober 2005, C.04.0408/F, www.cass.be; Cass. 22 januari 2004, C.02.0506/N, www.cass.be en R.W. 2005-06, 423, noot S. MOSSELMANS en PH. THION; Cass. 18 januari 1991, Arr. Cass. 1990-91, 525; Cass. 4 mei 1990, Arr. Cass. 1989-90, 1138; Cass. 4 december 1989, Arr. Cass. 1989-90, 467 en R.W. 1990-91, 305 (weergave), noot; Cass. 10 september 1982, Arr. Cass. 1982-83, 55 en R.W. 1983-84, 524, noot; Cass. 10 april 1978, Arr. Cass. 1978, 917 en R.W. 1978-79, 1377. Voor een (omstandig gemotiveerde) toepassing door de feitenrechter: Antwerpen 16 maart 2004, P. & B. 2005, 87.

De hoven van beroep van Gent en Brussel volgen deze stelling

Gent 20 april 2001, A.J.T. 2001-02, 882; Brussel 2 maart 2001, T.B.H. 2002, 484, noot; Brussel 14 april 2000, Rev. prat. soc. 2000, 362. Zie eerder al: Luik 1 december 1992, Pas. 1992, II, 130; Arbh. Antwerpen 4 maart 1991, J.T.T. 1991, 381; Arbh. Bergen 19 december 1990, J.T.T. 1991, 50, noot; Antwerpen 1 maart 1989, R.W. 1989-90, 157; Brussel 22 september 1998, Pas. 1989, II, 38, noot.

Sommige Belgische rechtsleer, gevolgd door Nederlandse rechtsleer verdedigt het standpunt dat ook in hoger beroep de verweerder zonder beperkingen een tegenvordering mag instellen.

Zie o.m. G. Closset-Marchal en J. Van Compernolle, “Examen de jurisprudence (1985 à 1996). Droit judiciaire privé”, R.C.J.B. 1997, 550-551; G. Closset-Marchal, “Les demandes reconven-tionnelles depuis l’entrée en vigueur du Code judiciaire: aspects théoriques et pratiques”, Ann. dr. Louvain 1992, 28-29; B. Deconinck, “Incidentele vorderingen in hoger beroep: nieuwe eis – tegeneis – addenda”, R.W. 1986-87, 446; G. De Leval en A. Kohl, “La demande reconventionnelle en degré d’appel”, J.T. 1978, 502-503; E. Gutt en A.-M. Stranart-Thilly, “Examen de jurisprudence (1965 à 1970). Droit judiciaire privé”, R.C.J.B. 1974, (89) 138; R. Manette, “L’appel”, Ann. Fac. dr. Liège 1984, 78; R.P.D.B., tw. Appel, Compl. VI, s.d., nr. 773.

Het Arbeidshof te Luik heeft, middels arrest van 27 april 2001, beslist dat een tegenvordering die voor het eerst in hoger beroep is ingesteld steeds ontvankelijk is, ook al is aan de voorwaarden van art. 807 niet voldaan.

Arbh. Luik 27 april 2001, R.R.D. 2001, 193. Zie ook Bergen 7 november 1990, Pas. 1991, II, 54, noot J.S. en Bergen 13 februari 1990, J.T. 1990, 740

Opmerkelijk is een cassatiearrest van 29 november 2002

C.00.0729/N, www.cass.be, met concl. D. Thijs:

“Overwegende dat artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is;

Dat, krachtens artikel 1042 van dit wetboek, artikel 807 toepasselijk is in hoger beroep;

Dat uit die wetsbepalingen volgt dat de toepassing van artikel 807 ook in hoger beroep enkel vereist dat de uitbreiding of wijziging van de vordering berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd;

Dat niet vereist is dat de uitbreiding of wijziging van de vordering tegen dezelfde partij waartegen de vordering was gesteld, reeds bij de eerste rechter aanhangig was noch reeds virtueel in de oorspronkelijke vordering begrepen was, dit is impliciet begrepen in het voorwerp van de oorspronkelijke vordering"

Zie ook S. Mosselmans, “Artikel 807 Ger. W.”, Comm. Ger., losbl., 46. En Cass. 31 januari 2002, www.cass.be: “Overwegende dat de regel dat een nieuwe vordering niet voor het eerst in hoger beroep mag worden ingesteld, strekt tot bescherming van het recht van verdediging van de partijen”.

Men hoeft inderdaad niet te dulden dat de verweerder in hoger beroep om het even welke tegenvordering kan instellen, zonder enig verband met het aanhangige geschil. De grondslag daarvoor is evenwel niet, zoals het Hof van Cassatie oordeelt, de regel van art. 807 – een bepaling die niet kan gelden voor tegenvorderingen – maar wel het vereiste van wapengelijkheid en de verplichting tot loyale procesvoering.

Volgens deze visie is het in strijd met een goede procesgang dat een verweerder in hoger beroep om het even welke tegenvordering kan instellen, zonder enig verband met het aanhangige geschil. Maar dit is volgens deze rechtsleer gesteund op art. 807 Ger.W. een regel die niet de tegenvordering betreft aar wel het beginselen van wapengelijkheid en de verplichting tot loyale procesvoering., die met zich meebrngen dat de tegeneis minstens een redelijk verband moet hebben met het aanhangige geschil.

Het criterium van het redelijk verband mag evenwel niet beperkt zijn tot een “berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd”, ook gewijzigde omstandigheden, de procesgang, het niet samenvoegen van bepaalde zaken kunnen een nieuwe tegeneis alsnog rechtvaardigen, meer bepaald wanneer het voorwerp van een eis pas komt vast te staan in hoger beroep of de nieuwe tegenvordering rechtstreeks verband houdt met de procedure in hoger beroep of een feit dat zich in de loop daar¬van heeft voorgedaan (of dat pas dan ontdekt werd).

Rechtsleer:

Zie in dezelfde zin: B. Allemeersch en K. Wagner, “Stand van zaken en actuele ontwikkelingen inzake het geding”, R.W. 2003-04, 1136-1137.

