-A +A

Stuiting van de verjaring in burgerlijke zaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De verjaring wordt voortaan gestuit door elke dagvaarding.

Deze bepaling werd opgenomen in de wet van 16.07.2012 teneinde de tegenstrijdigheid weg te werken tussen artikel 2246 en 2247 en een onnoemelijke rechtspraak en rechtsleer waartussen de spreekwoordelijke hond zijn jongen niet meer vond.

Artikel 2246 stelde dat de verjaring van een onbevoegde rechter de lopende verjaring stuit.

Artikel 2247 stelde dat een in de dagvaarding niet ingezet hoofde van een gebrek in de vorm de stuiting voor niet bestaande werd gehouden.

Men hoeft geen groot jurist te zijn om de tegenstrijdigheid tussen deze bepalingen in te zien.

De wetgever oordeelde dat de dagvaarding de uiterlijke wil uitmaakt van een partij om het geding verder te zetten waardoor zij besloot dat de verjaring in alle gevallen zou gestuit worden, zelfs indien de dagvaarding nietig zou zijn door een gebrek in de vorm.

Voor deze wijziging is de burger schatplichtig aan de justitiedialogen van 2004 en vooral aan de eminenties Fred Erdman en Georges Deleval die voorstellen hebben uitgewerkt op verzoek van de vorige Minister van Jusititie Laurette Onckelinckx.
 

Oude rechtspraak

• Rechtspraak Hof van Cassatie, 4 mei 2009, RW 2010-2011,1519

[...]

2. Wanneer de strafrechter beslist dat geen misdrijf bewezen is ten laste van de beklaagde en zich om die reden onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de burgerlijke vorderingen ingesteld tegen de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, doet de strafrechter met deze beslissing uitspraak over de zaak zelf en houdt deze beslissing in dat de burgerlijke vordering wordt afgewezen omdat het misdrijf waarop zij steunt niet bewezen is.
3. Het bestreden vonnis stelt vast dat de politierechter zich onbevoegd verklaard heeft om kennis te nemen van de burgerlijke vorderingen tegen de burgemeester en tegen de eiseres omdat de burgemeester niet de dader is van enig misdrijf noch een persoon voor wie de gemeente verantwoordelijk is. Door vervolgens te oordelen dat de dagvaarding voor de onbevoegde rechter heeft plaatsgevonden zodat toepassing gemaakt moet worden van artikel 2246 van het Burgerlijk Wetboek en niet van artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek, schendt het bestreden vonnis de in het middel aangewezen bepalingen.
Het middel is gegrond.
Tweede middel
Tweede onderdeel
4. Het bestreden vonnis oordeelt dat niet bewezen is dat R. op de plaats van het ongeval aan onaangepaste snelheid reed en neemt hierbij in overweging dat de bocht niet aangekondigd was.
Het antwoordt niet op het in de appelconclusies van de eiser aangevoerd verweer dat R. vertrouwd was met de plaatsgesteldheid.
Het onderdeel is gegrond.
Omvang van cassatie
5. De cassatie van de beslissing op het tweede middel dient te worden uitgebreid tot de beslissing met betrekking tot de aansprakelijkheid van de gemeente ten aanzien van de verweerster sub 4, die er nauw mee verbonden is.
Overige grieven
6. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dit de hogere beroepen ontvankelijk verklaart en oordeelt dat de vordering van de verweerster sub 4 niet verjaard is.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, zitting houdende in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer

Noot:

Conclusie Advocaat-generaal Mortier bij dit arrest

Naar aanleiding van een dodelijk verkeersongeval gingen de nabestaanden en de arbeidsongevallenverzekeraar van het slachtoffer over tot rechtstreekse dagvaarding voor de politierechtbank, van de burgemeester van de gemeente waar het verkeersongeval zich had voorgedaan wegens inbreuk op de artikelen 418 en 419 Sw. (onopzettelijke doding) en van de gemeente zelf als burgerrechtelijk aansprakelijke partij op grond van artikel 1384 B.W.

De politierechter overwoog dat geen welkdanige causaal relevante onvoorzichtigheid, nalatigheid of inbreuk lastens de burgemeester vaststaand bewezen voorkomt, zodat de vrijspraak zich opdringt voor wat de strafrechterlijke betichting betreft.

Met betrekking tot de gemeente oordeelde de politierechter dat vermits de burgemeester noch auteur is van welkdanig bewezen misdrijf, noch een persoon is voor wie de gemeente verantwoordelijk is krachtens artikel 1384 B.W. de gemeente feitelijk niet voor de strafrechtbank kan gedaagd worden in een burgerlijke vordering.

