-A +A

strafwetboek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het strafwetboek is opgesteld in een moeilijk
leesbare en weinig toegankelijke taal. Het wetboek is dan ook
meer dan 100 jaar oud. Bovendien is niet alleen de wet een bron
van het strafrecht maar ook de rechtspreek en vooral de
rechtspraktijk.

 

Op deze site trachten we enkele begrippen in
mensentaal te verduidelijken. Voor meer info

klik hier.

Wellicht zijn al uw vragen niet onmiddellijk
beantwoord

Heeft u een concrete
vraag mbt strafrecht




klik dan hier

 


In het wetboek van strafvordering wordt de strafprocedure
toegelicht (voor het wetboek van strafvordering



klik hier

In het strafwetboek worden bepaalde daden
strafbaar gesteld (zie hierna).

 

WET van 8 juni 1867 houdende het Strafwetboek - Nederlandse tekst vastgesteld door W. 10.7.1967 - B.S. 2.12.1967 : bijgewerkte versie tot 3 juli 2008

EERSTE BOEK De misdrijven en de bestraffing in het algemeen

EERSTE HOOFDSTUK Misdrijven

ART. 1
Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een criminele straf, is een misdaad.

Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een correctionele straf, is een wanbedrijf.

Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een politiestraf, is een overtreding.
 

ART. 2
Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd.

Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast.
 

ART. 3
Het misdrijf, op het grondgebied van het Rijk door Belgen of door vreemdelingen gepleegd, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van de Belgische wetten.
 
ART. 4
Het misdrijf, buiten het grondgebied van het Rijk door Belgen of door vreemdelingen gepleegd, wordt in België niet gestraft dan in de gevallen bij de wet bepaald.
 
ART. 5
[ Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.

Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld.

Met rechtspersonen worden gelijkgesteld :

1° tijdelijke verenigingen en verenigingen bij wijze van deelneming;

2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, derde lid van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting;

3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen.

Voor de toepassing van dit artikel kunnen niet als strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon worden beschouwd : de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, [ de hulpverleningszones, ] de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, [ de meergemeentezones ], de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. ]

(W. 26.4.2002 - art. 133 - B.S. 30.4.2002)

(W. 04.05.1999 - art. 2 - B.S. 22.06.1999)

(W. 15.5.2007 - art. 188 - B.S. 31.7.2007)


 

ART. 6
De hoven en rechtbanken zullen de bijzondere wetten en verordeningen verder toepassen in alle bij dit wetboek niet geregelde zaken.
 

HOOFDSTUK II Straffen

EERSTE AFDELING Verschillende soorten van straffen
ART. 7
De straffen op de misdrijven [ gepleegd door natuurlijke personen ] toepasselijk, zijn:

(W. 04.05.1999 - art. 3 - B.S. 22.06.1999)

In criminele zaken:

[ 1° opsluiting;

2° hechtenis ]

(W. 10.7.1996 - art. 4 -B.S. 1.8.1996)

[In correctionele zaken en in politiezaken :

1° gevangenisstraf,

2° werkstraf.

De in het 1° en het 2° bepaalde straffen mogen niet samen worden toegepast. ]

(W.17.2.2002 - art. 2 - B.S. 7.5.2002)

In criminele zaken, in correctionele zaken:

1° Ontzetting van bepaalde politieke en burgerlijke rechten;

2° [ ... ]

(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)

In criminele zaken, in correctionele zaken en in politiezaken:

1° Geldboete;

2° Bijzondere verbeurdverklaring.
 

Art. 7bis
[ De straffen toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen zijn :

In criminele zaken, in correctionele zaken en in politiezaken :

1° geldboete;

2° bijzondere verbeurdverklaring; de bijzondere verbeurdverklaring, bepaald in artikel 42, 1°, uitgesproken ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen kan enkel betrekking hebben op goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag;

In criminele en correctionele zaken :

1° ontbinding; deze kan niet worden uitgesproken ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersoon;

2° verbod een werkzaamheid die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel te verrichten, met uitzondering van werkzaamheden die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;

3° sluiting van een of meer inrichtingen, met uitzondering van de inrichtingen waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;

4° bekendmaking of verspreiding van de beslissing. ]

(W. 04.05.1999 - art. 4 - B.S. 22.06.1999)


 

AFDELING II Criminele straffen
ART. 8
[Opsluiting is levenslang of tijdelijk. ]

(W. 10.7.1996 - art. 5 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 9
[Tijdelijke opsluiting wordt uitgesproken voor een termijn van:

1° vijf tot tien jaar;

2° tien tot vijftien jaar;

3° vijftien tot twintig jaar;

4° twintig tot dertig jaar. ]

(W. 10.7.1996 - art. 6 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 10
[Hechtenis is levenslang of tijdelijk. ]

(W. 10.7.1996 - art. 7 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 11
[Tijdelijke hechtenis wordt uitgesproken voor een termijn van:

1° vijf tot tien jaar;

2° tien of vijftien jaar;

3° vijftien tot twintig jaar;

4° twintig tot dertig jaar. ]

 

(W. 10.7.1996 - art. 8 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 12 tot 17
[ ... ] (Opgeheven W. 10.7.1996 - art. 21 - B.S. 1.8.1996)
 
ART. 18
[Het arrest houdende veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, tot opsluiting of hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar wordt bij uittreksel gedrukt en aangeplakt in de gemeente waar de misdaad is gepleegd en in die waar het arrest is gewezen. ] (W. 23.1.2003 - art. 7 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 9 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 19
[Bij alle arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, tot tijdelijke opsluiting, tot hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar of van vijftien jaar tot twintig jaar wordt tegen de veroordeelden de afzetting uitgesproken van de titels, graden, openbare ambten, bedieningen en betrekkingen, waarmee zij bekleed zijn.

Het hof van assisen kan die afzetting uitspreken tegen de veroordeelden tot hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar of van vijf jaar tot tien jaar. ]

(W. 23.1.2003 - art. 8 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 10 - B.S. 1.8.1996)

 

ART. 20
[ ... ] (Opgeheven W. 10.7.1996 - art. 21 - B.S. 1.8.1996)
 
ART. 21
[... ] (Opgeheven W. 22.11.2004 - art. 2 - B.S. 9.12.2004)
 
ART. 22
[ ... ]

(Opgeheven W. 22.11.2004 - art. 2 - B.S. 9.12.2004)
 

ART. 23
[ ... ] (Opgeheven W. 22.11.2004 - art. 2 - B.S. 9.12.2004)
 
ART. 24
[ ... ] (Opgeheven W. 22.11.2004 - art. 2 - B.S. 9.12.2004)
 
AFDELING III Correctionele gevangenisstraf
ART. 25
[ De duur van de correctionele gevangenisstraf is, behoudens de in de wet bepaalde gevallen, ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar. Hij is ten hoogste tien jaar voor een met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, respectievelijk een langere termijn of met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is. ]

(W. 23.1.2003 - art. 9 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 12 - B.S. 1.8.1996)

(W. 26.11.1986 - enig art. - B.S. 30.12.1986)

De duur van een dag gevangenisstraf is vierentwintig uren.

De duur van een maand gevangenisstraf is dertig dagen.
 

ART. 26
[ ... ] (Opgeheven W. 10.7.1996 - art. 21 - B.S. 1.8.1996)
 
ART. 27
[ ... ]

(Opgeheven W. 18.3.1970 - art. 3 - B.S. 21.3.1970)
 

AFDELING IV Politiegevangenisstraf
ART. 28
De gevangenisstraf wegens overtreding mag niet minder zijn dan een dag en niet meer dan zeven dagen, behoudens de bij de wet uitgezonderde gevallen.
 
ART. 29
[ ... ]

(Opgeheven W. 10.7.1996 - art. 21 - B.S. 1.8.1996)
 

[ BEPALINGEN AAN DE AFDELINGEN II, III en IV GEMEEN ] (W. 18.3.1970 - art. 1 - B.S. 21.3.1970)
ART. 30
Elke hechtenis, vóór het onherroepelijk worden van de veroordeling ondergaan ten gevolge van het misdrijf dat tot die veroordeling aanleiding geeft, wordt toegerekend op de duur van de vrijheidsstraffen.

[ Iedere voorlopige plaatsingsmaatregel in een gesloten opvoedingsafdeling als bedoeld in artikel 52quater van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade of in de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, wordt onder dezelfde voorwaarde toegerekend op de duur van de vrijheidsstraffen waartoe de persoon, verwezen overeenkomstig artikel 57bis van de voornoemde wet van 8 april 1965, is veroordeeld. ]

(W. 15.5.2006 - art. 20 - B.S. 2.6.2006)
 

ART. 30bis
[De tot een vrijheidsstraf veroordeelden ondergaan hun straf in de inrichtingen, door de Koning aangewezen. ]

(W. 10.7.1996 - art. 13 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 30ter
[ Opgeheven ]

(W. 12.1.2005 - art. 169 - B.S. 1.2.2005)
 

AFDELING V Straffen aan misdaden en wanbedrijven gemeen
[ ONDERAFDELING I. - Straffen aan misdaden en wanbedrijven gemeen, toepasselijk op natuurlijke personen ] (W. 04.05.1999 - art. 5 - B.S. 22.06.1999)
ART. 31
[ Bij alle arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis of tot opsluiting voor een termijn van tien tot vijftien jaar of een langere termijn ] wordt tegen de veroordeelden levenslange ontzetting uitgesproken van het recht om:

(W. 10.7.1996 - art. 13 - B.S. 1.8.1996)

1° Openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen;

2° [ ... ] verkozen te worden;

3° Enig ereteken te dragen of enige adellijke titel te voeren;

 

4° Gezworene of deskundige te zijn, als instrumentair of attesterend getuige bij akten op te treden; in rechte te getuigen, anders dan om enkel inlichtingen te geven;

5° [ geroepen te worden tot het ambt van voogd, toeziend voogd of curator, behalve over hun eigen kinderen, of om het ambt van gerechtelijk raadsman [ , gerechtelijk bewindvoerder over de goederen van een vermoedelijk afwezige ] of voorlopig bewindvoerder uit te oefenen; ]

(W. 29.4.2001 - art. 73 - B.S. 31.5.2001)

(W. 9.5.2007 - art. 48 - B.S. 21.6.2007)

[ 6° een wapen of munitie te vervaardigen, te wijzigen, te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, in, uit, of door te voeren, of te dienen in de Krijgsmacht. ]

(W. 8.6.2006 - art. 38 - B.S. 9.6.2006)
 

ART. 32
De hoven van assisen kunnen de tot opsluiting [ van vijf jaar tot tien jaar ] of hechtenis veroordeelden, voor hun leven of voor tien jaar tot twintig jaar, geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten genoemd in het vorige artikel.

(W. 23.1.2003 - art. 11 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 33
De hoven en rechtbanken kunnen, in de gevallen bij de wet bepaald, de tot correctionele straffen veroordeelden voor een termijn van vijf jaar tot tien jaar, geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten genoemd in artikel 31.
 
ART. 34
De tijd van de ontzetting, bij het vonnis of het arrest van veroordeling bepaald, gaat in op de dag dat de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of dat zijn straf verjaard is.

Bovendien heeft de ontzetting haar gevolgen met ingang van de dag waarop de op tegenspraak of bij verstek gewezen veroordeling onherroepelijk is geworden.

[ De ontzetting die is uitgesproken ten aanzien van een veroordeelde die overeenkomstig de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie voor de tenuitvoerlegging van zijn straf volledig of gedeeltelijk uitstel heeft verkregen, gaat in op de dag waarop het uitstel begint te lopen zolang dat niet wordt herroepen. ]

(W.22.12.2003 - art. 380 - B.S. 31.12.2003)
 

[ ONDERAFDELING Ibis. - De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank. ] (Ingevoegd W. 26.4.2007 - art. 3 - B.S. 13.7.2007)
[ ONDERAFDELING II - Straffen aan misdaden en wanbedrijven gemeen, toepasselijk op rechtspersonen ] (W. 04.05.1999 - art. 6 - B.S. 22.06.1999)
Art. 35
[ Ontbinding kan door de rechter worden uitgesproken, wanneer de rechtspersoon opzettelijk is opgericht om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij wordt veroordeeld of wanneer hij opzettelijk van zijn doel is afgewend om dergelijke werkzaamheden te verrichten.

Wanneer de rechter de ontbinding uitspreekt, verwijst hij de zaak naar het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van de vereffening van de rechtspersoon. ]

(W. 04.05.1999 - art. 6 - B.S. 22.06.1999)
 

Art. 36
[Tijdelijk of definitief verbod een werkzaamheid te verrichten die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel van de rechtspersoon, kan door de rechter worden uitgesproken in de gevallen door de wet bepaald. ]

(W. 04.05.1999 - art. 6 - B.S. 22.06.1999)


 

Art. 37
[Tijdelijke of definitieve sluiting van een of meer inrichtingen van de rechtspersoon kan door de rechter worden uitgesproken in de gevallen door de wet bepaald. ]

(W. 04.05.1999 - art. 6 - B.S. 22.06.1999)
 

Art. 37bis
[Bekendmaking of verspreiding van de beslissing op kosten van de veroordeelde kan door de rechter worden uitgesproken in de gevallen bepaald door de wet. ]

(W. 04.05.1999 - art. 6 - B.S. 22.06.1999)
 

[ AFDELING V BIS . - De werkstraf
ART. 37ter
.§ 1. Indien een feit van die aard is om door een politiestraf of een correctionele straf gestraft te worden, kan de rechter als hoofdstraf een werkstraf opleggen. Binnen de perken van de op het misdrijf gestelde straffen, alsook van de wet op grond waarvan de zaak voor hem werd gebracht, voorziet de rechter in een gevangenisstraf of in een geldboete die van toepassing kan worden ingeval de werkstraf niet wordt uitgevoerd.

De werkstraf mag niet worden uitgesproken voor de feiten die bedoeld zijn in :

- artikel 347bis ;

- de artikelen 375 tot 377;

- de artikelen 379 tot [ 387 ], indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;

- de artikelen 393 tot 397;

- artikel 475.

[W. 17.5.2006 - art.103 - B.S. 15.6.2006]

§ 2. De duur van een werkstraf bedraagt minstens twintig uren en ten hoogste driehonderd uren. Een werkstraf van vijfenveertig uren of minder is een politiestraf. Een werkstraf van meer dan vijfenveertig uren is een correctionele straf.

De werkstraf moet worden uitgevoerd binnen twaalf maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. De probatiecommissie kan die termijn ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde verlengen.

§ 3. Indien een werkstraf door de rechter wordt overwogen, door het openbaar ministerie wordt gevorderd of door de beklaagde wordt gevraagd, licht de rechter deze laatste vóór de sluiting van de debatten in over de draagwijdte van een dergelijke straf en hoort hem in zijn opmerkingen. De rechter kan hierbij eveneens rekening houden met de belangen van de eventuele slachtoffers. De rechter kan de werkstraf slechts uitspreken als de beklaagde op de terechtzitting aanwezig of vertegenwoordigd is en nadat hij, hetzij in persoon, hetzij via zijn raadsman, zijn instemming heeft gegeven.

De rechter die weigert een werkstraf uit te spreken, moet zijn beslissing met redenen omkleden.

§ 4. De rechter bepaalt de duur van de werkstraf en kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling van de werkstraf. ]

(W. 17.4.2002 - art. 3 - B.S. 7.5.2002)


 

Art. 37quater
[. § 1. De veroordeelde verricht de werkstraf kosteloos tijdens de vrije tijd waarover hij naast zijn eventuele school- of beroepsactiviteiten beschikt.

De werkstraf mag uitsluitend worden verricht bij openbare diensten van de Staat, de gemeenten, de provincies, de gemeenschappen en de gewesten, dan wel bij verenigingen zonder winstoogmerk of bij stichtingen met een sociaal, wetenschappelijk of cultureel oogmerk.

De werkstraf mag niet bestaan uit een activiteit die, in de aangewezen overheidsdienst of vereniging, doorgaans door bezoldigde werknemers wordt verricht.

§ 2. Met het oog op de toepassing van artikel 37ter , kunnen het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten aan de afdeling van de Dienst justitiehuizen van het [ FOD Justitie ] van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de veroordeelde de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen en/of een maatschappelijke enquête uit te voeren. [ De Koning bepaalt de nadere regels inzake het beknopt voorlichtingsrapport en de maatschappelijke enquête.

Deze rapporten en deze onderzoeken mogen alleen de pertinente elementen bevatten die van aard zijn de overheid die het verzoek tot de dienst van de justitiehuizen richtte in te lichten over de opportuniteit van de overwogen maatregel of straf. ]

(W. 27.12.2006 - art. 35 - B.S. 28.12.2006)

§ 3. [ Elke arrondissementele afdeling van de Dienst Justitiehuizen van de FOD Justitie stelt tweemaal per jaar een verslag op van bestaande activiteiten waaruit de werkstraf kan bestaan. ] De afdeling bezorgt een afschrift van dit verslag aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en aan de procureur des Konings van het betrokken arrondissement en, op eenvoudig verzoek, aan al wie van een belang kan doen blijken. ]

(W. 17.4.2002 - art. 3 - B.S. 7.5.2002)

(W. 27.12.2006 - art. 35 - B.S. 28.12.2006)

[ § 4. Op federaal en lokaal niveau worden overlegstructuren inzake de toepassing van de werkstraf opgericht. Deze overlegstructuren hebben tot taak de instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van de werkstraf, op regelmatige basis samen te brengen teneinde hun samenwerking te evalueren. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de samenstelling en de werking van deze overlegstructuren. ]

(W. 27.12.2006 - art. 35 - B.S. 28.12.2006)
 

ART. 37quinquies
[. § 1. Wie overeenkomstig artikel 37ter tot een werkstraf is veroordeeld, wordt gevolgd door een justitieassistent van de Dienst justitiehuizen van het [ FOD Justitie ] van het gerechtelijk arrondissement van zijn verblijfplaats.

(W. 27.12.2006 - art. 36 - B.S. 28.12.2006)

 

Op de tenuitvoerlegging van de werkstraf wordt toegezien door de probatiecommissie van de verblijfplaats van de veroordeelde, waaraan de justitieassistent rapporteert.

§ 2. Wanneer de rechterlijke beslissing waarbij de werkstraf wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, bezorgt de griffier daarvan binnen vierentwintig uur een uitgifte aan de voorzitter van de bevoegde probatiecommissie, alsook aan de [ bevoegde arrondissementele afdeling van de Dienst Justitiehuizen van de FOD Justitie ], die onverwijld de in § 1 bedoelde justitieassistent aanwijst. De identiteit van de justitieassistent wordt schriftelijk meegedeeld aan de probatiecommissie, die er binnen zeven werkdagen de veroordeelde in kennis van stelt [ bij gewone brief ].

(W. 27.12.2006 - art. 36 - B.S. 28.12.2006)

[ De territoriale bevoegdheid van de probatiecommissie wordt bepaald door de verblijfplaats van de veroordeelde op het ogenblik van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis of arrest. Indien de betrokkene zijn verblijfplaats heeft buiten het grondgebied van het Rijk, is de territoriaal bevoegde probatiecommissie die van de plaats waar de veroordeling in eerste aanleg uitgesproken werd.

Indien de commissie het in uitzonderlijke gevallen voor een tot een werkstraf veroordeelde persoon, die daartoe een gemotiveerde aanvraag indient, aangewezen acht om de bevoegdheid over te dragen aan de probatiecommissie van zijn nieuwe verblijfplaats, neemt zij een gemotiveerde beslissing nadat die andere commissie binnen de twee maanden een eensluidend advies heeft uitgebracht. Voor een persoon zonder verblijfplaats in het Rijk kan volgens dezelfde procedure de bevoegdheid naar een andere probatiecommissie worden overgedragen, zonder dat het in dat geval de commissie van zijn nieuwe verblijfplaats moet zijn. ]

(W. 27.12.2006 - art. 36 - B.S. 28.12.2006)

§ 3. De justitieassistent bepaalt na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met zijn opmerkingen de concrete invulling van de straf, met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 37ter , § 4, onder toezicht van de probatiecommissie die hierin te allen tijde, en eveneens met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 37ter , § 4, preciseringen of wijzigingen kan aanbrengen, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde.

[ De concrete invulling van de werkstraf wordt vastgelegd in een door de veroordeelde te ondertekenen overeenkomst waarvan de justitieassistent hem een kopie overhandigt. De justitieassistent deelt eveneens een kopie van de ondertekende overeenkomst mee aan de probatiecommissie binnen de drie werkdagen. ]

(W. 27.12.2006 - art. 36 - B.S. 28.12.2006)

§ 4. Ingeval de werkstraf niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, meldt de justitieassistent dit onverwijld aan de probatiecommissie. Meer dan tien dagen vóór de datum die werd vastgesteld om de zaak te behandelen, roept de commissie de veroordeelde bij aangetekende brief op en stelt zijn raadsman ervan in kennis. Het dossier van de commissie wordt gedurende vijf dagen ter beschikking gehouden van de veroordeelde en zijn raadsman.

De commissie, die zitting houdt zonder dat het openbaar ministerie daarbij aanwezig is, stelt, naargelang van het geval, een beknopt of met redenen omkleed verslag op, met het oog op de toepassing van de vervangende straf.

[ Het verslag wordt bij gewone brief ter kennis gebracht van de veroordeelde, het openbaar ministerie en de justitieassistent. ]

(W. 27.12.2006 - art. 36 - B.S. 28.12.2006)

In dit geval kan het openbaar ministerie beslissen de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf of geldboete uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met de werkstraf die reeds door de veroordeelde is uitgevoerd. ]

(W. 17.4.2002 - art. 3 - B.S. 7.5.2002)
 

AFDELING VI Straffen aan de drie soorten van misdrijven gemeen
[ ONDERAFDELING I. - De geldboete op natuurlijke personen toepasselijk ] (W. 04.05.1999 - art. 7 - B.S. 22.06.1999)
ART. 38
De geldboete wegens overtreding bedraagt ten minste een frank en ten hoogste vijfentwintig frank, behoudens de bij de wet uitgezonderde gevallen.

De geldboete wegens misdaad of wanbedrijf bedraagt ten minste zesentwintig frank.

De geldboeten worden geïnd ten bate van de Staat.
 

ART. 39
Wanneer verscheidene personen wegens een zelfde misdrijf worden veroordeeld, wordt de geldboete uitgesproken tegen ieder van hen persoonlijk.
 
ART. 40
Bij gebreke van betaling binnen twee maanden te rekenen van het arrest of van het vonnis, indien het op tegenspraak, of te rekenen van de betekening, indien het bij verstek is gewezen, kan de geldboete worden vervangen door gevangenisstraf, waarvan de duur bij het vonnis of het arrest van veroordelingen wordt bepaald en die zes maanden niet zal te boven gaan voor hen die wegens misdaad, drie maanden voor hen die wegens wanbedrijf, en drie dagen voor hen die wegens overtreding zijn veroordeeld.

Veroordeelden die aan vervangende gevangenisstraf zijn onderworpen, kunnen in de inrichting worden gehouden waar zij de hoofdstraf hebben ondergaan.

Indien alleen geldboete is uitgesproken, wordt de gevangenisstraf, te ondergaan bij gebreke van betaling, gelijkgesteld met correctionele gevangenisstraf of met politiegevangenisstraf, al naar de aard van de veroordeling.
 

ART. 41
In alle gevallen kan de veroordeelde zich van die gevangenisstraf bevrijden door de geldboete te betalen; hij kan zich niet onttrekken aan het verhaal op zijn goederen door aan te bieden de gevangenisstraf te ondergaan.
 
[ONDERAFDELING II. - De geldboete op rechtspersonen toepasselijk ] (W. 04.05.1999 - art. 8 - B.S. 22.06.1999)
Art. 41bis
[§ 1. De geldboeten toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen, zijn :

In criminele en correctionele zaken :

- wanneer de wet op het feit levenslange vrijheidsstraf stelt : geldboete van tweehonderdveertig duizend frank tot zevenhonderdtwintigduizend frank;

- wanneer de wet op het feit vrijheidsstraf en geldboete stelt, of een van de straffen alleen : geldboete van minimum vijfhonderd frank vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld; met als maximum tweeduizend frank vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, doch niet lager dan het dubbele van de maximumgeldboete op het feit gesteld;

- wanneer de wet op het feit enkel geldboete stelt : geldboete met minimum en maximum als door de wet op het feit gesteld.

In politiezaken :

- geldboete van vijfentwintig frank tot tweehonderdvijftig frank.

§ 2. Voor het bepalen van de straf bedoeld in § 1 zijn de bepalingen van boek I van toepassing. ]

 

(W. 04.05.1999 - art. 8 - B.S. 22.06.1999)
 

[ ONDERAFDELING III. - Bijzondere verbeurdverklaring ] (W. 04.05.1999 - art. 9 - B.S. 22.06.1999)
ART. 42
Bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast:

 

1° Op de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, en op die welke gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn;

 

2° Op de zaken die uit het misdrijf voortkomen;

 

[ 3° Op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen. ]

 

(W. 17.7.1990 - art. 1 - B.S. 15.8.1990)
 

ART. 43
Bij misdaad of wanbedrijf wordt bijzondere verbeurdverklaring [ toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 1° en 2° ] altijd uitgesproken.

 

Bij overtreding wordt zij slechts uitgesproken in de gevallen bij de wet bepaald.

 

(W. 17.7.1990 - art. 2 - B.S. 15.8.1990)
 

ART. 43bis
[[ Bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voorzover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd. ]

 

(W. 19.12.2002 - art. 2 - B.S. 14.2.2003)

 

Indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, raamt de rechter de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend bedrag.

 

Ingeval de verbeurdverklaarde zaken aan de burgerlijke partij toebehoren, zullen zij aan haar worden teruggegeven. De verbeurdverklaarde zaken zullen haar eveneens worden toegewezen ingeval de rechter de verbeurdverklaring uitgesproken heeft omwille van het feit dat zij goederen en waarden vormen die door de veroordeelde in de plaats gesteld zijn van de zaken die toebehoren aan de burgerlijke partij of omdat zij het equivalent vormen van zulke zaken in de zin van het tweede lid van dit artikel.

 

Iedere andere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, zal dit recht kunnen laten gelden binnen een termijn en volgens modaliteiten bepaald door de Koning. ]

 

(W. 17.7.1990 - art. 3 - B.S. 15.8.1990)
 

ART. 43ter
[De bijzondere verbeurdverklaring die van toepassing is op de zaken bedoeld [ in de artikelen 42, 43bis en 43quater ], kan eveneens worden uitgesproken wanneer die zaken zich buiten het grondgebied van de Belgische Staat bevinden. ]

 

(W. 19.12.2002 - art. 3 - B.S. 14.2.2003)

(W. 20.5.1997 - art. 12 - B.S. 3.7.1997)
 

ART. 43quater
[. § 1. Onverminderd artikel 43bis , derde en vierde lid, kunnen op vordering van de procureur des Konings de in § 2 bedoelde vermogensvoordelen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en de inkomsten uit de belegde voordelen, die worden gevonden in het vermogen of in het bezit van een persoon, verbeurd verklaard worden of kan zulke persoon veroordeeld worden tot betaling van een bedrag dat door de rechter wordt geraamd als zijnde overeenstemmend met de waarde van deze zaken, indien deze persoon schuldig werd bevonden :

 

[ a) hetzij aan één of meer van de strafbare feiten bedoeld in :

 

1° artikel 136sexies en artikel 136septies, 1°;

 

[ 1°bis artikel 137, voor zover deze strafbare feiten gestraft worden met een van de straffen bedoeld in artikel 138, § 1, 4° tot en met 10°, en van dien aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, alsook artikel 140, voor zover deze misdaad of dit wanbedrijf van dien aard is dat het financieel gewin kan opleveren; ]

 

(W. 27.12.2006 - art. 390 - B.S. 28.12.2006)

 

2° de artikelen 246 tot 251, en artikel 323;

 

[ 2°bis. de artikelen 433sexies, 433septies [ , 433octies, 433undecies en 433duodecies ] ; ]

 

(W. 10.8.2005 - art . 3, 1° - B.S. 2.9.2005)

(W. 9.2.2006 - art. 2 - B.S. 28.2.2006)

 

3° de artikelen 504bis en 504ter, en artikel 323;

 

4° artikel 2bis, § 1, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, in zoverre de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen, of § 3, b), of § 4, b), van dezelfde wet;

 

5° [ de artikelen 77ter, 77quater en 77quinquies ], van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

 

(W. 10.8.2005 - art . 3, 2° - B.S. 2.9.2005)

 

6° artikel 10, § 1, 2°, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, antihormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende werking. ]

 

(W. 5.8.2003 - art. 2 - B.S. 7.8.2003)

 

b) hetzij aan de strafbare feiten omschreven in artikel 324ter of van een of meer van de hierna bedoelde strafbare feiten wanneer ze gepleegd zijn in het raam van een criminele organisatie, zoals bepaald in artikel 324bis :

 

[ 1° de artikelen 162, 163, 173, 180 en 186; ]

1°bis de artikelen 379 of 380 [ en 383bis, § 1; ]

 

2° de artikelen 468, 469, 470, 471 of 472;

 

3° artikel 475;

 

4° de artikelen 477, 477bis , 477ter , 477quater , 477quinquies , 477sexies of 488bis ;

 

5° artikel 505, met uitzondering van de zaken die gedekt zijn door artikel 42, 1°;

 

[ 5°bis artikel 2quater, 4°, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen; ]

 

6° artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;

 

7° artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anti- hormonale, anabole, anti-infectieuze, anti-parasitaire en anti-inflammatoire werking, welk artikel betrekking heeft op strafbare feiten waarop overeenkomstig de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica straffen worden gesteld;

 

8° de artikelen 3 en 5 van het koninklijk besluit van 5 februari 1990 betreffende sommige stoffen met beta-adrenergische werking, welke artikelen betrekking hebben op strafbare feiten waarop overeenkomstig de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen straffen worden gesteld.

 

(W. 27.12.2006 - art. 391 - B.S. 28.12.2006)

 

c) hetzij aan meerdere strafbare feiten die gezamenlijk worden vervolgd, en waarvan de ernst, de finaliteit en de onderlinge afstemming, de rechtbank toelaat zeker en noodzakelijk te besluiten dat deze feiten werden gepleegd in het kader van ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procédés van internationale omvang werden aangewend.

 

§ 2. De verbeurdverklaring zoals bedoeld in § 1 kan worden uitgesproken tegen de daders, mededaders en medeplichtigen die werden veroordeeld wegens één of meerdere van de in dit artikel opgesomde misdrijven en onder de in § 1 bepaalde voorwaarden, wanneer de veroordeelde over een relevante periode verdere vermogensvoordelen heeft ontvangen terwijl er ernstige en concrete aanwijzigingen zijn dat deze voordelen voortspruiten, uit het misdrijf waarvoor hij werd veroordeeld, of uit identieke feiten, en de veroordeelde het tegendeel niet geloofwaardig maakt.