K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 298-299; J. LAENENS, “Een nieuwe tegeneis in hoger beroep”, (noot onder Cass. 26 mei 1981), R.W. 1981-82, (2178) 2179. Vgl., maar dan over de hoofdvordering in hoger beroep, Brussel 26 mei 2000, Rev. prat. soc. 2000, 373, noot: “De eisen die berusten op een feit of akte die in de oorspronkelijke dagvaarding zijn aangevoerd of die zich sindsdien in de context van deze situatie hebben voorgedaan, zijn ontvankelijk

Zie ook Cass. 31 januari 2002, C.00.0626/N, www.cass.be.

“Overwegende dat de regel dat een nieuwe vordering niet voor het eerst in hoger beroep mag worden ingesteld, strekt tot bescherming van het recht van verdediging van de partijen; dat die regel de openbare orde niet raakt noch van dwingend recht is; dat de schending van die regel niet voor het eerst voor het Hof kan worden aangevoerd;

Overwegende dat uit de stuk-ken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat de eisers voor de feitenrechter hebben aangevoerd dat de in het middel bedoelde vordering niet ontvankelijk is omdat zij voor het eerst in hoger beroep werd ingesteld;

Dat het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk is, zoals door de verweerders opgeworpen”.

Rechtspraak

• Brussel, 03/08/2013, AR 2010AR3089, juridat

samenvatting

Tegenvorderingen kunnen voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie (artikelen 807 tot 810 en 1042 van het gerechtelijk wetboek).

tekst arrest

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

INZAKE VAN :

1) De heer O. O.
2) Mevrouw M. M. A.,
samenwonende

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 juli 2010,

TEGEN :
1) De B.V.B.A. VAN DER VEKEN & VERHOEVEN CONSULTANTS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2800 MECHELEN, Zwartzustervest 27 bus 303, ingeschreven bij de Kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0452.427.695,

2) De naamloze vennootschap ONROERENDE GOEDEREN EN PARTICIPATIES, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2018 ANTWERPEN, Langeleemstraat 53,

geïntimeerden,  

Tegenvorderingen kunnen voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie (artikelen 807 tot 810 en 1042 van het gerechtelijk wetboek).

De rechtspleging voor de rechtbank van eerste aanleg

VAN DER VEKEN & VERHOEVEN CONSULTANTS BVBA (hierna VDVV) en ONROERENDE GOEDEREN EN PARTICIPATIES NV (hierna OGEP) hebben op 22 januari 2008 O. O. en M. A. (hierna de kopers) gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Zij hielden voor een woning te hebben verkocht aan de kopers en verwezen naar een notariële akte van 11 april 2005. Volgens hen namen de kopers hun intrek in de woning op 29 maart 2007. Op datum van de dagvaarding waren de kopers volgens de eisers nog een aantal facturen verschuldigd en dienden nog enkele werken uitgevoerd te worden. Zij beweerden dat de kopers de voorlopige oplevering weigerden en zich verzetten tegen het onderzoek en het herstel van het ingeroepen gebrek.

Hun vorderingen beliepen op het ogenblik van de dagvaarding 14.849,19 euro voor VDVV en 24.309,56 euro voor OGEP, te vermeerderen met een conventionele schadevergoeding (12 %) en conventionele intresten (10 %). In de dagvaarding werd ook de kapitalisatie van de intresten gevorderd. Zij verwezen ten slotte naar de ingebrekestelling aan de kopers op 10 oktober 2007. Alvorens recht te doen vorderden zij een deskundigenonderzoek.

Met een vonnis van 29 juli 2010 besliste de eerste rechter:

1. de wering uit de debatten van de aanvullende conclusie "in toepassing van art. 756bis Ger. Wetb." voor VDVV en OGEP;
2. de tegeneis is ontoelaatbaar;
3. de kopers worden veroordeeld om aan VDVV 10.495,61 euro te betalen meer verwijlintresten aan 10 % per jaar vanaf 1 januari 2009, evenals 734,69 euro (dit is een verhoging met 7 %);
4. de kopers worden veroordeeld om aan OGEP 21.698,99 euro te betalen meer verwijlintresten aan 10 % per jaar vanaf 1 januari 2009, evenals 1.518,93 euro (dit is een verhoging met 7 %);
5. VDVV en OGEP worden veroordeeld tot 75 % en de kopers tot 25 % van de kosten.

Het hoger beroep

De kopers hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 juli 2010 met een verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie op 25 november 2010.

Het bestreden vonnis werd niet betekend.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

Volgens de kopers moet een vertragingsvergoeding in rekening gebracht worden. Zij verwijzen naar de verkoopakte, in het bijzonder punt 6, en berekenen die vertragingsvergoeding aan 5 % van de koopprijs (251.750 euro) gedeeld door 365 dagen of 34,49 euro per dag, en vermenigvuldigen die dagvergoeding met 458 dagen, dit is het tijdsverloop tussen 19 juni 2006 en 19 september 2007 of 15.796,42 euro.

Volgens hen is de schadevergoeding die door VDVV en OGEP wordt gevorderd "niet geoorloofd" en "niet toepasbaar".

Zij stemmen in met conventionele intresten aan 10 % vanaf 27 februari 2007.

Volgens hen zijn zij aldus per saldo 15.818,93 euro verschuldigd meer de conventionele intresten aan 10 % vanaf 27 februari 2007 en de gerechtelijke intresten. De kosten van beide aanleggen moeten volgens hen ten laste gelegd worden van VDVV en OGEP.

VDVV en OGEP hebben incidenteel beroep ingesteld.

Het incidenteel beroep is ontvankelijk.

Zij vorderen wat zij oorspronkelijk vorderden in de mate dat die vordering niet werd ingewilligd door de eerste rechter: de schadevergoeding beloopt volgens hen 12 % en niet 7 %; de intresten moeten gekapitaliseerd worden per 1 november 2008; de intresten lopen vanaf 1 november 2008.

