-A +A

Stuiting van de verjaring wordt als niet bestaande beschouwd bij afwijzing van de eis

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Uittreksel uit het burgerlijk wetboek:

Art. 2247. Indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm,
Indien de eiser afstand doet van zijn eis,
(Lid 3 opgeheven)<W 15-12-1949, art. 28>.
Of indien zijn eis wordt afgewezen.
Wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden.

Hof van Cassatie, 1e Kamer – 27 mei 2010, AR nr. C.09.0103.N, RW 2012-2013, 371

Artikel 2247 BW stelt dat de stuiting van de verjaring voor niet bestaande gehouden indien de eis wordt afgewezen. Deze bepaling maakt geen onderscheid naargelang de gronden waarop de afwijzing. Dit belet niet dat de rechter de draagwijdte nagaan van de beslissing die de eis heeft afgewezen door de werkelijke gedachte te bepalen van de rechter die ze heeft uitgesproken.

De rechter moet dus nagaan of de rechter de eis definitief heeft willen afwijzen dan wel te kennen heeft gegeven dat het de afgewezen eiser vrijstond in een later stadium en onder bepaalde omstandigheden dezelfde eis opnieuw voor te brengen.

Als een strafrechter de burgerlijke vordering afwijst op grond dat de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn of nog bij gebrek aan oorzakelijk verband tussen de bewezen feiten en de door de burgerlijke partij geleden schade, wijst hij de op het bestaan van een misdrijf gebaseerde vordering van de burgerlijke partij definitief af. De omstandigheid dat de afgewezen burgerlijke partij dan nog de mogelijkheid behoudt voor de burgerlijke rechter vergoeding te vorderen voor de door haar geleden schade op grond van een eventuele andere door de vrijgesproken beklaagde begane fout die geen misdrijf uitmaakt, doet hieraan geen afbreuk.

 

L.M. e.a. t/ NV A.B. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 september 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 2244 BW vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting.

Krachtens art. 2247 BW wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden indien de eis wordt afgewezen.

2. Hoewel voormeld art. 2247 geen onderscheid maakt naargelang de gronden waarop de afwijzing gebeurt, dient de rechter de draagwijdte na te gaan van de beslissing die de eis heeft afgewezen door de werkelijke gedachte te bepalen van de rechter die ze heeft uitgesproken. Hij dient aldus na te gaan of de rechter de eis definitief heeft willen afwijzen, dan wel te kennen heeft gegeven dat het de afgewezen eiser vrijstond in een later stadium en onder bepaalde omstandigheden dezelfde eis opnieuw voor te brengen.

3. De voor de strafrechter ingestelde burgerlijke vordering is een accessorium van de strafvordering.

Wanneer de strafrechter de burgerlijke vordering afwijst op grond dat de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn of nog bij gebrek aan oorzakelijk verband tussen de bewezen bevonden feiten en de door de burgerlijke partij geleden schade, wijst hij de op het bestaan van een misdrijf gebaseerde vordering van de burgerlijke partij definitief af.

De omstandigheid dat de afgewezen burgerlijke partij dan nog de mogelijkheid behoudt voor de burgerlijke rechter vergoeding te vorderen voor de door haar geleden schade op grond van een eventuele andere door de vrijgesproken beklaagde begane fout die geen misdrijf uitmaakt, doet hieraan geen afbreuk.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 7 juni 2002 geoordeeld heeft dat:

– de tenlasteleggingen A, namelijk de feiten van brandstichting in de zin van art. 519 Sw., en B niet bewezen voorkomen;

– de tenlasteleggingen C en D wel bewezen voorkomen;

– gelet op de vrijspraak voor de tenlasteleggingen A en B, de vorderingen van de eisers tegen de beklaagde niet gegrond voorkomen in zoverre gebaseerd op deze tenlasteleggingen;

– de vorderingen van de eisers tegen de beklaagde eveneens ongegrond voorkomen in zoverre gebaseerd op de bewezen bevonden tenlasteleggingen C en D, bij gebrek aan oorzakelijk verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de schade;

– aangezien de eisers over geen schuldvordering gebaseerd op de aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijven beschikken, hun vorderingen tegen de verweerders, die noodzakelijkerwijze eveneens gebaseerd zijn op de aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijven, niet gegrond zijn;

– het hof van beroep zich als strafrechter niet heeft uit te spreken over de vraag of er sprake is van fouten begaan door de beklaagde, die niet te kwalificeren zijn als oorzaken van de brand in de zin van art. 519 Sw., noch over de eventuele gevolgen ervan op burgerrechtelijk gebied.

Door aldus te oordelen heeft het hof van beroep de vordering van de eisers als burgerlijke partijen, gebaseerd op de aan de beklaagde strafrechtelijk ten laste gelegde feiten, afgewezen in de zin van art. 2247 BW, zodat de stuiting van de verjaring voor niet-bestaande dient te worden gehouden, ook al sluit het hof van beroep niet uit dat op grond van een andere fout, die geen misdrijf oplevert, voor de burgerlijke rechter een vordering zou kunnen worden ingesteld tegen dezelfde partijen en uit hoofde van dezelfde schade.

5. Het onderdeel dat er geheel van uitgaat dat het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 7 juni 2002 de vordering van de eisers niet definitief heeft afgewezen in de zin van art. 2247 BW, kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. Krachtens art. 35, § 4 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst wordt de verjaring van de vordering bedoeld in art. 34, § 2 gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te verkrijgen voor de door hem geleden schade.

Krachtens hetzelfde artikel eindigt de stuiting op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

De door de verzekeraar aan de strafrechter overgelegde schriftelijke conclusie, waarvan niet wordt betwist dat die aan de benadeelde, die de verzekeraar in het strafgeding betrok, werd medegedeeld en waaruit blijkt dat de verzekeraar weigert tot de vergoeding van de benadeelde over te gaan, kan gelden als kennisgeving van die weigering.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 27/10/2012 - 04:45
Laatst aangepast op: za, 27/10/2012 - 04:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.