-A +A

tarieven rolrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het verschuldigde rolrecht wordt bepaald door de waarde van de vordering enerzijds en de bevoegde rechtbank anderzijds.

Om de waarde van een vordering te bepalen wordt verwezen naar de pro-fisco verklaring.

Om een zaak op rol te kunnen stellen dient een eisende partij een pro-fiscoverklaring te voegen bij de akte die op de rol moet ingeschreven worden. In die verklaring schat zij de waarde van de definitieve vordering of stelt zij dat de vordering niet in geld waardeerbaar is.

De griffierechten (droits de greffe) omvatten de rolrechten, de opstelrechten en de uitgifterechten en worden geregeld in Titel III (de artikelen 268 en volgende) van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

Het rolrecht is verschuldigd voor de inschrijving van een zaak op de algemene rol (art. 2691 W.Reg.), in het register der verzoekschriften (art. 2692 W.Reg.) of in het register van de vorderingen in kort geding. Dit rolrecht vertegenwoordigt de aanmaakkosten voor de aanleg van het dossier op de rechtbank met toekenning van een formeel rolnummer.

Het opstelrecht vertegenwoordigt de kost die de griffie in rekening brengt voor de opstelling van bepaalde documenten.

Het expeditierecht, vertegenwoordigt de kost om op basis van het origineel van het vonnis een uitgifte (grosse of expeditie) af te leveren, zijnde een titel, dus een officieel document waarmee het vonnis gedwongen kan worden uitgevoerd. 

De pro-fisco verklaring als noodzakelijke vereiste om een zaak op de rol te brengen

Elke eisende partij dient bij de akte die ter inschrijving op de rol wordt aangeboden, een pro-fiscoverklaring, op te maken onder de vorm door de Koning bepaald, van de schatting van de waarde van zijn definitieve vordering, zoals bepaald in artikel 557 van het Gerechtelijk Wetboek, of desgevallend, het feit dat zijn vordering niet in geld waardeerbaar is.

Indien de vordering is vrijgesteld van het rolrecht, wordt hiervan melding gemaakt in de pro-fiscoverklaring met opgave van de wettelijke grondslag

Voor zaken aanhangig bij het Hof van Cassatie, bedraagt de waarde van de vordering de waarde van de vordering in hoger beroep

Zonder deze pro-fiscoverklaring wordt de akte niet ingeschreven.

Geen enkel recht wordt geïnd bij de zaken voor de beslagrechter of de vrederechter in het kader van de toepassing van artikelen 1409, § 1, vierde lid, en 1409, § 1bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Geen recht wordt geïnd bij de zaken voor de arbeidsgerechten en voor fiscale geschillen, behalve indien de waarde van de vordering hoger is dan 250 000 euro.

Er geen pro-fiscoverklaring van vrijstelling van rolrecht toegevoegd voor zaken voor de arbeidsgerechten en voor fiscale geschillen waarvan de waarde niet hoger is dan 250 000 euro.

Tarieven

• Vredegerecht en politierechtbank tot 2 500 € of niet in geld waardeerbare vorderingen 40 €
boven 2 500 € 80 €

• Rechtbank eerste aanleg (met uitzondering van de familierechtbank), rechtbank van koophandel tot 25 000 € of niet in geld waardeerbare vorderingen 100 €
van 25 000,01 € tot 250 000 € 200 €
van 250 000,01€ tot 500 000 € 300 €
boven 500 000 € 500 €

• Arbeidsrechtbank en fiscale geschillen, indien de waarde van de vordering hoger is dan 250 000 € van 250 000,01€ tot 500 000 € 300 €
boven 500 000 € 500 €

• Hof van beroep tot 25 000 € of niet in geld waardeerbare vorderingen 210 €
van 25 000,01 € tot 250 000 € 400 €
van 250 000,01 € tot 500 000 € 600 €
boven 500 000 € 800 €

• Arbeidshof en fiscale geschillen in beroep, indien de waarde van de vordering hoger is dan 250 000 € van 250 000,01 € tot 500 000 € 600 €
boven 500 000 € 800 €

• Hof van Cassatie, met uitzondering van voorzieningen tegen beslissingen van arbeidsgerechten of beslissingen in fiscale geschillen tot 25 000 € of niet in geld waardeerbare vorderingen 375 €
van 25 000,01 € tot 250 000 € 500 €
van 250 000,01 € tot 500 000 € 800 €
boven 500 000 € 1 200 €

Rechtsleer:

Eric Brewaeys, grondwettelijk Hof vernietigt nieuwe regeling rolrechten, de Juristenkrant 22 februari 2017, pagina 1

De auteur bespreekt de uitzonderlijke ingewikkelde wetgeving van 28 april 2015 inhoudende het nieuwe systeem voor de rolrechten. Hierbij schuwt de auteur niet om Erasmus te citeren in zijn werk “Lof der zotheid van 1515”: “onder de geleerden eisen de juristen de ereplaats voor zich op. “Door commentaar op commentaar en toelichting op toelichting te stapelen weten ze te bereiken dat hun vak het ingewikkeldste van alle vakken lijkt. Hoe gecompliceerder, hoe mooier denken ze”.