Beoordeling

Over de ontvankelijkheid van de tegenvordering

De standpunten van partijen

VDVV en OGEP houden voor dat de vordering van de kopers tot betaling van een vertragingsvergoeding onontvankelijk was omdat zij niet werd ingesteld in de eerste conclusie in eerste aanleg en minstens niet meer geldig kon worden ingesteld omdat zij werd ingesteld in de eerste conclusie en VDVV en OGEP daardoor de mogelijkheid niet meer hadden om te antwoorden op de nieuwe tegenvordering. Zij verwijzen naar de beschikking op grond van artikel 747 van het gerechtelijk wetboek: "De rechtbank vestigt de aandacht erop dat een partij die nalaat gebruik te maken van een conclusietermijn, nadien geen gebruik meer kan maken van een volgende conclusietermijn om nieuwe middelen op te werpen waarop de andere partijen niet meer kunnen antwoorden, in zoverre deze nieuwe middelen reeds konden worden opgeworpen in een vorige conclusie.", evenals naar artikel 6 EVRM.

Samen met de eerste rechter menen zij dat de mogelijkheid om beroep te doen op artikel 748 van het gerechtelijk wetboek tot een bijkomend uitstel zou hebben geleid en dat de partij die met haar optreden speculeert op een uitstel zich bezondigt aan deloyale procesvoering. Zij voegen eraan toe dat de tegenvordering bij conclusie had moeten worden ingesteld en dus niet geldig mondeling ter zitting kon worden ingesteld. Samen met de eerste rechter menen zij dat de deloyale procesvoering passend gesanctioneerd wordt met de ontoelaatbaarheid van de vordering.

De kopers antwoorden dat zij hun tegenvordering handhaven, dat die tegenvordering ontvankelijk is en dat, in ieder geval, een tegenvordering voor het eerst kan worden ingesteld in hoger beroep.

De beslissing van het hof

Tegenvorderingen kunnen voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie (artikelen 807 tot 810 en 1042 van het gerechtelijk wetboek).

De vordering van de kopers tot betaling van een vertragingsvergoeding vindt zijn grondslag in de verkoopovereenkomst die in de inleidende dagvaarding wordt ingeroepen als grondslag voor de betaling van de facturen, en is een verweer tegen de betaling van de facturen dat ertoe strekt de wederzijdse vorderingen te compenseren.

De tegenvordering is ontvankelijk.

Over de gegrondheid van de tegenvordering

De standpunten van partijen

De kopers houden voor dat de contractuele leveringstermijn niet werd gerespecteerd: er was geen weerverlet, er waren geen meerwerken die de vertraging verantwoordden, de vertraging werd niet veroorzaakt door hun staking van betaling; zij hebben hun betalingen gestaakt toen duidelijk werd dat geen rekening werd gehouden met hun klachten; de laatste schijf moest overigens maar betaald worden na beëindiging van de werken.

Volgens VDVV en OGEP zijn de toepassingsvoorwaarden van het beding met de vertragingsvergoeding niet nageleefd door de kopers: er ligt geen aangetekende ingebrekestelling voor. De vertragingsvergoeding maakte ook niet het voorwerp uit van het deskundigenonderzoek in eerste aanleg. Verder moet volgens hen rekening worden gehouden met weekends, weerverlet, inhaalrustdagen, meerwerken, niet correcte betalingen of inhoudingen die niet in verhouding staan met eventuele gebreken of nog uit te voeren werken. Zij verwijzen naar de noodzakelijke verlenging, bevestigd bij brief van 6 juni 2006. Zij betwisten zowel de aanvangsdatum als de einddatum, die in alle geval minstens samenvalt met de datum van de oplevering die blijkt uit het op 29 maart 2007 in ontvangst nemen van de sleutels en de ondertekening van de verklaring dat het pand onder eigen verantwoordelijkheid wordt betrokken.

De beslissing van het hof

De overeenkomst tussen partijen blijkt uit de notariële akte van 11 april 2005, die onder 6. Termijnen - Oplevering voorschrijft: "De werken zijn gestart in november tweeduizend en drie. De leveringstermijn (voorlopige oplevering) van voormeld onroerend goed is voorzien op dertig mei tweeduizend en zes. Deze termijn wordt verlengd met het aantal dagen verloren ingevolge toeval of heirkracht, zoals bijvoorbeeld, staking, lockout, overheidsingrijpen, oorlog, onlusten, aanhoudende regen, vriesdagen, zware ongevallen op de werf.

De voorziene termijn wordt verlengd indien de koper aan de verkoper of aan derden veranderings- en/of bijkomende werken vraagt uit te voeren, of nog ingeval van laattijdige betaling vanwege de koper of laattijdige keuze van de door de koper te kiezen materialen of ingeval de koper niet antwoordt binnen de verkoper gestelde termijn op aan hem gestelde vragen met betrekking tot de afwerking van het appartement. De verlening van de termijn is in geen geval een reden tot vernietiging van de koop en tot eisen van schadevergoeding.

Bij gebrek aan afwerking binnen de gestelde termijn zal de koper bij uitsluiting van iedere andere schadevergoeding, een vergoeding ontvangen gelijk aan de huurwaarde, welke geraamd wordt op vijf procent (5 %) per jaar van de globale koopprijs van het pand. Deze vergoeding loopt vanaf de aanmaning per aangetekend schrijven door de koper aan de verkopers gericht, tot op het ogenblik van de uitnodiging tot voorlopige oplevering."

Er werd niet voorlopig opgeleverd op 30 mei 2006.

Op 6 juni 2006 schreef VDVV aangetekend aan de kopers: "We werden geconfronteerd met enkele tegenslagen die het initiële project enigszins zullen vertragen. De contractuele termijn zal dienen verlengd te worden met de dagen waarop wegens overmacht niet kon gewerkt worden. In het bijzonder gaat het om dagen van weerverlet zoals die bepaald worden per streek door de Nationale Confederatie Bouwbedrijf. In bijlage vindt U een dokument met het aantal dagen, ze verlengen dus de contractuele termijn. Mogelijks zal het slechte natte weer de termijn Uw dossier meer beïnvloeden dan wat gemiddeld in acht moet worden genomen."