 

Dit tegendeel kan tevens geloofwaardig gemaakt worden door elke derde die beweert recht te hebben op deze voordelen.

 

§ 3. Als relevante periode in de zin van dit artikel wordt aanzien de periode van vijf jaar voorafgaand aan de inverdenkingstelling van de persoon tot de datum van de uitspraak.

 

De ernstige en concrete aanwijzingen bedoeld in § 2 kunnen worden geput uit alle geloofwaardige elementen die op regelmatige wijze aan de rechtbank worden overlegd, en die wijzen op een onevenwicht van enig belang tussen enerzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in de relevante periode die door het openbaar ministerie wordt aangetoond, en anderzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in deze periode, waarvan hij kan geloofwaardig maken dat ze niet voortspruiten uit de feiten waarvoor hij werd veroordeeld of uit identieke feiten.

 

Onder identieke feiten worden verstaan de feiten die behoren tot de misdrijfomschrijvingen die zijn bepaald in § 1 en die vallen onder :

 

a) ofwel dezelfde omschrijving als het misdrijf dat het voorwerp uitmaakt van de veroordeling :

 

b) ofwel een aanverwante omschrijving, op voorwaarde dat deze is opgenomen onder dezelfde rubriek van § 1, a) , als het misdrijf dat het voorwerp uitmaakt van de veroordeling.

 

Wanneer de rechtbank de bijzondere verbeurdverklaring in de zin van dit artikel oplegt, kan zijn beslissen geen rekening te houden met een door haar te bepalen deel van de relevante periode of met door haar te bepalen inkomsten, goederen en waarden, indien zij zulks gepast acht om de veroordeelde niet te onderwerpen aan een onredelijk zware straf.

 

§ 4. Het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie moet verbeurd verklaard worden, onder voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw. ]

 

(W. 19.12.2002 - art. 4 - B.S 14.2.2003)
 

HOOFDSTUK III Andere veroordelingen die wegens misdaden, wanbedrijven of overtredingen kunnen worden uitgesproken

ART. 44
De veroordeling tot de bij de wet gestelde straffen wordt altijd uitgesproken, onverminderd de teruggave en de schadevergoeding die aan partijen mochten zijn verschuldigd.
 
ART. 45
Wanneer de wet de schadevergoeding niet regelt, bepaalt het hof of de rechtbank het bedrag ervan, zonder nochtans te mogen beslissen, zelfs met toestemming van de benadeelde partij, dat zij aan enig werk zal worden toegewezen.
 
ART. 46-48
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 31.1.1980 - art. 4, 1° - B.S. 20.2.1980)
 

ART. 49
Wanneer de goederen van de veroordeelde ontoereikend zijn om de veroordelingen tot geldboete, teruggave en schadevergoeding te dekken, hebben de twee laatstgenoemde veroordelingen de voorrang.

 

Bij samentreffen van geldboete en aan de Staat verschuldigde gerechtskosten, worden de betalingen, door de veroordeelden gedaan, het eerst op die gerechtskosten toegerekend. [ Deze betalingen stuiten de verjaringstermijn van zowel de geldboete als van de gerechtskosten. ]

 

(W. 27.12.2006 - art. 302 - B.S. 28.12.2006)
 

ART. 50
Alle wegens een zelfde misdrijf veroordeelde personen zijn hoofdelijk gehouden tot teruggave en schadevergoeding.

 

Zij zijn hoofdelijk gehouden tot de kosten, wanneer zij door een zelfde vonnis of arrest zijn veroordeeld.

 

Nochtans kan de rechter alle veroordeelden of enige van hen vrijstellen van de hoofdelijkheid, mits hij de redenen van die vrijstelling opgeeft en het door ieder persoonlijk te dragen aandeel in de kosten bepaalt.

 

Personen, door onderscheidene vonnissen of arresten veroordeeld, zijn alleen wegens daden van vervolging, die hun gemeen zijn, hoofdelijk gehouden tot de kosten.
 

Art. 50bis
[Niemand kan burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor betaling van geldboete waartoe een ander wordt veroordeeld, indien hij wegens dezelfde feiten wordt veroordeeld. ]

 

(W. 04.05.1999 - art. 10 - B.S. 22.06.1999)
 

HOOFDSTUK IV Poging tot misdaad of tot wanbedrijf

ART. 51
Strafbare poging bestaat, wanneer het voornemen om een misdaad of een wanbedrijf te plegen zich heeft geopenbaard door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad of van dat wanbedrijf uitmaken en alleen ten gevolge van omstandigheden, van de wil van de dader onafhankelijk, zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist.
 
ART. 52
Poging tot misdaad wordt gestraft met de straf die, overeenkomstig de artikelen 80 en 81, onmiddellijk lager is dan die gesteld op de misdaad zelf.
 
ART. 53
De wet bepaalt in welke gevallen en met welke straffen poging tot wanbedrijf wordt gestraft.
 

HOOFDSTUK V Herhaling

ART. 54
[Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een misdaad pleegt die strafbaar is met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar, kan worden veroordeeld tot opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.

 

Indien de misdaad strafbaar is met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, kan de schuldige worden veroordeeld tot opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar.

 

Hij wordt veroordeeld tot ten minste zeventien jaar opsluiting indien de misdaad strafbaar is met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 12 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 55
Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een misdaad pleegt die gestraft wordt met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar, kan worden veroordeeld tot hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar.

 

Indien de misdaad wordt gestraft met hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar, kan de schuldige worden veroordeeld tot buitengewone hechtenis.

 

Hij wordt veroordeeld tot ten minste zeventien jaar hechtenis, indien de misdaad strafbaar is met buitengewone hechtenis.
 

ART. 56
Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een wanbedrijf pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf gesteld.

 

Dezelfde straf kan worden uitgesproken in geval van een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste een jaar, indien de veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is.

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 57
De bepalingen betreffende de herhaling worden toegepast overeenkomstig de vorige artikelen, ingeval een vroegere veroordeling door een militaire rechtbank is uitgesproken wegens een feit dat door de gewone strafwetten misdaad of wanbedrijf wordt genoemd, en tot een straf die door deze wetten is gesteld.

 

Indien een bij de militaire wetten gestelde straf wegens dat feit is uitgesproken, nemen de hoven en rechtbanken, bij het beoordelen van de herhaling, alleen de laagste straf in aanmerking, die het bij het eerste vonnis gestrafte feit volgens de gewone strafwetten ten gevolge kon hebben.
 

HOOFDSTUK VI Samenloop van verscheidene misdrijven

ART. 58
Hij die schuldig bevonden wordt aan verscheidene overtredingen, wordt gestraft met de straf die op elk van die overtredingen is gesteld. [ Indien werkstraffen worden uitgesproken, kan de duur ervan maximum driehonderd uren bedragen. ]

 

(W. 17.4.2002 - art. 4 - B.S. 7.5.2002)
 

ART. 59
Bij samenloop van één of meer wanbedrijven met één of meer overtredingen worden alle geldboeten [ , werkstraffen ] en correctionele gevangenisstraffen samen opgelegd binnen de grenzen in het volgende artikel bepaald.

 

(W. 17.4.2002 - art. 5 - B.S. 7.5.2002)
 

ART. 60
[ Bij samenloop van verscheidene wanbedrijven worden alle straffen samen opgelegd, zonder dat zij evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste straf te boven mogen gaan. In geen enkel geval mag die straf twintig jaar gevangenisstraf [ of driehanderd uren werkstraf ] te boven gaan. ]

 

(W. 1.2.1977 - art. 5 - B.S. 19.2.1977)

(W. 17.4.2002 - art. 6 - B.S. 7.5.2002)
 

ART. 61
Bij samenloop van een misdaad met een of meer wanbedrijven of met een of meer overtredingen, wordt alleen de op de misdaad gestelde straf uitgesproken.
 
ART. 62
Bij samenloop van verscheidene misdaden wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken. Die straf kan zelfs tot vijf jaar boven het maximum worden verhoogd, indien zij bestaat in [ tijdelijke opsluiting of hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar, respectievelijk gedurende een kortere termijn. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 14 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 63
[De zwaarste straf is de langstdurende. Zijn de straffen van gelijke duur, dan wordt opsluiting beschouwd als een zwaardere straf dan hechtenis. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 15 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 64
De straffen van bijzondere verbeurdverklaring wegens verscheidene misdaden, wanbedrijven of overtredingen, worden altijd samen opgelegd.
 
ART. 65
[ Wanneer een zelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken.

 

Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan. ]

 

(W. 11.7.1994 - art. 45 - B.S. 21.7.1994)
 

HOOFDSTUK VII Deelneming van verscheidene personen aan een zelfde misdaad of wanbedrijf

ART. 66
Als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft:

Zij die de misdaad of het wanbedrijf hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks hebben meegewerkt;

Zij die door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd

Zij die, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, de misdaad of het wanbedrijf rechtstreeks hebben uitgelokt;

[ Zij die, hetzij door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken, hetzij door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of zinnebeeld, aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld, het plegen van het feit rechtstreeks hebben uitgelokt, onverminderd de straffen die bij de wet bepaald zijn tegen daders van aanzetting tot misdaden of wanbedrijven, zelfs voor het geval dat die aanzetting zonder gevolg is gebleven. ]

(W. 25.3.1891 - art. 2 - B.S. 26.3.1891)

(W. 28.7.1934 - art. 1,1 - B.S. 2.8.1934)
 

ART. 67
Als medeplichtigen aan een misdaad of een wanbedrijf worden gestraft:

Zij die onderrichtingen hebben gegeven om de misdaad of het wanbedrijf te plegen;

Zij die wapens, werktuigen of enig ander middel hebben verschaft, die tot de misdaad of het wanbedrijf hebben gediend, wetende dat ze daartoe zouden dienen;

Zij die, buiten het geval van artikel 66, § 3, met hun weten de dader of de daders hebben geholpen of bijgestaan in daden die de misdaad of het wanbedrijf hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid.
 

ART. 68
Zij die, bekend met het misdadig gedrag van boosdoeners die roverijen plegen of gewelddaden tegen de veiligheid van de Staat, tegen de openbare rust, tegen personen of eigendommen, er een gewoonte van maken hun een onderdak, een schuilplaats of een vergaderplaats te verschaffen, worden als hun medeplichtigen gestraft.
 
ART. 69
Medeplichtigen aan een misdaad worden gestraft met de straf die, overeenkomstig de artikelen 80 en 81 van dit wetboek, onmiddellijk lager is dan die waarmee zij als daders van die misdaad zouden worden gestraft.

 

De straf tegen medeplichtigen aan een wanbedrijf zal niet hoger zijn dan twee derden van die welke op hen zou worden toegepast, indien zij de daders van dat wanbedrijf waren.
 

HOOFDSTUK VIII Rechtvaardigings- en verschoningsgronden

ART. 70
[ Behoudens wat de misdrijven betreft, zoals bepaald in boek II, titel Ibis, is er geen misdrijf, ] wanneer het feit door de wet voorgeschreven en door de overheid bevolen is.

 

(W. 5.8.2003 - art. 3 - B.S. 7.8.2003)
 

ART. 71
Er is geen misdrijf, wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het ogenblik van het feit in staat van krankzinnigheid was of wanneer hij gedwongen werd door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan.
 
ART. 72-75
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 15.5.1912 - art. 64 - B.S. 27/28/29.5.1912)
 

ART. 76
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)

(W. 1.7.1964 - art. 1 - B.S. 17.7.1964)
 

ART. 77
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 10.7.1996 - art. 21 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 78
Geen misdaad of wanbedrijf is verschoonbaar dan in de gevallen bij de wet bepaald.
 

HOOFDSTUK IX Verzachtende omstandigheden

ART. 79
Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, worden de criminele straffen verminderd of gewijzigd overeenkomstig de volgende bepalingen.
 
ART. 80
[ Levenslange opsluiting wordt vervangen door tijdelijke opsluiting of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar.

 

Opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar door opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, respectievelijk gedurende een kortere termijn of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar.

 

Opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar door opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, respectievelijk gedurende vijf jaar tot tien jaar of door gevangenisstraf van ten minste één jaar.

 

Opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar door opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of door gevangenisstraf van ten minste zes maanden.

 

Opsluiting van vijf jaar tot tien jaar door gevangenisstraf van ten minste één maand. ]

 

(W. 11.12.2001 - art. 2 - B.S. 7.2.2002)
 

ART. 81
[Levenslange hechtenis, gesteld op misdaden tegen de uitwendige veiligheid van de Staat, wordt vervangen door tijdelijke hechtenis of door een gevangenisstraf van ten minste een jaar.

 

Hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar door hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar, respectievelijk een kortere termijn of door gevangenisstraf van ten minste een jaar.

 

Hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar door hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar of van vijf jaar tot tien jaar of door een gevangenisstraf van ten minste een jaar.

 

Hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar door hechtenis van vijf jaar tot tien jaar of door een gevangenisstraf van ten minste zes maanden. Hechtenis van vijf jaar tot tien jaar door gevangenisstraf van ten minste een maand. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 16 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(W. 23.8.1919 - art. 2 - B.S. 25/26.8.1919)

(W. 14.5.1937 - art. 2 - B.S. 17/18/19.5.1937)

(W.23.8.1919 - art. 2 - B.S. 25/26.8.1919)
 

ART. 82
[ In de gevallen van samenloop bepaald bij de artikelen 61 en 62 van het Strafwetboek, kan het vonnisgerecht niettemin, wanneer de criminele straffen op grond van verzachtende omstandigheden verminderd worden tot correctionele straffen, een enkele straf uitspreken. ]

 

(W. 23.8.1919 - art. 2 - B.S. 25/26.8.1919)
 

ART. 83
De geldboete in criminele zaken kan worden verminderd zonder dat zij ooit lager mag zijn dan zesentwintig frank.
 
ART. 84
Schuldigen wier criminele straf tot gevangenisstraf wordt verminderd, kunnen worden veroordeeld tot geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank.

 

Zij kunnen worden veroordeeld, voor ten minste vijf jaar en ten hoogste tien jaar, tot ontzetting van alle rechten of een deel van de rechten, in artikel 31 van dit wetboek genoemd.

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 85
[ Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kunnen de gevangenisstraffen, de werkstraffen en de geldboeten onderscheidenlijk tot beneden acht dagen, vijfenveertig uren en zesentwintig EUR worden verminderd, zonder dat zij lager mogen zijn dan politiestraffen. ]

 

(W. 17.4.2002 - art. 7 - B.S. 7.5.2002)

 

De rechter kan ook een van die straffen afzonderlijk toepassen.

 

Indien alleen gevangenisstraf bepaald is, kan de rechter die straf vervangen door geldboete van ten hoogste vijfhonderd frank.

 

Indien ontzetting van de in artikel 31 genoemde rechten [ ... ] voorgeschreven of toegelaten [ is ], kan de rechter die [ straf ] uitspreken voor een termijn van een jaar tot vijf jaar, of in het geheel niet opleggen.

 

(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)

(W. 1.7.1964 - art. 1 - B.S. 17.7.1964)
 

HOOFDSTUK X Tenietgaan van de straffen

ART. 86
Straffen, uitgesproken bij onherroepelijk geworden arresten of vonnissen, gaan teniet door de dood van de veroordeelde.

[ Het verlies van rechtspersoonlijkheid van de veroordeelde rechtspersoon doet de straf niet vervallen. ]

 

(W. 04.05.1999 - art. 11 - B.S. 22.06.1999)
 

ART. 87
Onbekwaamheden, door de rechter uitgesproken of door de wet aan sommige veroordelingen verbonden, houden op door kwijtschelding, die de Koning daarvan kan verlenen krachtens het recht van genade.
 
ART. 88
[ ... ]

 

(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 89
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 22.11.2004 - art. 2 - B.S. 9.12.2004)
 

ART. 90
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 22.11.2004 - art. 2 - B.S. 9.12.2004)
 

ART. 91
[ Behoudens straffen met betrekking tot misdrijven, zoals bepaald in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater, verjaren criminele straffen ] door verloop van twintig jaren, te rekenen van de dagtekening van de arresten of vonnissen waarbij zij zijn uitgesproken.

 

(W. 5.8.2003 - art. 4 - B.S. 7.8.2003)
 

ART. 92
Correctionele straffen verjaren door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dagtekening van het arrest of van het in laatste aanleg gewezen vonnis, of te rekenen van de dag waarop het in eerste aanleg gewezen vonnis niet meer kan worden bestreden bij wege van hoger beroep.

 

Indien de uitgesproken straf drie jaar te boven gaat, is de verjaringstermijn tien jaren.
 

ART. 93
Politiestraffen verjaren door verloop van een jaar, te rekenen van de tijdstippen, in het vorige artikel vastgesteld.
 
ART. 94
De straffen [ ... ] van geldboete en van bijzondere verbeurdverklaring verjaren door verloop van de in de vorige artikelen vastgestelde termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens misdaden, wanbedrijven of overtredingen.

 

(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 95
Indien de veroordeelde die zijn straf ondergaat, erin slaagt te ontvluchten, begint de verjaringstermijn te lopen van de dag van de ontvluchting.

 

Wanneer echter in dat geval een veroordeelde meer dan vijf jaar van zijn straf heeft ondergaan, indien het een tijdelijke criminele straf betreft, of meer dan twee jaar, indien het een correctionele straf betreft, wordt die meerdere tijd toegerekend op de duur van de verjaring.
 

ART. 96
De verjaring van de straf wordt door de aanhouding van de veroordeelde gestuit.
 
ART. 97-98
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 99
Burgerlijke veroordelingen, uitgesproken bij arresten of vonnissen gewezen in criminele, correctionele of politiezaken, verjaren naar de regels van het burgerlijk recht, te rekenen van de dag waarop zij onherroepelijk zijn geworden.

 

Die veroordelingen verjaren echter te rekenen van de dagtekening van het arrest, indien zij zijn uitgesproken bij weerspannigheid aan de wet.
 

[ Algemene bepalingen ] (W. 28.11.2000 - art. 2 - B.S. 17.3.2001)
ART. 100
Bij gebreke van andersluidende bepalingen in bijzondere wetten en verordeningen, worden de bepalingen van het eerste boek van dit wetboek toegepast op de misdrijven die bij die wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld, met uitzondering van hoofdstuk VII [ ... ] en van artikel 85.

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 4.8.1986 - art. 105 - B.S. 20.8.1986)

(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 100bis
[ Zij worden zonder uitzondering toegepast op personen die aan de militaire strafwetten niet zijn onderworpen, maar die deelgenomen hebben aan een misdaad of een wanbedrijf omschreven in het Militair Strafwetboek. De militaire gevangenisstraf wordt evenwel vervangen door gevangenisstraf van dezelfde duur, en de afzetting, die als hoofdstraf is gesteld, door gevangenisstraf van twee maanden tot drie jaar. ]

 

(W. 28.7.1934 - art. 1, 2 - B.S. 2.8.1934)
 

ART. 100ter
[- Wanneer in de bepalingen van boek II de term « minderjarige » wordt aangewend, wordt daaronder elke persoon verstaan die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 3 - B.S. 17.3.2001)
 

BOEK II De misdrijven en hun bestraffing in het bijzonder

EERSTE TITEL Misdaden en wanbedrijven tegen de veiligheid van de Staat

EERSTE HOOFDSTUK Aanslag op en samenspanning tegen de Koning, de Koninklijke Familie en de Regeringsvorm
ART. 101
De aanslag op het leven of op de persoon van de Koning wordt gestraft met [ levenslange opsluiting ].

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

 

De aanslag op de persoon van de Koning wordt gestraft met [ opsluiting van twintig tot dertig jaar ] , indien hij geen schending van zijn vrijheid ten gevolge heeft en hem noch bloedstorting, noch verwonding, noch ziekte veroorzaakt.

 

(W. 23.1.2003 - art. 17 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 102
[De aanslag op het leven van de vermoedelijke troonopvolger wordt gestraft met levenslange opsluiting.

 

De aanslag op zijn persoon wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.

 

De aanslag op zijn persoon wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar indien hij geen schending van zijn vrijheid tot gevolg heeft en bij hem noch bloedstorting, noch verwonding, noch ziekte veroorzaakt. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 18 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

 


 

ART. 103
De aanslag op het leven van de Koningin, van 's Konings bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, van 's Konings broeders die de staat van Belg hebben, op het leven van de Regent, of op het leven van de ministers die, in de gevallen bij de Grondwet bepaald, de grondwettelijke macht van de Koning uitoefenen, wordt altijd gestraft zoals het voltooide feit.

 

[ De aanslag op hun persoon wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar; hij wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar indien hij geen schending van hun vrijheid ten gevolge heeft en bij hen noch bloedstorting, noch verwonding, noch ziekte veroorzaakt. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 19 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 104
De aanslag ondernomen met het oogmerk om hetzij de regeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen of te veranderen, hetzij de burgers of de inwoners de wapens te doen opnemen tegen het koninklijk gezag, de Wetgevende Kamers of een daarvan, wordt gestraft met [ hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 20 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 105
Aanslag bestaat zodra er strafbare poging is.
 
ART. 106
De samenspanning tegen het leven of tegen de persoon van de Koning wordt gestraft met [ opsluiting ] van vijftien jaar tot twintig jaar, indien er een daad op gevolgd is om de uitvoering ervan voor te bereiden, en met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar in het tegenovergestelde geval.

 

(W. 23.1.2003 - art. 21 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 107
[Samenspanning tegen het leven of tegen de persoon van de vermoedelijke troonopvolger wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar indien er een daad op gevolgd is om de uitvoering ervan voor te bereiden, en met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar in het tegenovergestelde geval. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 22 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 108
De samenspanning tegen het leven of tegen de persoon, hetzij van de in artikel 103 genoemde leden van de koninklijke familie, hetzij van de Regent, hetzij van de ministers die de grondwettelijke macht van de Koning uitoefenen, wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 23 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 109
De samenspanning gesmeed met het oogmerk om een der in artikel 104 vermelde doeleinden te bereiken, wordt gestraft met hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar, indien enige daad is gepleegd om de uitvoering ervan voor te bereiden, en met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar in het tegenovergestelde geval.
 
ART. 110
Samenspanning bestaat zodra verscheidene personen samen het besluit hebben genomen om te handelen.
 
ART. 111
Het voorstel dat wordt gedaan, maar niet aangenomen, om een samenspanning te smeden tegen het leven of tegen de persoon van de Koning, van de vermoedelijke troonopvolger, van de in artikel 103 genoemde leden van de koninklijke familie, van de Regent of van de ministers die de grondwettelijke macht van de Koning uitoefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar.

 

De schuldige [ ... ] kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.

 

(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 112
Hij die heel alleen het besluit neemt om een aanslag te plegen op het leven of op de persoon van de Koning, van de vermoedelijke troonopvolger, van de in artikel 103 genoemde leden van de koninklijke familie, van de Regent of van de ministers die de grondwettelijke macht van de Koning uitoefenen, wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ], indien hij een daad heeft gepleegd om de uitvoering ervan voor te bereiden.

 

(W. 23.1.2003 - art. 23 - B.S. 13.3.2003)
 

HOOFDSTUK II Misdaden en wanbedrijven tegen de uitwendige veiligheid van de Staat
ART. 113
[ Iedere Belg die de wapens tegen België opneemt, wordt gestraft met [ levenslange hechtenis ]. ]

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(B.W. 11.10.1916 - art. 1 - B.S. 15/21.10.1916)

[ Voor de toepassing van deze bepaling geldt als het opnemen van de wapens tegen België het feit dat men voor de vijand wetens een taak vervult van strijd, vervoer, arbeid of bewaking, die normaal op de vijandelijke legers of hun diensten rust. ]

(B.W. 17.12.1942 - art. 1 - B.S. 26/29.12.1942)
 

ART. 114
[Hij die met een vreemde mogendheid of met enige persoon die in het belang van een vreemde mogendheid handelt, kuiperijen pleegt of in verstandhouding treedt met het oogmerk of die mogendheid tot het voeren van oorlog tegen België te bewegen of om haar daartoe middelen te verschaffen, wordt gestraft met hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar. Indien daaruit vijandelijkheden zijn gevolgd, wordt hij gestraft met levenslange hechtenis. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 24 - B.S. 13.3.2003)

(W. 4.8.1914 - art. 1 - B.S. 5.8.1914)

(W. 10.12.1937 - enig art. 1 - B.S. 24.12.1937)

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 115
§ 1. [ Met [ levenslange hechtenis ] wordt gestraft:

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

 

Hij die het betreden van het grondgebied van het Rijk voor de vijanden van de Staat vergemakkelijkt;

 

Hij die hun steden, vestingen, plaatsen, posten, havens, magazijnen, arsenalen, schepen of vaartuigen, die aan België toebehoren, overlevert;

 

Hij die hen helpt door het verschaffen van soldaten, manschappen, geld, levensmiddelen, wapens of munitie;

 

Hij die de voortgang van hun wapens op het grondgebied van het Rijk of tegen de Belgische strijdkrachten te land of ter zee bevordert, door officieren, soldaten, matrozen of andere burgers in hun trouw aan de Koning en de Staat te doen wankelen.

 

In de voormelde gevallen wordt de strafbare poging gelijkgesteld met de misdaad zelf.

 

De samenspanning die een van deze misdaden ten doel heeft, wordt gestraft met [ levenslange hechtenis ], indien er een daad op gevolgd is om de uitvoering ervan voor te bereiden, en met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar in het tegenovergestelde geval. ]

 

(W. 10.12.1937 - enig art. 2 - B.S. 24.12.1937)

(B.W. 11.10.1916 - art. 1 - B.S. 15/21.10.1916)

 

[ § 2. De bepaling van § 1, vierde lid, is op hem die in het door de vijand bezette grondgebied verblijft, alleen dan toepasselijk:

 

1° Indien hij, hetzij rechtstreeks, hetzij door een tussenpersoon of als tussenpersoon, de vijanden van de Staat helpt door het verschaffen van soldaten, manschappen, geld, levensmiddelen bestemd voor de ravitaillering van de vijand, oorlogsmateriaal voor aanval of verdediging, eigenlijke oorlogsmunitie, onderdelen bestemd voor de vervaardiging van dat materiaal of van die munitie, kleding- of uitrustingsstukken waarvan hij weet dat zij voor militair gebruik bestemd zijn, of indien hij te hunnen behoeve een onderneming van werken tot het aanleggen, inrichten of camoufleren van versterkingen, vliegvelden of alle andere voor militaire doeleinden bestemde bouwwerken of installaties opricht of leidt;

 

2° Indien hij hun, hetzij rechtstreeks, hetzij door een tussenpersoon of als tussenpersoon, grondstoffen, materialen of produkten verschaft, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn voor de vervaardiging van dat oorlogsmateriaal, van die munitie of van die kleding- of uitrustingsstukken of voor de uitvoering van die werken, tenzij hij bij deze leveringen alle te zijner beschikking staande middelen heeft aangewend om zich tegen het uitvoeren van de bestellingen van de vijanden van de Staat te verzetten;

 

3° Indien hij hun, hetzij rechtstreeks, hetzij door een tussenpersoon of als tussenpersoon, grondstoffen of bewerkte stoffen, produkten, levensmiddelen of dieren verschaft, wanneer die levering is geschied ingevolge aanzoeken of stappen gedaan bij hen of bij tussenpersonen die voor hun rekening handelden, of wanneer zij de oprichting, de verbouwing of de vergroting van de onderneming of de wijziging van de aard of van de bedrijfsmethoden daarvan heeft nodig gemaakt, of wanneer de produktie op een abnormaal peil is gehouden of tot dat peil is opgevoerd om hun bestellingen te kunnen uitvoeren, of wanneer de leverancier hun hulp heeft ingeroepen om sociale geschillen te beslechten of diensten van tegensabotage heeft ingericht;

 

4° Indien hij zijn werkzaamheid te hunnen dienste stelt om voor hun rekening de grondstoffen, bewerkte stoffen, produkten, levensmiddelen of dieren, onder 1°, 2° en 3° hierboven bedoeld, te verzamelen. ]

 

(W. 25.5.1945 - art. 1 - B.S. 28/29.5.1945)

(W. 1.6.1949 - art. 1, 1 - B.S. 5.6.1949)
 

ART. 116
[ Met [ levenslange hechtenis ] wordt gestraft hij die voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen die voor de vijand geheim moeten worden gehouden in het belang van de verdediging van het grondgebied of van de veiligheid van de Staat, geheel of ten dele, in origineel of in reproduktie wetens overlevert of meedeelt aan een vijandelijke mogendheid of aan enige persoon die in het belang van een vijandelijke mogendheid handelt. ]

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 117
[ De straffen, bepaald in de artikelen 113, 115 en 116, zijn gelijk, onverschillig of de misdaden in die artikelen omschreven, tegen België zijn gepleegd dan wel tegen de bondgenoten van België die tegen de gemeenschappelijke vijand optreden. ]

 

(B.W. 11.10.1916 - art. 1 - B.S. 15-21.10.1916)

 

[ Voor de toepassing van deze bepaling is "bondgenoot van België" elke Staat die, zelfs zonder verdrag van bondgenootschap, oorlog voert tegen een Staat waarmee België zelf in oorlog is. ]

 

(B.W. 17.12.1942 - art. 2 - B.S. 26/29.12.1942)
 

ART. 118
[ Met [ hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar ] wordt gestraft, hij die voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen die geheim moeten worden gehouden in het belang van de verdediging van het grondgebied of van de uitwendige veiligheid van de Staat, geheel of ten dele, in origineel of in reproduktie, wetens overlevert of meedeelt aan een vreemde mogendheid of aan enige persoon die in het belang van een vreemde mogendheid handelt.

 

Indien de schuldige met een openbaar ambt of mandaat bekleed was, of een opdracht vervulde of een werk verrichtte die hem door de Regering waren toevertrouwd, wordt hij gestraft met [ hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar ]. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 26 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.12.1937 - enig art. 3 - B.S. 24.12.1937)

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 118bis
[ Met [ levenslange hechtenis ] wordt gestraft hij die deelneemt aan het vervormen van wettelijke instellingen of organisaties door de vijand, de burgers in hun trouw aan Koning en Staat in oorlogstijd doet wankelen, of wetens de politiek of de oogmerken van de vijand dient.

 

Met [ levenslange hechtenis ] wordt eveneens gestraft hij die wetens enige propaganda leidt, door enigerlei middel voert, ze uitlokt, helpt of begunstigt, welke propaganda gericht is tegen het verzet tegen de vijand of zijn bondgenoten of ertoe strekt de feiten in het vorige lid opgenoemd te verwekken. ]

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(B.W. 17.12.1942 - art. 3 - B.S. 26/29.12.1942)
 

ART. 119
[ Met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijfduizend frank wordt gestraft hij die wetens voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen als bedoeld in artikel 118, geheel of ten dele, in origineel of in reproduktie, overlevert of meedeelt aan een persoon die onbevoegd is om die in ontvangst te nemen of daarvan kennis te nemen.