In een arrest van 9 februari 2017 sprak het grondwettelijk hof zich uit over de wet van 28 april 2015 inzake de verhoging van de griffiekosten.

Met de verhoging van de griffiekosten, beoogde de wetgever de kosten van de werking van justitie te verhalen op de rechtzoekenden en dit in verhouding tot de werklast die elke zaak met zich meebracht. Hierbij werd er van uitgegaan dat zaken met een groter financieel belang, een grotere werklast met zich mee brachten.

De rechter oordeelde het grondwettelijk Hof, dat de werklast van justitie niet kan gemeten worden aan de hand van de waarde van een zaak. Zo kunnen zaken met een geringe inzet en een gering financieel belang veel meer van justitie vergen en dus veel meer werk voor de rechters met zich meebrengen dan zaken die gaan over een grote financiële inzetten.

Of wou de wetgever een politiek verder zetten in die zin dat men enkel nog recht zal spreken over zaken met een inzet van meerdere duizenden euro’s en de burger dus in de kou zal dienen te blijven wanneer de inzet misschien wel heel belangrijk is maar niet financieel voldoende meetbaar. Justitie is meer dan een loutere geldelijke inzet.

Aldus concludeert het grondwettelijk Hof dat de wetgever haar doelstelling niet bereikt en krijgt zij tijd tot 31 augustus 2017 om een nieuwe regeling uit te werken. Zie het arrest van het grondwettelijk Hof van 9 februari 2017 13/2017

 

De tarieven rolrecht vanaf 01.06.2015

Een overzicht.

Gerecht

Waarde vordering

Rolrecht

Vredegerecht en politierechtbank

Tot 2.500 euro of niet in geld waardeerbare vordering

40 euro

Boven 2.500 euro

80 euro

Rechtbank van eerste aanleg (exclusief familierechtbank) en rechtbank van koophandel

Tot 25.000 euro of niet in geld waardeerbare vorderingen

100 euro

Van 25.000,01 euro tot 250.000 euro

200 euro

Van 250.000,01 euro tot 500.000 euro

300 euro

Boven 500.000 euro

500 euro

Hof van beroep

Tot 25.000 euro of niet in geld waardeerbare vorderingen

210 euro

Van 25.000,01 euro tot 250.000 euro

400 euro

Van 250.000,01 euro tot 500.000 euro

600 euro

Boven 500.000 euro

800 euro

Hof van Cassatie

Tot 25.000 euro of niet in geld waardeerbare vorderingen

375 euro

Van 25.000,01 euro tot 250.000 euro

500 euro

Van 250.000,01 euro tot 500.000 euro

800 euro

Boven 500.000 euro

1.200 euro

Voor geschillen die onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten vallen en voor fiscale geschillen geldt er een bijzondere regeling.

Gerecht

Waarde vordering

Rolrecht

Arbeidsrechtbank en fiscale geschillen

Niet hoger dan 250.000 euro

Vrijgesteld

Van 250.000,01 euro tot 500.000 euro

300 euro

Boven 500.000 euro

500 euro

Arbeidshof en fiscale geschillen in beroep

Niet hoger dan 250.000 euro

Vrijgesteld

Van 250.000,01 euro tot 500.000 euro

600 euro

Boven 500.000 euro

800 euro

Hof van cassatie voor voorzieningen tegen beslissingen van arbeidsgerechten of beslissingen in fiscale zaken

Niet hoger van 250.000 euro

Vrijgesteld

Van 250.000,01 euro tot 500.000 euro

800 euro

Boven 500.000 euro

1.200 euro

 

Om een zaak op rol te kunnen stellen dient een eisende partij een pro-fiscoverklaring (model zie KB via deze link) te voegen bij de akte die op de rol moet ingeschreven worden. In die verklaring schat zij de waarde van de definitieve vordering of stelt zij dat de vordering niet in geld waardeerbaar is.

Voor zaken die voor het Hof van Cassatie komen geldt de  waarde van de vordering in hoger beroep.

Het model van de pro-fiscoverklaring is bij KB vastgelegd. Op het formulier worden volgende zaken ingevuld:

■ identificatiegegevens van de eisende partij;
■ het type vordering: een vordering met waarde, een niet in geld waardeerbare vordering of een vordering die vrijgesteld is van het rolrecht. In dat laatste geval met vermelding van het juiste wetsartikel waarop men zich baseert voor de vrijstelling;
■ de geschatte waarde van de vordering;
■ of men kan genieten van gerechtelijke bijstand. Met vermelding van referte/rolnummer van de rechtbank;
■ de handtekening van de eisende partij of haar vertegenwoordiger. Bij ondertekening door de vertegenwoordiger moet die zijn naam en voornaam vermelden.
De griffier vult op de pro-fiscoverklaring het bedrag van de rolrechten in.