Op 20 juni 2006 schreven de kopers aangetekend aan VDVV: "Op datum van 1 april 2005 hebben wij een verkoopsovereenkomst getekend (aankoop) voor een te bouwen huis met volgende referenties: De leveringsdatum van het betrokken goed was voorzien voor 30 april 2006 (art 12). Tot op heden, hetzij 30 werkdagen na de voorziene einddatum, stel ik vast dat de werken nog steeds niet zijn afgelopen. Aangezien deze situatie en conform met de wettelijke voorzieningen moet ik u in gebreke stellen om het gebouw afgewerkt af te leveren binnen de termijn van 10 werkdagen te dateren vanaf vandaag. Indien u in gebreke blijft om het huis afgewerkt af te leveren binnen deze termijn van 10 werkdagen, zal ik mij genoodzaakt zien om de bevoegde gerechtelijke autoriteiten aan te spreken om de nodige maatregelen te treffen. Bijkomend vraag ik u om vanaf de 1ste juli 2006 de in het contract overeengekomen schadevergoeding te betalen voor de opgelopen achterstand. Huidige brief is geen waarschuwing maar wel degelijk een eis om u aan de contractuele verplichtingen te houden." Op deze brief werd niet gereageerd door VDVV.

Op zicht van deze stukken hebben de kopers nadat de datum verstreken was die contractueel voorzien was voor de voorlopige oplevering (30 mei 2006) VDVV aangetekend in gebreke gesteld (20 juni 2006) om tot voorlopige oplevering over te gaan en om vanaf 1 juli 2006, dit is vanaf 10 dagen na de ingebrekestelling, de contractuele schadevergoeding te betalen.

De toepassingsvoorwaarden om de contractuele schadevergoeding te vorderen zijn voldaan en de termijn om schadevergoeding te betalen loopt vanaf 1 juli 2006, met dien verstande dat rekening zal worden gehouden met de gegronde redenen tot verlenging van de uitvoeringstermijn.

De berekening van de dagvergoeding (34,49 euro) wordt niet betwist en is in overeenstemming met de contractuele bepaling.

De bewering dat de schadevergoeding niet werd onderzocht door de deskundige, is niet ter zake.

De contractuele schadevergoeding loopt tot op het ogenblik dat de kopers hun intrek hebben genomen in de woning en daarbij verklaarden dat zij dit deden op hun eigen verantwoordelijkheid; zij legden daartoe een schriftelijke verklaring af op 29 maart 2007. Voordien was niet voorlopig opgeleverd.

De termijn van 1 juli 2006 tot 29 maart 2007 bedraagt 271 dagen.

Uit de bijlage bij de brief van 6 juni 2006 blijkt dat 87 dagen niet gewerkt werd wegens weerverlet en 12 dagen wegens inhaalrust; het aantal feestdagen en vakantiedagen werd niet berekend.

De termijn waarvoor een vertragingsvergoeding verschuldigd is, bedraagt (271 - 99 =) 172 dagen aan 34,49 euro per dag of 5.932,28 euro.

VDVV en OGEP kunnen zich niet gegrond beroepen op verlenging wegens niet-betaling of niet-betaling die niet in verhouding staat tot de beweerde gebreken, omdat deze verhouding maar is komen vast te staan in het kader van het deskundigenonderzoek waarbij de herstelkost werd bepaald (5.221,15 euro) en bij de bepaling van de vertragingsvergoeding (5.932,28 euro) tegenover een schuld in hoofdsom ten aanzien van VDVV (9.333,43 euro) en OGEP (24.309,56 euro).

De kopers hebben zich terecht beroepen op de opschorting van hun betalingsverbintenis wegens enerzijds de gebreken en anderzijds de vertraging.

De kopers zijn per saldo in hoofdsom verschuldigd telkens na aftrek van de helft van de kosten weerhouden door de deskundige en van de helft van de vertragingsvergoeding:

1. aan VDVV (9.333,43 euro - ½ van 5.221,15 euro - ½ van 5.932,28 euro =) 3.761.71 euro;
2. aan OGEP (24.309,56 euro - ½ van 5.221,15 euro - ½ van 5.932,28 euro =) 18.737,84 euro.

Over het strafbeding en de conventionele intresten

De standpunten van de partijen

VDVV en OGEP vorderen 12 % schadevergoeding en 10 % conventionele intresten. Zij verwijzen naar de afwezigheid van een correcte verhouding tussen de herstellingen met een waarde van 5.221,15 euro en hun schuldvordering volgens de deskundige na compensatie met een waarde van 31.615,60 euro.

De kopers houden voor dat zij terecht hun betalingen staakten, dat zij nooit enige reactie kregen op hun vragen en eisen met betrekking tot de vertraging van de werken, dat het strafbeding de vertraging in de betaling sanctioneert en dat deze vertraging al op een andere wijze gestraft wordt namelijk door middel van conventionele intresten. Zij betwisten niet dat de conventionele intresten verschuldigd zijn.

De beslissing van het hof

De combinatie van een schadevergoeding aan 12 % en een conventionele intrest van 10 % gaat kennelijk de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven.

De kopers aanvaarden een intrest die gelijk is aan 10 %.

Het past de schade die het gevolg is van een vertraging in de betaling, te vergoeden door middel van een jaarlijkse intrest gelijk aan 10 %.

De compensatie van de wederzijdse vorderingen greep plaats op 1 november 2008, dit is met de neerlegging van het eindverslag van de deskundige. De intrest is vanaf dan verschuldigd.

Met betrekking tot de kosten

Gelet op de wederzijdse verhouding van de schuldvorderingen tussen partijen, past het, zoals ook de eerste rechter besliste, 75 % ten laste te leggen van VDVV en OGEP, en 25 % ten laste van de kopers.

De rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op het basisbedrag voor een vordering tussen 20.000 en 40.000 euro, dit is, na indexatie, 2.200 euro.

Met betrekking tot de kapitalisatie van de intresten

VDVV en OGEP vorderen de kapitalisatie van de intresten vanaf 1 november 2008 en vanaf 15 februari 2011.