 

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, zonder verlof van de bevoegde overheid, voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen als bedoeld in artikel 118, geheel of ten dele, door enig procédé reproduceert, openbaar maakt of bekend maakt. ]

 

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 120
[ Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfduizend frank wordt gestraft hij die zich voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen als bedoeld in artikel 118, geheel of ten dele, in origineel of in reproduktie, aanschaft of ze willens ontvangt, zonder dat hij bevoegd is om die in ontvangst te nemen of daarvan kennis te nemen. ]

 

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 120bis
[Met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijfduizend frank wordt gestraft:

 

1° Hij die, onder een vermomming of met verheling van zijn identiteit, beroep, hoedanigheid of nationaliteit, of door een handeling die ten doel heeft de voor de bewaking aangestelde personen te misleiden of hun waakzaamheid te verschalken, zich toegang verschaft hetzij tot een fort of enig verdedigingswerk, een post, een schip van de Staat of een schip door de Staat opgeëist of bevracht, een militaire, zeevaart- of luchtvaartinrichting, een militair depot, magazijn of park, hetzij tot een werkhuis, een werkplaats of een laboratorium waar werken in verband met de verdediging van het grondgebied voor de Staat worden uitgevoerd;

 

2° Hij die door een van de middelen, vermeld in het vorige lid, een plan opneemt, verkeerswegen, middelen van verbinding of van overseining verkent of inlichtingen inwint die van belang zijn voor de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat;

 

3° Hij die enig middel van verbinding of van overseining inricht of aanwendt met het oogmerk om inlichtingen die van belang zijn voor de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat, in te winnen of over te zenden, zonder dat hij daartoe bevoegd is. ]

 

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 120ter
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot [ een jaar ] en met geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank wordt gestraft:

 

1° Hij die, zonder verlof van de militaire, zeevaart- of luchtvaartoverheid, binnen een afstand van een myriameter of binnen enige andere door de minister van Landsverdediging later te bepalen afstand van een versterkte plaats, van een verdedigingswerk, van een post, van een militaire of een zeevaartinrichting, van een luchtvaartinrichting, die niet een vliegveld of luchtvaartstation is, van een militair depot, magazijn of park, welke afstand gerekend wordt vanaf de buitenwerken, door enig procédé topografische opmetingen of verrichtingen doet of fotografische opnamen maakt van een van die plaatsen, werken of inrichtingen, of reprodukties van die opnamen uitgeeft, tentoonstelt, verkoopt of verspreidt;

 

2° Hij die, zonder verlof, hetzij de bekledingen of de glooiingen van de versterkingen, hetzij de muren, afsluitingen, hekken, omheiningen, hagen of andere omschuttingen die zich bevinden op militaire terreinen, beklimt of overschrijdt, of een fort of een van de andere in artikel 120bis, 1°, bedoelde inrichtingen betreedt. ]

 

(W. 10.12.1937 - enig art. 4 - B.S. 24.12.1937)

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 120quater
[ De poging tot een van de misdrijven in de artikelen 116, 119, 120 tot 120ter omschreven, wordt beschouwd als zijnde het misdrijf zelf. ]

 

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 120quinquies
[ Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank wordt gestraft hij die, in strijd met de verordeningen, voorwerpen, plans, geschriften of bescheiden als bedoeld in artikel 118, verplaatst of in zijn bezit houdt, of zulke voorwerpen, plans, geschriften of bescheiden die hem zijn toevertrouwd of hem bekend zijn wegens zijn ambt, zijn staat, zijn beroep, een opdracht, een lastgeving, door nalatigheid of door niet-nakoming van de verordeningen geheel of ten dele laat vernietigen, ontvreemden of wegnemen, zelfs tijdelijk, of geheel of ten dele daarvan kennis, afschrift of reproduktie door enig procédé laat nemen. ]

 

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 120sexies
[ Indien gepleegd in oorlogstijd:

 

Worden de in de artikelen 118, 119, 120 en 120bis omschreven misdrijven gestraft met [ levenslange hechtenis ];

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

 

Worden de in artikel 120ter omschreven misdrijven gestraft met [ hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar ] ;

 

(W. 23.1.2003 - art. 27 - B.S. 13.3.2003)

 

Worden de in artikel 120quinquies omschreven misdrijven gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijfduizend frank. ]

 

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 120septies
[ Onverminderd de toepassing van de artikelen 66 en 67, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank hij die, bekend met de bedoelingen der daders van een van de in de artikelen 120 of 120bis omschreven misdrijven, of van de poging tot een van die misdrijven, hun een onderdak, een schuilplaats of een vergaderplaats verschaft, hun briefwisseling ontvangt of doorgeeft, de voorwerpen of werktuigen verbergt die tot het plegen van het misdrijf hebben gediend of moesten dienen. ]

 

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 120octies
[De straffen, bepaald in de artikelen 118, 119, 120 tot 120septies, zijn gelijk, onverschillig of de misdrijven in die artikelen omschreven, tegen België zijn gepleegd dan wel tegen een Staat waarmee België met het oog op een gemeenschappelijke verdediging door een regionale regeling is verbonden. ]

 

(W. 19.3.1956 - enig art. - B.S. 26/27.3.1956)
 

ART. 121
[Hij die verspieders of op verkenning uitgezonden vijandelijke soldaten, die hem als zodanig bekend zijn, verbergt of doet verbergen, wordt gestraft met levenslange opsluiting.

 

Hij die vijandelijke agenten of soldaten, weerbaar of gewond, verbergt of doet verbergen, of die hun te hulp komt om hen in de mogelijkheid te stellen zich aan de overheid te onttrekken, wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. Bij staat van beleg wordt het misdrijf gestraft met levenslange opsluiting.

 

Hij die een onderdaan van een vijandelijke of met de vijand verbonden mogendheid verbergt of doet verbergen, of die hem te hulp komt om hem in de mogelijkheid te stellen zich aan de overheid te onttrekken, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. Bij staat van beleg wordt het misdrijf gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.

 

Hij die personen verbergt of doet verbergen van wie hij weet dat zij vervolgd worden of veroordeeld zijn wegens een van de misdrijven bedoeld in Boek II, Titel I, Hoofdstuk II van het Strafwetboek en in de artikelen 17 en 18 van de wet van 27 mei 1870 houdende het Militair Strafwetboek, of die hun te hulp komt om hen in de mogelijkheid te stellen zich aan het gerecht te onttrekken, wordt gestraft met de op dat misdrijf gestelde straf, zonder dat evenwel de uitgesproken straf vijftien jaar opsluiting of hechtenis mag te boven gaan.

 

De bepaling van het vorige lid is niet van toepassing op bloedverwanten in opgaande of nederdalende lijn, echtgenoten, zelfs na echtscheiding, broers of zusters, noch op aanverwanten in dezelfde graden van de daders van of de medeplichtigen aan de bedoelde misdrijven. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 28 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(B.W. 11.10.1916 - art. 1 - B.S. 15/21.10.1916)

(W. 13.12.1944 - art. 1 - B.S. 24.12.1944)
 

ART. 121bis
[. Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft hij die wetens, door aangifte van een werkelijk of denkbeeldig feit, enige persoon aan opsporingen, vervolgingen of gestrengheden van de vijand blootstelt.

 

Hij wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, indien de aangifte voor enige persoon vrijheidsberoving van meer dan een maand ten gevolge heeft, en zulks niet veroorzaakt is door een andere aangifte.

 

Hij wordt gestraft met levenslange opsluiting, indien de aangifte voor enige persoon ter oorzake van de ondergane hechtenis of behandeling ten gevolge heeft hetzij de dood, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking en zulks niet veroorzaakt is door een ander aangifte.

 

(W. 23.1.2003 - art. 29 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(B.W. 17.12.1942 - art. 4 - B.S. 26/29.12.1942)
 

ART. 122
[Wanneer zaken in brand gestoken of door enigerlei middel vernield worden met het oogmerk de vijand te begunstigen, worden de straffen die bij Titel IX, Hoofdstuk III, op deze feiten gesteld zijn, vervangen als volgt :

 

gevangenisstraf door opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar;

opsluiting van vijf jaar tot tien jaar door opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;

opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar door opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar;

opsluiting van vijftien jaar en meer door levenslange opsluiting;

poging tot brandstichting of vernieling wordt beschouwd als zijnde de misdaad zelf. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 30 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art; 15 - B.S. 1.8.1996)

(B.W. 11.10.1916 - art. 1 - B.S. 15/21.10.1916)
 

ART. 122bis
[Onverminderd de toepassing van strengere bepalingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfduizend frank hij die een militaire inlichtingsdienst opricht of verzorgt, die op het grondgebied van het Rijk in het belang en in het nadeel van vreemde mogendheden werkt, hij die enige werkzaamheid in zodanige dienst uitoefent, onder meer hetzij door medewerkers of agenten voor die dienst aan te werven, hetzij door voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen welke niet kennelijk openbaar zijn en betrekking hebben op de militaire organisatie of het verdedigingsstelsel van een vreemde mogendheid, op de wapen-, munitie- of levensmiddelenvoorziening van haar strijdkrachten te land, ter zee of in de lucht of op het materiaal aldaar in gebruik, geheel of ten dele, in origineel of in reproduktie, wetens over te leveren aan de dienst of hem die mee te delen, hetzij door de bedoelde voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen door te geven aan een andere vreemde mogendheid of aan een persoon die in het belang van die mogendheid handelt. ]

 

(B.W. 31.12.1939 - art. 1 - B.S. 13.1.1940)
 

ART. 123
Hij die door vijandelijke handelingen, door de Regering niet goedgekeurd, de Staat aan vijandelijkheden van een vreemde mogendheid blootstelt, wordt gestraft met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar, en, indien daaruit vijandelijkheden zijn gevolgd met hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar.
 
ART. 123bis
[ Onverminderd de toepassing van artikel 1 van de wet van 7 juli 1875 en van de artikelen 66 en 67 van dit wetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot [ drie jaar ] en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank:

 

1° Het aanbod of het voorstel om een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 113 tot 120bis, 121 tot 123, te plegen;

 

2° De aanvaarding van dat aanbod of van dat voorstel. ]

 

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)

(W. 10.12.1937 - enig art. 5 - B.S. 24.12.1937)
 

ART. 123ter
[ Indien de misdrijven, in de artikelen 115 tot 120quater, 120sexies, tot 123bis omschreven, uit winstbejag zijn begaan, worden de [ sommen, de goederen of de rechtstreekse of onrechtstreekse voordelen van welke aard ook, die de werkzaamheid van de schuldige heeft opgebracht, ] tot eigendom van de Schatkist verklaard; [ indien zij niet in beslag zijn genomen, wordt een met hun waarde overeenstemmend bedrag ] tot eigendom van de Schatkist verklaard. ]

 

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)

(W. 7.6.1948 - art. 1 - B.S. 13.6.1948)

 

[ In hetzelfde geval worden de in de artikelen 119 en 120 bepaalde gevangenisstraffen vervangen door opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en tijdelijke hechtenis door tijdelijke opsluiting van gelijke duur. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 31 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.12.1937 - enig art. 6 - B.S. 24.12.1937)

 

[ Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, wordt [ levenslange opsluiting ] vervangen overeenkomstig artikel 80. ]

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 123quater
[De samenspanning om een misdaad of een wanbedrijf tegen personen of eigendommen te plegen, gesmeed met het oogmerk om in oorlogstijd hetzij de verdediging van het grondgebied, hetzij de mobilisatie, hetzij de wapen-, munitie- of levensmiddelenvoorziening van het leger te belemmeren, wordt, onverminderd de toepassing van strengere bepalingen, gestraft met de straffen, in artikel 123bis bepaald.

 

Wordt de samenspanning in oorlogstijd gesmeed, dan wordt zij met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] gestraft. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 32 - B.S. 13.3.2003)

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)
 

ART. 123quinquies
[De verbeurdverklaring van de zaken die gediend hebben of bestemd waren om het misdrijf te plegen, wordt altijd uitgesproken, evenals de verbeurdverklaring van de plans, kaarten, geschriften, bescheiden, afschriften, opmetingen, fotografische opnamen, gezichten, reprodukties en alle andere door het misdrijf verkregen zaken.

 

(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S. 27.7.1934)

 

[ In de gevallen van de artikelen 119, 120, 120bis, 121bis, 122bis en 123quater, kunnen de tot gevangenisstraf veroordeelden verwezen worden tot levenslange of tijdelijke ontzetting van de rechten, genoemd in artikel 31. ]

 

(B.W. 31.12.1939 - art. 2 - B.S. 13.1.1940)
 

ART. 123sexies
[§ 1. In afwijking van de artikelen 31 en 32, wordt bij de vonnissen of arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, tot opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, respectievelijk een langere termijn of tot hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar of van vijftien jaar tot twintig jaar wegens een misdrijf of poging tot een misdrijf als omschreven in Boek II, Titel I, Hoofdstuk II van het Strafwetboek, in oorlogstijd gepleegd, tegen de veroordeelden geen ontzetting van de daarin bedoelde rechten uitgesproken, maar brengen die vonnissen of arresten van rechtswege levenslange vervallenverklaring mee van : ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 33, 1° - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 16 - B.S. 1.8.1996)

 

1° De rechten genoemd in het vorenbedoelde artikel 31, met inbegrip van het recht om te stemmen, te kiezen en verkozen te worden;

 

2° Het recht om ingeschreven te zijn op een tabel van de orde van advocaten, op een lijst van ereadvocaten of op een lijst van advocaten-stagiairs;

 

3° Het recht om in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan enig onderwijs dat in een openbare of private inrichting wordt gegeven;

 

4° Het recht om als bedienaar van een eredienst door de Staat te worden bezoldigd;

 

5° Het recht om leider van een politieke vereniging te zijn;

 

6° Het recht om in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan de exploitatie, de administratie, de redactie, het drukken of verspreiden van een dagblad of van om het even welke publikatie, ingeval deze deelneming een politiek karakter heeft;

 

7° Het recht om deel te nemen aan het bestuur of de administratie van enige demonstratie van culturele, filantropische en sportieve aard of van enige openbare vermakelijkheid, ingeval deze deelneming een politiek karakter heeft;

 

8° Het recht om deel te nemen aan de exploitatie, aan het beheer of op enigerlei wijze aan de werkzaamheden van enige onderneming voor toneelvoorstellingen, cinematografie of radio-omroep, ingeval deze deelneming een politiek karakter heeft;

 

9° Het recht om in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan het beheer, de zaakvoering of het bestuur van een beroepsvereniging of een vereniging zonder winstgevend doel.

 

§ 2. In afwijking van de artikelen 32 en 33 kan bij de vonnissen of arresten van veroordeling tot andere criminele straffen of tot correctionele straffen wegens een misdrijf of poging tot een misdrijf als omschreven in boek II, titel I, hoofdstuk II van het Strafwetboek, in oorlogstijd gepleegd, geen ontzetting van rechten als omschreven in de genoemde artikelen worden uitgesproken, maar wel tijdelijke vervallenverklaring van alle rechten of van een deel van de rechten in de vorige paragraaf genoemd.

 

De vervallenverklaringen bepaald in de kieswetten, met inbegrip van [ de artikelen 6 en 7 van het Kieswetboek ], zijn in ieder geval van toepassing. ]

 

(W. 5.7.1976 - art. 145 - B.S. 29.7.1976)

(W. 30.6.1961 - art. 1 - B.S. 1.7.1961)

 

[ [ De vervallenverklaringen kunnen worden uitgesproken voor een duur van tien jaar tot twintig jaar als de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of hechtenis van vijf jaar tot tien jaar of van tien jaar tot vijftien jaar is en voor een duur van vijf jaar tot tien jaar als het een correctionele straf betreft. ] De tijd van de vervallenverklaringen bepaald bij het vonnis of het arrest van veroordeling, gaat in op de dag dat de op tegenspraak of bij verstek gewezen veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 33, 2° - B.S. 13.3.2003)

(W. 30.6.1961 - art. 1 - B.S. 1.7.1961)
 

ART. 123septies
[ § 1. De veroordeelden die vervallen verklaard zijn met toepassing van artikel 123sexies, kunnen herstel aanvragen in de rechten genoemd onder 6° tot 9°, op voorwaarde:

 

1° Dat zij niet in hechtenis zijn ter uitvoering van hun straf, niet voortvluchtig zijn of zich niet versteken;

 

2° Dat zij de tegen hen uitgesproken geldboeten hebben voldaan en de teruggave, schadevergoedingen en kosten waartoe zij zijn veroordeeld, hebben gekweten; evenwel kan de rechtbank de veroordeelde van deze voorwaarde ontslaan indien hij bewijst dat hij in de onmogelijkheid verkeerde om zich van die verplichtingen te kwijten, hetzij wegens onvermogen, hetzij wegens een andere oorzaak die niet aan hem te wijten is;

 

3° Dat sinds de dag waarop de vervallenverklaring is ingegaan, een termijn verstreken is van twintig jaar zo de veroordeelde is vervallen verklaard voor het leven, van tien jaar zo hij is vervallen verklaard voor tien jaar tot twintig jaar ten gevolge van een veroordeling tot [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of hechtenis van vijf jaar tot tien jaar of van tien jaar tot vijftien jaar ] , en van vijf jaar zo hij is vervallen verklaard voor vijf jaar tot tien jaar ten gevolge van een veroordeling tot een correctionele straf.

 

(W. 23.1.2003 - art. 34 - B.S. 13.3.2003)

 

§ 2. De aanvraag wordt bij een ter post aangetekende brief gezonden aan de procureur des Konings van de woonplaats of de verblijfplaats van de betrokkene en, indien deze in België noch woonplaats noch bepaalde verblijfplaats heeft, aan de procureur des Konings van het arrondissement Brussel.

 

De procureur des Konings wint alle inlichtingen in die hij nodig oordeelt, en brengt de aanvraag voor de rechtbank van eerste aanleg.

 

De betrokkene verschijnt voor de rechtbank in raadkamer, hetzij in persoon, hetzij bij pleitbezorger of bij een advocaat, houder van de stukken, op eenvoudige oproeping die hem door de procureur des Konings bij een ter post aangetekende brief wordt toegezonden.

 

Die oproeping vermeldt voor welke kamer van de rechtbank de aanvraag wordt gebracht, alsmede dag en uur van verschijning. Tussen de kennisgeving en de verschijning moeten ten minste acht dagen verlopen. De afgifte van de ter post aangetekende brief geldt als kennisgeving.

 

Indien de betrokkene na de kennisgeving niet verschijnt, hetzij in persoon, hetzij bij pleitbezorger of bij een advokaat, houder van de stukken, kan de rechtbank, alvorens over de aanvraag uitspraak te doen, de zaak uitstellen om het openbaar ministerie gelegenheid te geven hem een nieuwe oproeping te zenden.

 

Het dossier van het openbaar ministerie wordt ten minste acht dagen voor de vastgestelde terechtzitting op de griffie van de rechtbank neergelegd. De rechtspleging wordt op de terechtzitting vervolgd zoals in correctionele zaken.

 

Het op de aanvraag gewezen vonnis is niet vatbaar voor hoger beroep.

 

Indien de aanvraag geheel of ten dele afgewezen wordt, kan zij niet worden hernieuwd voordat twee jaren zijn verstreken sedert de rechterlijke uitspraak.

 

Bij overlijden van de betrokkene kan elk beroep en elke aanvraag, in deze wet bepaald, worden voortgezet door zijn echtgenoot, zijn bloedverwanten in de opgaande en de nederdalende lijn, of zijn broeders en zusters.

 

Zij kunnen insgelijks voortgezet worden door een of meer rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel die van een geldelijk belang doen blijken.

 

§ 3. Herstel in de rechten waarvan de veroordeelden met toepassing van het vorige artikel vervallen verklaard waren, heeft slechts gevolg voor de toekomst. ]

 

(W. 30.6.1961 - art. 1 - B.S. 1.7.1961)
 

ART. 123octies
[ Wanneer het vonnis of het arrest dat met toepassing van artikel 123sexies levenslange of tijdelijke vervallenverklaring van rechten ten gevolge heeft, in kracht van gewijsde is gegaan, doet het openbaar ministerie het bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendmaken, met vermelding van de uitgesproken of daaruit voortvloeiende vervallenverklaring. Het openbaar ministerie betekent het tevens bij uittreksel aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats met het oog op de inschrijving van deze vermelding in het bevolkingsregister. Deze vermelding moet in het bevolkingsregister van elke nieuwe woonplaats worden overgeschreven. ]

 

(W. 30.6.1961 - art. 1 - B.S. 1.7.1961)
 

ART. 123nonies
[ Hij die, in weerwil van de vervallenverklaring die voortvloeit uit de toepassing van artikel 123sexies, § 1 of § 2, rechtstreeks of door een tussenpersoon gebruik maakt van een der in dat artikel genoemde rechten, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met geldboete van tienduizend frank tot honderdduizend frank. ]

 

(W. 30.6.1961 - art. 1 - B.S. 1.7.1961)
 

ART. 123decies
[De vennootschappen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de veroordelingen tot schadevergoeding , geldboete, kosten, verbeurdverklaring, teruggave en geldelijke sancties van welke aard ook, die wegens overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk tegen hun organen of aangestelden zijn uitgesproken.

 

Dit geldt eveneens voor de leden van alle handelsverenigingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, wanneer het misdrijf door een vennoot, zaakvoerder of aangestelde is gepleegd ter gelegenheid van een tot de werkzaamheid van de vereniging behorende verrichting. Evenwel is de burgerrechtelijk aansprakelijke vennoot persoonlijk niet verder gehouden dan tot de sommen of waarden die de verrichting hem opgebracht heeft.

 

Die vennootschappen en vennoten kunnen rechtstreeks voor de strafrechter gedagvaard worden door het openbaar ministerie of door de burgerlijke partij. ]

 

(B.W. 20.9.1945 - art. 2 - B.S. 21.10.45)
 

HOOFDSTUK III Misdaden tegen de inwendige veiligheid van de Staat
ART. 124
De aanslag met het oogmerk om burgeroorlog te verwekken door de burgers of inwoners tegen elkaar te wapenen of hen aan te zetten zich tegen elkaar te wapenen, wordt gestraft met [ hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar ].

 

(W. 23.1.2003 - art. 35 - B.S. 13.3.2003)

 

De samenspanning met hetzelfde oogmerk gesmeed, wordt gestraft met hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar, indien enige daad is gepleegd om de uitvoering ervan voor te bereiden; en met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar, in het tegenovergestelde geval.
 

ART. 125
[De aanslag met het oogmerk om verwoesting, mensenslachting of plundering in een of meer gemeenten aan te richten, wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar.

 

De samenspanning met hetzelfde oogmerk gesmeed, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar indien enige daad is gepleegd om de uitvoering ervan voor te bereiden; met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar in het tegenovergestelde geval. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 36 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 126
Met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar worden gestraft zij die gewapende krijgsbenden lichten of doen lichten, krijgslieden aanwerven of ronselen, doen aanwerven of doen ronselen, of hun hetzij wapens, hetzij munitie leveren of verschaffen, zonder bevel of verlof van de Regering.
 
ART. 127
Met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar worden gestraft:

 

Zij die, zonder recht of wettige reden, het bevel nemen over een legerkorps, over troepen, over een oorlogsschip, een versterkte plaats, een post, een haven, een stad;

 

Zij die tegen het bevel van de Regering enig militair bevel behouden;

 

Bevelhebbers die hun leger of hun troep bijeenhouden nadat de afdanking of de ontbinding ervan is gelast.
 

ART. 128
Hij die zich aan het hoofd van gewapende benden stelt of daarin enige functie vervult of enig bevel voert, hetzij om zich van openbare gelden meester te maken, hetzij om domeinen, eigendommen, plaatsen, steden, vestingen, posten, magazijnen, arsenalen, havens, schepen of vaartuigen van de Staat te overweldigen, hetzij om de openbare macht bij haar optreden tegen de daders van die misdaden aan te vallen of te weerstaan, wordt gestraft met [ hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 37 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 129
Indien die benden tot doel hebben, hetzij openbare eigendommen of eigendommen van de Staat, of eigendommen van een algemeenheid van burgers te plunderen of te verdelen, hetzij de openbare macht bij haar optreden tegen de daders van die misdaden aan te vallen of te weerstaan, worden zij die zich aan het hoofd van die benden stellen of die daarin enige functie vervullen of enig bevel voeren, gestraft met [ opsluiting ] van vijftien jaar tot twintig jaar.

 

(W. 23.1.2003 - art. 38 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 130
De straffen in de twee vorige artikelen onderscheidenlijk bepaald, zijn toepasselijk op hen die de vereniging leiden, de benden lichten of doen lichten, inrichten of doen inrichten.
 
ART. 131
Ingeval een van de misdaden, in de artikelen 101, 102, 103 en 104 omschreven, door een bende wordt gepleegd worden de bij die artikelen bepaalde straffen toegepast op allen, zonder onderscheid van graad, die van de bende deel uitmaken en op de plaats van de oproerige bijeenkomst worden gevat.

 

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, hoewel niet ter plaatse gevat, het oproer leidt of in de bende enige bediening uitoefent of enig bevel voert.
 

ART. 132
Ingeval de oproerige bijeenkomst niet een van de misdaden, in de artikelen 101, 102, 103 en 104 omschreven, tot voorwerp of tot gevolg heeft, worden de personen die van de hierboven bedoelde benden deel uitmaken, zonder daarin enig bevel te voeren of enige bediening uit te oefenen, en die ter plaatse worden gevat, gestraft met de straf onmiddellijk lager dan die welke tegen de leiders of bevelvoerders van die benden wordt uitgesproken.
 
ART. 133
Zij die, bekend met het doel of de aard van die benden, aan deze of aan hun afdelingen, een onderdak, een schuilplaats of een vergaderplaats verschaffen, worden gestraft, in de gevallen van de artikelen 101, 102, 103 en 128, met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] , en, in de gevallen van de artikelen 104 en 127, met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar.

 

(W. 23.1.2003 - art. 39 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 134
Geen straf wordt uit hoofde van oproer uitgesproken tegen hen die van die benden deel uitmaken zonder daarin enig bevel te voeren en zonder daarin enige bediening of enige functie te vervullen en die zich verwijderen op de eerste waarschuwing van de burgerlijke of de militaire overheid, of zelfs naderhand, wanneer zij buiten de plaats van de oproerige bijeenkomst worden gevat zonder tegenstand te bieden en zonder wapens.

 

Zij worden echter gestraft wegens de andere misdaden of wanbedrijven die zij persoonlijk hebben gepleegd.
 

ART. 135
Onder het woord wapens worden begrepen alle toestellen, werktuigen, gereedschappen of andere snijdende, stekende of kneuzende voorwerpen die men heeft ter hand genomen om te doden, te wonden of te slaan, zelfs indien men geen gebruik ervan gemaakt heeft.
 
ART. 135bis
[Hij die, rechtstreeks of onrechtstreeks, van een vreemde persoon of van een vreemde organisatie giften, geschenken, leningen of andere voordelen in enigerlei vorm ontvangt, ten einde geheel of ten dele te worden bestemd of gebruikt tot het voeren of te vergoeden, in België, van een werkzaamheid of een propaganda, die de integriteit, de soevereiniteit of de onafhankelijkheid van het Rijk kunnen aantasten of de trouw die de burgers aan de Staat en aan de instellingen van het Belgische volk zijn verschuldigd, kunnen doen wankelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van duizend frank tot twintigduizend frank.

 

In alle gevallen van overtreding van deze bepaling worden de ontvangen zaken verbeurd verklaard; artikel 9 van de wet van 31 mei 1888 is niet van toepassing op die verbeurdverklaring.

 

De ontzetting van de uitoefening van de rechten, genoemd in artikel 31, of van sommige van die rechten kan worden uitgesproken voor een termijn van vijf jaar tot tien jaar. ]

 

(W. 20.7.1939 - enig art. - B.S. 26.7.1939)
 

ART. 135ter
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 1.8.1979 - art. 7 - B.S. 24.8.1979)
 

ART. 135quater
[Met gevangenisstraf van drie maanden tot 2 jaar ], wordt gestraft hij die van een minderjarige verkrijgt dat deze zonder toestemming van zijn ouders, zijn voogd of zijn curator dienst neemt in een vreemd leger of een vreemde troep. ]

 

(W. 23.6.1961 - enig art. - B.S. 7.7.1961)

(W. 1.8.1979 - art. 6 - B.S. 24.8.1979)
 

ART. 135quinquies
[De poging tot de wanbedrijven in de artikelen 135ter en 135quater omschreven wordt gestraft met dezelfde straffen. ]

 

(W. 23.6.1961 - enig art. - B.S. 7.7.1961)
 

ALGEMENE BEPALING BETREFFENDE DEZE TITEL
ART. 136
Degenen onder de schuldigen die vóór enige aanslag en vóór enig begin van vervolging die samenspanningen of die misdrijven en hun daders of medeplichtigen aan de overheid kenbaar maken, blijven vrij van de straffen, gesteld op de samenspanningen omschreven in deze titel, en op de misdrijven omschreven in artikel 111.
 