Bijzondere regeling voor de familierechtbank

Voor die zaken geldt er een vast rolrecht. 100 euro voor elke zaak die in de familierechtbank op de rol wordt ingeschreven. Ongeacht of het gaat om de algemene rol, de rol van de verzoekschriften of de rol van de vorderingen in kort geding. Het rolrecht bedraagt ook 100 euro als de familierechtbank optreedt in hoger beroep tegen vonnissen van de vrederechter in familiale aangelegenheden.

Het rolrecht bedraagt 100 euro ongeacht de waarde van de vordering en ongeacht het aantal eisende partijen.

Bij zaken die worden geacht spoedeisend te zijn geldt het principe van de voortdurende aanhangigheid. Die zaken blijven ingeschreven op de rol van de familierechtbank. Zij kunnen – als er nieuwe elementen zijn – opnieuw voor de rechtbank gebracht worden bij conclusie of bij een schriftelijk verzoek. Bij dergelijke zaken geldt er eenmalig een vast rolrecht van 100 euro. Dat wordt bij de inleiding van de eerste vordering geïnd. Er moet geen nieuw rolrecht betaald worden als nadien conclusies of schriftelijke verzoeken worden neergelegd.

Bij hoger beroep tegen een vonnis van de familierechtbank wordt een rolrecht van 210 euro geheven. Gaat men in cassatie tegen in hoger beroep gewezen arresten of in hoger beroep gewezen vonnissen van de familierechtbank dan geldt er een rolrecht van 375 euro.

Regeling beslagrechter en vrederechter

betwistingen over de vermeerdering van de niet voor beslag of overdracht vatbare bedragen voor een kind ten laste zijn niet onderworpen aan rolrecht.

Gerechtelijke reorganisatie

Het rolrecht voor de inschrijving op de rol van een verzoek tot opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie bedraagt 1.000 euro. 

Inwerkingtreding

De wet van 28 april 2015 en het KB van 12 mei 2015 treden beide in werking op 1 juni 2015.

Bron:Wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen, BS 26 mei 2015 Bron:Koninklijk besluit van 12 mei 2015 tot vaststelling van het model van pro-fiscoverklaring bedoeld in artikel 2691 van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen, BS 26 mei 2015
Zie ook:W.Reg., art. 268, 2691, 2692, 2693, 279/1

Rechtsleer:

• Rolrechten, bespreking van de wet van 28 april 2015 en van het KB van 12 mei 2015 in NJW 324, 432

• Brewaeys, E., « Rolrechten onder vuur », R.A.B.G., 2017/6, p. 478-483

Rechtspraak:

Grondwettelijk Hof (Arbitragehof), België, AR 13/2017, 09/02/2017, juridat

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 oktober 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 oktober 2015, heeft de vzw « Bewonersgroep Onze Tuin », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie te Antwerpen, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 mei 2015 en 11 juni 2015).

b. Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 22 oktober 2015 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 30 oktober 2015, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet respectievelijk door D.M., J.C. en M.A. en door F.B. en P.V., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele.

c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 november 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 november 2015, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van dezelfde wet door de Orde van Vlaamse balies en Dominique Mathys, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Lindemans en Mr. T. Souverijns, advocaten bij de balie te Brussel.

d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 november 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 november 2015, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3 en 6 van dezelfde wet door de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie en Bruno Maes, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Verbist en Mr. B. Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie.

e. Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 23 november 2015 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 24 november 2015, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet respectievelijk door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen », de vzw « Ademloos », de vzw « Straatego », A.M., J.S., A.C. en H.B. en door de vzw « Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele.

f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 november 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 november 2015, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6275, 6276, 6277, 6301, 6303, 6305, 6306 en 6307 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.
(...)

II. In rechte
(...)

Ten aanzien van de situering van de bestreden wet

B.1.1. De wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen (hierna : de bestreden wet) strekt ertoe de rolrechten te hervormen. Een rolrecht is een belasting die wordt geheven ten laste van de rechtzoekende die een vordering bij een rechtscollege inleidt. Het rolrecht is een speciaal recht dat verschuldigd is als bijdrage in de kosten van de rechtspleging.

Voortaan zijn de rolrechten niet langer alleen afhankelijk van de aard van het rechtscollege waarbij het geschil aanhangig wordt gemaakt, maar staan ze tevens in verhouding tot de waarde van het geschil, met uitzondering van wat geldt voor de familierechtbank. Voortaan is ook in arbeids- en fiscaalrechtelijke zaken een rolrecht verschuldigd, zij het slechts vanaf een relatief hoge waarde van de vordering. De waarde van de vordering wordt door de eisende partij geschat in een pro-fisco-verklaring die bij de op de rol in te schrijven akte wordt gevoegd.

Bij koninklijk besluit van 12 mei 2015 « tot vaststelling van het model van pro-fisco-verklaring bedoeld in artikel 2691 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen » werd de inwerkingtreding van de bestreden wet op 1 juni 2015 bepaald.