Bijgevolg achtte de politierechtbank zich niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering op rechtstreekse dagvaarding lastens de burgemeester en de gemeente, gezien de vrijspraak van de burgemeester.

Doet de strafrechter die zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van een burgerlijke vordering nadat hij de beklaagde heeft vrijgesproken, louter uitspraak over zijn bevoegdheid of gaat het om meer?

De burgerlijke rechtsvordering die voor het gerecht is gebracht, waarbij de strafvordering aanhangig is overeenkomstig de artikelen 3 en 4 V.T.Sv., is hierop gegrond dat de door de burgerlijke partij opgelopen schade haar oorzaak vindt in een fout die onder toepassing van de strafwet valt. De burgerlijke vordering steunt in dat geval dus enkel op de delictuele aansprakelijkheid.

Wanneer de rechter voor wie de strafvordering aanhangig is, beslist dat de beklaagde de hem tenlastgelegde fout niet heeft gepleegd, beslist hij noodzakelijk dat de grondslag van de burgerlijke rechtsvordering niet bewezen is.

Wanneer de strafrechter een beklaagde vrijspreekt van de hem tenlastgelegde misdrijven, die aan de burgerlijke rechtsvordering ten grondslag liggen, heeft hij de gewoonte om zich onbevoegd te verklaren voor de kennisneming van de burgerlijke rechtsvordering tegen de vrijgesproken beklaagde.
Deze beslissing betekent dat op basis van de tenlastlegging de vordering tot vergoeding van schade ongegrond is en dat, gezien de beklaagde het strafbaar feit niet gepleegd heeft, de rechter voor wie de strafvordering aanhangig is ook niet bevoegd is uitspraak te doen over een andere rechtsgrond, die ook als basis kon dienen voor de vordering van de benadeelde.

De beslissing waarbij de rechtbank zich onbevoegd verklaart heeft dus geen betrekking op de burgerlijke rechtsvordering zoals deze hic et nunc is ingesteld, zij betekent dat de rechter voor wie de strafvordering is ingesteld, onbevoegd is om kennis te nemen van een "gewijzigde vordering".
Er kan immers geen sprake zijn van een wijziging van de juridische grondslag van de burgerlijke vordering voor deze rechter zoals bedoeld in artikel 807 Ger.W.
Voor de burgerlijke rechter is een dergelijke wijziging wel mogelijk: de aanvoering van een delictuele aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechter, staat het zich beroepen op een contractuele of quasi-delictuele aansprakelijkheid tijdens hetzelfde geding niet in de weg, voor zover de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding vermeld.
Dit is evenwel niet het geval voor de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, omdat deze rechter slechts bevoegd is in burgerlijke zaken als aangenomen wordt dat de beklaagde het hem tenlastgelegde strafbaar feit, dat ten grondslag ligt aan de burgerlijke rechtsvordering, die voor hem is gebracht, heeft gepleegd(1).

Uw Hof besliste bij arrest van 25 mei 1973, dat het vonnis van de politierechtbank dat, na op de strafvordering te hebben beslist dat het aan de beklaagde telastgelegde misdrijf niet bewezen is, verklaart dat de rechtbank dientengevolge niet bevoegd is om kennis te nemen van de rechtsvordering van de burgerlijke partij, ten opzichte van deze rechtsvordering niet slechts inzake de bevoegdheid gewezen is.
Het beslist ook dat het misdrijf dat ten grondslag ligt aan de burgerlijke rechtsvordering niet bewezen is.

De appelrechters oordelen in het kader van de discussie omtrent het al dan niet verjaard zijn van de vorderingen tegen de burgemeester en de gemeente dat de politierechter zich onbevoegd verklaard heeft en dat overeenkomstig artikel 2246 B.W. de dagvaarding voor de onbevoegde rechter de verjaring stuit zodat de vorderingen niet verjaard zijn.

Het eerste middel voert terecht aan dat de appelrechters niet wettig konden oordelen dat de politierechter zich onbevoegd had verklaard in de zin van artikel 2246 B.W.. De politierechter heeft zich wel bevoegd verklaard om van de rechtstreekse dagvaarding kennis te nemen en heeft er zelfs uitspraak over gedaan door de burgemeester vrij te spreken. Ingevolge die vrijspraak stelde de politierechter onbevoegd te zijn om van de eis ten aanzien van de gemeente kennis te nemen. Het feit dat ingevolge een vrijspraak niet meer geoordeeld wordt over de burgerlijke vordering houdt een beoordeling en een afwijzing van die eis in in de zin van artikel 2247 B.W. waardoor de stuiting van de verjaring voor niet bestaande wordt gehouden, maar houdt niet in dat de eis geformuleerd werd voor een onbevoegde rechter in de zin van artikel 2246 B.W..