Die vordering beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 1154 van het burgerlijk wetboek.

 

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond in de aangegeven mate.

Veroordeelt appellanten om aan VAN DER VERKEN & VERHOEVEN CONSULTANTS BVBA DRIEDUIZEND ZEVENHONDERD EENENZESTIG EURO EENENZEVENTIG CENT (3.761.71 euro) te betalen meer 10 % intresten per jaar vanaf 1 november 2008.

Veroordeelt appellanten om aan ONROERENDE GOEDEREN EN PARTICIPATIES NV ACHTTIENDUIZEND ZEVENHONDERD ZEVENENDERTIG EURO VIERENTACHTIG CENT (18.737,84 euro) te betalen meer 10 % intresten per jaar vanaf 1 november 2008.

Beveelt de kapitalisatie van de intresten telkens voor een jaar vanaf 1 november 2008 en vanaf 15 februari 2011.

Verdeelt de kosten tussen partijen en legt 75 % ten laste van geïntimeerden en 25 % ten laste van appellanten.

Begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 2.200 euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op
03/09/2013.

Tussenvordering voor het eerst in Hoger Beroep

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 7 november 2013, RW 214-2015, 703

AR nrs. C.12.0095.N en C.12.0110.N

J.V.D.H. e.a. t/ A.H. e.a. en G.B. t/ A.H. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 20 september 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Vierde onderdeel

3. Krachtens art. 812, tweede lid Ger.W. kan tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep.

4. Deze bepaling sluit uit dat een partij die in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, tegen die partij voor het eerst in hoger beroep een vordering instelt.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eerste en tweede verweerders, evenals de vierde verweerster in eerste aanleg geen vordering hebben ingesteld tegen de tweede tot en met de vijfde eisers, die vrijwillig in het geding voor de eerste rechter waren tussengekomen.

6. De appelrechters oordelen dat de door de eerste en tweede verweerders, alsmede door de vierde verweerster in hoger beroep tegen de tweede tot en met de vijfde eisers ingestelde vorderingen ontvankelijk zijn, op grond dat:

– de tweede tot en met de vijfde eisers partij waren in het geding voor de eerste rechter, zodat de volledige procedure hen tegenwerpelijk was;

– de eerste eiser impliciet maar zeker als vertegenwoordiger van de successie is opgetreden in de procedurele aanwezigheid van de andere erfgenamen;

– de aansprakelijkheid van wijlen architect F.V.D.H. betrokken was, zodat de erfgenamen zich niet konden vergissen over de draagwijdte van de ingestelde vordering en van hun tussenkomst.

7. Deze omstandigheden beletten niet dat door de eerste en tweede verweerders, alsmede door de vierde verweerster in eerste aanleg geen vordering werd ingesteld tegen de tweede tot en met de vijfde eisers, zodat de appelrechters niet vermochten de in hoger beroep voor het eerst ingestelde vorderingen ontvankelijk te verklaren.

Het onderdeel is in zoverre het uitgaat van de tweede tot en met de vijfde eisers gegrond.

...

Overige rechtspraak:

• Cass. 29 oktober 2004, RW 2004-05, 1618, noot S. Mosselmans

Commentaar: 

Grondwettelijk Hof 04/12/2014, AR 177/2014

samenvatting

De artikelen 14, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

tekst arrest

Het Grondwettelijk Hof,
wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 21 januari 2014 in zake Ali Abdoullah tegen de vereniging van mede-eigenaars van het gebouw « Eden Roc », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 februari 2014, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Zijn de artikelen 14, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de beginselen van de inachtneming van de rechten van de verdediging en van de loyauteit van de procesvoering, in zoverre zij de nieuwe vordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, aan de in artikel 807 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden onderwerpen, terwijl de tegenvordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, niet aan andere voorwaarden dan de hoedanigheid en het belang wordt onderworpen ?

2. Zijn de artikelen 14, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de tegenvordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, enkel ontvankelijk is indien zij berust op een feit dat of een akte die is aangevoerd in de eerste conclusies die door de verweerder zijn neergelegd of wanneer zij een verweer [vormt] op de hoofdvordering of [strekt] tot schuldvergelijking, in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de beginselen van de inachtneming van de rechten van de verdediging en van de loyauteit van de procesvoering ? ».
(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 14, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 14 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« De tegenvordering is een tussenvordering die de verweerder instelt om tegen de eiser een veroordeling te doen uitspreken ».

Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is ».

Artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« Voor zover de bepalingen van dit boek er niet van afwijken zijn de regels van het geding toepasselijk op de rechtsmiddelen ».

B.2.1. In de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van die bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang gelezen met de beginselen van de rechten van de verdediging en van de loyauteit van de procesvoering, in zoverre zij de nieuwe vordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, aan de in artikel 807 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden onderwerpen, terwijl de tegenvordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld :
- niet aan andere ontvankelijkheidsvereisten dan de hoedanigheid en het belang zou worden onderworpen (eerste prejudiciële vraag), of
- enkel ontvankelijk zou zijn « indien zij berust op een feit dat of een akte die is aangevoerd in de eerste conclusies die door de verweerder zijn neergelegd of wanneer zij een verweer [vormt] op de hoofdvordering of [strekt] tot schuldvergelijking » (tweede prejudiciële vraag).

B.2.2. Uit de feiten van de zaak en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de vergelijking betrekking heeft op, enerzijds, de situatie van de oorspronkelijke eiser die, aangezien hij aan de voorwaarden van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek is onderworpen, zijn oorspronkelijke vordering in hoger beroep enkel kan uitbreiden of wijzigen binnen de perken van een feit dat of van een akte die in de dagvaarding is aangevoerd, en, anderzijds, de situatie van de oorspronkelijke verweerder die voor de eerste maal in hoger beroep een tegenvordering instelt, naargelang de in het geding zijnde bepalingen in die zin worden geïnterpreteerd dat zij hem al dan niet aan de voorwaarden van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek onderwerpen.