B.1.2. Volgens de parlementaire voorbereiding strekt de bestreden wet ertoe het stelsel van de rolrechten te vereenvoudigen :
« Tot nog toe bepaalt de aard van de rol waarop de zaak moet worden ingeschreven het toepasselijk recht.

Dit artikel [3] wijzigt artikel 2691 [van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten] en heeft als gevolg dat de vraag of een gedinginleidende akte moet worden ingeschreven op de algemene rol, op de rol van de verzoekschriften of op de rol van de kort gedingen geen enkele fiscale weerslag meer heeft. Om het toepasselijk tarief vast te stellen moet men aldus geen onderscheid meer maken tussen de algemene rol en de bijzondere rollen. Het werk van de griffiers wordt hierdoor vereenvoudigd.

De vereenvoudiging van de griffierechten is er bijgevolg vooral in gelegen om voor alle rollen (algemene rol, rol van verzoekschriften en rol van het kort geding) één tarief per gerecht en aanleg te creëren » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0906/001, pp. 4-5).

Tevens beoogde de wetgever om de rolrechten in verhouding te brengen met de werkingskosten van het gerechtelijke apparaat. Daarom bepaalde hij dat het bedrag van het rolrecht, naast het reeds bestaande criterium van de aard van het rechtscollege, tevens afhankelijk wordt gemaakt van de waarde van de vordering.

De memorie van toelichting vermeldt daaromtrent :

« Met deze hervorming van de rolrechten beoogt men de rolrechten in verhouding te brengen met de werkingskosten van de rechtspraak. Het voeren van een proces vraagt immers tijd en middelen van het gerechtelijk apparaat, die oplopen naargelang de omvang en complexiteit van het proces. Het betalen van het rolrecht wordt daarom, naast het reeds bestaande criterium van de aard van het gerecht, eveneens afhankelijk gemaakt van de waarde van de vordering.
[...]

Er wordt voor gekozen om voortaan aan te sluiten bij het systeem van verschillende lidstaten, zoals Denemarken, Duitsland, Italië, Nederland, Spanje en Engeland, die het criterium van de waarde van de vordering hanteren om het bedrag van het rolrecht te bepalen.
[...]

Door de rolrechten bijgevolg te laten differentiëren naargelang de waarde van de vordering, tracht men deze in overeenstemming te brengen met de vermoede inspanning en kosten van het gerechtelijke apparaat » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0906/001, pp. 5-7).

Bovendien wordt, door het bedrag van het rolrecht te laten afhangen van de waarde van de vordering, « bijgedragen aan de responsabilisering van de rechtszoekende door het instellen van lichtzinnige procedures te ontmoedigen » (ibid., p. 7).

Ten slotte is de verhoging van de rolrechten volgens de minister van Justitie ook een budgettaire maatregel (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0906/006, p. 3) die volgens het verslag van de Inspectie van Financiën minstens 21 miljoen euro zal opbrengen (ibid., p. 11).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van sommige beroepen tot vernietiging en van het verzoek tot tussenkomst wegens ontstentenis van belang.

B.2.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

Krachtens dezelfde bijzondere wet kan ieder die van een belang doet blijken aan het Hof zijn opmerkingen richten in een memorie in verband met elk beroep tot vernietiging waarover het Hof uitspraak moet doen. Doet blijken van een dergelijk belang de persoon die aantoont dat zijn situatie rechtstreeks kan worden geraakt door het arrest dat het Hof in verband met dat beroep zal wijzen.

B.2.3. Sommige verzoekende partijen geven aan dat zij bij gerechtelijke procedures zijn betrokken en maken aannemelijk dat zulks in de toekomst opnieuw het geval zal zijn. Zij doen derhalve blijken van het rechtens vereiste belang.

B.2.4. In weerwil van wat de Ministerraad betoogt, doet ook de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie, verzoekende partij in de zaak nr. 6303, van het vereiste belang blijken. Overeenkomstig artikel 455, in samenhang met artikel 487, van het Gerechtelijk Wetboek heeft zijn Raad de opdracht de behoorlijke uitoefening van het beroep van advocaat bij het Hof van Cassatie te waarborgen en te handhaven.

B.2.5. Nu in elk van de samengevoegde zaken ten minste een van de verzoekende partijen doet blijken van een belang bij de vernietiging van de bestreden artikelen en het beroep ontvankelijk is in zoverre het door die partijen is ingesteld, dient het Hof niet te onderzoeken of de overige verzoekende partijen op ontvankelijke wijze beroep hebben ingesteld.

B.2.6. Aangezien de tussenkomende partijen geen wezenlijke argumenten toevoegen aan de grieven van de verzoekende partijen die zij ondersteunen, bestaat er evenmin aanleiding om te onderzoeken of hun tussenkomst ontvankelijk is.