Het middel is gegrond.

Conclusie: VERNIETIGING

ARREST

_____________
(1) Zie noot E.K. onder Cass., 25 mei 1973, A.C. 1973, 936.

voor een arrest in zelfde zin zie Cass. 23 mei 1979, RW 1980-81, 1463.

• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 12 januari 2010, RW 2012-2013, 103

Samenvatting

Art. 2244 BW stelt dat een dagvaarding voor het gerecht, betekend aan hem die men wil belet om de verjaring te verkrijgen.

Ook een burgerlijke partijstelling voor de strafrechter belet de verjaring.

De dagvaarding stuit de verjaring voor de vordering die ze inleidt en voor de vorderingen die daarin zijn begrepen zijn.

Wanneer een vordering wordt ingeleid tot vergoeding van een deel van de schade, bv. enkel een vordering tot vergoeding van de morele schade die door het misdrijf is veroorzaakt, stuit zulks ook de verjaring ten aanzien van het deel van de schade, in dit geval de materiële schade, dat niet onmiddellijk het voorwerp van de vordering is.

Tekst arrest

AR nr. P.09.1266.N

W.S. en A.D. t/ NV Z.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 juni 2009.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

...

4. Het middel voert schending aan van art. 2244 BW en art. 807 Ger.W.: het arrest dat onterecht oordeelt dat de gevorderde morele schade en de gevorderde materiële schade een verschillende oorzaak hebben, houdt ten onrechte geen rekening met het stuitend karakter van de burgerlijke partijstelling.

5. Krachtens art. 26 Voorafgaande Titel Sv. verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering.

Krachtens art. 2244 BW vormt een dagvaarding voor het gerecht, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting.

Met een dagvaarding voor het gerecht wordt ook een burgerlijke partijstelling voor de strafrechter bedoeld.

6. Een dagvaarding stuit de verjaring voor de vordering die ze inleidt en voor de vorderingen die daarin virtueel begrepen zijn.

Een vordering ingesteld tot vergoeding van een deel van de schade die door het misdrijf is veroorzaakt, stuit de verjaring ten aanzien van het deel van de schade dat niet onmiddellijk het voorwerp van de vordering is.

7. De stuiting door de burgerlijke partijstelling strekt zich niet uit tot een eis met een andere oorzaak.

De oorzaak van de vordering is het geheel van feiten en handelingen waarop de partij die ze instelt, haar vordering baseert.

De oorzaak van een burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf is aldus het schadeverwekkend misdrijf waarop de burgerlijke partijstelling is gebaseerd.

8. Het arrest oordeelt dat de verjaring van de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet werd gestuit door de burgerlijke partijstelling, op grond dat de vordering die door de burgerlijke partijstelling werd ingeleid, alleen de vergoeding van morele schade tot voorwerp heeft en de morele schade die de eisers ingevolge het misdrijf lijden, een andere oorzaak heeft dan de materiële schade die zij ingevolge hetzelfde misdrijf lijden.

Het arrest dat met miskenning van het rechtsbegrip “oorzaak van de vordering”, niet wettig oordeelt dat de burgerlijke partijstelling de verjaring van de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet heeft gestuit, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

...
 

 

Nog dit: 

• Ignace CLAEYS, De verjaringsstuitende buitengerechtelijke ingebrekestelling, RW 2013-2014, 803

Inhoud van deze bijdrage:

I. Toepassingsvoorwaarden

A. De ingebrekestelling moet per aangetekende brief met ontvangstbewijs worden verstuurd

B. Door een professionele verzender

C. Naar de schuldenaar met woonplaats, verblijfplaats of maatschappelijke zetel in België

E. Met kopie aan de verblijfplaats als de woonplaats niet dezelfde is als de bekende verblijfplaats

F. Reeks verplichte vermeldingen

1° Gegevens van de schuldeiser en schuldenaar

2° Omschrijving van de verbintenis en een verantwoording van de bedragen

3° Termijn voor nakoming vooraleer bijkomende invorderingsmaatregelen te nemen

4° Mogelijkheid van optreden in rechte bij niet-tijdige reactie van de schuldenaar

5° Verjaringsstuitende werking

6° Handtekening

G. Taal van de ingebrekestelling

H. Geen vereiste van uitnodiging voor een minnelijke schikking

II. Rechtsgevolgen

A. Bestaande gevolgen naar gemeen recht

B. Verjaringsstuiting als bijkomend gevolg

1° Voor zover de ingebrekestelling binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn gebeurt