[ TITEL Ibis Ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht ] (W. 5.8.2003 - art. 5 - B.S. 7.8.2003)

ART. 136bis
[De misdaad van genocide, zoals hierna omschreven, gepleegd zowel in vredes- als in oorlogstijd, is een internationaal-rechtelijke misdaad en wordt gestraft volgens de bepalingen van deze titel. In overeenstemming met het Verdrag van 9 december 1948 inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, en onverminderd de strafrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op misdrijven door nalatigheid, wordt onder de misdaad van genocide verstaan een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om, geheel of gedeeltelijk, een nationale, etnische of godsdienstige groep of rassengroep uit te roeien, en wel :

 

1° doden van leden van de groep;

 

2° toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;

 

3° opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden bedoeld om de lichamelijke vernietiging van de gehele groep of van een gedeelte ervan te veroorzaken;

 

4° opleggen van maatregelen bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen;

 

5° gewelddadig overbrengen van kinderen van een groep naar een andere groep. ]

 

(W. 5.8.2003 - art. 6 - B.S. 7.8.2003)


 

ART. 136ter
[De misdaad tegen de mensheid, zoals hierna omschreven, gepleegd zowel in vredes- als in oorlogstijd, is een internationaal-rechtelijke misdaad en wordt gestraft volgens de bepalingen van deze titel. In overeenstemming met het Statuut van het Internationaal Strafhof wordt onder misdaad tegen de mensheid verstaan een van de volgende handelingen gepleegd in het kader van een veralgemeende of stelselmatige aanval op burgerbevolking en met kennis van bedoelde aanval :

 

1° moord;

 

2° uitroeiing;

 

3° verlaging tot slavernij;

 

4° gedwongen deportatie of overbrenging van bevolking;

 

5° gevangenneming of elke andere vorm van ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid met schending van de fundamentele bepalingen van het internationaal recht;

 

6° martelen;

 

7° verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie en elke andere vorm van seksueel geweld met een vergelijkbare ernst;

 

8° vervolging van enige groep of van enige identificeerbare collectiviteit wegens politieke, raciale, nationale, etnische, culturele, godsdienstige of seksistische redenen of wegens andere in het internationaal recht als universeel onaanvaardbaar erkende criteria, in samenhang met iedere handeling bedoeld in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater;

 

9° gedwongen verdwijningen van personen;

 

10° apartheid;

 

11° andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt. ]

 

(W. 5.8.2003 - art. 7 - B.S. 7.8.2003)


 

ART. 136quater
[§ 1. De hierna omschreven oorlogsmisdaden bedoeld in de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en in het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, in de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten, zoals omschreven in artikel 2 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, in artikel 1 van het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, alsook in artikel 8, § 2, f), van het Statuut van het Internationaal Strafhof, zijn internationaal-rechtelijke misdaden en worden overeenkomstig de bepalingen van deze titel gestraft, onverminderd de strafbepalingen die van toepassing zijn op de uit nalatigheid gepleegde misdrijven, ingeval die handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan de personen en de goederen is gewaarborgd door voornoemde Verdragen, Protocollen, wetten en gewoonten :

 

1° opzettelijke doodslag;

 

2° martelen of andere onmenselijke behandeling, met inbegrip van biologische proefnemingen;

 

3° moedwillig veroorzaken van hevig lijden of toebrengen van ernstig lichamelijk letsel dan wel van ernstige schade aan de gezondheid;

 

4° toepassen van verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie of andere vormen van seksueel geweld, die een ernstige schending van de Verdragen van Genève of een ernstige schending van het gemeenschappelijke artikel 3 van die Verdragen opleveren;

 

5° andere schendingen van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;

 

6° dwingen van een krijgsgevangene, van een burger die beschermd wordt door het Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd of van een persoon die in hetzelfde opzicht beschermd wordt door het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, om te dienen bij de strijdkrachten of bij gewapende groepen van de vijandelijke mogendheid of van de tegenpartij;

 

7° onder de wapenen roepen of het in militaire dienst nemen van kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de strijdkrachten of gewapende groepen of hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden;

 

8° onthouden aan een krijgsgevangene, aan een burger die beschermd wordt door het Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd of aan een persoon die in hetzelfde opzicht beschermd wordt door het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, van het recht op een regelmatige en onpartijdige berechting overeenkomstig de voorschriften van die bepalingen;

 

9° onrechtmatige deportatie, overbrenging of verplaatsing, de onrechtmatige gevangenhouding van een burger die beschermd wordt door het Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd of van een persoon die in dezelfde opzichten beschermd wordt door het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949;

 

10° opzettelijk gebruik maken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving, daaronder begrepen het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen waarin is voorzien in de Verdragen van Genève;

 

11° nemen van gijzelaars;

 

12° vernietigen of in beslag nemen van eigendommen van de vijand in geval van een internationaal gewapend conflict, of van een tegenstander in geval van een gewapend conflict dat niet van internationale aard is, tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van dwingende militaire noodzaak;

 

13° vernieling en de toe-eigening van goederen, niet gerechtvaardigd door militaire noodzaak zoals aanvaard in het volkenrecht en uitgevoerd op grote schaal en op onrechtmatige en moedwillige wijze;

 

14° opzettelijk richten van aanvallen op burgerdoelen, die geen militaire doelen zijn;

 

15° opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, alsmede op personeel dat overeenkomstig het internationaal recht gebruik maakt van de emblemen van het internationaal humanitair recht;

 

16° gebruik maken van de aanwezigheid van een burger of van een andere persoon beschermd door het internationaal humanitair recht teneinde bepaalde punten, gebieden of strijdkrachten te vrijwaren van militaire operaties;

 

17° opzettelijk richten van aanvallen op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire opdrachten of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, voor zover deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of goederen van burgerlijke aard wordt verleend krachtens het internationale recht inzake gewapende conflicten;

 

18° onrechtmatige handelingen en nalatigheden die de gezondheid en de lichamelijke of geestelijke integriteit van de personen beschermd door het internationaal humanitair recht in gevaar kunnen brengen, in het bijzonder alle geneeskundige handelingen die niet gerechtvaardigd zijn door de gezondheidstoestand van die personen of niet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde geneeskundige normen;

 

19° behalve als ze gerechtvaardigd zijn overeenkomstig de onder 18° gestelde voorwaarden, de handelingen die erin bestaan aan de onder 18° bedoelde personen, zelfs met hun toestemming, lichamelijke verminkingen toe te brengen, op hen geneeskundige of wetenschappelijke experimenten uit te voeren of bij hen weefsels of organen weg te nemen voor transplantatie, tenzij het gaat om het geven van bloed voor transfusie of het afstaan van huid voor transplantatie, mits zulks vrijwillig en zonder enige dwang of overreding en voor therapeutische doeleinden geschiedt;

 

20° opzettelijk aanvallen van de burgerbevolking of van individuele burgers die niet rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden;

 

21° opzettelijk richten van aanvallen op plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voor zover deze plaatsen geen militaire doelen zijn;

 

22° opzettelijk richten van een aanval in de wetenschap dat een dergelijke aanval verliezen aan mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard zal veroorzaken of grote, langdurige en ernstige schade aan natuur en milieu zal aanrichten, die buitensporig is in verhouding tot het te verwachten tastbare en rechtstreeks militaire voordeel, onverminderd de misdadige aard van de aanval waarvan de schadelijke gevolgen, zelfs in evenredigheid tot het te verwachten militaire voordeel, onverenigbaar zouden zijn met de beginselen van het volkenrecht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn;

 

23° uitvoeren van een aanval op werken of installaties die gevaarlijke krachten bevatten, in de wetenschap dat een dergelijke aanval verliezen aan mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard zal veroorzaken, die buitensporig is in verhouding tot het te verwachten tastbare en rechtstreeks militaire voordeel, onverminderd de misdadige aard van de aanval waarvan de schadelijke gevolgen, zelfs in evenredigheid tot het te verwachten militaire voordeel, onverenigbaar zouden zijn met de beginselen van het volkenrecht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn;

 

24° aanvallen of bombarderen met wat voor middelen ook van gedemilitariseerde zones of van steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet worden verdedigd en geen militaire doelen zijn;

 

25° plunderen van een stad of plaats, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;

 

26° aanvallen van een persoon in de wetenschap dat hij buiten gevecht verkeert op voorwaarde dat zulks de dood of ernstig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

 

27° op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die behoren tot de vijandige natie of het vijandige leger of van een vijandelijke strijder;

 

28° verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;

 

29° perfide gebruik van het embleem van het rode kruis of de rode halve maan of van andere beschermende emblemen erkend door het internationaal humanitair recht, op voorwaarde dat zulks de dood of ernstig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

 

30° op ongepaste wijze gebruik maken van een witte vlag, een vlag of de militaire onderscheidingstekens en het uniform van de vijand of van de Verenigde Naties, op voorwaarde dat zulks de dood of ernstig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

 

31° rechtstreeks of niet rechtstreeks overbrengen naar een bezet gebied van gedeelten van de burgerbevolking van de bezettende mogendheid in geval van een internationaal gewapend conflict, of van gedeelten van de burgerbevolking van de bezettende autoriteit in geval van een niet-internationaal gewapend conflict;

 

32° ongerechtvaardigd vertragen van de repatriëring van krijgsgevangenen of burgers;

 

33° aanwenden van praktijken van apartheid of van andere onmenselijke of onterende praktijken, die op rassendiscriminatie gebaseerd zijn en een aanslag op de menselijke waardigheid vormen;

 

34° aanvallen van duidelijk als zodanig herkenbare historische monumenten, kunstwerken of plaatsen van eredienst die het culturele of geestelijke erfdeel van de volkeren vormen en waaraan bijzondere bescherming is verleend door een speciale regeling wanneer er geen bewijs bestaat van schending door de tegenpartij van het verbod die goederen te gebruiken om het militaire optreden te ondersteunen, en wanneer die goederen niet in de onmiddellijke nabijheid van militaire doelen zijn gelegen;

 

35° opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen, voor zover deze geen militaire doelen zijn;

 

36° gebruiken van gif of giftige wapens;

 

37° gebruiken van verstikkende, giftige of andere gassen en overige soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten;

 

38° gebruiken van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of die is voorzien van inkepingen;

 

39° gerechtelijk vervallen verklaren, schorsen of niet-ontvankelijk verklaren van de rechten en handelingen van de personen die tot de vijandige partij behoren;

 

40° gebruiken van wapens, projectielen, materieel en wijzen van oorlogvoering die van die aard zijn dat zij overbodig letsel of nodeloos lijden veroorzaken of dat zij zonder onderscheid treffen in strijd met het internationaal recht inzake gewapende conflicten, voor zover dergelijke wapens, projectielen, materieel en wijzen van oorlogvoering vallen onder een algeheel verbod en zijn opgenomen in een bijlage bij het Statuut van het Internationaal Strafhof.

 

§ 2. De hierna omschreven ernstige schendingen van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, gepleegd in geval van een gewapend conflict zoals gedefinieerd in voornoemd artikel 3, welke door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan personen is gewaarborgd door die Verdragen, zijn internationaal-rechtelijke misdaden en worden overeenkomstig de bepalingen van deze titel gestraft, onverminderd de strafbepalingen die van toepassing zijn op de uit nalatigheid gepleegde misdrijven :

 

1° geweldpleging gericht op het leven en de lichamelijk integriteit, inzonderheid alle vormen van moord, verminking, wrede behandeling en marteling;

 

2° aantasting van de persoonlijke waardigheid, inzonderheid vernederende en onterende behandeling;

 

3° nemen van gijzelaars;

 

4° uitspreken van veroordelingen en ten uitvoer leggen van executies zonder voorafgaand vonnis uitgesproken door een

op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt die algemeen als onmisbaar worden erkend.

 

§ 3. De hierna omschreven ernstige schendingen gedefinieerd in artikel 15 van het Tweede Protocol inzake het Verdrag van 's-Gravenhage van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, goedgekeurd te 's-Gravenhage op 26 maart 1999, gepleegd in geval van een gewapend conflict zoals omschreven in artikel 18, §§ 1 en 2, van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1954 en in artikel 22 van voornoemd Tweede Protocol, welke door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan goederen is gewaarborgd door dit Verdrag en Protocol zijn internationaal-rechtelijke misdaden en worden overeenkomstig de bepalingen van deze titel gestraft, onverminderd de strafbepalingen die van toepassing zijn op de uit nalatigheid gepleegde misdrijven :

 

1° een aanval richten op een cultureel goed onder versterkte bescherming;

 

2° een cultureel goed onder versterkte bescherming of de onmiddellijke nabijheid ervan aanwenden ter ondersteuning van een militaire actie;

 

3° de door het Verdrag en het Tweede Protocol beschermde culturele goederen op grote schaal vernietigen of zich toe-eigenen. ] (1)

 

(W. 5.8.2003 - art. 8 - B.S. 7.8.2003)

 

----------------------

 

(1) Art. 29, § 2 W. 5.8.2003 stipuleert: 'De derde paragraaf van artikel 136quater van het Strafwetboek en het laatste lid van artikel 136quinquies van het Strafwetboek, ingevoegd bij respectievelijk de artikelen 8 en 9 van deze wet, treden in werking de dag van inwerkingtreding voor België van het Tweede Protocol inzake het Verdrag van 's-Gravenhage van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, aangenomen te 's-Gravenhage op 26 maart 1999.'

 

 


 

ART. 136quinquies
[De misdrijven bedoeld in de artikelen 136bis en 136ter worden gestraft met levenslange opsluiting.

 

De misdrijven bedoeld in artikel 136quater, § 1, 1°, 2°, 15°, 17°, 20° tot 24° en 26° tot 28°, worden gestraft met levenslange opsluiting.

 

De misdrijven bedoeld in dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel, 3°, 4°, 10°, 16°, 19°, 36° tot 38° en 40°, worden gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar. Zij worden gestraft met levenslange opsluiting als zij de dood van één of meer personen ten gevolge hebben gehad.

 

De misdrijven bedoeld in dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel, 12° tot 14° en 25°, worden gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. Hetzelfde misdrijf, alsmede de misdrijven bedoeld in dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel, 29° en 30°, worden gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar als zij hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge hebben gehad. Zij worden gestraft met levenslange opsluiting

indien zij de dood van een of meer personen tengevolge hebben gehad.

 

De misdrijven bedoeld in dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel, 6° tot 9°, 11° en 31°, worden gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. Wanneer de in het voorgaande lid bedoelde verzwarende omstandigheden aanwezig zijn, worden zij, naar gelang van het geval, gestraft met de daarin vastgestelde straffen.

 

De misdrijven bedoeld in dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel, 5° en 32° tot 35° worden gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, onder voorbehoud van de toepassing van strengere strafbepalingen houdende bestraffing van

ernstige aanslagen op de menselijke waardigheid.

 

Het misdrijf bedoeld in dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel, 18°, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. Het wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar indien het ernstige gevolgen voor de volksgezondheid ten gevolge heeft gehad.

 

Het misdrijf bedoeld in dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel, 39°, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.

 

Het misdrijf bedoeld in artikel 136quater, paragraaf 2, 1°, wordt gestraft met levenslange opsluiting.

 

De misdrijven bedoeld in dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel, 2° en 4°, worden gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, onder voorbehoud van de toepassing van strengere strafbepalingen houdende bestraffing van ernstige aanslagen op de menselijke waardigheid.

 

Het misdrijf bedoeld in 3° van dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. Hetzelfde misdrijf wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar als het hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft gehad. Het wordt gestraft met levenslange opsluiting indien het de dood van één of meer personen ten gevolge heeft gehad.

 

De misdrijven opgesomd in artikel 136quater, § 3, 1° tot 3°, worden gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. ]

 

(W. 5.8.2003 - art. 9 - B.S. 7.8.2003)


 

ART. 136sexies
[Zij die een werktuig, een toestel of enig voorwerp voortbrengen, onder zich houden of vervoeren, een bouwwerk oprichten of een bestaand bouwwerk veranderen, in de wetenschap dat het werktuig, het toestel, het voorwerp, het bouwwerk of de verandering bestemd is om een van de in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater genoemde misdrijven te plegen of het plegen ervan te vergemakkelijken, worden gestraft met de straf bepaald voor het misdrijf waarvan zij het plegen hebben mogelijk gemaakt of vergemakkelijkt.]

 

(W. 5.8.2003 - art. 10 - B.S. 7.8.2003


 

ART. 136septies
[Met de op het voltooide misdrijf gestelde straf worden gestraft :

 

1° het bevel, zelfs zonder dat dit gevolgen heeft gehad, om een van de in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater omschreven misdrijven te plegen;

 

2° het voorstel of het aanbod om een zodanig misdrijf te plegen en het aanvaarden van een zodanig voorstel of aanbod;

 

3° het aanzetten tot het plegen van een zodanig misdrijf, zelfs zonder dat dit gevolgen heeft gehad;

 

4° de deelneming, in de zin van de artikelen 66 en 67, aan het plegen van een zodanig misdrijf zelfs zonder dat dit gevolgen heeft gehad;

 

5° het verzuim gebruik te maken van de mogelijkheid tot handelen vanwege zij die kennis hebben van bevelen, gegeven met het oog op de uitvoering van een dergelijk misdrijf of van feiten die een begin van uitvoering hiervan vormen, ofschoon zij de voltooiing ervan konden verhinderen of konden doen ophouden;

 

6° de poging, in de zin van de artikelen 51 tot 53, om een zodanig misdrijf te plegen. ]

 

(W. 5.8.2003 - art. 11 - B.S 7.8.2003)
 

ART. 136octies
[. § 1. Onverminderd de in artikel 136quater, § 1, 18°, 22° en 23° genoemde uitzonderingen kan geen enkel belang, geen enkele noodzaak van politieke, militaire of nationale aard de in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies en 136septies omschreven misdrijven, zelfs bij wijze van represaille gepleegd, rechtvaardigen.

 

§ 2. Dat de beschuldigde op bevel van zijn regering of van een meerdere heeft gehandeld, ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid indien, in de gegeven omstandigheden, het bevel duidelijk het plegen van een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater ten gevolge kon hebben. ]

 

(W. 5.8.2003 - art. 12 - B.S. 7.8.2003)


 

[ TITEL Iter Terroristische misdrijven ] (W. 19.12.2003 - art. 2 - B.S. 29.12.2003)

EERSTE HOOFDSTUK Wanbedrijven betreffende de uitoefening van politieke rechten
ART. 137
[§ 1. Als terroristisch misdrijf wordt aangemerkt het misdrijf bepaald in de §§ 2 en 3 dat door zijn aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden en opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

 

§ 2. Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in § 1, aangemerkt :

 

1° het opzettelijk doden of opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen bedoeld in de artikelen 393 tot 404, 405bis, 405ter voor zover er naar de bovengenoemde artikelen wordt verwezen, 409, § 1, eerste lid, en §§ 2 tot 5, 410 voorzover er naar de bovengenoemde artikelen wordt verwezen, 417ter en 417quater ;

 

2° de gijzelneming bedoeld in artikel 347bis ;

 

3° de ontvoering bedoeld in de artikelen 428 tot 430 en 434 tot 437;

 

4° de grootschalige vernieling of beschadiging bedoeld in de artikelen 521, eerste en derde lid, 522, 523, 525, 526, 550bis, § 3, 3°, in artikel 15 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij, en in artikel 114, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische schade wordt aangericht;

 

5° het kapen van vliegtuigen bedoeld in artikel 30, § 1, 2°, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart;

 

6° het zich door bedrog, geweld of bedreiging jegens de kapitein meester maken van een schip, bedoeld in artikel 33 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij;

 

7° de strafbare feiten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 februari 2000, en die strafbaar zijn gesteld door de artikelen 5 tot 7 van de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen;

 

8° de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 510 tot 513, 516 tot 518, 520, 547 tot 549, en in artikel 14 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

 

9° de strafbare feiten bedoeld in de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapenen en op de handel in munitie;

 

10° de strafbare feiten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 10 juli 1978 houdende goedkeuring van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, opgemaakt te Londen, Moskou en Washington op 10 april

1972.

 

§ 3. Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in § 1 eveneens aangemerkt :

 

1° andere dan in § 2 bedoelde grootschalige vernieling of beschadiging, of het veroorzaken van een overstroming van een infrastructurele voorziening, een vervoerssysteem, een publiek of privaat eigendom, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische schade wordt aangericht;

 

2° het kapen van andere transportmiddelen dan bedoeld in het 5° en 6° van § 2;

 

3° het vervaardigen, bezitten, verwerven, vervoeren, of leveren van kernwapens of chemische wapens, het gebruik van kernwapens, biologische of chemische wapens, alsmede het verrichten van onderzoek in en het ontwikkelen van chemische wapens;

 

4° het laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

 

5° het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, elektriciteit of andere essentiële natuurlijke hulpbronnen waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

 

6° de bedreiging met het plegen van één van de strafbare feiten bedoeld in § 2 of in deze paragraaf. ]

 

 

(W. 19.12.2003 - art. 3 - B.S. 29.12.2003)
 

ART. 138
[§ 1. De straffen voor de misdrijven opgesomd in artikel 137, § 2, worden als volgt vervangen, indien die misdrijven worden aangemerkt als terroristische misdrijven :

 

1° geldboete, door gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar;

 

2° gevangenisstraf van niet meer dan zes maanden, door gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar;

 

3° gevangenisstraf van niet meer dan een jaar, door gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar;

 

4° gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar, door gevangenisstraf van niet meer dan vijf jaar;

 

5° gevangenisstraf van niet meer dan vijf jaar, door opsluiting van vijf jaar tot tien jaar;

 

6° opsluiting van vijf jaar tot tien jaar, door opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar;

 

7° opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, door opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;

 

8° opsluiting van tien jaar tot twintig jaar door opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;

 

9° opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, door opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar;

 

10° opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar, door levenslange opsluiting.

 

§ 2. De terroristische misdrijven bedoeld in artikel 137, § 3, worden gestraft met :

 

1° in het geval bedoeld in het 6°, gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar indien de bedreiging een misdrijf betreft strafbaar met een correctionele straf en opsluiting van vijf tot tien jaar indien de bedreiging een misdrijf betreft strafbaar met een criminele straf;

 

2° opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar in de gevallen bedoeld in het 1°, 2° en 5°;

 

3° levenslange opsluiting in de gevallen bedoeld in het 3° en 4°. ]

 

(W. 19.12.2003 - art. 4 - B.S. 29.12.2003)


 

ART. 139
[Met terroristische groep wordt bedoeld iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat en die in onderling overleg optreedt om terroristische misdrijven te plegen, als bedoeld in artikel 137.

 

Een organisatie waarvan het feitelijk oogmerk uitsluitend politiek, vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig is of die uitsluitend enig ander rechtmatig oogmerk nastreeft, kan als zodanig niet beschouwd worden als een terroristische groep in de zin van het eerste lid. ]

 

(W. 19.12.2003 - art. 5 - B.S. 29.12.2003)
 

ART. 140
[§ 1. Iedere persoon die deelneemt aan enige activiteit van een terroristische groep, zij het ook door het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan een terroristische groep of door het in enigerlei vorm financieren van enige activiteit van een terroristische groep, terwijl hij weet dat zijn deelname bijdraagt tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf door de terroristische groep, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro.

 

§ 2. Iedere leidende persoon van een terroristische groep wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend euro tot tweehonderdduizend euro. ]

 

(W. 19.12.2003 - art. 6 - B.S. 29.12.2003)
 

ART. 141
[Iedere persoon die, behalve in de gevallen bedoeld in artikel 140, materiële middelen verstrekt, daaronder begrepen financiële hulp, met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf bedoeld in artikel 137, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro. ]

 

(W. 19.12.2003 - art. 7 - B.S. 29.12.2003)
 

ART. 141bis
[Deze titel is niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch op de handelingen van de strijdkrachten van een Staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voorzover die handelingen onderworpen zijn aan andere bepalingen van internationaal recht. ]

 

(W.19.12.2003 - art. 8 - B.S. 29.12.2003)


 

ART. 141ter
[Geen enkele bepaling uit deze titel kan worden gelezen in die zin dat zij een beperking of een belemmering beoogt van rechten of fundamentele vrijheden, zoals het stakingsrecht, de vrijheid van vergadering, vereniging of meningsuiting, waaronder het recht om, voor de verdediging van de eigen belangen, samen met anderen vakbonden op te richten dan wel zich daarbij aan te sluiten, evenals het daarmee samenhangende recht van betoging, en zoals onder meer verankerd in de artikelen 8 tot 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ]

 

(W.19.12.2003 - art. 9 - B.S. 29.12.2003)
 

TITEL II Misdaden en wanbedrijven die door de Grondwet gewaarborgde rechten schenden

[ HOOFDSTUK I Wanbedrijven betreffende de vrije uitoefening van de erediensten ] (W. 19.12.2003 - art. 11 - B.S. 29.12.2003)
ART. 142
Hij die een of meer personen door geweld of bedreiging dwingt of verhindert een eredienst uit te oefenen, de uitoefening van die eredienst bij te wonen, bepaalde godsdienstige feesten te vieren, bepaalde rustdagen te onderhouden en dientengevolge hun werkhuizen, winkels of magazijnen te openen of te sluiten en een bepaalde arbeid te verrichten of te staken, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.
 
ART. 143
Zij die de oefeningen van een eredienst, gehouden in een plaats welke bestemd is of gewoonlijk dient voor de eredienst of bij openbare plechtigheden van die eredienst, door het verwekken van stoornis of wanorde verhinderen, belemmeren of onderbreken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.
 
ART. 144
Hij die de voorwerpen van een eredienst door daden, woorden, gebaren of bedreigingen beschimpt, hetzij in plaatsen welke bestemd zijn of gewoonlijk dienen voor de uitoefening ervan, hetzij bij openbare plechtigheden van die eredienst, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.
 
ART. 145
Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die een bedienaar van een eredienst in de uitoefening van zijn bediening smaadt door daden, woorden, gebaren of bedreigingen.

 

Indien hij hem slaat, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank.
 

ART. 146
Indien de slagen bloedstorting, verwonding of ziekte veroorzaken, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank.
 
[ HOOFDSTUK II Schending door openbare ambtenaren van rechten door de Grondwet gewaarborgd ] (W.19.12.2003 - art. 12 - B.S. 29.12.2003)
ART. 147
Ieder openbaar officier of ambtenaar, ieder drager of agent van het openbaar gezag of van de openbare macht, die wederrechtelijk en willekeurig een of meer personen aanhoudt of doet aanhouden, gevangen houdt of doet houden, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar.

 

De gevangenisstraf is zes maanden tot drie jaar, indien de wederrechtelijke en willekeurige vrijheidsberoving langer dan tien dagen duurt.

 

Duurt zij langer dan een maand, dan wordt de schuldige veroordeeld tot gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar.

 

Hij wordt bovendien gestraft met geldboete van vijftig frank tot duizend frank en kan worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten, genoemd in artikel 31, 1°, 2° en 3°.
 

ART. 148
Ieder ambtenaar van de administratieve of de rechterlijke orde, ieder officier van justitie of van politie, ieder bevelhebber of agent van de openbare macht, die, in die hoedanigheid optredend, in de woning van een ingezetene tegen diens wil binnendringt buiten de gevallen die de wet bepaalt en zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.
 
ART. 149
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 26.12.1956 - art. 38 - B.S. 30/31.12.1956)
 

ART. 150
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 13.10.1930 - art. 31 - B.S. 18.10.1930)
 

ART. 151
Elke andere daad van willekeur die inbreuk maakt op door de Grondwet gewaarborgde vrijheden en rechten en die bevolen of uitgevoerd wordt door een openbaar officier of ambtenaar, door een drager of agent van het openbaar gezag of van de openbare macht, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar.
 
ART. 152
Indien de verdachte bewijst dat hij heeft gehandeld op bevel van zijn meerderen, in zaken die tot hun bevoegdheid behoren en waarin hij hun als ondergeschikte gehoorzaamheid verschuldigd was, worden de bij de vorige artikelen bepaalde straffen alleen toegepast op de meerderen die het bevel hebben gegeven.
 
ART. 153
Indien openbare officieren of ambtenaren ervan beticht worden een van de daden, in de artikelen 148 tot 151 vermeld, te hebben bevolen, toegelaten of vergemakkelijkt, en indien zij beweren dat hun handtekening bij verrassing is verkregen, zijn zij verplicht de daad in voorkomend geval te doen ophouden en de schuldige aan te geven; anders worden zij zelf vervolgd.
 
ART. 154
Indien een van de daden van willekeur, in de artikelen 148 tot 151 vermeld, wordt gepleegd door middel van de valse handtekening van een openbaar ambtenaar, worden de daders van de valsheid en zij die er kwaadwillig of bedrieglijk gebruik van maken, gestraft met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar.

 

(W. 23.1.2003 - art. 40 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 155
Openbare officieren of ambtenaren die met de administratieve of de gerechtelijke politie belast zijn en die, bevoegd zijnde om een te hunner kennis gebrachte wederrechtelijke vrijheidsberoving te doen ophouden, nalaten of weigeren zulks te doen, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar.
 
ART. 156
Openbare officieren of ambtenaren die met de administratieve of de gerechtelijke politie belast zijn en die, niet bevoegd zijnde om een wederrechtelijke vrijheidsberoving te doen ophouden, nalaten of weigeren de te hunner kennis gebrachte wederrechtelijke vrijheidsberoving vast te stellen en bij de bevoegde overheid aan te geven, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden.
 
ART. 157
Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank worden gestraft:

 

De bestuurders, bevelhebbers, bewaarders en portiers van [ gevangenissen ] die een gevangene opnemen zonder wettige last of wettig bevel of zonder vonnis;

 

(W. 7.5.1999 - art. 2 - B.S. 29.6.1999)

(W; 12.1.2005 - art. 170 - B.S. 1.2.2005)

 

Die hem vasthouden of weigeren hem voor te brengen voor de officier van politie of voor de houder van diens bevelen, zonder te bewijzen dat de procureur des Konings of de rechter dit heeft verboden;

 

Die weigeren hun registers aan de officier van politie te vertonen.
 

ART. 158
Met geldboete van tweehonderd frank tot tweeduizend frank worden gestraft, en tot ontzetting van het recht om openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen kunnen worden veroordeeld, alle rechters, alle ambtenaren van het openbaar ministerie, alle officieren van de gerechtelijke politie, alle andere openbare officieren, die zonder de voorgeschreven machtigingen, hetzij een vonnis tegen een minister, een senator of een volksvertegenwoordiger, hetzij een beschikking of een bevel strekkende om hen te vervolgen of in beschuldiging te doen stellen, uitlokken, geven of ondertekenen, of die, zonder dezelfde machtigingen, de last of het bevel geven of ondertekenen om hetzij een minister, hetzij een senator of een volksvertegenwoordiger te vatten of aan te houden, behalve, wat de twee laatstgenoemden betreft, bij ontdekking op heterdaad.
 
ART. 159
Met dezelfde straf worden gestraft de ambtenaren van het openbaar ministerie, de rechters of de openbare officieren, die iemand vasthouden of doen vasthouden buiten de plaatsen, door de Regering of door het openbaar bestuur aangewezen.
 

TITEL III Misdaden en wanbedrijven tegen de openbare trouw

HOOFDSTUK I Valse munt
ART. 160
[ Hij die gouden of zilveren munten, in België of in het buitenland wettelijk gangbaar, namaakt, wordt gestraft met [ opsluiting ] van tien tot vijftien jaar. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 41 - B.S. 13.3.2003)

(W. 12.7.1932 - art. 1, 1 - B.S. 20.8.1932)
 

ART. 161
Schennis van zulke munten wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 42 - B.S. 13.3.2003)

 


 

ART. 162
[Hij die munten van een ander metaal, in België of in het buitenland wettelijk gangbaar, namaakt of die munten uitgedrukt in euro namaakt, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.

 

De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten, overeenkomstig artikel 33 . ]

 

(W. 4.4.2001 - art. 2 - B.S. 23.6.2001)
 

ART. 163
[Verandering van zulke munten wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. ]

 

(W. 4.4.2001 - art. 3 - B.S. 23.6.2001)

 


 

ART. 164-167
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 12.7.1932 - art. 1, 3 - B.S. 20.8.1932)
 

ART. 168
Met dezelfde straffen als de vervalsers of als hun medeplichtigen, naar de onderscheidingen in de vorige artikelen gemaakt, worden gestraft zij die, in overleg met hen, deelnemen hetzij aan de uitgifte of aan de poging tot uitgifte van die nagemaakte of geschonden munten, hetzij aan het invoeren ervan op Belgisch grondgebied of aan de poging tot zodanig invoeren.
 