B.3.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van een aantal middelen omdat zij niet voldoende zouden zijn uiteengezet. Bovendien werpt hij meermaals op dat een middel niet ontvankelijk zou zijn omdat het Hof niet bevoegd is om aan bepaalde referentienormen te toetsen of omdat de aangevoerde schending niet uit de bestreden bepalingen, maar uit andere wetsbepalingen zou voortvloeien.

B.3.2. Het Hof is bevoegd om wetskrachtige normen te toetsen aan de regels die de bevoegdheden verdelen tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, alsook aan de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet.

Alle middelen zijn afgeleid uit de schending van een of meer van die regels waarvan het Hof de naleving waarborgt. In zoverre de verzoekende partijen daarnaast verdragsbepalingen, andere grondwetsartikelen en algemene beginselen vermelden, zal het Hof die enkel in aanmerking nemen in zoverre een schending wordt aangevoerd van de voormelde regels, in samenhang gelezen met de bedoelde bepalingen en beginselen. In die mate zijn de middelen ontvankelijk.

B.3.3.1. Volgens de Ministerraad zouden de middelen waarin de schending wordt aangevoerd van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet ontvankelijk zijn, vermits de inachtneming van het recht op toegang tot de rechter volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een beoordeling in concreto zou impliceren. Zulk een beoordeling zou volgens de Ministerraad niet aan het Grondwettelijk Hof toekomen, behoudens wanneer de rolrechten het recht op toegang tot de rechter a priori dermate zouden beperken dat de rechtspleging onmogelijk bestaanbaar zou zijn met artikel 6 van het voormelde Europees Verdrag, wat te dezen volgens hem niet het geval zou zijn.

B.3.3.2. Het Hof is bevoegd om te onderzoeken of de wetgever de waarborgen vervat in de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet heeft geschonden. Het Hof is eveneens bevoegd om bij zijn toetsing van wetskrachtige normen aan de voormelde referentienormen te onderzoeken of de ter toetsing voorgelegde bepalingen bestaanbaar zijn met voor België bindende normen van internationaal recht waarvan de schending in samenhang met de voormelde grondwetsbepalingen wordt aangevoerd, zoals te dezen artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.3.4. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof moeten de middelen niet alleen te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, maar ook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

Het Hof onderzoekt de middelen in zoverre zij aan de voormelde vereisten voldoen.

B.3.5. In zoverre de Ministerraad ten slotte het belang van de verzoekende partijen bij sommige middelen betwist, volstaat het eraan te herinneren dat, wanneer de verzoekende partijen een belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, zij daarbovenop niet moeten doen blijken van een belang bij elk van de middelen.

B.4. De excepties worden verworpen.

B.5.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van sommige middelen, vermits zij betrekking zouden hebben, niet op bepalingen die te dezen worden bestreden, maar op mogelijke lacunes in andere wetgevende normen die niet worden bestreden.

B.5.2. Wanneer een exceptie van niet-ontvankelijkheid tevens betrekking heeft op de draagwijdte die aan de bestreden bepalingen dient te worden gegeven, valt het onderzoek van de ontvankelijkheid samen met dat van de grond van de zaak.

B.6. Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd.
Vermits de verzoekende partijen uitsluitend middelen en grieven aanvoeren tegen de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de wet van 28 april 2015, zijn de beroepen slechts ontvankelijk in zoverre zij tegen die artikelen zijn gericht.

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.7. De bestreden artikelen bepalen :
« Art. 3. Artikel 2691 van [het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten], laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 22 juni 2012, wordt vervangen als volgt :
' Art. 2691. Voor elke zaak die op de algemene rol, op de rol van de verzoekschriften of op de rol van de vorderingen in kort geding wordt ingeschreven, wordt er per eisende partij, zoals bedoeld in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, een rolrecht geheven waarvan het bedrag overeenkomstig de hieronder vermelde tabel wordt vastgesteld.

Aard van het gerecht Waarde van de vordering

Vredegerecht, politierechtbank tot 2 500 euro of niet in geld waardeerbare vorderingen 40 euro

boven 2 500 euro 80 euro

Rechtbank eerste aanleg (met uitzondering van de familierechtbank), rechtbank van koophandel tot 25 000 euro of niet in geld waardeerbare vorderingen 100 euro

van 25 000,01 euro tot 250 000 euro 200 euro

van 250 000,01 euro tot 500 000 euro 300 euro

boven 500 000 euro 500 euro

Arbeidsrechtbank en fiscale geschillen, indien de waarde van de vordering hoger is dan 250 000 euro van 250 000,01 euro tot 500 000 euro 300 euro

boven 500 000 euro 500 euro

Hof van beroep tot 25 000 euro of niet in geld waardeerbare vorderingen 210 euro

van 25 000,01 euro tot 250 000 euro 400 euro

van 250 000,01 euro tot 500 000 euro 600 euro

boven 500 000 euro 800 euro

Arbeidshof en fiscale geschillen in beroep, indien de waarde van de vordering hoger is dan 250 000 euro van 250 000,01 euro tot 500 000 euro 600 euro