B.2.3. Aangezien beide prejudiciële vragen betrekking hebben op de vereisten voor de ontvankelijkheid van een tegenvordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, onderzoekt het Hof ze samen.

B.3.1. Het voormelde artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek vereist een nauwe band tussen de oorspronkelijke vordering en de uitgebreide of gewijzigde vordering. Die bepaling strekt immers ertoe het recht van verdediging van de oorspronkelijke verweerder te waarborgen en te voorkomen dat die verweerder, die aan de hand van de gedinginleidende akte kennis heeft gekregen van de feiten of handelingen die aan de oorspronkelijke vordering ten grondslag liggen, zou worden verrast door het aanvoeren van nieuwe feiten of handelingen die niet in de inleidende akte zijn vermeld.

B.3.2. De tegenvordering is, luidens artikel 14 van het Gerechtelijk Wetboek, een tussenvordering die de verweerder instelt om tegen de oorspronkelijke eiser een veroordeling te doen uitspreken.

Wanneer zij in eerste aanleg wordt ingesteld, hoeft de tegenvordering niet noodzakelijk een verband te vertonen met de oorspronkelijke vordering en is zij ontvankelijk tot de sluiting van de debatten. De tegenvordering staat dus los van de oorspronkelijke vordering, zodat artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is op het instellen ervan.

B.3.3. Bij zijn arrest nr. 77/2007 van 10 mei 2007 heeft het Hof het verschil in behandeling tussen de oorspronkelijke eiser die de vordering wenst te wijzigen of uit te breiden en de oorspronkelijke verweerder die in eerste aanleg een tegenvordering instelt, bestaanbaar geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4.1. Overeenkomstig artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek is artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op de vordering waarmee de oorspronkelijke eiser zijn oorspronkelijke vordering in hoger beroep wenst uit te breiden of te wijzigen (Cass., 29 november 2002, Arr. Cass., 2002, nr. 645; 18 februari 2010, Arr. Cass., 2010, nr. 107).

B.4.2. Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek streeft het wettig doel na een bijzondere bescherming toe te kennen aan de rechten van de oorspronkelijke verweerder die wordt geconfronteerd met een wijziging van de oorspronkelijke vordering door te vereisen, allereerst, dat zij het voorwerp uitmaakt van conclusies op tegenspraak en, vervolgens, dat zij een grondslag vindt in de feiten of handelingen die in de gedinginleidende akte worden aangevoerd.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep wordt de toepassing van die bepaling op de oorspronkelijke eiser die zijn vordering wenst uit te breiden of te wijzigen, verantwoord door het feit dat die laatste met de gedinginleidende akte alle vrijheid heeft gehad om zijn aanspraken ten aanzien van de verweerder te definiëren en het onderwerp van het geschil aldus te omschrijven.

B.5.1. De eiser op tegenvordering definieert, wanneer hij zijn vordering in eerste aanleg instelt, voor het eerst het onderwerp van zijn aanspraken ten aanzien van de oorspronkelijke eiser. De eiser op tegenvordering bevindt zich in dat opzicht in de situatie van de oorspronkelijke eiser wanneer deze zijn vordering indient.

B.5.2. In hoger beroep daarentegen wordt in de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie geoordeeld dat « krachtens de artikelen 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, tegenvorderingen voor het eerst in hoger beroep kunnen ingesteld worden indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer op de hoofdvordering uitmaken of tot compensatie strekken » (Cass., 22 januari 2004, Arr. Cass., 2004, nr. 39; zie eveneens Cass., 10 april 1978, Arr. Cass., 1978, II, p. 917; 4 december 1989, Arr. Cass., 1989-1990, nr. 216; 18 januari 1991, Arr. Cass., 1990-1991, nr. 259; 14 oktober 2005, Arr. Cass., 2005, nr. 513; 23 februari 2006, Arr. Cass., 2006, nr. 106).

B.5.3. Wanneer de oorspronkelijke verweerder voor de eerste maal in hoger beroep een tegenvordering instelt, formuleert hij slechts op dat ogenblik het onderwerp van zijn aanspraken ten aanzien van de oorspronkelijke eiser, ook al heeft hij alle vrijheid gehad om het onderwerp van zijn aanspraken ten aanzien van deze laatste in
eerste aanleg te definiëren.

Het zou in strijd zijn met de bescherming van de rechten van de oorspronkelijke eiser die wordt geconfronteerd met een tegenvordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, dat de oorspronkelijke verweerder niet wordt onderworpen aan de in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarden waaronder een vordering kan worden uitgebreid of gewijzigd. Hoewel er geen recht op een dubbele aanleg bestaat, zou het immers in strijd zijn met de gelijkheid van de rechtzoekenden, partijen in een zelfde procedure die voor een zelfde rechter is gebracht, dat zij niet dezelfde waarborgen kunnen genieten.

Overigens belet niets de oorspronkelijke verweerder, indien hij niet in de voorwaarden verkeert om voor de eerste maal een tegenvordering in hoger beroep in te stellen, afzonderlijk een hoofdvordering in te stellen en de nieuwe feiten of handelingen aan te voeren waarop zijn nieuwe aanspraken berusten.

B.6. De eerste prejudiciële vraag, die op een verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen is gebaseerd, behoeft geen antwoord.

Rekening houdend met de in B.5.2 vermelde interpretatie, dient de tweede prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.
- De artikelen 14, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 december 2014.
 


Cassatie 05/12/2014, AR C.14.0061.N

samenvatting

Krachtens de artikelen 807 tot 810 en 1042 Gerechtelijk Wetboek kunnen tegenvorderingen voor het eerst in hoger beroep ingesteld worden indien zij be-rusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer op de hoofdvordering uitmaken of tot compensatie strekken.