ART. 169
Hij die, zonder schuldig te zijn aan de deelneming, in het vorige artikel omschreven, met zijn weten zich nagemaakte of geschonden muntstukken aanschaft en deze in omloop brengt of poogt te brengen, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar.

 

[ Hij die nagemaakte of geschonden muntstukken ontvangt of zich aanschaft met het oogmerk om deze in omloop te brengen, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar.

 

Poging tot het wanbedrijf, in het vorige lid omschreven, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden. ]

 

(W. 12.7.1932 - art. 1, 4 - B.S. 20.8.1932)
 

ART. 170
Hij die nagemaakte of geschonden muntstukken, die hij voor goede ontvangen heeft, weer in omloop brengt, na de ondeugdelijkheid ervan te hebben vastgesteld of doen vaststellen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank.

 

[ Poging tot het wanbedrijf omschreven in het vorige lid wordt gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank. ]

 

( W. 4.4.2001 - art. 4 - B.S. 23.6.2001)
 

Bijzondere bepalingen
ART. 171
Zij die zich schuldig maken aan bedrog bij de keuze van de monsters, bestemd om ter uitvoering van de muntwet het gehalte en het gewicht van gouden en zilveren munten te keuren, worden gestraft met [ opsluiting ] van vijftien jaar tot twintig jaar.

 

(W. 23.1.2003 - art. 43 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 172
Zij die dat bedrog plegen bij de keuze van de monsters van munten in ander metaal, worden gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ].

 

(W. 23.1.2003 - art. 44 - B.S. 13.3.2003)
 

HOOFDSTUK II Namaking of vervalsing van openbare effecten, aandelen, schuldbrieven, rentebewijzen en bij de wet toegelaten bankbiljetten
ART. 173
[Met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar worden gestraft de namakers of vervalsers van schuldbrieven door de Staatskas uitgegeven rentebewijzen behorende tot die schuldbrieven, waardebonnen, cheques, overschrijvingen uitgegeven door de thesaurie, biljetten aan toonder door de Staatskas uitgegeven of bankbiljetten aan toonder die wettelijk gangbaar zijn of waarvan de uitgifte door of krachtens een wet is toegelaten of die zijn uitgedrukt in euro.

Met dezelfde straffen worden gestraft de namakers of vervalsers van biljetten aan toonder die wettelijk gangbaar zijn of waarvan de uitgifte is toegelaten door een wet van een vreemd land of op grond van een bepaling die aldaar kracht van wet heeft. ]

(W. 4.4.2001 - art. 5 - B.S. 23.6.2001)
 

ART. 174
Met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar worden gestraft de namakers of vervalsers, hetzij van schuldbrieven aan toonder van de openbare schuld van een vreemd land, hetzij van rentebewijzen behorende tot die effecten [ ... ].

(W. 23.1.2003 - art. 45 - B.S. 13.3.2003)

(W. 12.7.1932 - art. 1, 6 - B.S. 20.8.1932)
 

ART. 175
[De namakers of vervalsers hetzij van aandelen, schuldbrieven of andere effecten die wettig zijn uitgegeven door provincies, gemeenten, openbare besturen of instellingen, onder welke benaming ook, door vennootschappen of bijzondere personen, hetzij van rente of dividendbewijzen behorende tot die verschillende effecten, worden gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar indien de uitgifte in België heeft plaatsgehad, en met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar indien de uitgifte heeft plaatsgehad in het buitenland. ]

(W. 23.1.2003 - art. 46 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 176
Met dezelfde straffen als de vervalsers of als hun medeplichtigen, naar de onderscheidingen in de vorige artikelen gemaakt, worden gestraft zij die, in overleg met hen, deelnemen hetzij aan de uitgifte of aan de poging tot uitgifte van die nagemaakte of vervalste aandelen, schuldbrieven, rente- of dividendbewijzen of biljetten, hetzij aan het invoeren ervan in België of aan de poging tot zodanig invoeren.
 
ART. 177
Hij die, zonder schuldig te zijn aan de deelneming in het vorige artikel omschreven, met zijn weten zich die nagemaakte of vervalste aandelen, schuldbrieven, rente- of dividendbewijzen, biljetten aanschaft en ze uitgeeft of poogt uit te geven, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar.

[ Hij die nagemaakte of vervalste biljetten ontvangt of zich aanschaft met het oogmerk om ze in omloop te brengen, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar.

Poging tot het wanbedrijf in het vorige lid omschreven, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar. ]

(W. 12.7.1932 - art. 1, 7 - B.S. 20/8.1932)
 

ART. 178
Hij die nagemaakte of vervalste aandelen, schuldbrieven, rente- of dividendbewijzen of biljetten die hij voor goede ontvangen heeft, weer in omloop brengt, na de ondeugdelijkheid ervan te hebben vastgesteld of doen vaststellen, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank of met een van die straffen alleen.

[ Poging tot het wanbedrijf omschreven in het vorige lid wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen. ]

( W. 4.4.2001 - art. 6 - B.S. 23.6.2001)
 

[ HOOFDSTUK IIbis. - Bescherming van de geldtekens die wettig betaalmiddel zijn ] (W.10.12.2001 - art. 19 - B.S. 20.12.2001)
ART. 178 bis
[Hij die een geldteken uitgeeft bestemd om in het publiek te circuleren als betaalmiddel zonder hiertoe gemachtigd te zijn door de bevoegde overheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met geldboete van 50 tot 10.000 EUR of met één van die straffen alleen. ]

(W.10.12.2001 - art. 20 - B.S. 20.12.2001)
 

ART. 178ter
[Hij die, wetens en willens, een geldteken, dat in België of in het buitenland wettig betaalmiddel is, aanwendt als drager van een boodschap van publicitaire of andere aard, of hij die, wetens en willens, het gebruik ervan als betaalmiddel bemoeilijkt door het te beschadigen, bekladden, overschrijven, of ongeschikt te maken, op welke wijze ook, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 26 tot 1.000 EUR of met één van die straffen alleen. ]

(W.10.12.2001 - art. 21 - B.S. 20.12.2001)
 

HOOFDSTUK III Namaking of vervalsing van zegels, stempels, merken, enz.
ART. 179
Met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar worden gestraft zij die 's Lands zegel namaken of van het nagemaakte zegel gebruik maken.

(W. 23.1.2003 - art. 47 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 180
[Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar worden gestraft :

Zij die hetzij rijksstempels, hetzij keurstempels die dienen voor het merken van goud of zilver, namaken of vervalsen.

Zij die van die nagemaakte of vervalste stempels of keurstempels gebruik maken.

Zij die muntstempels, -matrijzen of andere voorwerpen of middelen bestemd tot het vervaardigen van de munten, namaken of vervalsen.

De namakers of vervalsers van stempels, matrijzen, clichés, platen of andere voorwerpen of middelen die dienen voor het vervaardigen hetzij van zegels, hetzij van aandelen, schuldbrieven, rente- of dividendbewijzen, hetzij van biljetten aan toonder door de Staatskas uitgegeven of van bankbiljetten die wettelijk gangbaar zijn of waarvan de uitgifte door of krachtens een wet is toegelaten of in euro zijn uitgedrukt. ]

(W. 4.4.2001 - art. 7 - B.S. 23.6.2001)
 

ART. 181
Met dezelfde straf worden gestraft zij die wetens papier of wel goud of zilver, gemerkt met een nagemaakt of vervalst zegel of keurstempel, te koop stellen.
 
ART. 182
Indien de door het waarborgkantoor geplaatste keurmerken bedrieglijk op andere voorwerpen worden aangebracht, of indien deze keurmerken of de zegelafdruk worden nagemaakt zonder van een nagemaakt keurstempel of zegel gebruik te maken. worden de schuldigen gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar.
 
ART. 183
Hij die zich met zijn weten papier aanschaft dat met een nagemaakt of vervalst zegel gemerkt is, en daarvan gebruik maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden.
 
ART. 184
Met gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar wordt gestraft en tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 kan worden veroordeeld:

Hij die biljetten voor personen- of goederenvervoer namaakt of van een nagemaakt biljet gebruik maakt;

Hij die het zegel, het stempel of het merk, hetzij van enige overheid, hetzij van een private bank-, nijverheids- of handelsinrichting, hetzij van een bijzondere persoon namaakt, of van de nagemaakte zegels, stempels of merken gebruik maakt.

Poging tot die wanbedrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar.
 

ART. 185
Met gevangenisstraf van twee maanden tot drie jaar wordt gestraft hij die zich echte zegels, stempels en merken, bestemd voor een van de doeleinden in de artikelen 179 en 180 aangegeven, wederrechtelijk aanschaft en ze aanwendt of gebruikt met benadeling van de rechten en belangen van de Staat, van enige overheid of zelfs van een bijzondere persoon.

Poging tot dat wanbedrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar.
 

ART. 185bis
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar worden gestraft :

Zij die met bedrieglijk opzet ontvangen of zich aanschaffen hetzij nagemaakte of vervalste muntstempels, -matrijzen of andere voorwerpen of middelen als bedoeld in artikel 180, voorlaatste lid, hetzij echte muntstempels, -matrijzen of andere voorwerpen of middelen, bestemd tot het vervaardigen van munten.

Zij die met bedrieglijk opzet ontvangen of zich aanschaffen hetzij nagemaakte of vervalste stempels, matrijzen, clichés, platen of andere voorwerpen of middelen, uit hun aard bestemd tot het namaken of het vervalsen van biljetten aan toonder door de Staatskas uitgegeven of van bankbiljetten die wettelijk gangbaar zijn of waarvan de uitgifte door of krachtens een wet is toegelaten of in euro zijn uitgedrukt, hetzij echte stempels, matrijzen, clichés, platen of andere voorwerpen of middelen bestemd tot het vervaardigen van die biljetten. ]

(W. 4.4.2001 - art. 8 - B.S. 23.6.2001)
 

ART. 186
[Zij die zegels, stempels of merken die bestemd zijn voor een van de doeleinden in de artikelen 179 en 180 aangegeven en die toebehoren aan vreemde landen, namaken of vervalsen, of die van zulke nagemaakte of vervalste zegels, stempels of merken gebruik maken, worden gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.

Met dezelfde straffen worden gestraft :

Zij die muntstempels, -matrijzen of andere voorwerpen of middelen bestemd tot het vervaardigen van vreemde munten, namaken of vervalsen.

Zij die stempels, matrijzen, clichés, platen of andere voorwerpen of middelen namaken of vervalsen welke dienen voor het vervaardigen van biljetten aan toonder door een vreemde Staat uitgegeven of van bankbiljetten die aldaar wettelijk gangbaar zijn of waarvan de uitgifte is toegelaten door een wet van een vreemd land of door een bepaling die aldaar kracht van wet heeft.

Zij die het zegel, het stempel of het merk van enige vreemde overheid namaken of van de nagemaakte zegels, stempels of merken gebruik maken, worden gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en kunnen worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.

Poging tot dat wanbedrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar ]

(W. 4.4.2001 - art. 9 - B.S. 23.6.2001)


 

ART. 187
[ Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar wordt gestraft hij die zich echte zegels, stempels of merken, bestemd voor een van de doeleinden in de artikelen 179 en 180 aangegeven en toebehorende aan vreemde landen, wederrechtelijk aanschaft en ze aanwendt of gebruikt met benadeling van de rechten en belangen van die landen, van enige overheid of zelfs van een bijzondere persoon. ]

Poging tot dat wanbedrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden.

(W. 22.6.1896 - art. 2 - B.S. 25.6.1896)
 

ART. 187bis
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar wordt gestraft :

Hij die met bedrieglijk opzet ontvangt of zich aanschaft hetzij nagemaakte of vervalste muntstempels, -matrijzen of andere voorwerpen of middelen als bedoeld in artikel 186, derde lid, hetzij echte muntstempels, -matrijzen of andere voorwerpen of middelen bestemd tot het vervaardigen van vreemde munten.

Hij die met bedrieglijk opzet ontvangt of zich aanschaft hetzij nagemaakte of vervalste stempels, matrijzen, clichés, platen of andere voorwerpen of middelen als bedoeld in artikel 186, vierde lid, hetzij echte stempels, matrijzen, clichés, platen of andere voorwerpen of middelen welke bestemd zijn tot het vervaardigen van biljetten aan toonder door een vreemde Staat uitgegeven of van bankbiljetten die aldaar wettelijk gangbaar zijn of waarvan de uitgifte is toegelaten door een wet van een vreemd land of door een bepaling die aldaar kracht van wet heeft. ]

(W. 4.4.2001 - art. 10 - B.S. 23.6.2001)
 

ART. 188
Met gevangenisstraf van twee maanden tot drie jaar worden gestraft en tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 kunnen worden veroordeeld zij die nationale of vreemde postzegels of andere postzegels namaken of de nagemaakte zegels te koop stellen of in omloop brengen.

Poging tot namaking wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar.
 

ART. 189
Zij die zich nagemaakte postzegels of andere plakzegels aanschaffen en daarvan gebruik maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand.
 
ART. 190
Met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank worden gestraft:

Zij die hetzij een postzegel of een andere plakzegel, hetzij een biljet voor personen- of goederenvervoer ontdoen van het merk waaruit blijkt dat die reeds tot gebruik hebben gediend;

Zij die gebruik maken van een zegel of een biljet die men van dat merk ontdaan heeft.
 

ART. 190bis
[De bepalingen van de artikelen 188 tot 190 zijn niet alleen van toepassing op de plakpostzegels, maar eveneens op die welke gedrukt worden op documenten die DE POST uitgeeft, evenals op de frankeerwaarden die vertegenwoordigd worden door afdrukken van machines of door symbolen die door DE POST erkend zijn. ]

(W. 21.3.1991 - art. 150 - B.S. 27.3.1991)
 

ART. 191
Hij die op fabrikaten de naam van een ander fabrikant dan de voortbrenger, of de handelsnaam van een andere fabriek dan die, welke de goederen gemaakt heeft, plaatst of door bijvoeging, wegneming of om het even welke verandering doet voorkomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot zes maanden.

Dezelfde straf wordt uitgesproken tegen elke koopman, commissionair of kleinhandelaar die wetens goederen, met verdichte of vervalste namen gemerkt, te koop stelt of in de handel brengt.
 

BEPALINGEN AAN DE DRIE VORIGE HOOFDSTUKKEN GEMEEN
ART. 192
[ Personen die schuldig zijn aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 160 tot 168, 169, tweede lid, 171 tot 176, 177, tweede lid, 180, laatste en voorlaatste lid, 185bis, 186, tweede tot vierde lid, 187bis, 497, tweede lid en 497bis, eerste lid, blijven vrij van straf, indien zij, vóór enige uitgifte van nagemaakte of geschonden munten of van nagemaakt of vervalst papier en vóór enige vervolging, die misdrijven en hun daders aan de overheid kenbaar maken. ]

(W. 12.7.1932 - art. 1, 11 - B.S. 20.8.1932)
 

ART. 192bis
[De feiten gekwalificeerd als misdrijf betreffende de euro, zoals omschreven in de hoofdstukken I, II en III van deze titel, worden gestraft met de straffen voorzien in dezelfde bepalingen wanneer zij gepleegd zijn ten overstaan van de Belgische muntstukken of bankbiljetten of deze van een lidstaat van de Europese Unie, die niet wettelijk gangbaar meer zijn of waarvan de uitgifte niet meer toegelaten is ingevolge de introductie of de aanneming van de chartale euro. ]

(W. 4.4.2001 - art. 11 - B.S. 23.6.2001)
 

ART. 192ter
[ § 1. Hij die, na tot een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar te zijn veroordeeld door een rechtscollege van een lid-Staat van de Europese Unie wegens feiten bedoeld in de artikelen 160 tot 170, 173, 176 tot 178, 180 en 185 tot 187bis, één van deze feiten opnieuw pleegt, kan worden veroordeeld met opsluiting van tien tot vijftien jaar indien dit feit een misdaad is die strafbaar is met opsluiting van vijf tot tien jaar. Indien dit feit een misdaad is die strafbaar is met opsluiting van tien tot vijftien jaar, kan hij worden veroordeeld tot opsluiting van vijftien tot twintig jaar. Hij wordt veroordeeld tot een opsluiting van minstens zeventien jaar indien dit feit een misdaad is die strafbaar is met opsluiting van vijftien tot twintig jaar.

§ 2. Hij die, na tot een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar te zijn veroordeeld door een rechtscollege van een lid-Staat van de Europese Unie wegens feiten bedoeld in de artikelen 160 tot 170, 173, 176 tot 178, 180 en 185 tot 187bis, één van deze feiten opnieuw pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op dit feit gesteld, indien dit feit een wanbedrijf is.

§ 3. Hij die, na tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar te zijn veroordeeld door een rechtscollege van een lid-Staat van de Europese Unie wegens feiten bedoeld in de artikelen 160 tot 170, 173, 176 tot 178, 180 en 185 tot 187bis, één van deze feiten opnieuw pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op dit feit gesteld, indien dit feit een wanbedrijf is. ]

(Ingevoegd W. 10.1.2005 - art. 2 - B.S. 10.2.2005)
 

HOOFDSTUK IV Valsheid in geschriften, [ in informatica ] of in telegrammen (W. 28.11.2000 - art. 2 - B.S. 3.2.2001)
ART. 193
Valsheid in geschriften [ in informatica ] of in telegrammen, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, wordt gestraft overeenkomstig de volgende artikelen.

 

(W. 28.11.2000 - art. 3 - B.S. 3.2.2001)
 

AFDELING I Valsheid in authentieke en openbare geschriften, in handels- of bankgeschriften en in private geschriften
ART. 194
Ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn bediening valsheid pleegt,

 

Hetzij door valse handtekeningen,

 

Hetzij door vervalsing van akten, geschriften of handtekeningen,

 

Hetzij door onderschuiving van personen,

 

Hetzij door geschriften, in openbare registers of andere openbare akten na het opmaken of het afsluiten ervan gesteld of ingevoegd,

 

Wordt gestraft met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar.

 

(W. 23.1.2003 - art. 48 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 195
Met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar wordt gestraft ieder openbaar officier of ambtenaar die bij het opmaken van akten van zijn ambt het wezen of de omstandigheden ervan vervalst,

 

(W. 23.1.2003 - art. 48 - B.S. 13.3.2003)

 

Hetzij door andere overeenkomsten te schrijven dan die welke de partijen hebben opgegeven of gedicteerd,

 

Hetzij door als waar op te nemen, feiten die het niet zijn.
 

ART. 196
Met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] worden gestraft de andere personen die in authentieke en openbare geschriften valsheid plegen en alle personen die in handels- of bankgeschriften of in private geschriften valsheid plegen,

 

(W. 23.1.2003 - art. 49 - B.S. 13.3.2003)

 

Hetzij door valse handtekeningen,

 

Hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen,

 

Hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of achteraf in de akten in te voegen,

 

Hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen of vast te stellen.
 

ART. 197
In alle gevallen in deze afdeling vermeld, wordt hij die gebruik maakt van de valse akte of van het valse stuk, gestraft alsof hij de dader van de valsheid was.
 
AFDELING II Valsheid in reispassen, machtigingen om wapens te dragen, arbeidsboekjes, reisorders en getuigschriften
ART. 198
Hij die een reispas, [ een document bedoeld in de wapenwet ] te dragen of een arbeidsboekje namaakt of vervalst, of gebruik maakt van een reispas, een machtiging om wapens te dragen of een arbeidsboekje, die nagemaakt of vervalst zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar.

 

(W. 8.6.200- art. 39 - B.S. 9.6.2006)
 

ART. 199
Hij die in een reispas, [ een document bedoeld in de wapenwet ] of een arbeidsboekje een verdichte naam aanneemt of als getuige meewerkt om die stukken op de verdichte naam te doen afgeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden.

 

(W. 8.6.2006 - art. 39 - B.S. 9.6.2006)
 

ART. 199bis
[Wordt gestraft met gevangenisstraf van 8 dagen tot 6 maanden en met geldboete van 26 frank tot 500 frank of met één van die straffen alleen:

 

1° hij die, met een bedrieglijk opzet, een paspoort, reisdocument, identiteitskaart of een als zodanig geldend bescheid alsmede de formulieren die voor de afgifte ervan dienen, gebruikt, afstaat aan of aanneemt van derden of de daarin opgelegde verbodsbepalingen en beperkende voorwaarden niet eerbiedigt;

 

2° hij die, binnen de gestelde termijn, geen gevolg geeft aan een beslissing tot intrekking van een paspoort of een als dusdanig geldend bescheid, uitgaande van de bevoegde overheid. ]

 

(W. 14.8.1974 - art. 15 - B.S. 21.8.1974)
 

ART. 200
Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar wordt gestraft hij die een reisorder valselijk opmaakt, namaakt of vervalst of van een valselijk opgemaakte, nagemaakte of vervalste reisorder gebruik maakt.
 
ART. 201
Hij die zich door een openbaar officier een reisorder op een verdichte naam of met aanwijzing van een valse hoedanigheid doet afgeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar.
 
ART. 202
De openbare officier die een reispas, [ een document bedoeld in de wapenwet ], een arbeidsboekje, een reisorder afgeeft aan iemand die hij niet kent, zonder diens naam en hoedanig heid door twee hem bekende burgers te doen bevestigen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.

 

(W. 8.6.2006 - art. 39 - B.S. 9.6.2006)

 

Indien de openbare officier, bij de afgifte van die stukken, wist dat de naam of de hoedanigheid verdicht was, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar.

 

Hij wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar, indien hij zich daartoe heeft laten bewegen door giften of beloften.

 

In de twee laatste gevallen kan hij bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
 

ART. 203
Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar wordt gestraft hij die, om zich zelf of een ander te bevrijden van een wettelijk verschuldigde dienst of van enige andere door de wet opgelegde verplichting, een getuigschrift van ziekte of gebrek valselijk opmaakt, hetzij onder de naam van een geneesheer, een heelkundige of een ander officier van gezondheid, hetzij onder welke naam ook, met valselijk toevoegen van een van die hoedanigheden.
 
ART. 204
Ieder geneesheer, heelkundige of ander officier van gezondheid die, om iemand te bevoordelen, valselijk het bestaan bevestigt van ziekten of gebreken waarvoor vrijstelling kan worden verleend van een wettelijk verschuldigde dienst of van enige andere door de wet opgelegde verplichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar.

 

Indien hij zich daartoe heeft laten bewegen door giften of beloften, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar; hij kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
 

ART. 205
Hij die onder de naam van een openbaar officier of ambtenaar valselijk een getuigschrift opmaakt van goed gedrag, behoeftigheid of andere omstandigheden geschikt om de welwillendheid van het openbaar gezag of van bijzondere personen op te wekken voor de daarin aangewezen persoon, of hem indienststelling, krediet of hulpbetoon te verschaffen, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar.

 

Indien het getuigschrift valselijk opgemaakt wordt onder de naam van een bijzondere persoon, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden.
 

ART. 206
Zij die onder de naam van een openbaar officier of ambtenaar valselijk getuigschriften van welke aard ook opmaken die openbare of private belangen kunnen schaden, worden gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en zij kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.

 

Indien het getuigschrift valselijk opgemaakt wordt onder de naam van een bijzondere persoon, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot een jaar.
 

ART. 207
Hij die een getuigschrift vervalst en hij die zich bedient van een vervalst getuigschrift, van een vals getuigschrift of van een getuigschrift dat in de omstandigheden, omschreven in de artikelen 203, 204, 205 en 206 valselijk is opgemaakt, worden gestraft met de straffen bij die artikelen gesteld en naar de onderscheidingen aldaar gemaakt.
 
ART. 208
Ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn bediening een vals getuigschrift afgeeft, een getuigschrift vervalst of van een vals of vervalst getuigschrift gebruik maakt, wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 49 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 209
Zij die als getuige meewerken om door een openbare overheid een vals getuigschrift te doen afgeven, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar.

 

Indien zij zich door giften of beloften hebben laten omkopen, worden zij gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en kunnen zij worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
 

ART. 210
[ Hij die bij de wet krachtens deze wet gelast is betreffende het herbergen van reizigers een register of kaarten te houden en deze personen wetens op valse namen inschrijft, of dit register of deze kaarten op enige andere wijze vervalst, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden. ]

 

(W. 17.12.1963 - art. 3 - B.S. 10.1.1964)
 

[ AFDELING IIbis. Valsheid in informatica ] (W. 28.11.2000 - art. 4 - B.S. 3.2.2001)
ART. 210bis
[§ 1. Hij die valsheid pleegt, door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te voeren in een informaticasysteem, te wijzigen, te wissen of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van dergelijke gegevens verandert, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 2. Hij die, terwijl hij weet dat aldus verkregen gegevens vals zijn, hiervan gebruik maakt, wordt gestraft alsof hij de dader van de valsheid was.

 

§ 3. Poging tot het plegen van het misdrijf, bedoeld in § 1, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftigduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 4. De straffen bepaald in de §§ 1 tot 3 worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 259bis, 314bis, 504quater of in titel IXbis. ]
 

AFDELING III Valsheid in telegrammen
ART. 211
Ambtenaren, bedienden en aangestelden bij een telegraafdienst die in de uitoefening van hun bediening valsheid plegen door telegrammen valselijk op te maken of te vervalsen, worden gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar.
 
ART. 212
Hij die van het vals telegram gebruik maakt, wordt gestraft alsof hij de dader van de valsheid was.
 
BEPALINGEN AAN DE VIER VORIGE HOOFDSTUKKEN GEMEEN
ART. 213
De toepassing van de straffen, gesteld tegen hen die gebruik maken van de munten, effecten, rente- of dividendbewijzen, biljetten, zegels, stempels, merken telegrammen en geschriften welke nagemaakt, valselijk opgemaakt of vervalst zijn, heeft slechts plaats voor zover die personen van de valse zaak gebruik maken met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
 
ART. 214
In de gevallen, bij de vier vorige hoofdstukken omschreven en waarvoor geen geldboete in het bijzonder bepaald is, wordt een geldboete van zesentwintig frank tot tweeduizend frank uitgesproken.
 
HOOFDSTUK V Vals getuigenis en meineed
ART. 215
Vals getuigenis in criminele zaken, hetzij ten nadele, hetzij ten voordele van de beschuldigde, wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 49 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 216
[Indien de beschuldigde veroordeeld is tot hechtenis van meer dan tien jaar of tot tijdelijke opsluiting van meer dan tien jaar, wordt de valse getuige die te zijnen nadele getuigd heeft, gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.

 

Hij wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar indien de beschuldigde tot levenslange opsluiting veroordeeld is. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 50 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 17 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 217
De bij de twee vorige artikelen bepaalde straffen worden met een graad verminderd overeenkomstig artikel 80, wanneer personen die in rechte opgeroepen worden om er enkel inlichtingen te geven, zich schuldig maken aan valse verklaringen ten nadele of ten voordele van de beschuldigde.
 
ART. 218
Hij die schuldig is aan vals getuigenis in correctionele zaken, hetzij ten nadele, hetzij ten voordele van de beklaagde, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar.
 
ART. 219
Hij die schuldig is aan vals getuigenis in politiezaken, hetzij ten nadele, hetzij ten voordele van de beklaagde, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar.
 
ART. 220
Vals getuigenis in burgerlijke zaken wordt gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot drie jaar.
 
ART. 221
De tolk en de deskundige, schuldig aan valse verklaringen, hetzij in criminele zaken ten nadele of ten voordele van de beschuldigde, hetzij in correctionele zaken of in politiezaken ten nadele of ten voordele van de beklaagde, hetzij in burgerlijke zaken, worden als valse getuige gestraft overeenkomstig de artikelen 215, 216, 218, 219 en 220.

 

De deskundige in criminele zaken die buiten ede mocht zijn gehoord, wordt gestraft overeenkomstig artikel 217.
 

ART. 221bis
[Hij die, belast met het woordelijk opnemen van een getuigenverhoor in burgerlijke zaken, een vraag, een verklaring, een aanmaning of een antwoord wetens en willens weglaat, de inhoud ervan wetens en willens wijzigt door toevoeging, weglating of verdraaiing van woorden of zinnen, de nota's of toestellen, die gediend hebben voor het opnemen van het gezegde, geheel of ten dele verandert, wegmaakt of doet verdwijnen, zulke nota's of toestellen gebruikt, de inhoud ervan reproduceert of ruchtbaar maakt voor doeleinden buiten verband met het getuigenverhoor, of het opgenomene wetens en willens onjuist overschrijft, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen.

 

Hij wordt gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank indien hij nalaat de nodige voorzorgen te nemen, om te voorkomen hetzij dat nota's of toestellen die gediend hebben voor het opnemen van het gezegde, verdwijnen of worden veranderd, hetzij dat zulke nota's en toestellen worden gebruikt, de inhoud ervan gereproduceerd of ruchtbaar gemaakt wordt voor doeleinden buiten verband met het getuigenverhoor. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 132 - B.S. 31.10.1967)
 

ART. 222
[ In de gevallen omschreven in de artikelen 217, 218, 219, 220, 221 en 221bis, eerste lid, kan de schuldige bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten overeenkomstig artikel 33. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 133 - B.S. 31.10.1967)
 

ART. 223
[Hij die schuldig is aan verleiding van getuigen, deskundigen, tolken of personen bedoeld in artikel 221bis, is strafbaar met dezelfde straffen als de valse getuigen, naar de onderscheidingen in de artikelen 215 tot 222 gemaakt. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 134 - B.S. 31.10.1967)
 

ART. 223
[Hij die, buiten het geval van artikel 221bis, de nota's of toestellen, die gediend hebben voor het opnemen van hetgeen tijdens een getuigenverhoor in burgerlijke zaken is gezegd, geheel of ten dele verandert, wegmaakt of doet verdwijnen, of zulke nota's of toestellen gebruikt, de inhoud ervan reproduceert of ruchtbaar maakt voor doeleinden buiten verband met het getuigenverhoor, wordt gestraft met de straffen in de artikelen 220 en 222 bepaald. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 135 - B.S. 31.10.1967)
 

ART. 224
[ Hij die schuldig is aan vals getuigenis, aan valse verklaringen of aan een van de feiten in de artikelen 221bis en 223bis omschreven en die geld, enige beloning of een belofte heeft aangenomen, wordt bovendien veroordeeld tot een geldboete van vijftig frank tot drieduizend frank. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 136 - B.S. 31.10.1967)

 

Dezelfde straf wordt toegepast op de verleider, onverminderd de andere straffen.
 

ART. 225
De vorige bepalingen betreffende de valse verklaringen zijn niet toepasselijk op kinderen beneden zestien jaar, noch op personen die, uit hoofde van bloed- of aanverwantschap met de beschuldigden of de beklaagden, buiten ede gehoord worden, wanneer die verklaringen zijn afgelegd ten voordele van de beschuldigden of de beklaagden.
 
ART. 226
Hij aan wie de eed in burgerlijke zaken wordt opgedragen of teruggewezen en die een valse eed aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tienduizend frank; hij kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.