boven 500 000 euro 800 euro

Hof van Cassatie, met uitzondering van voorzieningen tegen beslissingen van arbeidsgerechten of beslissingen in fiscale geschillen tot 25 000 euro of niet in geld waardeerbare vorderingen 375 euro

van 25 000,01 euro tot 250 000 euro 500 euro

van 250 000,01 euro tot 500 000 euro 800 euro

boven 500 000 euro 1 200 euro

Hof van Cassatie voor voorzieningen tegen beslissingen van arbeidsgerechten of beslissingen in fiscale geschillen, indien de waarde van de vordering hoger is dan 250 000 euro van 250 000,01 euro tot 500 000 euro 800 euro

boven 500 000 euro 1 200 euro

Voor de toepassing van het eerste lid, voegt elke eisende partij bij de akte die ter inschrijving op de rol wordt aangeboden, een pro-fiscoverklaring, opgemaakt onder de vorm door de Koning bepaald, van de schatting van de waarde van zijn definitieve vordering, zoals bepaald in artikel 557 van het Gerechtelijk Wetboek, of desgevallend, het feit dat zijn vordering niet in geld waardeerbaar is.
Indien de vordering is vrijgesteld van het rolrecht, wordt hiervan melding gemaakt in de pro-fiscoverklaring met opgave van de wettelijke grondslag.

Voor zaken aanhangig bij het Hof van Cassatie, bedraagt de waarde van de vordering de waarde van de vordering in hoger beroep.

Zonder deze pro-fiscoverklaring wordt de akte niet ingeschreven.

Geen enkel recht wordt geïnd bij de zaken voor de beslagrechter of de vrederechter in het kader van de toepassing van artikelen 1409, § 1, vierde lid, en 1409, § 1bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Geen recht wordt geïnd bij de zaken voor de arbeidsgerechten en voor fiscale geschillen, behalve indien de waarde van de vordering hoger is dan 250 000 euro.

In afwijking van het derde lid, wordt er geen pro-fiscoverklaring van vrijstelling van rolrecht toegevoegd voor zaken voor de arbeidsgerechten en voor fiscale geschillen waarvan de waarde niet hoger is dan 250 000 euro. '.

Art. 4. Artikel 2692 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 juni 2012, wordt vervangen als volgt :
' Artikel 2692. In afwijking van artikel 2691 en ongeacht de waarde van de vordering en ongeacht het aantal eisende partijen, wordt er een rolrecht van 100 euro geheven voor elke zaak die in de familierechtbank op de algemene rol, op de rol van de verzoekschriften of op de rol van de vorderingen in kort geding wordt ingeschreven, en die betrekking heeft op geschillen zoals bedoeld in artikelen 572bis en 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De zaken die worden geacht spoedeisend te zijn, zoals bedoeld in artikel 1253ter/7, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, worden onderworpen aan een eenmalig recht dat bij de inleiding van de eerste vordering wordt geïnd.

Wordt hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de familierechtbank, dan wordt er een rolrecht van 210 euro geheven.
Stelt men een voorziening in cassatie in tegen in hoger beroep gewezen arresten of in hoger beroep gewezen vonnissen van de familierechtbank, dan wordt er een rolrecht van 375 euro geheven. '.

Art. 5. Artikel 2693 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 juni 2012, wordt opgeheven.

Art. 6. Artikel 279/1, 1°, tweede zin, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 juni 1948 en de wet van 12 juli 1960, wordt aangevuld met de volgende zin :

' Het recht is eveneens verschuldigd voor de procedures bedoeld in artikel 162, 4°, 14°, 33°bis, 34°, 35°, 35°bis, 35°ter, 35°quater, 36°, 36°bis, 36°ter, 37°, 37°bis, 40° en 45°, wanneer de waarde van de vordering bij toepassing van artikel 2691 het rolrecht verschuldigd maakt bij fiscale geschillen of in zaken gebracht voor de arbeidsgerechten. ' ».

Ten gronde

B.8. De verzoekende partijen voeren in essentie de schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, van het wettigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken, van het recht op juridische bijstand en van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu.

Het Hof onderzoekt eerst de middelen die betrekking hebben op de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter.

Wat betreft de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter

B.9. De middelen die de verzoekende partijen daaromtrent aanvoeren zijn in hoofdzaak, zij het niet uitsluitend, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en
13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Door de verhoging van de rolrechten zou het recht op toegang tot de rechter aanzienlijk worden beperkt, inzonderheid ten aanzien van rechtzoekenden met beperkte financiële middelen, temeer nu die verhoging bovenop een aantal andere maatregelen komt, zoals de verhaalbaarheid van de erelonen van de advocaat, de onderwerping van die erelonen aan de btw en een eerdere verhoging van de rolrechten in 2012. De wetgever zou onterecht ervan uitgaan dat er een verband bestaat tussen de waarde van de vordering en de werklast voor het gerechtelijk apparaat, zodat het aangewende criterium van onderscheid niet pertinent zou zijn om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. Bovendien zouden de bestreden maatregelen onevenredig zijn met die doelstellingen. Voorts worden de bestreden bepalingen bekritiseerd in zoverre zij betrekking hebben op een rolrecht per eisende partij, op de rolrechten in arbeidsgeschillen en fiscale geschillen en op de rolrechten voor het Hof van Cassatie.