2° Nieuwe termijn van één jaar of termijn gelijk aan de oorspronkelijke termijn indien die minder dan één jaar bedroeg

3° Zonder dat de verjaring vóór de vervaldag van de initiële verjaringstermijn kan intreden

4° Vanaf de verzending

5° Eenmalig

6° Onverminderd andere stuitingsgronden

III. Verhouding tot een aantal bijzondere wetten

A. Bijzondere wetten die reeds aan de ingebrekestelling een verjaringsstuitende werking hadden gegeven

B. Wet minnelijke invordering van schulden van de consument

IV. Inwerkingtreding en overgangsrecht

V. Evaluatie

Bronnen van deze bijdrage

• J. Laenens, «Ingebrekestelling bij advocatenbrief» in H. Boularbah, J. Cruyplants, J. Du Mongh, J. Englebert, M. Forges, P. Hofströssler, Y. Kevers, J. Laenens en D. Matray, De advocatenakte, Referatenbundel Colloquium 28 april 2005, Orde van advocaten van de balies van Brussel, Liège, Antwerpen en Bruxelles, Brussel, Larcier, 2005, p. 5, nr. 2;

• C. Lebon, «Stuiting, schorsing en verlenging van de verjaringstermijnen» in I. Claeys (ed.), Verjaring in het privaatrecht: Weet de avond wat de morgen brengt?, Antwerpen, Kluwer, 2005, 93-94 en de aldaar in voetnoot 37 vermelde rechtspraak.

3 Wet van 23 mei 2013 tot wijziging van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek teneinde aan de ingebrekestellingsbrief van de advocaat, van de gerechtsdeurwaarder of van de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen, een verjaringsstuitende werking te verlenen, BS 1 juli 2013. Het oorspronkelijke wetsvoorstel werd op 23 september 2010 ingediend in de Senaat.

• Toelichting bij wetsvoorstel, Parl.St. Senaat, BZ 2010, nr. 5-145/1, 1 en 2; Hand. Senaat, 19 juli 2012, 47; Verslag namens de commissie voor de justitie met betrekking tot wetsvoorstel tot wijziging van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek teneinde aan de ingebrekestellingsbrief van de advocaat een verjaringsstuitende werking te verlenen (hierna verkort vermeld als «Verslag»), Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-145/6, p. 4 en 5.

• Verslag, Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-145/6, p. 9.

• Toelichting bij wetsvoorstel, Parl.St. Senaat, BZ 2010, nr. 5-145/1, p. 1 en 2; Hand. Senaat, 19 juli 2012, 47 en 48 («De rechtzoekende zal de grote winnaar zijn, want hij zal deurwaarderskosten vermijden»);

• Verslag, Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-145/6, p. 4; Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-145/6, p. 32 («dat er juist dankzij de ingebrekestellingsbrief geen dagvaardingskosten zijn, zoals het evenredig recht, het vacatierecht, een recht voor de opzoekingen, kosten voor afschriften, reiskosten en een recht voor de inschrijving op de rol van de rechtbank waarvoor de zaak wordt aangebracht»; «bedoeling om met de ingebrekestellingsbrief van de advocaat ruimte voor onderhandelingen te creëren tussen de partijen en de rechtbanken niet te overbelasten»; «Zo spaart men de kosten van het optreden van de gerechtsdeurwaarder uit, terwijl de rechtzoekende in een groot aantal gevallen al een advocaat had geraadpleegd»).

• Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-145/6, p. 30

• Wet van 29 april 2013 betreffende de door de advocaten van de partijen medeondertekende onderhandse akte, BS 3 juni 2013 (in werking getreden op 13 juni 2013).

• Verslag, Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-145/6, p. 29.

• Verslag, Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-145/6, p. 6.

• Verslag, Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-145/6, p. 12).

• Verslag, Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-145/6, p. 3 en 12-13.

• Parl.St. Senaat 2010-11, nr. 5-145/2, p. 6.

19 Ger.EG. (8e k.) 8 oktober 2008, nr. T-411/06 (Sogelma t/ AER).

• Verslag, Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-145/6, p. 13.

• M.E. Storme, «Het verrichten van rechtshandelingen door middel van nieuwe communicatiemiddelen – De nieuwe wetsbepalingen ingekaderd in de algemene leer van de kennisgeving», RW 2001-02, 438.

• Wetsvoorstel (S. Lahaye-Battheu et al.), Parl.St. Kamer 2012-13, 53K2745/001.

• S. Sobrie, «Commentaar bij artikel 728 Ger.W» in Comm.Ger., 30.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 02/05/2011 - 20:25
Laatst aangepast op: wo, 19/03/2014 - 02:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.