 

[ Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die bij een verzegeling of een boedelbeschrijving een valse eed aflegt. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 137 - B.S. 31.10.1967)
 

HOOFDSTUK VI Aanmatiging van ambten, van titels of van een naam
ART. 227
Hij die zich inmengt in openbare ambten, hetzij burgerlijke of militaire, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar.
 
ART. 227bis
[[ § 1. Hij die in het openbaar de titel of een graad aanneemt van officier van het Belgisch leger of van de Weermacht der Kolonie, die hem niet wettelijk is verleend, wordt gestraft met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank. ]

 

§ 2. Met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank worden gestraft de reserveofficieren, gepensioneerde officieren, officieren en reserveofficieren titularissen van een eregraad, die de titel van officier of die van hun graad in het openbaar voeren, zonder die, al naar het geval, te doen voorafgaan door de vermelding, "reserve-", "gepensioneerd", "ere-", "erereserve-". ]

 

(W. 7.5.1947 - enig art. - B.S. 19/20.5.1947)

(W. 1.2.1971 - enig art. - B.S. 3.3.1977)
 

ART. 227ter
[Hij die in het openbaar de titel van advocaat aanneemt, zonder ingeschreven te zijn op het tableau van de Orde of op een lijst van stagiairs, of de titel van ereadvocaat zonder in het bezit te zijn van de in artikel 436 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde machtiging, wordt gestraft met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 138 - B.S. 31.10.1967)
 

ART. 228
Hij die in het openbaar een kledij, een uniform, een ereteken, een lint of andere onderscheidingstekens van een orde draagt, die hem niet toekomen, wordt gestraft met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank.
 
ART. 229
De Belg die in het openbaar het ereteken, het lint of andere onderscheidingstekens van een vreemde orde draagt, alvorens daartoe van de Koning verlof te hebben gekregen, wordt gestraft met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank.
 
ART. 230
Met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank wordt gestraft hij die in het openbaar een adellijke titel aanneemt die hem niet toekomt.
 
ART. 231
Hij die in het openbaar een naam aanneemt, die hem niet toekomt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van vijfentwintig frank tot driehonderd frank, of met een van die straffen alleen.
 
ART. 232
Ieder ambtenaar, ieder openbaar officier die in

zijn akten aan de daarin vermelde personen, in verstandhouding met hen, namen of adellijke titels geeft die hun niet toekomen, wordt gestraft met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank.
 

TITEL IV [ Misdaden en wanbedrijven tegen de openbare orde, gepleegd door personen die een openbaar ambt uitoefenen of door bedienaren der erediensten in de uitoefening van hun bediening. ] (W. 10.02.1999 - art. 2 - B.S. 23.03.1999)

EERSTE HOOFDSTUK Samenspanning van ambtenaren
ART. 233
Wanneer personen of lichamen die met enig gedeelte van het openbaar gezag bekleed zij n, maatregelen die in strijd zijn met de wetten of met koninklijke besluiten, beramen, hetzij op een bijeenkomst van die personen of die lichamen, hetzij door het zenden van afgevaardigden of van mededelingen aan elkaar, worden de schuldigen gestraft met gevangenisstraf van een maand tot zes maanden.
 
ART. 234
Indien maatregelen tegen de uitvoering van een wet of van een koninklijk besluit beraamd worden door een van de middelen, in het vorige artikel vermeld, is de straf gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar.

 

De schuldigen kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in de eerste drie nummers van artikel 31.

 

Indien de beraming plaatsheeft tussen de burgerlijke overheden en militaire korpsen of hun hoofden, worden degenen die ze hebben uitgelokt, gestraft met hechtenis van tien jaar of vijftien jaar; de anderen, met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar.
 

ART. 235
Ingeval de burgerlijke overheden met de militaire korpsen of met hun hoofden een samenspanning smeden tegen de veiligheid van de Staat, worden de uitlokkers gestraft met [ hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar ] ; de anderen, met hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar.

 

(W. 23.1.2003 - art. 51 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 236
Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank worden gestraft de ambtenaren die ten gevolge van een afspraak ontslag nemen met het oogmerk om de rechtsbedeling of de uitoefening van een wettelijke dienst te verhinderen of te schorsen.

 

Zij kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van het recht om openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen.
 

HOOFDSTUK II Aanmatiging van macht door administratieve en rechterlijke overheden
ART. 237
Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft, en tot ontzetting, voor een duur van vijf jaar tot tien jaar, van de rechten genoemd in de eerste drie nummers van artikel 31 kunnen worden veroordeeld:

 

[ De leden en leden-assessoren van de hoven en rechtbanken, officieren van de gerechtelijke politie ], die hun macht overschrijden door zich in te mengen in zaken welke tot de bevoegdheid van de administratieve overheid behoren, hetzij door verordeningen betreffende die zaken te maken, hetzij door de uitvoering te verbieden van de bevelen die van het bestuur uitgaan.

 

[ De leden en leden-assessoren van de hoven en rechtbanken, officieren van de gerechtelijke politie ], die zich in de uitoefening van de wetgevende macht inmengen, hetzij door verordeningen te maken die wetgevende bepalingen inhouden, hetzij door de uitvoering van een of meer wetten te stuiten of te schorsen, hetzij door te beraadslagen over de vraag of die wetten zullen worden uitgevoerd;

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 139 - B.S. 31.10.1967)
 

ART. 238
[ Rechters en assessoren in sociale zaken of handelszaken ] die in een geschil waarbij een administratieve overheid betrokken is, vonnis wijzen ondanks het door die overheid wettelijk opgeworpen conflict en vóór de beslissing van het Hof van Cassatie, worden ieder met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank gestraft.

 

Ambtenaren van het openbaar ministerie die met het oog op dat vonnis vorderingen doen of conclusie nemen, worden gestraft met dezelfde straf.

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 139 - B.S. 31.10.1067)
 

ART. 239
Provinciegouverneurs, arrondissementscommissarissen, burgemeesters en leden van bestuurslichamen, die zich inmengen in de uitoefening van de wetgevende macht, zoals in artikel 237, tweede lid, is omschreven, of die zich aanmatigen besluiten te nemen, strekkende tot het uitvaardigen van enig bevel of verbod aan hoven of rechtbanken, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank.

 

Zij kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting, voor vijf jaar tot tien jaar, van de rechten genoemd in de eerste drie nummers van artikel 31.
 

HOOFDSTUK III [ Verduistering, knevelarij en belangenneming gepleegd door personen die een openbaar ambt uitoefenen. ] (W. 10.02.1999 - art. 3, § 1 - B.S. 23.03.1999)
ART. 240
[ Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van 500 frank tot 100 000 frank wordt gestraft iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent, die openbare of private gelden, geldswaardige papieren, stukken, effecten, akten, roerende zaken verduistert, welke hij uit kracht of uit hoofde van zijn ambt onder zich heeft. ]

 

(W. 10.02.1999 - art. 3, § 2 - B.S. 23.03.1999)


 

ART. 241
[ Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van 500 frank tot 100 000 frank wordt gestraft iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent, die akten of titels waarvan hij in die hoedanigheid de bewaarder is, die hem zijn bezorgd of waartoe hij uit hoofde van zijn ambt toegang heeft gehad, kwaadwillig of bedrieglijk vernietigt of wegmaakt. ]

 

(W. 10.02.1999 - art. 3, § 2 - B.S. 23.03.1999)
 

ART. 242
[ Wanneer stukken of gerechtelijke procesakten, ofwel andere papieren, registers, geïnformatiseerde of magnetische dragers, akten of voorwerpen die in archieven, griffies of openbare bewaarplaatsen berusten, of die aan een openbaar bewaarder in die hoedanigheid zijn toevertrouwd, worden ontvreemd of vernietigd, wordt de nalatige bewaarder gestraft met gevangenisstraf van een maand tot zes maanden en met geldboete van 100 frank tot 10 000 frank of met één van die straffen. ]

 

(W. 10.02.1999 - art. 3, § 2 - B.S. 23.03.1999)


 

ART. 243
[ Iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent, die zich schuldig maakt aan knevelarij, door bevel te geven om rechten, taksen, belastingen, gelden, inkomsten of interesten, lonen of wedden te innen, of door die te vorderen of te ontvangen, wetende dat zij niet verschuldigd zijn of het verschuldigde te boven gaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van 100 frank tot 50 000 frank of met één van die straffen, en hij kan bovendien, overeenkomstig artikel 33, worden veroordeeld tot ontzetting van het recht om openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen.

De straf is opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en een geldboete van 500 frank tot 100 000 frank, indien de knevelarij met behulp van geweld of van bedreiging is gepleegd. ]

 

(W. 10.02.1999 - art. 3, § 2 - B.S. 23.03.1999)
 

ART. 244
[...]

 

(Opgeheven W. 10.02.1999 - art. 3, § 3 - B.S. 23.03.1999)
 

ART. 245
[ Iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent, die, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen of door schijnhandelingen, enig belang, welk het ook zij, neemt of aanvaardt in de verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken in regie waarover hij ten tijde van de handeling geheel of ten dele het beheer of het toezicht had, of die, belast met de ordonnancering van de betaling of de vereffening van een zaak, daarin enig belang neemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar, en met geldboete van 100 frank tot 50 000 frank of met één van die straffen en hij kan bovendien, overeenkomstig artikel 33, worden veroordeeld tot ontzetting van het recht om openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen.

De voorafgaande bepaling is niet toepasselijk op hem die in de gegeven omstandigheden zijn private belangen door zijn betrekking niet kon bevorderen en openlijk heeft gehandeld. ]

 

(W. 10.02.1999 - art. 3, § 5 - B.S. 23.03.1999)
 

[ HOOFDSTUK IV Omkoping van personen die een openbaar ambt uitoefenen ] (W. 10.02.1999 - art. 4, § 1 - B.S. 23.03.1999)
ART. 246
[ § 1. Passieve omkoping bestaat in het feit dat een persoon die een openbaar ambt uitoefent, rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde, een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook vraagt of aanneemt om een van de in artikel 247 bedoelde gedragingen aan te nemen.

 

§ 2. Actieve omkoping bestaat in het rechtstreeks of door tussenpersonen voorstellen aan een persoon die een openbaar ambt uitoefent, van een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook voor zichzelf of voor een derde om een van de in artikel 247 bedoelde gedragingen aan te nemen.

 

§ 3. Met een persoon die een openbaar ambt uitoefent in de zin van dit artikel wordt gelijkgesteld elke persoon die zich kandidaat heeft gesteld voor een dergelijk ambt, die doet geloven een dergelijk ambt te zullen uitoefenen of die, door gebruik te maken van valse hoedanigheden, doet geloven een dergelijk ambt uit te oefenen. ]

 

(W. 10.2.1999 - art. 4, § 2 - B.S. 23.3.1999)


 

ART. 247
[ § 1. Indien de omkoping het verrichten door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van een rechtmatige maar niet aan betaling onderworpen handeling van zijn ambt tot doel heeft, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en een geldboete van 100 frank tot 10 000 frank of één van die straffen.

Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een geldboete van 100 frank tot 25 000 frank of één van die straffen.

§ 2. Indien de omkoping het verrichten door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van een onrechtmatige handeling naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt of het nalaten van een handeling die tot zijn ambtsplichten behoort tot doel heeft, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een geldboete van 100 frank tot 25 000 frank.

Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval dat voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van 100 frank tot 50 000 frank.

Ingeval de omgekochte persoon de onrechtmatige handeling heeft verricht of nagelaten heeft een handeling te verrichten die tot zijn ambtsplichten behoort, wordt deze gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van 100 frank tot 75 000 frank.

§ 3. Indien de omkoping het plegen door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van een misdaad of een wanbedrijf naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt tot doel heeft, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van 100 frank tot 50 000 frank.

Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en een geldboete van 500 frank tot 100 000 frank.

§ 4. Indien de omkoping het gebruik tot doel heeft door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en een geldboete van 100 frank tot 10 000 frank.

Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een geldboete van 100 frank tot 25 000 frank.

Indien de omgekochte persoon de invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikte, effectief heeft aangewend, wordt deze gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van 100 frank tot 50 000 frank. ]

 

(W. 10.02.1999 - art. 4, § 2 - B.S. 23.03.1999)
 

ART. 248
[ Wanneer de feiten bedoeld in de artikelen 246 en 247, §§ 1 tot 3, een politieambtenaar, een persoon met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie of een lid van het openbaar ministerie betreffen, worden de omkoper en de omgekochte gestraft met een straf waarvan het maximum wordt gebracht op het dubbele van de straf die in artikel 247 voor de feiten is bepaald. ]

 

(W. 10.02.1999 - art. 4, § 2 - B.S. 23.03.1999)
 

ART. 249
[ § 1. Indien de in artikel 246 bepaalde omkoping een arbiter betreft en betrekking heeft op een handeling die behoort tot zijn rechtsprekend ambt, is de straf een gevangenisstraf van één jaar tot drie jaar en een geldboete van 100 frank tot 50 000 frank.

Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en een geldboete van 500 frank tot 100 000 frank.

§ 2. Indien de in artikel 246 bepaalde omkoping een rechter-assessor of een gezworene betreft en betrekking heeft op een handeling die behoort tot zijn rechtsprekend ambt, is de straf een gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en een geldboete van 500 frank tot 100 000 frank.

Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en een geldboete van 500 frank tot 100 000 frank.

§ 3. Indien de in artikel 246 bepaalde omkoping een rechter betreft en betrekking heeft op een handeling die behoort tot zijn rechtsprekend ambt, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en een geldboete van 500 frank tot 100 000 frank.

Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en een geldboete van 500 frank tot 100 000 frank. ]

 

(W. 10.02.1999 - art. 4, § 2 - B.S. 23.03.1999)


 

ART. 250
[ Indien de in de artikelen 246 tot 249 bepaalde omkoping een persoon betreft die een openbaar ambt uitoefent in een vreemde Staat of in een internationale publiekrechtelijke organisatie, zijn de straffen die welke in die bepalingen zijn gesteld. ]

 

(W. 11.5.2007 - art. 5 - B.S. 8.6.2007)


 

ART. 251
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 11.5.2007 - art. 6 - B.S. 8.6.2007)


 

ART. 252
[ Zij die op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk worden gestraft, kunnen ook worden veroordeeld tot ontzetting van rechten, overeenkomstig artikel 33 en onverminderd de artikelen 31 en 32. ]

 

(W. 10.02.1999 - art. 4, § 2 - B.S. 23.03.1999)


 

ART. 253
[...]

 

(Opgeheven W. 10.02.1999 - art. 4, § 3 - B.S. 23.03.1999)
 

HOOFDSTUK V Misbruik van gezag
ART. 254
Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar wordt gestraft ieder openbaar ambtenaar, ieder agent of aangestelde van de Regering, van welke staat of rang ook, die het optreden of het aanwenden van de openbare macht vordert of beveelt, doet vorderen of bevelen tegen de uitvoering van een wet of van een koninklijk besluit, tegen de inning van een wettelijk ingevoerde belasting, of tegen de uitvoering hetzij van een rechterlijke beschikking of van een rechterlijk bevel, hetzij van enig ander bevel uitgaande van de overheid.

 

De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in de eerste drie nummers van artikel 31.
 

ART. 255
Indien aan die vordering of dat bevel gevolg is gegeven, wordt de schuldige gestraft met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar.
 
ART. 256
Indien de bevelen of vorderingen de rechtstreekse oorzaak zijn van andere misdaden, strafbaar met zwaardere straffen dan in de artikelen 254 en 255 bepaald, worden die zwaardere straffen toegepast op de ambtenaren, agenten of aangestelden die zich schuldig hebben gemaakt aan het geven van bedoelde bevelen of aan het doen van bedoelde vorderingen.

 

[ In dat geval echter wordt de levenslange opsluiting vervangen door opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 52 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 257
Wanneer een openbaar officier of ambtenaar, een bestuurder, agent of aangestelde van de Regering of van de politie, een uitvoerder van rechterlijke bevelen of van vonnissen, een hoofdbevelhebber of ondergeschikt bevelhebber van de openbare macht, in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening, zonder wettige reden tegen personen geweld gebruikt of doet gebruiken, wordt het minimum van de op die feiten gestelde straf verhoogd overeenkomstig artikel 266.
 
ART. 258
Ieder rechter, ieder bestuurder of lid van een bestuurslichaam die onder enig voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen of de duisterheid van de wet, weigert het aan partijen verschuldigde recht te spreken, wordt gestraft met geldboete van tweehonderd frank tot vijfhonderd frank en kan worden veroordeeld tot ontzetting van het recht om openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen.
 
ART. 259
Ieder bevelhebber, ieder officier of onderofficier van de openbare macht die, na door de burgerlijke overheid wettelijk te zijn gevorderd, weigert de onder zijn bevel geplaatste macht te doen optreden, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie maanden.
 
[ HOOFDSTUK Vbis Afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie ] (W. 30.6.1994 - art. 1 - B.S. 24.1.1995)
ART. 259bis
[§ 1. Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot twintigduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft ieder openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die, naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening, buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft:

 

1° ofwel, opzettelijk, met behulp van enig toestel privé-communicatie of -telecommunicatie, waaraan hij niet deelneemt, tijdens de overbrenging ervan, afluistert of doet afluisteren, er kennis van neemt of doet van nemen, opneemt of doet opnemen, zonder de toestemming van alle deelnemers aan die communicatie of telecommunicatie;

 

2° ofwel, met het opzet een van de hierboven omschreven misdrijven te plegen, enig toestel opstelt of doet opstellen;

 

3° ofwel, wetens, de inhoud van privé-communicatie of -telecommunicatie die onwettig afgeluisterd of opgenomen is of waarvan onwettig kennis genomen is, onder zich houdt, aan een andere persoon onthult of verspreidt, of wetens enig gebruik maakt van een op die manier verkregen inlichting.

 

§ 2. Met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot dertigduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft ieder openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die, naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening, buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, gebruik maakt van een wettig gemaakte opname van privé-communicatie of -telecommunicatie.

 

[ § 2bis. Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot twintigduizend euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft ieder openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die, naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening, buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft, onrechtmatig, een instrument, met inbegrip van informaticagegevens, dat hoofdzakelijk is ontworpen of aangepast om het in § 1 bedoelde misdrijf mogelijk te maken, bezit, produceert, verkoopt, verkrijgt met het oog op het gebruik ervan, invoert, verspreidt of op enige andere manier ter beschikking stelt. ]

 

(W. 15.5.2006 art. 2, 1° - B.S. 12.9.2006)

 

§ 3. Poging tot het plegen van een der misdrijven bedoeld [ in §§ 1, 2 of 2bis ] wordt gestraft zoals het misdrijf zelf.

 

(W. 15.5.2006 art. 2, 2° - B.S. 12.9.2006)

 

§ 4. De straffen gesteld [ in de §§ 1 tot 3 ] worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak van een vonnis of een arrest houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten beoogd [ in artikel 314bis, §§ 1 tot 3 ], dat in kracht van gewijsde is gegaan. ]

 

(W. 30.6.1994 - art. 1 - B.S. 24.1.1995)

(W. 15.5.2006 art. 2, 3° - B.S. 12.9.2006)

 

[ § 5. De bepalingen van § 1, 1° en 2°, zijn niet van toepassing op het onderscheppen, het afluisteren, het kennisnemen of het opnemen door de Algemene Dienst inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht van elke vorm van communicatie uitgezonden in het buitenland zowel om redenen van militaire aard in het kader van de opdrachten gedefinieerd in artikel 11, § 2, 1° en 2°van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst als om redenen van veiligheid en bescherming van onze troepen en van deze van onze geallieerden tijdens opdrachten in het buitenland en van onze onderdanen die in het buitenland gevestigd zijn, zoals gedefinieerd in hetzelfde artikel 11, § 2, 3° et 4°. ]

 

(W. 3.4.2003 - art. 2 - B.S. 12.5.2003)

(W. 30.11.1998 - art. 44 - B.S. 18.12.1998)
 

BEPALING AAN DE VORIGE HOOFDSTUKKEN GEMEEN
ART. 260
Wanneer een openbaar officier of ambtenaar, een drager of agent van de openbare macht enige handeling strijdig met een wet of met een koninklijk besluit heeft bevolen of verricht, blijft hij vrij van straf indien hij bewijst dat hij heeft gehandeld op bevel van zijn meerderen, in zaken die tot hun bevoegdheid behoren en waarin hij hun als ondergeschikte gehoorzaamheid verschuldigd was, in welk geval de straf alleen wordt toegepast op de meerderen die het bevel hebben gegeven.
 
HOOFDSTUK VI Onwettig vervroegde of verlengde uitoefening van het openbaar gezag
ART. 261
Ieder openbaar ambtenaar die met de uitoefening van zijn bediening begint zonder de door de wet voorgeschreven eed te hebben afgelegd, wordt veroordeeld tot geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.
 
ART. 262
Ieder openbaar ambtenaar die wettig ontslagen, afgezet, geschorst of van rechten ontzet is en die, nadat hij daarvan officieel kennis heeft gekregen, zijn bediening blijft uitoefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.

 

Met dezelfde straffen wordt gestraft ieder bij verkiezing of tijdelijk aangesteld openbaar ambtenaar die zijn bediening blijft uitoefenen nadat zij wettelijk een einde heeft genomen.
 

HOOFDSTUK VII Enige wanbedrijven betreffende het houden van de akten van de burgerlijke stand
ART. 263
[ Met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank wordt gestraft de ambtenaar van de burgerlijke stand die een van de bepalingen van de artikelen 34 tot 44, 49, 50 en 334 van het Burgerlijk Wetboek overtreedt. ]

 

(W. 31.3.1987 - art. 88 - B.S. 27.5.1987)
 

ART. 264
[ Met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank worden gestraft de ambtenaar van de burgerlijke stand of de speciaal door hem gemachtigde beambte die een van de bepalingen van artikel 45, § 1, van het Burgerlijk Wetboek overtreden. ]

 

(W. 31.3.1987 - art. 89 - B.S. 27.5.1987)
 

ART. 265
[ Met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft de ambtenaar van de burgerlijke stand, die een huwelijk voltrekt zonder zich van het bestaan van de vereiste toestemmingen te vergewissen. ]

 

(W. 31.3.1987 - art. 90 - B.S. 27.5.1987)
 

ART. 266
Bijzondere bepaling

 

Buiten het geval dat de wet de straffen wegens misdaden of wanbedrijven door openbare officieren of ambtenaren gepleegd in het bijzonder regelt, worden degenen onder hen die zich schuldig maken aan andere misdaden of aan andere wanbedrijven welke zij gelast waren te voorkomen, vast te stellen, te vervolgen of te straffen, veroordeeld tot de op deze misdaden of op deze wanbedrijven gestelde straffen, waarvan het minimum wordt verdubbeld indien het gevangenisstraf betreft, en met twee jaar verhoogd indien het [ opsluiting of hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar of gedurende een kortere tijd ] betreft.

 

(W. 23.1.2003 - art. 53 - B.S. 13.3.2003)
 

HOOFDSTUK VIII Misdrijven door de bedienaren der erediensten in de uitoefening van hun bediening gepleegd
ART. 267
[ Ieder bedienaar van een eredienst die een huwelijk inzegent vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk, wordt gestraft met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank.

 

Deze bepaling is niet van toepassing wanneer een van de personen die de huwelijksinzegening ontvangen hebben, in levensgevaar verkeerde, en elk uitstel die plechtigheid onmogelijk had kunnen maken. ]

 

(W. 3.8.1909 - enig art. - B.S. 12.8.1909)

 

Pleegt de bedienaar opnieuw een misdrijf van dezelfde soort, dan kan hij bovendien worden veroordeeld tot gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden.
 

ART. 268
Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft de bedienaren van een eredienst die in de uitoefening van hun bediening door woorden, in openbare vergadering gesproken, de Regering, een wet, een koninklijk besluit of enige andere handeling van het openbaar gezag rechtstreeks aanvallen.
 

TITEL V Misdaden en wanbedrijven tegen de openbare orde door bijzondere personen gepleegd

EERSTE HOOFDSTUK Weerspannigheid
ART. 269
Weerspannigheid wordt genoemd elke aanval, elk verzet met geweld of bedreiging tegen ministeriële ambtenaren, veld- of boswachters, dragers of agenten van de openbare macht, personen aangesteld om taksen en belastingen te innen, brengers van dwangbevelen, aangestelden van de douane, gerechtelijke bewaarders, officieren of agenten van de administratieve of de gerechtelijke politie, wanneer zij handelen ter uitvoering van de wetten, van de bevelen of de beschikkingen van het openbaar gezag, van rechterlijke bevelen of van vonnissen.
 
ART. 270
[ ... ]

 

(W. 13.10.1930 - art. 31 - B.S. 18.10.1930)
 

ART. 271
Weerspannigheid, gepleegd door een enkel persoon voorzien van wapens, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar; zonder wapens gepleegd, wordt zij gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden.
 
ART. 272
Wordt de weerspannigheid gepleegd door verscheidene personen en ten gevolge van een voorafgaande afspraak, dan worden de weerspannigen die wapens dragen, veroordeeld tot [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] en de andere tot gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar.

(W. 23.1.2003 - art. 54 - B.S. 13.3.2003)

Is de weerspannigheid niet het gevolg van een voorafgaande afspraak, dan worden de gewapende schuldigen gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar, en de andere met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar
 

ART. 273
In geval van weerspannigheid in bende of samenscholing gepleegd, is artikel 134 van dit wetboek toepasselijk op de weerspannigen zonder functie of bediening in de bende, die zich verwijderen op de eerste waarschuwing van het openbaar gezag, of zelfs naderhand, indien zij, zonder nieuw verzet en zonder wapens, worden gevat buiten de plaats waar de weerspannigheid is gepleegd.
 
ART. 274
In alle gevallen waarin gevangenisstraf wegens weerspannigheid wordt uitgesproken, kunnen de schuldigen bovendien worden veroordeeld tot geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.

 

De hoofden van de weerspannigheid en zij die deze uitgelokt hebben, kunnen bovendien worden veroordeeld [ ... ] tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.

 

(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

HOOFDSTUK II Smaad en geweld tegen ministers, leden van de wetgevende kamers, dragers van het openbaar gezag of van de openbare macht
ART. 275
[ Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank wordt gestraft hij die een lid van de Wetgevende Kamers in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn mandaat, een minister of een [ magistraat van de administratieve orde of een lid van de rechterlijke orde ] of een officier van de openbare macht in actieve dienst, in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van hun bediening, smaadt door daden, woorden, gebaren of bedreigingen. ]

 

(W. 27.7.1934 - art. 1 - B.S. 28.7.1934)

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 139 § 5 - B.S. 31.10.1967)

 

Indien de smaad gepleegd wordt in de vergadering van een der Kamers of op de terechtzitting van een hof of een rechtbank, is de gevangenisstraf twee maanden tot twee jaar en de geldboete tweehonderd frank tot duizend frank.

 

Smaad tegen een lid van de Kamers gepleegd kan, behalve bij ontdekking op heterdaad, niet worden vervolgd dan op klacht van de gesmade persoon of op aangifte van de Kamer waarvan hij deel uitmaakt.
 

ART. 276
Smaad door woorden, daden, gebaren of bedreigingen gepleegd tegen een ministerieel ambtenaar, een agent die drager is van het openbaar gezag of van de openbare macht of tegen enig ander persoon met een openbare hoedanigheid bekleed, in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van hun bediening, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.
 
ART. 277
Smaad tegen gestelde lichamen gepleegd wordt op dezelfde wijze gestraft als smaad tegen de leden van die lichamen, naar de onderscheidingen in de twee vorige artikelen gemaakt.
 
ART. 278
[ Met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die slagen toebrengt aan een lid van de Wetgevende Kamers in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn mandaat, aan een minister, een magistraat of een officier van de openbare macht in actieve dienst, in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van hun bediening. ]

 

(W. 27.7.1934 - art. 2 - B.S. 28.7.1934)

 

Indien de slagen worden toegebracht in de vergadering van een der Kamers of op de terechtzitting van een hof of een rechtbank, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank.
 

ART. 279
Indien de toegebrachte slagen bloedstorting, verwonding of ziekte veroorzaken, wordt de schuldige veroordeeld tot gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en tot geldboete van tweehonderd frank tot vijftienhonderd frank.
 
ART. 279bis
[ Wanneer de slagen worden toegebracht zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaken, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van zeven jaar tot tien jaar.

 

Hij wordt gestraft met opsluiting van twaalf jaar tot vijftien jaar indien hij die gewelddaden met voorbedachten rade pleegt. ]

 

(Ingevoegd W. 20.12.2006 - art. 1 - B.S. 12.2.2007)
 

ART. 280
Hij die slagen toebrengt aan een ministerieel ambtenaar, een agent die drager is van het openbaar gezag of van de openbare macht of aan enig ander persoon met een openbare hoedanigheid bekleed, in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van hun bediening, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank.
 
ART. 281
Indien de slagen bloedstorting, verwonding of ziekte veroorzaken, is de straf gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.

 

[ De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro indien hij met voorbedachten rade heeft gehandeld. ]

 

(W. 20.12.2006 - art. 3 - B.S. 12.2.2007)
 

ART. 281bis
[ Indien de slagen, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge hebben, is de straf gevangenisstraf van vier jaar tot vijf jaar en een geldboete van tweehonderd euro tot vijfhonderd euro.

 

De straf is opsluiting van zeven jaar tot tien jaar in geval de schuldige heeft gehandeld met voorbedachten rade. ]

 

(Ingevoegd W. 20.12.2006 - art. 4 - B.S. 12.2.2007)
 

ART. 281ter
[ Wanneer de slagen worden toegebracht zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaken, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van zeven jaar tot tien jaar.

 

Hij wordt gestraft met opsluiting van twaalf jaar tot vijftien jaar indien hij die gewelddaden met voorbedachten rade pleegt. ]

 

(Ingevoegd W. 20.12.2006 - art. 5 - B.S. 12.2.2007)
 

ART. 282
De in de artikelen 275, 278 en 279 bepaalde straffen zijn toepasselijk in het geval dat gezworenen uit hoofde van hun bediening of getuigen uit hoofde van hun verklaringen worden gesmaad of geslagen.
 
HOOFDSTUK III Zegelverbreking
ART. 283
Wanneer zegels, op bevel van het openbaar gezag gelegd, zijn verbroken, worden de bewaarders, wegens enkele nalatigheid, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden.
 
ART. 284
Hij die opzettelijk zegels verbreekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar, en indien het de bewaarder zelf is of de openbare ambtenaar die de verzegeling heeft gelast of verricht, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar.

 

Poging tot dit wanbedrijf wordt in het eerste geval van dit artikel gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar, en in het tweede geval met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar.
 