B.10.1. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt :
« Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ».
B.10.2. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :
« Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ».

Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :
« Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie ».

B.10.3. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt :
« Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen ».

B.11.1. Het recht op toegang tot een rechter is een algemeen rechtsbeginsel dat met inachtneming van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aan eenieder moet worden gewaarborgd. Het vormt een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces en is fundamenteel in een rechtsstaat. Het recht om zich tot een rechter te wenden, heeft bovendien zowel betrekking op de vrijheid om in rechte op te treden als op de vrijheid om zich te verdedigen.

B.11.2. Het recht op toegang tot een rechter is evenwel niet absoluut. Het kan het voorwerp uitmaken van financiële beperkingen, voor zover die beperkingen geen afbreuk doen aan de essentie zelf van dat recht. De beperkingen van dat recht moeten redelijk evenredig zijn met het gewettigde doel dat zij nastreven (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, § 25). De reglementering dienaangaande moet de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling nastreven en mag dusdanig geen beperkingen opleveren die de rechtzoekende verhinderen de inhoud van zijn geschil voor de bevoegde rechter te brengen (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, § 25; 29 maart 2011, RTBF t. België, § 69).

B.12. Uit de in B.1.2 aangehaalde memorie van toelichting bij de bestreden wet blijkt dat de wetgever met de bestreden hervorming het systeem van de rolrechten heeft willen vereenvoudigen, de rechtzoekende heeft willen responsabiliseren, een budgettair oogmerk heeft beoogd en « de rolrechten in verhouding [heeft willen] brengen met de werkingskosten van de rechtspraak » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0906/001, p. 5). Dat laatste doel, dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp wordt vermeld ter verantwoording van de bestreden maatregel ten aanzien van het wettigheids- en het evenredigheidsbeginsel, is tevens het doel waarnaar de minister verwees in de commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0906/003, p. 3). Door de rolrechten te laten differentiëren naar gelang van de waarde van de vordering betracht de wetgever aldus de rolrechten « in overeenstemming te brengen met de vermoede inspanning en kosten van het gerechtelijke apparaat » (ibid., DOC 54-0906/001, p. 7).

B.13. Allereerst dient het Hof te onderzoeken of het criterium van onderscheid tussen rechtzoekenden wat het bedrag van het te betalen rolrecht betreft, steunend op de waarde van de vordering, pertinent is ter verwezenlijking van de hoofddoelstelling van de wetgever om de rolrechten in verhouding te brengen met de werkingskosten van de rechtspraak.

Vorderingen met een beperkte financiële inzet kunnen een ingewikkeld karakter vertonen en een hoge werklast voor het gerechtelijke apparaat meebrengen.

Omgekeerd kan de behandeling van vorderingen met een hoge financiële inzet eenvoudig blijken.

Tijdens de parlementaire voorbereiding is erop gewezen dat het verband tussen de waarde van de vordering en de complexiteit ervan niet vaststaat. Zo kunnen bijvoorbeeld rechtszaken in verband met een erfdienstbaarheid ingewikkeld zijn, ook al staat er slechts een gering belang op het spel, terwijl de behandeling van een geschil over een onbetaalde factuur van een aanzienlijk bedrag eenvoudig kan blijken (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0906/003, p. 10).

Er valt evenmin in te zien dat, wat de rolrechten voor het Hof van Cassatie betreft, er enig verband zou bestaan tussen de waarde van de vordering in hoger beroep en de werklast die de behandeling van een voorziening in cassatie zou meebrengen.
In haar advies van 28 november 2014 over de amendementen op een ontwerp van « programmawet » (griffierechten), heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt :

« Evenmin kan de verantwoording voor die onderscheiden worden gevonden in de - eveneens in de toelichting vermelde - ' eerlijke verhouding tot de vermoede inspanning voor Justitie '. De werklast die de behandeling van een zaak met zich meebrengt en de moeilijkheidsgraad van een zaak, hangen immers niet af van de financiële waardering van de eis. De in het ontworpen artikel 2691, eerste lid, van het W.Reg. vervatte regeling doorstaat derhalve ook niet de toets aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 14 van het EVRM en artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0906/001, p. 39).

Zonder dat het nodig is na te gaan of de bestreden verhoging van de rolrechten voor vorderingen die de diverse door de wetgever ingevoerde waardedrempels overschrijden, van dien aard is dat de toegang tot de rechter erdoor wordt belemmerd, inzonderheid ten aanzien van rechtzoekenden met beperkte financiële middelen, ermee rekening houdend dat de bestreden maatregelen bijkomend zijn ten aanzien van andere recente maatregelen, vermeld in B.9, die de financiële drempels voor de toegang tot justitie verhogen, volstaat het vast te stellen dat het criterium van de waarde niet pertinent is om de voormelde hoofddoelstelling van de wetgever te verwezenlijken.