De rechter moet weliswaar over de bij hem aanhangige vordering uitspraak doen met inachtneming van de feiten die zich in de loop van het geding hebben voorge-daan en een weerslag hebben op het geschil, maar mag bij de beoordeling van nieuwe vorderingen de grenzen bepaald door artikel 807 Gerechtelijk Wetboek niet overschrijden.

tekst arrest

Nr. C.14.0061.N
M.V.A.
eiser,
tegen
G.G. nv, met zetel te 2100 Antwerpen (Deurne), Van Baurscheitlaan 82,
verweerster,
in aanwezigheid van
H.L.
in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 oktober 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens de artikelen 807 tot 810 en 1042 Gerechtelijk Wetboek kunnen tegenvorderingen voor het eerst in hoger beroep ingesteld worden indien zij be-rusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer op de hoofdvordering uitmaken of tot compensatie strekken.

De rechter moet weliswaar over de bij hem aanhangige vordering uitspraak doen met inachtneming van de feiten die zich in de loop van het geding hebben voorge-daan en een weerslag hebben op het geschil, maar mag bij de beoordeling van nieuwe vorderingen de grenzen bepaald door artikel 807 Gerechtelijk Wetboek niet overschrijden.

2. De appelrechters stellen vast dat:
- de hoofdvordering van de eiser zoals geformuleerd in de dagvaarding strekt tot het verlijden van de notariële verkoopakte, ter uitvoering in natura van de on-derhandse verkoopovereenkomst van 3 mei 2000, en tot de vergoeding van de schade die de eiser geleden heeft wegens de onterechte weigering door de verweerster om haar medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële verkoopakte;
- de tegenvordering van de verweerster, ingesteld na het tussenarrest van het hof van beroep van 29 november 2010, ertoe strekt te zeggen voor recht dat zij rechtsgeldig de ontbinding van rechtswege heeft gevorderd ten laste van de eiser van de onderhandse verkoopovereenkomst van 3 mei 2000 en dat deze ontbinding van rechtswege terugwerkt ex tunc tot 3 mei 2000, en de eiser te veroordelen tot betaling aan de verweerster van de contractueel bepaalde forfaitaire schadevergoeding.

De appelrechters oordelen dat:

- de tegenvordering van de verweerster gesteund is op een feit, de verkoopovereenkomst van 3 mei 2000, dat in de inleidende dagvaarding werd aangevoerd;
- in de mate waarin zij ertoe strekt de ontbinding van rechtswege van de verkoopovereenkomst van 3 mei 2000 ten laste van de eiser te doen vaststellen, de tegenvordering van de verweerster ook een verweer uitmaakt tegen de hoofdvordering van de eiser;
- de feitelijke grondslag ervan, namelijk de contractuele wanprestatie van de eiser en het zonder gevolg laten van de ingebrekestelling, zich pas gerealiseerd heeft in april-mei 2011, zodat de tegenvordering niet eerder kon worden ingesteld;
- noch de inhoud van het tussenarrest van 20 november 2010 dat werd gewezen vooraleer de feitelijke evolutie waarvan sprake zich had voorgedaan, noch het voorwerp van de procedure hangende voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en aldaar gekend onder het nummer 11/5029/A daaraan iets kunnen veranderen.

3. Met die redenen waaruit blijkt dat de tegenvordering van de verweerster, strekkende tot vaststelling van de ontbinding van rechtswege van de onderhandse verkoopovereenkomst, op een rechtshandeling berust die in de dagvaarding werd aangevoerd en een verweer uitmaakt op de hoofdvordering van de eiser, strekkende tot uitvoering in natura van de onderhandse verkoopovereenkomst en tot betaling van een bijkomende schadevergoeding, verantwoorden de appelrechters hun beslissing om de tegenvordering toelaatbaar te verklaren naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

4. De eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat de toepassing van het uitdrukkelijk ontbindend beding door de verweerster in de concrete omstandighe-den rechtsmisbruik uitmaakte, aangezien bepaalde elementen een wanverhouding creëerden tussen het nadeel dat de eiser door de ontbinding zou ondervinden en het voordeel dat de verweerster uit de ontbinding zou halen.

5. De appelrechters stellen vast dat:
- het hof van beroep in zijn arrest van 29 november 2010 geoordeeld heeft dat de onderhandse verkoopovereenkomst rechtsgeldig is en dat de verweerster uiter-lijk binnen vier maanden vanaf de betekening van het arrest de notariële ver-koopakte diende te verlijden, als uitvoering in natura van de onderhandse ver-koopovereenkomst;
- bij aangetekende brief van 18 april 2011 de contractpartijen, waaronder de ei-ser, door notaris E. M. te Antwerpen werden uitgenodigd om op 29 april 2011 de notariële verkoopakte te verlijden, onder de uitdrukkelijke vermelding dat de koper wordt verzocht alsdan voor betaling van de koopprijs te zorgen;
- op 29 april 2011 de authentieke akte werd verleden tot neerlegging onder de minuut van het arrest van 29 november 2010 en van de verkoopovereenkomst, waarbij authentiek werd vastgesteld dat de eiser als koper noch is verschenen noch de koopprijs en de aktekosten heeft betaald;
- bij gerechtsdeurwaardersexploot van 29 april 2011 de eiser op verzoek van de verweerster werd aangemaand om over te gaan tot onmiddellijk betaling van de verkoopprijs;
- bij de onderhandse verkoopovereenkomst van 3 mei 2000 onder meer nadrukkelijk werd bedongen dat ingeval van niet-naleving door een der partijen van de aangegane verbintenissen en na ingebrekestelling bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploot, welke zonder gevolg gelaten werd ge-durende een periode van 15 dagen, de verkoping van rechtswege ontbonden zal zijn.