ART. 285
[Indien de verbroken zegels waren gelegd op papieren of zaken van iemand die verdacht, beklaagd of beschuldigd was van een misdaad waarop levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar of hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar is gesteld, of van iemand die tot een van die straffen was veroordeeld, wordt de nalatige bewaarder gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 55 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 16 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 286
Hij die opzettelijk zegels verbreekt, die gelegd zijn op zodanige papieren of zaken als in het vorige artikel bedoeld, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar, en indien het de bewaarder zelf is of de openbare ambtenaar die de verzegeling heeft gelast, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar.

 

Poging tot dit wanbedrijf wordt in het eerste geval van dit artikel gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar, en in het tweede geval met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar.
 

ART. 287
Indien de zegelverbreking geschiedt met geweld tegen personen, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar.

 

Poging tot zodanige zegelverbreking wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar.
 

ART. 288
In gevallen van de artikelen 284, 286 en 287 kan de schuldige bovendien worden veroordeeld tot geldboete van vijftig frank tot tweeduizend frank.
 
HOOFDSTUK IV Belemmering van de uitvoering van openbare werken
ART. 289
Hij die zich door feitelijkheden verzet tegen de uitvoering van werken waartoe de bevoegde overheid bevel of machtiging heeft gegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden.
 
ART. 290
Zij die zich door samenscholing en geweld, feitelijkheden of bedreigingen, tegen de uitvoering van die werken verzetten, worden gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar.

 

De hoofden of aanstokers worden gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar.
 

ART. 291
In de gevallen, bij de twee vorige artikelen omschreven, kunnen de schuldigen bovendien worden veroordeeld tot geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.
 
HOOFDSTUK V Misdaden en wanbedrijven van leveranciers
ART. 292
Personen die belast zijn met leveringen, met aannemingen of werken in regie voor rekening van het leger of van de marine en de hun opgedragen dienst opzettelijk doen mislukken, worden gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] en met geldboete van tweehonderd frank tot drieduizend frank.

 

(W. 23.1.2003 - art. 56 - B.S. 13.3.2003)

 

Dezelfde straffen worden toegepast op de agenten van de leveranciers, indien deze agenten de dienst opzettelijk doen mislukken.
 

ART. 293
Openbare ambtenaren of door de Regering aangestelde of bezoldigde agenten die de schuldigen aanzetten of helpen om de dienst te doen mislukken, worden veroordeeld tot opsluiting [ van zeven jaar tot tien jaar ] en met geldboete van driehonderd frank tot drieduizend frank.

 

(W. 23.1.2003 - art. 57 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 294
Wanneer het staken van de dienst het gevolg is van een nalatigheid van de leveranciers, hun agenten, de openbare ambtenaren of de door de Regering aangestelde of bezoldigde agenten, worden de schuldigen gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank.
 
ART. 295
Indien de leveranties of de werken opzettelijk worden vertraagd zonder dat de dienst mislukt, worden de schuldigen gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank.

 

Zij worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank, indien de vertraging het gevolg is van nalatigheid.
 

ART. 296
In de verschillende gevallen, bij de artikelen 294 en 295, § 2, omschreven, mag de vervolging niet plaatshebben dan op aangifte van de minister die het aangaat.
 
ART. 297
Indien bedrog gepleegd wordt omtrent de aard, de hoedanigheid of de hoeveelheid van de werken of van de arbeid of van de geleverde zaken, worden de schuldigen gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van honderd frank tot tienduizend frank.

 

Zij kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
 

ART. 298
De openbare ambtenaren of de door de Regering aangestelde of bezoldigde agenten die aan dit bedrog deelnemen, worden gestraft met gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot tienduizend frank.

 

Zij worden bovendien veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
 

HOOFDSTUK VI Uitgeven of verspreiden van geschriften zonder vermelding van naam en woonplaats van de schrijver of van de drukker
ART. 299
Hij die wetens meehelpt tot het uitgeven of verspreiden van enigerlei drukwerk, zonder dat daarin de ware naam en woonplaats van de schrijver of van de drukker zijn vermeld, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen.

 

De gevangenisstraf kan echter niet worden uitgesproken, wanneer het drukwerk dat zonder de vereiste vermeldingen is uitgegeven, deel uitmaakt van een uitgave waarvan de herkomst bekend is door hetgeen daarvan vroeger verschenen is.
 

ART. 300
Van de straf, in het vorige artikel bepaald, blijven vrij:

 

Zij die de drukker doen kennen;

 

De omroepers, aanplakkers, verkopers of verspreiders, die de persoon doen kennen, van wie zij het gedrukte stuk gekregen hebben.
 

HOOFDSTUK VII Overtreding van de wetten en verordeningen op loterijen, speelhuizen en pandhuizen
ART. 301
Als loterijen worden beschouwd alle verrichtingen die het publiek aangeboden worden en die bestemd zijn om winst te verschaffen door middel van het lot.
 
ART. 302
De aanleggers, ondernemers, beheerders, aangestelden of agenten van niet wettelijk toegelaten loterijen worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van vijftig frank tot drieduizend frank.

 

De roerende goederen in de loterij ingelegd en die welke voor de dienst van de loterij gebruikt worden of bestemd zijn, worden verbeurd verklaard.

 

Wanneer een onroerend goed in de loterij is ingelegd, wordt de verbeurdverklaring niet uitgesproken; zij wordt vervangen door geldboete van honderd frank tot tienduizend frank.
 

ART. 303
Met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft:

 

Zij die briefjes van niet wettelijk toegelaten loterijen plaatsen, venten of verspreiden;

 

Zij die door berichten, aankondigingen, aanplakbiljetten of door enig ander publiciteitsmiddel het bestaan van die loterijen doen kennen of de uitgifte van de loterijbriefjes bevorderen.

 

In alle gevallen worden de briefjes, alsook de berichten, aankondigingen of aanplakbiljetten, in beslag genomen en vernietigd.
 

ART. 304
Van de straffen, in het vorige artikel bepaald, blijven vrij de omroepers en de aanplakkers die de persoon doen kennen van wie zij de voormelde briefjes of geschriften gekregen hebben.
 
ART. 305
[ .. ]

 

(Opgeheven W. 7.5.1999 - art. 73 - B.S. 31.12.1999)
 

ART. 306
Zij die zonder wettelijke vergunning een pandhuis houden, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank.
 
ART. 307
Zij die wel een vergunning hebben maar geen overeenkomstig de verordeningen ingericht register houden, waarin achter elkaar, zonder enig wit vak of enige tussenregel, zijn opgenomen de te leen gegeven sommen of zaken, de namen, de woonplaats en het beroep van de leners, de aard, de hoedanigheid, de waarde van de in pand gegeven zaken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen.
 
 
ART. 307
Zij die wel een vergunning hebben maar geen overeenkomstig de verordeningen ingericht register houden, waarin achter elkaar, zonder enig wit vak of enige tussenregel, zijn opgenomen de te leen gegeven sommen of zaken, de namen, de woonplaats en het beroep van de leners, de aard, de hoedanigheid, de waarde van de in pand gegeven zaken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen.
 
ART. 308
Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank worden gestraft:

 

Zij die er een gewoonte van maken voor een ander en tegen beloning zaken naar de kantoren van de berg van barmhartigheid te brengen;

 

Zij die er een gewoonte van maken pandbewijzen van de berg van barmhartigheid te kopen;

 

Zij die de pandbewijzen van die instellingen, waaruit leningen op nieuwe koopwaren blijken, kopen of aan anderen overdragen.
 

HOOFDSTUK VIII Misdrijven betreffende nijverheid, koophandel en openbare veilingen
ART. 309
Hij die geheimen van de fabriek waarin hij werkzaam geweest is of nog is, kwaadwillig of bedrieglijk aan anderen meedeelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en met geldboete van vijftig frank tot tweeduizend frank.
 
ART. 310
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 24.5.1921 - enig art. - B.S. 28.5.1921)
 

ART. 311
Zij die door enig bedrieglijk middel de stijging of daling van de prijs van eetwaren of koopwaren of van openbare effecten en papieren bewerken, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van driehonderd frank tot tienduizend frank.
 
ART. 312
Ieder bevelhebber van militaire gebieden, van provincies of van plaatsen en steden, ieder provinciegouverneur of arrondissementscommissaris die, binnen het gebied waar hij het recht heeft zijn gezag uit te oefenen, dergelijke handelingen pleegt of daaraan deelneemt, hetzij openlijk, hetzij door schijnhandelingen of door tussenpersonen, wordt gestraft met ontzetting van de rechten genoemd in de eerste drie nummers van artikel 31, onverminderd de straffen bij het vorige artikel bepaald.
 
ART. 313
Zij die, door samenscholing en door geweld of bedreiging, de openbare orde op markten of in graanhallen storen met het oogmerk om plundering uit te lokken, of alleen maar om de verkopers te dwingen hun waren van de hand te doen tegen een lagere prijs dan die welke uit vrije mededinging zou ontstaan, worden gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar.

 

De hoofden of aanstokers worden gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar [ ... ].

 

(W. 9.4.1930 - art. 31 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 314
Zij die bij toewijzingen van de eigendom, van het vruchtgebruik of van de huur van roerende of onroerende zaken, van een aanneming, van een levering, van een bedrijf of van enige dienst, de vrijheid van opbod of van inschrijving door geweld of bedreiging belemmeren of storen, hetzij vóór hetzij tijdens de opbiedingen of de inschrijvingen, worden gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot drieduizend frank.
 
[ HOOFDSTUK VIIIbis Misdrijven betreffende het geheim van privé-communicatie en -telecommunicatie ] (W. 30.6.1994 - art. 2 - B.S. 24.1.1995)
ART. 314bis
[§ 1. Met gevangenisstraf van zes maanden tot één jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot dienduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die:

 

1° ofwel, opzettelijk, met behulp van enig toestel privé-communicatie of -telecommunicatie, waaraan hij niet deelneemt, tijdens de overbrenging ervan, afluistert of doet afluisteren, er kennis van neemt of doet van nemen, opneemt of doet opnemen, zonder de toestemming van alle deelnemers aan die communicatie of telecommunicatie.

 

2° ofwel, met het opzet een van de hierboven omschreven misdrijven te plegen, enig toestel opstelt of doet opstellen.

 

§ 2. Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot twintigduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij, die wetens, de inhoud van privé-communicatie of -telecommunicatie die onwettig afgeluisterd of opgenomen is of waarvan onwettig kennis genomen is, onder zich houdt, aan een andere persoon onthult of verspreidt, of wetens enig gebruik maakt van een op die manier verkregen inlichting.

 

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, gebruik maakt van een wettig gemaakte opname van privé-communicatie of -telecommunicatie.

 

[ § 2bis. Met gevangenisstraf van zes maanden tot één jaar en met geldboete van tweehonderd euro tot tienduizend euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die, onrechtmatig, een instrument, met inbegrip van informaticagegevens, dat hoofdzakelijk is ontworpen of aangepast om het in § 1 bedoelde misdrijf mogelijk te maken, bezit, produceert, verkoopt, verkrijgt met het oog op het gebruik ervan, invoert, verspreidt of op enige andere manier ter beschikking stelt. ]

 

(W. 15.5.2006 - art. 3, 1° - B.S. 12.9.2006)

 

§ 3. Poging tot het plegen van een der misdrijven bedoeld [ in §§ 1, 2 of 2bis ] wordt gestraft zoals het misdrijf zelf.

 

(W. 15.5.2006 - art. 3, 2° - B.S. 12.9.2006)

 

§ 4. De straffen gesteld [ in de §§ 1 tot 3 ] worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak van een vonnis of een arrest houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten beoogd [ in artikel 259bis, §§ 1 tot 3 ], dat in kracht van gewijsde is gegaan. ]

 

(W. 30.6.1994 - art. 2 - B.S. 24.1.1995)

(W. 15.5.2006 - art. 3, 3° - B.S. 12.9.2006)
 

HOOFDSTUK IX Enige andere misdrijven tegen de openbare orde
EERSTE AFDELING Overtreding van de begrafeniswetten
ART. 315
Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden of met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank worden gestraft:

 

Zij die, zonder voorafgaand verlof van de openbare ambtenaar, een begraving verrichten of doen verrichten;

 

Zij die op enigerlei wijze de wetten en verordeningen betreffende de begraafplaatsen en de vervroegde begravingen overtreden.
 

AFDELING II [ Belemmering van de uitoefening van de rechtsprekende functie ] (W. 10.10.1967 - art. 3, art. 140 § 1 - B.S. 31.10.1967)
ART. 316
[ Hij die nagelaten heeft te antwoorden op de onderzoekingen gelast door de overheden met het oog op de samenstelling van de lijsten van gezworenen, of die om vrijgesteld te worden van de vervulling van het ambt van gezworene een valse verklaring doet, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 140 § 2 - B.S. 31.10.1967)
 

ART. 316bis
[ Wordt gestraft met een geldboete van vijftig frank tot duizend frank:

 

1° de niet vrijgestelde gezworene die zich niet aanmeldt bij het hof van assisen op de dag en het uur die voor de opening van de debatten zijn gesteld, op de dagvaarding die hem is betekend of op de oproeping die hij heeft ontvangen;

 

2° de gezworene die de dagvaarding of de oproeping heeft beantwoord en zich terugtrekt zonder verlof van de voorzitter, voordat zijn ambt voleindigd is. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 140 § 3 - B.S. 31.10.1967)
 

ART. 317-318
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 3.1.1933 - art. 28 - B.S. 12.1.1933)
 

AFDELING III Misdrijven betreffende veeziekten
ART. 319-321
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 24.3.1987 - art. 32 - B.S. 17.4.1987)
 

TITEL VI Misdaden en wanbedrijven tegen de openbare veiligheid

[ HOOFDSTUK I. - Vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen en criminele organisatie. ] (W. 10.1.1999 - art. 1 - B.S. 26.2.1999)
ART. 322
Elke vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen, is een misdaad of een wanbedrijf, bestaande door het enkele feit van het inrichten der bende.
 
ART. 323
[Indien de vereniging tot doel heeft gehad misdaden te plegen waarop levenslange opsluiting staat of opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar of een langere termijn, worden de aanstokers tot die vereniging, de hoofden van die bende en degenen die daarin enig bevel hebben gevoerd, gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 58 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

 

Zij worden gestraft met gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar, indien de vereniging is opgericht om andere misdaden te plegen, en met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar, indien de vereniging is opgericht om wanbedrijven te plegen.
 

ART. 324
Alle andere personen die van de vereniging deel uitmaken en zij die wetens en willens aan de bende of aan haar afdelingen wapens, munitie, werktuigen tot het plegen van misdaden, een onderdak, een schuilplaats of een vergaderplaats verschaffen, worden gestraft:

In het eerste geval van het vorige artikel, met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar;

In het tweede geval, met gevangenisstraf van twee maanden tot drie jaar;

En in het derde, met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar.
 

Art. 324bis
[- Met criminele organisatie wordt bedoeld iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden en wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen, [ ... ].

 

(W. 10.8.2005 - art . 4 - B.S. 2.9.2005)

 

Een organisatie waarvan het feitelijke oogmerk uitsluitend politiek, vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig is of die uitsluitend elk ander rechtmatig oogmerk nastreeft, kan alszodanig niet beschouwd worden als een criminale organisatie zoals omschreven in het eerste lid. ]

 

(W. 10.1.1999 - art. 3 - B.S. 26.2.1999)
 

Art. 324ter
[ § 1. [ Wanneer de criminele organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, wordt iedere persoon die wetens en willens daarbij betrokken is, gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro of met een van die straffen alleen, ook al heeft hij niet de bedoeling een misdrijf in het raam van die organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op één van de in de artikelen 66 tot 69 bedoelde wijzen. ]

 

(W. 10.8.2005 - art . 5 - B.S. 2.9.2005)

 

§ 2. Ieder persoon die deelneemt aan de voorbereiding of de uitvoering van enige geoorloofde activiteit van die criminele organisatie, terwijl hij weet dat zijn deelneming bijdraagt tot de oogmerken van deze criminele organisatie, zoals bedoeld in artikel 324bis, wordt gestraft met gevangenisstraf van één jaar tot drie jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 3. Iedere persoon die deelneemt aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van de criminele organisatie, terwijl hij weet dat zijn deelneming bijdraagt tot de oogmerken van deze criminele organisatie, zoals bedoeld in artikel 324bis, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met een geldboete van vijfhonderd frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 4. Iedere leidend persoon van de criminele organisatie wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van duizend frank tot tweehonderdduizend frank of met een van die straffen alleen. ].

 

(W. 10.1.1999 - art. 3 - B.S. 26.2.1999)
 

ART. 325
De schuldigen die tot gevangenisstraf worden veroordeeld op grond van de artikelen 323, [ 324 en 324ter ], kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 [ ... ] .

 

(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)

(W. 10.1.1999 - art. 4 - B.S. 26.2.1999)
 

ART. 326
Van de in dit hoofdstuk bepaalde straffen blijven vrij de schuldigen die, vóór enige poging tot misdaden of wanbedrijven welke het doel van de vereniging zijn, en vóór enig begin van vervolging, het bestaan van die benden en de namen van hun hoofdbevelvoerders of ondergeschikte bevelvoerders aan de overheid kenbaar maken.

 

[ ... ] .

 

(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

HOOFDSTUK II [ Bedreigingen met een aanslag op personen of op eigendommen en valse inlichtingen betreffende ernstige aanslagen ] (W. 4.7.1972 - art. 5 - B.S. 29.7.1972)
ART. 327
[ Hij die, hetzij mondeling, hetzij bij een naamloos of ondertekend geschrift, iemand onder een bevel of onder een voorwaarde, bedreigt met een aanslag op personen of op eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.

 

De bedreiging met een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf gesteld is, bij naamloos of ondertekend geschrift, zonder bevel of voorwaarde, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank. ]

 

(W. 4.7.1972 - art. 1 - B.S. 29.7.1972)
 

ART. 328
[ Hij die, hetzij mondeling, hetzij bij een naamloos of ondertekend geschrift, [ hetzij door welke gedraging ook, ] wetens en willens een vals bericht geeft over het bestaan van gevaar voor een aanslag op personen of eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig tot driehonderd frank. ]

 

(W. 4.4.2003 - art. 2 - B.S. 5.5.2003)

(W. 4.7.1972 - art. 2 - B.S. 29.7.1972)
 

ART. 328bis
[Hij die op om het even welke wijze stoffen verspreidt die, zonder op zichzelf gevaar in te houden, de indruk geven gevaarlijk te zijn en waarvan hij weet of moet weten dat hierdoor ernstige gevoelens van vrees kunnen worden teweeg gebracht voor een aanslag op personen of op eigendommen, waarop gevangenisstraf van ten minste twee jaar is gesteld, wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot driehonderd euro. ]

 

(W. 4.4.2003 - art. 3 - B.S. 5.5.2003)
 

ART. 329
[ Hij die iemand door gebaren of zinnebeelden bedreigt met een aanslag op personen of eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank. ]

 

(W. 4.7.1972 - art. 3 - B.S. 29.7.1972)
 

ART. 330
[ Hij die, hetzij mondeling, hetzij bij een naamloos of ondertekend geschrift, iemand onder een bevel of onder een voorwaarde bedreigt met een aanslag op personen of eigendommen, waarop gevangenisstraf van ten minste drie maanden gesteld is, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank. ]

 

(W. 4.7.1972 - art. 4 - B.S. 29.7.1972)
 

ART. 330bis
[[ ... ] ]

 

(Ingevoegd W. 7.6.1963 - art. 1 - B.S. 15.6.1963)

(Opgeheven W. 4.7.1972 - art. 4 - B.S. 29.7.1972)
 

ART. 331
In de gevallen van artikel 327 kan de schuldige bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 [ ... ].

 

(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 331bis
[Met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] wordt gestraft:

 

(W. 23.1.2003 - art. 59 - B.S. 13.3.2003)

 

1° hij die dreigt kernmateriaal te zullen gebruiken, voor een aanslag op personen of op eigendommen;

 

2° hij die dreigt diefstal van kernmateriaal te zullen plegen ten einde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, een internationale organisatie of een Staat te dwingen iets te doen of na te laten. ]

 

(W. 17.4.1986 - art. 1 - B.S. 14.8.1986)

 

[ 3° hij die dreigt biologische of chemische wapens of producten te zullen gebruiken voor een aanslag op personen, op eigendommen, op rechtspersonen, op internationale organisaties of op een Staat. ]

 

(W. 4.4.2003 - art. 4 - B.S. 5.5.2003)
 

HOOFDSTUK III Ontvluchting van gevangenen
ART. 332
In geval van ontvluchting van gevangenen worden de personen, aangesteld om hen te geleiden of te bewaken, gestraft zoals hierna bepaald is.
 
ART. 333
[ Indien de ontvluchte vervolgd werd of veroordeeld was wegens een wanbedrijf, indien hij krijgsgevangene was, of indien hij ter beschikking van de minister van Justitie gehouden was, worden die aangestelden, in geval van nalatigheid, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en, in geval van verstandhouding, met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar.

 

Dezelfde straffen worden opgelegd in geval van ontvluchting van personen die krachtens de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij geïnterneerd waren. ]

 

(W. 29.8.1945 - art. 1 - B.S. 16.9.1945)
 

ART. 334
Indien de ontvluchte vervolgd werd of veroordeeld was wegens een misdaad of indien hij aangehouden was krachtens de uitleveringswet, worden die aangestelden, in geval van nalatigheid, gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar en, in geval van verstandhouding, met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar.
 
ART. 335
Zij die, niet belast zijnde met het bewaken of het geleiden van de gevangene, zijn ontvluchting bewerken of vergemakkelijken, worden, in het geval van artikel 333, gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar en, in het geval van artikel 334, met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar.

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 29.6.1993 - enig art. - B.S. 26.8.1993)
 

ART. 336
Indien de ontvluchting of de poging tot ontvluchting geschiedt met geweld, bedreiging of gevangenisbraak, worden degenen die ze bevorderd hebben door het verschaffen van daartoe geschikte werktuigen, gestraft met de volgende straffen:

 

In de bij artikel 333 vermelde omstandigheden, de aangestelden met gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar, en de andere personen met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar;

 

In de bij artikel 334 vermelde omstandigheden, de aangestelden met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] en de andere personen met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar.

 

(W. 23.1.2003 - art. 60 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 337
[Indien de ontvluchting of de poging tot ontvluchting geschiedt met geweld, bedreiging of gevangenisbraak, worden degenen die ze bevorderd hebben door het verschaffen van wapens, gestraft met de volgende straffen :

In de bij artikel 333 vermelde omstandigheden, de aangestelden met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar, en de andere personen met gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar.

In de bij artikel 334 vermelde omstandigheden, de aangestelden met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en de andere personen met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. ]

(W. 23.1.2003 - art. 61 - B.S. 13.3.2003)
 

HOOFDSTUK IV Banbreuk en enige gevallen van verberging
ART. 338
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 339
Hij die personen verbergt of doet verbergen, van wie hij weet dat zij wegens een misdaad vervolgd worden of veroordeeld zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.
 
ART. 340
Hij die het lijk van iemand die gedood is of tengevolge van slagen of verwondingen gestorven is, verbergt of doet verbergen, wegmaakt of doet wegmaken, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot zeshonderd frank.
 
ART. 341
De twee vorige bepalingen zijn niet van toepassing op de bloedverwanten in de opgaande of de nederdalende lijn, de echtgenoten, zelfs na echtscheiding, de broeders of zusters, en de aanverwanten in dezelfde graden, van de verborgen misdadigers, van de daders van of de medeplichtigen aan de doodslag, de slagen of de verwondingen.
 
HOOFDSTUK V Wanbedrijven tegen de openbare veiligheid gepleegd door landlopers of door bedelaars
ART. 342-347
tot 347 [ ... ]

 

(Opgeheven W. 12.1.1993 - art. 28 - B.S. 4.2.1993)
 

[ TITEL VIbis Misdaden met betrekking tot het nemen van gijzelaars ] (W. 2.7.1975 - art. 1 - B.S. 24.7.1975)

ART. 347bis
[- § 1. Gijzeling is de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van personen om deze borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of een voorwaarde, onder meer een misdaad of een wanbedrijf voor te bereiden of te vergemakkelijken, de vlucht, de ontvluchting van de daders van een misdaad of wanbedrijf of hun medeplichtigen in de hand te werken, hun vrijlating te verkrijgen of ze hun straf te doen ontgaan.

 

§ 2. Gijzeling wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.

 

De straf is levenslange opsluiting indien de gijzelaar een minderjarige is.

 

§ 3. Behalve in de in § 4 bedoelde gevallen is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar tot twintig jaar indien binnen vijf dagen na de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering, de gijzelaar vrijwillig wordt vrijgelaten zonder dat aan het bevel of aan de voorwaarde is voldaan.

 

§ 4. De straf is levenslange opsluiting in de volgende gevallen :

 

1° indien de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van de gijzelaar, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij zware verminking, hetzij de dood ten gevolge heeft;

 

2° [ 2° indien de gijzelaars zijn onderworpen aan de handelingen bedoeld in artikel 417ter, eerste lid. ] ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 4 - B.S. 17.3.2001)

(W. 14.6.2002 - art. 2 - B.S. 14.6.2002)
 

TITEL VII Misdaden en wanbedrijven tegen de orde der familie en tegen de openbare zedelijkheid

EERSTE HOOFDSTUK Vruchtafdrijving
ART. 348
[ Hij die, al dan niet geneesheer, door enig middel opzettelijk vruchtafdrijving veroorzaakt bij een vrouw die daarin niet heeft toegestemd, wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] . Indien de gebruikte middelen hun uitwerking hebben gemist, vindt artikel 52 toepassing. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 62 - B.S. 13.3.2003)

(W. 3.4.1990 - art. 1 - B.S. 5.3.1990)
 

ART. 349
Wanneer de vruchtafdrijving wordt veroorzaakt door geweld, opzettelijk gepleegd, maar zonder het oogmerk om afdrijving te verwekken, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.

 

Wordt het geweld gepleegd met voorbedachten rade of met kennis van de toestand van de vrouw, dan is de gevangenisstraf zes maanden tot drie jaar en de geldboete vijftig frank tot vijfhonderd frank.
 

ART. 350
[ Hij die door spijzen, dranken, artsenijen of door enig ander middel vruchtafdrijving veroorzaakt bij een vrouw die daarin heeft toegestemd, wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en tot geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.

 

Er is evenwel geen misdrijf wanneer de zwangere vrouw die door haar toestand in een noodsituatie verkeert, een geneesheer verzoekt haar zwangerschap af te breken en indien de zwangerschapsafbreking uitgevoerd wordt onder de volgende voorwaarden:

 

1° a) de zwangerschapsafbreking moet plaatsvinden vóór het einde van de twaalfde week na de bevruchting;

 

b) de zwangerschapsafbreking moet onder medisch verantwoorde omstandigheden door een geneesheer worden verricht in een instelling voor gezondheidszorg waaraan een voorlichtingsdienst is verbonden die de zwangere vrouw opvangt en haar omstandig inlicht inzonderheid over de rechten, de bijstand en de voordelen, bij wet en decreet gewaarborgd aan de gezinnen, aan de al dan niet gehuwde moeders en hun kinderen, alsook over de mogelijkheden om het kind dat geboren zal worden te laten adopteren; en die, op verzoek van de geneesheer of van de vrouw, haar hulp en raad geeft over de middelen waarop zij een beroep zal kunnen doen voor de oplossing van de psychologische en maatschappelijke problemen welke door haar toestand zijn ontstaan.

 

2° De geneesheer tot wie een vrouw zich wendt om haar zwangerschap te laten afbreken, moet:

 

a) de vrouw inlichten over de onmiddellijke of toekomstige medische risico's waaraan zij zich blootstelt door het afbreken van de zwangerschap;

 

b) de verschillende opvangmogelijkheden voor het kind dat geboren zal worden in herinnering brengen en, in voorkomend geval, een beroep doen op het personeel van de dienst bedoeld in het 1°, b, van dit artikel om de daar bepaalde hulp en raad te geven;

 

c) zich vergewissen van de vaste wil van de vrouw om haar zwangerschap te laten afbreken.

 

De appreciatie van de geneesheer over de vaste wil en de noodsituatie van de zwangere vrouw, op basis waarvan hij aanvaardt de ingreep uit te voeren, kan niet meer worden aangevochten indien is voldaan aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden.

 

3° De geneesheer kan de zwangerschapsafbreking niet eerder verrichten dan zes dagen na de eerste raadpleging en nadat de vrouw, de dag van de ingreep, schriftelijk te kennen heeft gegeven dat ze vastbesloten is de ingreep te ondergaan.

 

Deze verklaring moet bij het medisch dossier worden gevoegd.

 

4° Na de termijn van twaalf weken kan de zwangerschap onder de voorwaarden bepaald onder het 1°, b), het 2° en het 3° slechts worden afgebroken, indien het voltooien van de zwangerschap een ernstig gevaar inhoudt voor de gezondheid van de vrouw of indien vaststaat dat het kind dat geboren zal worden, zal lijden aan een uiterst zware kwaal die als ongeneeslijk wordt erkend op het ogenblik van de diagnose. In dat geval moet de geneesheer tot wie de vrouw zich heeft gewend, de medewerking vragen van een tweede geneesheer, wiens advies bij het dossier moet worden gevoegd.

 

5° De geneesheer of een andere bevoegde persoon van de instelling voor gezondheidszorg waar de ingreep is verricht, moet aan de vrouw de nodige voorlichting verstrekken inzake contraceptiva.

 

6° Geen geneesheer, geen verpleger of verpleegster, geen lid van het paramedisch personeel kan gedwongen worden medewerking te verlenen aan een zwangerschapsafbreking.

 

De geneesheer die weigert een dergelijke ingreep te verrichten, is gehouden de vrouw bij haar eerste bezoek in kennis te stellen van zijn weigering. ]

 

(W. 3.4.1990 - art. 2 - B.S. 5.4.1990)
 

ART. 351
[De vrouw die opzettelijk een vruchtafdrijving laat verrichten buiten de voorwaarden gesteld in artikel 350, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank. ]

 

(W. 3.4.1990 - art. 3 - B.S. 5.4.1990)
 

Art. 352
[Wanneer de middelen, gebruikt met het oogmerk om vruchtafdrijving te verwekken, de dood tot gevolg hebben, wordt hij die ze met dat oogmerk heeft aangewend of aangewezen, veroordeeld tot opsluiting van vijf jaar tot tien jaar indien de vrouw daarin weliswaar heeft toegestemd doch de ingreep werd verricht buiten de voorwaarden gesteld in artikel 350, en tot opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar indien zij daar niet in heeft toegestemd. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 63 - B.S. 13.3.2003)

(W. 3.4.1990 - art. 4 - B.S. 5.4.1990)
 

ART. 353
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 3.4.1990 - art. 5 - B.S. 5.4.1990)
 

HOOFDSTUK II Te vondeling leggen en verlaten van kinderen
ART. 354-360bis
- 360bis. [ ... ]

 

(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 51 en 52 - B.S. 17.3.2001)
 

HOOFDSTUK III Misdaden en wanbedrijven strekkende tot het verhinderen of vernietigen van het bewijs van de burgerlijke staat van kinderen
ART. 361
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 26 frank tot 200 frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft:

 

1° hij die gehouden is krachtens artikel 56, § 1, eerste lid, § 2, eerste lid, en § 3, van het Burgerlijk Wetboek, de geboorte van een kind aan te geven en die aangifte niet doet overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 55 en 56 van hetzelfde Wetboek;

 

2° hij die gehouden is krachtens artikel 56, § 1, tweede lid, en § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek kennis te geven van een bevalling aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en die kennisgeving niet doet overeenkomstig die bepalingen. ]

 

(W. 30.3.1984 - art. 4 - B.S. 22.12.1984)
 

ART. 362
Met de straffen, bij het vorige artikel bepaald, wordt gestraft hij die een pasgeboren kind heeft gevonden en het niet binnen drie dagen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft afgegeven, zoals bij artikel 58 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.