B.14. De middelen afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn gegrond.

B.15. De andere middelen, die niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, moeten bijgevolg niet worden onderzocht.
Wat betreft de handhaving van de gevolgen

B.16. Teneinde de administratieve en budgettaire moeilijkheden te vermijden die uit de vernietiging van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de wet van 28 april 2015 zouden voortvloeien, en teneinde het de wetgever mogelijk te maken de wetgeving aan te passen in overeenstemming met dit arrest, dienen, met toepassing van artikel 8 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd zoals is aangegeven in het dictum.

Om die redenen,
het Hof
- vernietigt de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen;
- handhaaft, tot het optreden van de wetgever en uiterlijk tot 31 augustus 2017, de gevolgen van de vernietigde bepalingen ten aanzien van de vorderingen die bij een rechtscollege zijn ingesteld tot die datum.
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 februari 2017.

Commentaar:

Rolrechten, bespreking van de wet van 28 april 2015 en van het KB van 12 mei 2015 in NJW 324, 432

De vraag zou kunnen gesteld worden of de wetgever van 2015 zich door het lof der zotheid van Erasmus heeft laten inspireren.

Hoe is het mogelijk dat politici overal ter wereld vandaag standpunten innemen die gewoonweg diametraal ingaan tegen eerder genomen standpunten en beleidsopties in. Zo wordt in België voortdurend door politici gepleit voor de vereenvoudiging van de toegang tot de rechter door de burger, voor de optimalisering van justitie, terwijl tezelfdertijd de kosten van justitie steeds opnieuw spectaculair verhoogd worden, door onder meer de btw op de kosten en erelonen van de advocaat, de verhoogde rolrechten, de verhoogde rechtsplegingsvergoeding, de toepassing van het wetboek van economisch recht met alle hierbij horende verplichtingen op de vrije beroepen en dergelijke meer.

Meer zelfs, op iets meer dan een jaar tijd is de wetgever erin geslaagd om justitie enkel nog toegankelijk te maken voor de zeer hoge klasse voor wie recht een product is eerder dan een recht en voor de allerlaagste klasse die zich dan weliswaar dient te behelpen met het krakkemikkige Pro Deo systeem.

En dan weer zien we hoe de rechtse politiek van 2017 dan weer de perceptie tracht te wekken de gebroken potten lijmen middels de idee van de privatisering van justitie, lees de fiscale stimulering van de rechtsbijstand.

Ondertussen is reeds meermaals vastgesteld dat de rechtsbijstandsverzekeraars dermate beknibbelen op de onkosten en erelonen van advocaten, waardoor betere advocaten zijn gaan weigeren om verder voor die marchands in het recht op te treden die in feite elk mogelijk excuus zoeken om zo weinig mogelijk hun verplichtingen ten aanzien van de verzekerden en derde na te komen, lees hierop om economische redenen te beknibbelen.

Advocaten zijn geen aapjes die slechts met nootjes betaald worden en afgericht kunnen worden om de verdediging van hun cliënten te laten afhangen van kapitalistische wetmatigheden van derden.

Op minder dan 2 jaar tijd is de justitie in het algemeen en de toegang tot de rechter en tot de advocatuur 2 maal zo duur gen 3 maal zo afstandelijk en formalistisch geworden. Justitie is virtueel failliet en de OVB en de diverse ordes hebben hier deel aan. De OVB, de orde van Vlaamse balies, zag het passeren en keek ernaar als een koe doe de trein zag passeren. Erger, ze durft in speeches zelfs te beweren hoe goed ze wel gewerkt heeft. Ondertussen maakt de Vlaamse orde zich mee schuldig aan ziekelijke verspilzucht van middelen, waarbij mandaten worden betaald met veel hogere vergoedingen dan sommigen in intercommunales bekomen op de kosten van hun confraters en dus de rechtsonderhorigen.

De OVB betrekt een paleis in de Koningstraat waarvan de nutteloosheid, ja zelfs helaasheid van de luxe die van het paleis van een dicatator van een bananenrepubliek kan doorstaan. Ook de lokale balies betalen op momenten van crisis, bedragen die hoger liggen dan het gemiddeld inkomen van een advocaat aan mandatarissen en stafhouders van de ordes. Deze vergoedingen worden gecumuleerd met hun gewone inkomsten als advocaat en ja deze vergoedingen liggen vaak hoger dan deze die betaald worden in intercommunales en worden bovendien geheim gehouden. Dit alles op momenten waarbij advocaten onder de armoedegrens zijn moeten gaan leven door de opeenvolgende moordende maatregelen van justitie.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 09/11/2012 - 01:03
Laatst aangepast op: do, 20/07/2017 - 18:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.