Op die basis oordelen de appelrechters dat:
- uit wat voorafgaat voortvloeit dat de contractuele wanprestatie van de eiser, bestaande in de niet-tijdige betaling van de verkoopprijs, vaststaat;
- de bewarende derdenbeslagen van 15 juni 2009 door de vrijwillig tussenko-mende partij en van 1 maart 2011 door H.B., beide ten laste van de eiser gelegd in handen van L.D.C. nv, niets ter zake doen;
- hetzelfde geldt voor het feit dat het hof van beroep bij arrest van 29 november 2010 reeds heeft geoordeeld dat de verweerster een contractuele wanprestatie heeft begaan door in gebreke te blijven tijdig haar medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte;
- door de eiser zelf immers werd geopteerd voor de sanctie van de gedwongen tenuitvoerlegging van de verkoopovereenkomst van 3 mei 2000;
- dit voor hem de verplichting impliceerde tot betaling van de verkoopprijs, zoals uitdrukkelijk bevestigd in het tussenarrest;
- al evenzeer vaststaat dat het exploot van aanmaning-ingebrekestelling van 29 april 2011 door de eiser zonder gevolg werd gelaten gedurende een periode van 15 dagen;
- van rechtsmisbruik alleen sprake is wanneer een subjectief recht wordt uitgeoe-fend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon;
- een dergelijk rechtsmisbruik veronderstelt dat, wanneer een partij, uitsluitend in haar eigen belang, gebruik maakt van een subjectief recht, zij daaruit een voordeel trekt dat buiten verhouding is met de correlatieve last van de andere partij;
- uit niets blijkt dat ter zake zou zijn voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor rechtsmisbruik;
- het lot van de verkoopovereenkomst van 11 april 2003 tussen de eiser en L.D.C. nv in dit verband irrelevant is.

6. Door aldus te oordelen, geven de appelrechters de feitelijke gegevens aan waarop zij hun beslissing laten steunen en verwerpen zij zodoende de door de eiser aangevoerde daarmee strijdige en andere feitelijke gegevens. Zij beantwoorden mitsdien het verweer van de eiser, en dit op een wijze die het Hof toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.

7. Krachtens artikel 1134, eerste lid, Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan, tot wet.
Het in het derde lid van die bepaling vastgelegde beginsel, krachtens hetwelk de overeenkomst te goeder trouw ten uitvoer moet worden gebracht, verbiedt een partij om misbruik te maken van een hem door de overeenkomst toegekend recht.

Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon. Dit is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogd of verkregen heeft. Bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

8. De appelrechters die, op grond van de hierboven weergegeven redenen en in het licht van alle omstandigheden van de zaak, onderzoeken of de verweerster uit de uitoefening van haar recht om zich op het uitdrukkelijk ontbindend beding te beroepen, een voordeel heeft gehaald dat niet in verhouding stond tot de daarte-genover staande last van de eiser, verantwoorden hun beslissing naar recht.

In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 1134, derde lid, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik, kan het niet worden aangenomen.

Derde middel

Tweede onderdeel

9. Krachtens artikel 1149 Burgerlijk Wetboek moet, in geval van een foutieve niet-uitvoering van een contractuele verbintenis, de schuldenaar van deze verbin-tenis, onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 1150 en 1151 Burger-lijk Wetboek, de schuldeiser volledig vergoeden voor het verlies dat hij heeft ge-leden en de winst die hij moet derven.

10. De ontbinding van een wederkerig contract met toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek heeft, in beginsel, ex tunc uitwerking en heeft tot gevolg dat de partijen opnieuw in dezelfde toestand moeten worden geplaatst als die waarin zij zich zouden hebben bevonden indien zij niet hadden gecontracteerd. De ontbonden overeenkomst kan voor hen geen grondslag van rechten of verplichtingen zijn, behoudens het recht op schadevergoeding ten gevolge van de wanprestatie.

11. De ontbinding van de overeenkomst te laste van een contractspartij heeft niet tot gevolg dat deze partij het recht verbeurt om aanspraak te maken op ver-goeding van de schade die zij heeft geleden wegens de wanprestatie van de wederpartij, ook al heeft zij zelf op grond hiervan niet de ontbinding van de overeen-komst gevorderd.

12. Uit het bestreden arrest blijken de volgende feiten:
- de eiser (hierna: de koper) kocht bij onderhandse overeenkomst van 3 mei 2000 een onroerend goed van de verweerster (hierna: de verkoper);
- de notariële koopakte kon niet worden verleden omdat de verkoper onder meer de nietigheid van de overeenkomst opwierp;
- de koper vorderde daarop in rechte de uitvoering in natura van de over-eenkomst en de veroordeling van de verkoper tot schadevergoeding we-gens laattijdige uitvoering en de verkoper vorderde bij tegeneis de nietig-verklaring van de overeenkomst;
- de appelrechters besloten in hun tussenarrest van 29 november 2010 tot de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst;
- de notariële akte kon niet worden verleden omdat de koper in gebreke bleef de prijs te betalen;
- de koper schrijft deze onmogelijkheid toe aan het jarenlang getreuzel van de verkoper om de notariële akte te verlijden;
- vervolgens vorderde de verkoper krachtens het uitdrukkelijk ontbindende beding in de verkoopovereenkomst van 3 mei 2000 de ontbinding van de overeenkomst en de veroordeling van de koper tot schadevergoeding.

13. In hun tussenarrest van 29 november 2010 oordelen de appelrechters dat de aanhoudende weigering van de verkoper om, ondanks herhaalde ingebrekestellin-gen, medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële verkoopakte te aanzien is als een contractuele wanprestatie en dat de koper principieel gerechtigd is op integrale vergoeding van de schade die hij ingevolge die contractuele wan-prestatie van de verkoper heeft moeten ondergaan of nog moet ondergaan.

In het bestreden eindarrest oordelen de appelrechters dat "de ontbinding van een overeenkomst tot gevolg [heeft] dat het contract moet worden geacht nooit te hebben bestaan. De partijen moeten bijgevolg worden geplaatst in de toestand die zou hebben bestaan mocht er geen contract zijn geweest, dit met terugwerkende kracht. Een verkoopovereenkomst die wordt geacht nooit te hebben bestaan, kan geen grondslag vormen voor de vordering van [de koper] tot toekenning ten laste van [de verkoper] van schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering daarvan. De desbetreffende vordering van [de koper] is bijgevolg ongegrond".

14. De appelrechters die de eiser, op grond van die redenen, het recht ontzeggen om vergoeding van zijn schade te vorderen, schenden de artikelen 1149 en 1184 Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

15. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het recht doet over de vordering tot schadevergoeding en over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 05/07/2013 - 20:15
Laatst aangepast op: vr, 05/05/2017 - 15:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.