 

Deze bepaling is niet toepasselijk op hem die erin heeft toegestemd het kind te zijnen laste te nemen en dienaangaande een verklaring heeft afgelegd bij de gemeenteoverheid van de plaats waar het kind gevonden is.
 

ART. 363
[- Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft hij die een kind met een ander kind verwisselt of aan een vrouw een kind toeschrijft waarvan zij niet is bevallen.

 

Met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar wordt gestraft hij die het bewijs van de burgerlijke staat van een kind vernietigt of het opmaken ervan verhindert.

 

Dezelfde straf wordt toegepast op hen die opdracht geven om de in de vorige leden vermelde feiten te plegen, indien die opdracht is uitgevoerd. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 5 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 364-367
- 367. [ ... ]

 

(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 52 - B.S. 17.3.2001)
 

HOOFDSTUK IV Ontvoering van minderjarigen
ART. 368-371
- 371. [ ... ]

 

(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 51 en 52 - B.S. 17.3.2001)
 

HOOFDSTUK V Aanranding van de eerbaarheid en verkrachting
ART. 372
[ Elke aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld of bedreiging gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijke of vrouwelijke geslacht beneden de volle leeftijd van zestien jaar, wordt gestraft met opsluiting [ van vijf jaar tot tien jaar ] .

 

(W. 28.11.2000 - art. 6, 1° - B.S. 17.3.2001)

 

De aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld of bedreiging door een bloedverwant in de opgaande lijn [ of adoptant ] gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een minderjarige, zelfs indien deze de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, maar niet ontvoogd is door het huwelijk, wordt gestraft met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar. ] [ Dezelfde straf wordt toegepast indien de schuldige hetzij de broer of de zus van het minderjarige slachtoffer is of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin, hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over dat slachtoffer gezag heeft. ]

 

(W. 15.5.1912 - art. 48 - B.S. 27/28/29.5.1912)

(W. 28.11.2000 - art. 6, 2°-4° - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 372bis
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 18.6.1985 - art. 1 - B.S. 8.8.1985)
 

ART. 373
[ De aanranding van de eerbaarheid, met geweld of bedreiging gepleegd op personen van het mannelijke of vrouwelijke geslacht, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar.

 

Wordt de aanranding gepleegd op de persoon van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar, dan wordt de schuldige gestraft met opsluiting [ van vijf jaar tot tien jaar ] .

 

(W. 28.11.2000 - art. 7, 1° - B.S. 17.3.2001)

 

Is de minderjarige geen volle zestien jaar oud, dan is de straf [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar. ]

 

(W. 15.5.1912 - art. 49 - B.S. 27/28/29.5.1912)

(W. 28.11.2000 - art. 7, 2° - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 374
Aanranding bestaat, zodra er een begin van uitvoering is.

 

(W. 15.5.1912 - art. 49 - B.S. 27/28/29.5.1912)
 

ART. 375
[ Verkrachting is elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt.

 

Toestemming is er met name niet wanneer de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer.

 

Met opsluiting [ van vijf jaar tot tien jaar ] wordt gestraft ieder die de misdaad van verkrachting pleegt. ]

 

(W. 4.7.1989 - art. 1, 1° - B.S. 18.7.1989)

(W. 28.11.2000 - art. 8, 1° - B.S. 17.3.2001)

 

[ Wordt de misdaad gepleegd op de persoon van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar, dan wordt de schuldige gestraft met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar. ]

 

(W. 14.5.1937 - art. 1 - B.S. 17/18/19.5.1937)

(W. 28.11.2000 - art. 8, 2° - B.S. 17.3.2001)

 

[ Wordt de misdaad gepleegd op de persoon van een kind boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden die van zestien jaar, dan wordt de schuldige gestraft met [ opsluiting ] van vijftien jaar tot twintig jaar. ]

 

(W. 15.5.1912 - art. 50 - 27/28/29.5.1912)

(W. 28.11.2000 - art. 8, 2° - B.S. 17.3.2001)

 

[ Als verkrachting met behulp van geweld wordt beschouwd elke daad van seksuele penetratie, van welke aard en met welk middel ook, die gepleegd wordt op de persoon van een kind dat de volle leeftijd van veertien jaar niet heeft bereikt. In dat geval is de straf [ opsluiting ] van vijftien tot twintig jaar. ]

 

(W. 4.7.1989 - art. 1, 2° - B.S. 18.7.1989)

(W. 28.11.2000 - art. 8, 2° - B.S. 17.3.2001)

 

[ De straf is [ opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar ], indien het kind geen volle tien jaar oud is. ]

 

(W. 15.5.1912 - art. 50 - Mon. 27/28/29.5.1912)

(W. 28.11.2000 - art. 8, 3° - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 376
[ Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid de dood veroorzaakt van de persoon op wie zij is gepleegd, wordt de schuldige gestraft met [ opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar ] .

 

(W. 28.11.2000 - art. 9, 1° - B.S. 17.3.2001)

 

[ Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid is voorafgegaan door of gepaard gegaan met de handelingen bedoeld in artikel 417ter , eerste lid, of opsluiting, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. ]

 

(W. 14.6.2002 - art. 3 - B.S. 14.8.2002)

 

Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid gepleegd is op een persoon die ingevolge zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid bijzonder kwetsbaar is, of onder bedreiging van een wapen of een op een wapen gelijkend voorwerp, wordt de schuldige gestraft met [ opsluiting ] van tien tot vijftien jaar. ]

 

(W. 4.7.1989 - art. 2 - B.S. 18.7.1989)

(W. 28.11.2000 - art. 9, 2° - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 377
[ Is de schuldige een bloedverwant in de opgaande lijn [ of adoptant ] ; behoort hij tot degenen die over het slachtoffer gezag hebben; heeft hij misbruik gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen; is hij een geneesheer, heelkundige, verloskundige of officier van gezondheid aan wie het kind ter verzorging was toevertrouwd; of is de schuldige, wie hij ook zij, in de gevallen van de artikelen 373, 375 en 376, door een of meer personen geholpen in de uitvoering van de misdaad of van het wanbedrijf [ ; of is hij hetzij de broer of de zus van het minderjarige slachtoffer of ieder ander persoon die een gelijkaardige positie heeft in het gezin, hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over dat slachtoffer gezag heeft, ] dan worden de straffen bepaald als volgt: ]

 

(W. 4.7.1989 - art. 3, 1° - B.S. 18.7.1989)

(W. 28.11.2000 - art. 10, 1°-2° - B.S. 17.3.2001)

 

[ In de gevallen van artikel 372, eerste lid, en van artikel 373, tweede lid, is de straf [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar; ]

 

(W. 14.5.1937 - art. 2, 1 - B.S. 17/18/19.5.1937)

(W. 28.11.2000 - art. 10, 3° - B.S. 17.3.2001)

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 18.6.1985 - art. 1 - B.S. 8.8.1985)

 

[ In het geval van artikel 373, eerste lid, wordt het minimum van de gevangenisstraf verdubbeld; ]

 

(W. 15.5.1912 - art. 52 - B.S. 27/28/29.5.1912)

 

[ In de gevallen van artikel 373, derde lid, 375, vierde lid, en 376, derde lid, bedraagt de [ opsluiting ] ten minste twaalf jaar; ]

 

(W. 4.7.1989 - art. 3, 2° - B.S. 18.7.1989)

(W. 28.11.2000 - art. 10, 3° - B.S. 17.3.2001)

 

In het geval van artikel 375, eerste lid, bedraagt de opsluiting ten minste zeven jaar; ]

 

(W. 15.5.1912 - art. 52 - B.S. 27/28/29.5.1912)

 

[ In de gevallen van [ artikel 375, vijfde en zesde lid, en van artikel 376, tweede lid [ ... ] bedraagt de [ opsluiting ] ten minste zeventien jaar.

 

(W. 14.5.1937 - art. 2, 3 - B.S. 17/18/19.5.1937)

(W. 28.11.2000 - art. 10, 3° - B.S. 17.3.2001)

 

[ ... ]

 

(Opgeheven 14.5.1937 - art. 2, 4 - B.S. 17/18/19.5.1937)
 

ART. 377bis
[ In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 33 - B.S. 30.5.2007)
 

ART. 378
[- In de gevallen omschreven in dit hoofdstuk worden de schuldigen veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 11 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 378bis
[- Publicatie en verspreiding door middel van boeken, pers, film, radio, televisie of op enige andere wijze, van teksten, tekeningen, foto's, enigerlei beelden of geluidsfragmenten waaruit de identiteit kan blijken van het slachtoffer van een in dit hoofdstuk genoemd misdrijf zijn verboden, tenzij met schriftelijke toestemming van het slachtoffer of met toestemming, ten behoeve van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek, van de procureur des Konings of van de met het onderzoek belaste magistraat.

 

Overtredingen van dit artikel worden gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van driehonderd frank tot drieduizend frank of met een van die straffen alleen. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 12 - B.S. 17.3.2001)
 

HOOFDSTUK VI [ Bederf van de jeugd en prostitutie ] (W. 26.5.1914 - art. 4 - B.S. 30.5.1914)
ART. 379
[Hij die een aanslag tegen de zeden pleegt doordat hij, ten einde eens anders driften te voldoen, de ontucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige van het mannelijke of vrouwelijke geslacht opwekt, begunstigt of vergemakkelijkt, wordt gestraft met opsluiting [ van vijf jaar tot tien jaar ] en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijfentwintigduizend frank.

(W. 28.11.2000 - art. 13, 1° - B.S. 17.3.2001)

Hij wordt gestraft met [ opsluiting ] van tien tot vijftien jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijftigduizend frank, indien de minderjarige geen volle zestien jaar oud is.

(W. 28.11.2000 - art. 13, 2° - B.S. 17.3.2001)

De straf is [ opsluiting ] van vijftien jaar tot twintig jaar en geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank, indien de minderjarige geen volle [ veertien jaar] oud is. ]

(W. 13.4.1995 - art. 2 - B.S. 25.4.1995)

(W. 28.11.2000 - art. 13, 3° - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 380
[§ 1. Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijentwintigduizend frank wordt gestraft:

1° hij die, ten einde eens anders driften te voldoen, een meerderjarige zelfs met zijn toestemming, aanwerft, meeneemt, wegbrengt of bij zich houdt met het oog op het plegen van ontucht of prostitutie;

2° hij die een huis van ontucht of prostitutie houdt;

3° hij die kamers of enige andere ruimte verkoopt, verhuurt of ter beschikking stelt met het oog op prostitutie met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren;

4° hij die, op welke manier ook, eens anders ontucht of prostitutie exploiteert.

§ 2. Poging tot de in § 1 bedoelde misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfduizend frank.

§ 3. Met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijftigduizend frank wordt gestraft het plegen van de in § 1 bedoelde misdrijven wanneer de dader daarbij:

 

(W. 28.11.2000 - art. 14, 1° - B.S. 17.3.2001)

 

1° direct of indirect gebruik maakt van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige andere vorm van dwang;

 

2° of misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin een persoon verkeert ten gevolge van een onwettige of precaire administratieve toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid.

 

§ 4. Met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank wordt gestraft:

 

(W. 28.11.2000 - art. 14, 1° - B.S. 17.3.2001)

 

1° hij die, ten einde eens andere driften te voldoen, rechtstreeks of via een tussenpersoon, een minderjarige [ ... ] , zelfs met zijn toestemming aanwerft, meeneemt, wegbrengt of bij zich houdt met het oog op het plegen van ontucht of prostitutie;

 

(W. 28.11.2000 - art. 14, 2° - B.S. 17.3.2001)

 

2° hij die, rechtstreeks of via een tussenpersoon, een huis van ontucht of prostitutie houdt waar minderjarigen prostitutie of ontucht plegen;

 

3° hij die kamers of enige andere ruimte verkoopt, verhuurt of ter beschikking stelt van een minderjarige met het oog op ontucht of prostitutie met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren;

 

4° hij die, op welke manier ook, de ontucht of prostitutie van een minderjarige [ ... ] exploiteert.

 

(W. 28.11.2000 - art. 14, 2° - B.S. 17.3.2001)

 

[ 5° hij die door de overhandiging, het aanbod of de belofte van een materieel of financieel voordeel ontucht of prostitutie van een minderjarige heeft verkregen. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 14, 3° - B.S. 17.3.2001)

 

§ 5. De misdrijven bedoeld in § 4 worden gestraft met [ opsluiting ] van vijftien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank als zij ten aanzien van een minderjarige [ onder de zestien jaar ] worden gepleegd. ]

 

(W. 13.4.1995 - art. 3 - B.S. 25.4.1995)

(W. 28.11.2000 - art. 14, 1° en 4° - B.S. 17.3.2001)

 

[ § 6. Hij die ontucht of prostitutie van een minderjarige bijwoont, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot tweeduizend frank. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 14, 5° - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 380bis
[] . Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die in een openbare plaats door woorden, gebaren of tekens iemand tot ontucht aanzet. De straf wordt verdubbeld als het misdrijf tegenover een minderjarige wordt gepleegd. ]

(W. 21.8.1948 - art. 3 - B.S. 13/14.9.1948)

(W. 28.11.2000 - art. 15 - B.S. 17.3.2001)

[ ... ]

(Opgeheven W. 27. 3.1995 - art. 2 - B.S. 25.4.1995)

[ Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die door enig publiciteitsmiddel aanzet, door de toespeling die er op wordt gemaakt, tot de seksuele uitbuiting van volwassenen of kinderen, of van een dergelijke publiciteit gebruik maakt in het kader van een aanbod van diensten. ]

 

(W. 9.3.1993 - art. 14 - B.S. 24.4.1993)
 

ART. 380ter
[§ 1. Met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot tweeduizend frank wordt gestraft hij die op enigerlei wijze, direct of indirect, reclame maakt of doet mken, uitgeeft, verdeeld of verspreidt voor een aanbod van diensten van seksuele aard [ ... ] , indien die reclame specifiek gericht is op minderjarigen of indien zij gewag maakt van diensten aangeboden door minderjarigen of indien zij gewag maakt van diensten aangeboden door minderjarigen of door personen van wie wordt beweerd dat zij minderjarig zijn, zelfs indien hij zijn aanbod verheelt onder bedekte bewoordingen.

(W. 28.11.2000 - art. 16 - B.S. 17.3.2001)

Indien de in het eerste lid bedoelde reclame tot doel of tot gevolg heeft, direct of indirect, dat prostitutie of ontucht van een minderjarige of zijn exploitatie voor seksuele doeleinden wordt vergemakkelijkt, is de straf drie maanden tot drie jaar gevangenisstraf en geldboete van driehonderd frank tot drieduizend frank.

§ 2. Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank wordt gestraft hij die op enigerlei wijze, direct of indirect, reclame maakt of doet maken, uitgeeft, verdeelt of verspreidt voor een aanbod van diensten van seksuele aard [ ... ] , die worden verleend bij wege van een of ander telecommunicatiemiddel, zelfs indien hij zijn aanbod verheelt onder bedekte bewoordingen.

 

(W. 28.11.2000 - art. 16 - B.S. 17.3.2001)

 

§ 3. In de gevallen die niet zijn omschreven in de §§ 1 en 2, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank, hij die door enig reclamemiddel, zelfs indien hij de aard van zijn aanbod of zijn vraag verheelt onder bedekte bewoordingen, kenbaar maakt dat hij zich aan prostitutie overgeeft, de prostitutie van anderen vergemakkelijkt of wenst in betrekking te komen met iemand die zich aan ontucht overgeeft.

 

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die door enig reclamemiddel aanzet, door de toespeling die erop wordt gemaakt, tot de seksuele exploitatie van minderjarigen of meerderjarigen, of van zulke reclame gebruik maakt naar aanleiding van een aanbod van diensten. ]

 

(W. 27.3.1995 - art. 1 - B.S. 25.4.1995)
 

ART. 381
[- De misdrijven bedoeld in de artikelen 379 en 380, §§ 3 en 4, worden gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank en de misdrijven bedoeld in artikel 380, § 5, worden gestraft met opsluiting van zeventien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank, indien ze daden betreffen van deelneming aan de hoofdbedrijvigheid of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 17 - B.S. 17.3.2001)
 

Art. 381bis
[ De in de artikelen 379 en 380bis, §§ 3 en 4, bedoelde misdrijven worden gestraft met dwangarbeid van vijftien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank indien ze daden betreffen van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet. ]

 

(W. 13.4.1995 - art 4 - B.S. 25.4.1995)
 

ART. 382
[- § 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 379 en 380 worden de schuldigen bovendien veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31.

 

§ 2. De rechtbanken kunnen tegen de personen die wegens een misdrijf bepaald bij artikel 380, §§ 1 tot 3, veroordeeld worden, het verbod uitspreken om gedurende een jaar tot drie jaar een drankgelegenheid, een bureau voor arbeidsbemiddeling, een onderneming van vertoningen, een zaak voor verhuur of verkoop van visuele dragers, een hotel, een bureau voor verhuur van gemeubileerde kamers of appartementen, een reisbureau, een huwelijksbureau, een adoptieinstelling, een instelling waaraan de bewaring van minderjarigen wordt toevertrouwd, een bedrijf dat leerlingen en jeugdgroepen vervoert, een gelegenheid voor ontspanning of vakantie, of een inrichting die lichaamsverzorging of psychologische begeleiding aanbiedt, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van een tussenpersoon, uit te baten of er, in welke hoedanigheid ook, werkzaam te zijn.

 

In geval van een tweede veroordeling wegens een misdrijf bepaald in artikel 380, §§ 1 tot 3, kan het verbod voor een termijn van een jaar tot twintig jaar worden uitgesproken.

 

In geval van een veroordeling wegens een misdrijf bepaald bij de artikelen 379 en 380, §§ 4 en 5, kan het verbod voor een termijn van een jaar tot twintig jaar worden uitgesproken.

 

§ 3. Zonder rekening te houden met de hoedanigheid van natuurlijke persoon of rechtspersoon van de uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder, kan de rechtbank de sluiting bevelen van de inrichting waar de misdrijven zijn gepleegd, voor een termijn van een maand tot drie jaar.

 

Wanneer de veroordeelde eigenaar, uitbater, huurder noch zaakvoerder is van de inrichting, kan de sluiting enkel worden bevolen indien de ernst van de concrete omstandigheden dit vereist, en dit voor een termijn van maximaal twee jaar, na dagvaarding van de eigenaar, de uitbater, de huurder of de zaakvoerder op vordering van het openbaar ministerie.

 

De dagvaarding voor de rechtbank wordt in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn, overgeschreven ten verzoeke van de deurwaarder die het exploot heeft opgemaakt.

 

De dagvaarding vermeldt de kadastrale omschrijving van het betrokken onroerende goed en identificeert de eigenaar ervan in de vorm en volgens de sanctie bepaald in artikel 12 van de wet van 10 oktober 1913 houdende wijzigingen in de hypotheekwet en in de wet op de gedwongen onteigeningen en regelende de herinrichting van de bewaring der hypotheken.

 

Iedere in de zaak gewezen beslissing wordt in de kant van de overgeschreven dagvaarding vermeld op de wijze bepaald in artikel 84 van de hypotheekwet. De griffier doet de uittreksels en de verklaring dat er geen rechtsmiddelen aangewend zijn aan de hypotheekbewaarder toekomen.

 

§ 4. Artikel 389 is van toepassing op deze bepaling. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 18 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 382bis
[- Onverminderd de toepassing van artikel 382 kan elke veroordeling wegens feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 377, 379 tot 380ter, 381 en 383 tot 387, gepleegd op de persoon van een minderjarige of met zijn deelneming, de ontzetting meebrengen van het recht om, voor een termijn van een jaar tot twintig jaar :

 

1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;

 

2° deel uit te maken, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen gericht is;

 

3° een activiteit toegewezen te krijgen die de veroordeelde in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging.

 

Artikel 389 is van toepassing op deze bepaling. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 20 - B.S. 17.3.2001)


 

ART. 382ter
[] . De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, kan worden toegepast zelfs wanneer de zaken waarop zij betrekking heeft, niet het eigendom van de veroordeelde zijn. ]

 

(W. 13.4.1995 - art. 6 - B.S. 25.4.1995)

(W. 28.11.2000 - art. 19 - B.S. 17.3.2001)
 

HOOFDSTUK VII Openbare schennis van de goede zeden
ART. 383
Hij die liederen, vlugschriften of andere geschriften, al dan niet gedrukt, afbeeldingen of prenten, die strijdig zijn met de goede zeden, tentoonstelt, verkoopt of verspreidt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.

[ Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die schunnigheden zingt, leest, voordraagt, ten gehore brengt of uit, in de openbare bijeenkomsten of plaatsen bedoeld in artikel 444, tweede lid. ]

(W. 29.1.1905 - art. 1 - B.S. 4.2.1905)

[ Met dezelfde straffen wordt gestraft:

Hij die, met het oog op de handel of de verspreiding, liederen, vlugschriften, geschriften, afbeeldingen of prenten, die strijdig zijn met de goede zeden, vervaardigt, in voorraad heeft, invoert of doet invoeren, vervoert of doet vervoeren, aan een vervoer- of een distributieagent overhandigt, door enig publiciteitsmiddel bekendmaakt; ]

[ Hij die zinnebeelden of voorwerpen, die strijdig zijn met de goede zeden, tentoonstelt, verkoopt of verspreidt, ze met het oog op de handel of de verspreiding vervaardigt of in voorraad heeft, invoert of doet invoeren, vervoert of doet vervoeren, aan een vervoer- of een distributieagent overhandigt, door enig publiciteitsmiddel bekendmaakt; ]

(W. 14.6.1926 - art. 1 - B.S. 21/22.6.1926)

[ Hij die, hetzij door het tentoonstellen, verkopen of verspreiden van geschriften, al dan niet gedrukt, hetzij door enig ander publiciteitsmiddel, het gebruik van enig middel om vruchtafdrijving te veroorzaken aanprijst, aanwijzingen verstrekt omtrent de wijze waarop het wordt aangeschaft of gebruikt, of personen die het toepassen, doet kennen met het doel hen aan te bevelen;

 

Hij die artsenijen of tuigen, speciaal bestemd om vruchtafdrijving te veroorzaken of als zodanig voorgesteld, tentoonstelt, verkoopt, verspreidt, vervaardigt of doet vervaardigen, doet invoeren, doet vervoeren, aan een vervoer- of een distributieagent overhandigt, door enig publiciteitsmiddel bekendmaakt; ]

 

(W. 20.6.1923 - art. 1 - B.S. 25/26.6.1923)

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 9.7.1973 - enig art. B.S. 9.8.1973)
 

ART. 383bis
[[ § 1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 379 en 380 wordt hij die zinnebeelden, voorwerpen, films, foto's, dia's of andere beelddragers die houdingen of seksuele handelingen met pornografisch karakter voorstellen waarbij minderjarigen betrokken zijn of worden voorgesteld, tentoonstelt, verkoopt, verhuurt, verspreidt, uitzendt of overhandigt, ze met het oog op de handel of de verspreiding vervaardigt of in voorraad heeft, invoert of doet invoeren, aan een vervoer- of een distributieagent overhandigt, gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot tienduizend frank. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 21, 1° - B.S. 17.3.2001)

 

§ 2. Hij die wetens de in § 1 bedoelde zinnebeelden, voorwerpen, films, foto's, dia's of andere beelddragers bezit, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank.

 

§ 3. Het in § 1 bedoelde misdrijf wordt gestraft met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijfitgduizend frank indien het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.

 

(W. 28.11.2000 - art. 21, 2° - B.S. 17.3.2001)

 

§ 4. De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, kan worden toegepast voor de misdrijven bedoeld in de §§ 1 en 2, zelfs wanneer de zaken waarop zij betrekking heeft, niet het eigendom van de veroordeelde zijn.

 

§ 5. [ De artikelen 382 en 389 zijn van toepassing ] op de in §§ 1 en 3 bedoelde misdrijven. ]

 

(W. 13.4.1995 - art. 7 - B.S. 25.4.1995)

(W. 28.11.2000 - art. 21, 3° - B.S. 17.3.2001)


 

ART. 384
[ [ In de gevallen bedoeld in artikel 383 ] wordt de vervaardiger van het geschrift, de afbeelding, de prent of het voorwerp gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank. ]

 

(W. 14.6.1926 - art. 2 - B.S. 21/22.6.1926)

(W. 28.11.2000 - art. 22 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 385
Hij die in het openbaar de zeden schendt door handelingen die de eerbaarheid kwetsen, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.

 

[ Wordt de schennis gepleegd in [ aanwezigheid ] van een [ minderjarige ] beneden de volle leeftijd van zestien jaar, dan is de straf gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en geldboete van honderd frank tot duizend frank. ]

 

(W. 15.5.1912 - art. 53 - B.S. 27/28/29.5.1912)

(W. 28.11.2000 - art. 23 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 386
[ Indien de misdrijven, omschreven in artikel 383, zijn gepleegd tegenover minderjarigen, is de gevangenisstraf zes maanden tot twee jaar en de geldboete duizend frank tot vijfduizend frank.

 

In hetzelfde geval kunnen de straffen, bepaald in het eerste lid van dat artikel, worden verdubbeld, onverminderd de toepassing van artikel 385, tweede lid. ]

 

(W. 28.7.1962 - art. 2 - B.S. 5.9.1962)
 

ART. 387
[ Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van duizend frank tot vijfduizend frank wordt gestraft hij die aan minderjarigen [ ... ] oneerbare prenten, afbeeldingen of voorwerpen die hun verbeelding kunnen prikkelen, verkoopt of uitdeelt, of dergelijke prenten, afbeeldingen of voorwerpen op of aan de openbare weg tentoonstelt.

 

(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 24, 1° - B.S. 17.3.2001)

 

[ ... ] ]

 

(W. 28.7.1962 - art. 2 - B.S. 5.9.1962)

(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 24, 2° - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 388
[- In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kunnen de schuldigen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31.

 

In geval van veroordeling op grond van artikel 386, eerste lid, of artikel 387 en indien het misdrijf gepleegd is bij het exploiteren van een boekhandel, een antiquariaat, een handel in fotoartikelen of in materiaal vereist voor de totstandkoming van iedere soort van visuele drager of een onderneming van vertoningen, kan de sluiting van de inrichting worden bevolen voor een maand tot drie maanden.

 

In geval van een tweede veroordeling wegens een van de in het tweede lid bedoelde feiten, gepleegd binnen een termijn van drie jaar na de eerste veroordeling, kan de sluiting worden bevolen voor drie maanden tot zes maanden.

 

In geval van een derde veroordeling wegens dezelfde feiten, gepleegd binnen een termijn van vijf jaar na de tweede veroordeling, kan de definitieve sluiting worden bevolen. In dit laatste geval kunnen de hoven en rechtbanken bovendien tegen de veroordeelden het verbod uitspreken om een boekhandel, een antiquariaat, een handel in fotoartikelen of in materiaal vereist voor de totstandkoming van iedere soort van visuele drager, een onderneming van vertoningen of een of meer handelszaken of ondernemingen als hier bedoeld, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van een tussenpersoon, te exploiteren of er, in welke hoedanigheid ook, werkzaam te zijn.

 

Wanneer de veroordeelde eigenaar, uitbater, huurder noch zaakvoerder is van de inrichting, kan de sluiting enkel worden bevolen indien de ernst van de concrete omstandigheden dit vereist. In dit geval is artikel 382, ) 3, tweede tot vijfde lid, van toepassing.

 

Artikel 389 is van toepassing op deze bepaling. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 25 - B.S. 17.3.2001)

 

 

 


 

HOOFDSTUK VIII Overspel en dubbel huwelijk
ART. 389
[- § 1. De tijd van de ontzetting uitgesproken met toepassing van de artikelen 378, 382, § 1, 382bis en 388, eerste lid, gaat in op de dag van de veroordeling met uitstel of op de dag dat de veroordeelde zijn gevangenisstraf heeft ondergaan of dat zijn straf verjaard is ingeval hiervoor geen uitstel is verleend en, in geval van vervroegde invrijheidstelling, op de dag van zijn invrijheidstelling voorzover deze niet herroepen wordt.

 

Niettemin heeft het op grond van artikel 382, § 2, uitgesproken verbod zijn gevolgen met ingang van de dag waarop de op tegenspraak of bij verstrek gewezen veroordeling onherroepelijk is geworden.

 

§ 2. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of arrest dat een verbod of ontzetting uitspreekt met toepassing van de artikelen bedoeld in § 1, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot duizend frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 3. De sluiting uitgesproken overeenkomstig de artikelen 382, § 3, en 388 heeft haar gevolgen met ingang van de dag waarop de op tegenspraak of bij verstek gewezen veroordeling onherroepelijk is geworden .

 

§ 4. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of arrest dat de sluiting van een inrichting beveelt met toepassing van de artikelen bedoeld in § 3, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en met geldboete van duizend frank tot vijfduizend frank of met een van die straffen alleen. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 26 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 390
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 20.5.1987 - art. 1 - B.S. 12.6.1987)
 

[ HOOFDSTUK VIIIbis. - Dubbel huwelijk ] (W. 28.11.2000 - art. 27 - B.S. 17.3.2001)
ART. 391
Hij die, door de banden van het huwelijk verbonden, een ander huwelijk aangaat vóór de ontbinding van het voorgaande, wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 64 - B.S. 13.3.2003)
 

[ HOOFDSTUK IX Verlating van familie ] (W. 14.1.1928 - art. 1 - B.S. 16/17.1.1928)
ART. 391bis
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen, onverminderd de toepassing van strengere straffen, indien daartoe grond bestaat, wordt gestraft hij die, na door een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat, te zijn veroordeeld om een uitkering tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de nederdalende of in de opgaande lijn, meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan te kwijten.

 

[ Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, in de omstandigheden omschreven in het eerste lid, niet voldoet aan de verplichtingen bepaald in de artikelen 203bis, 206, 207, 301, 303, [ ... ] 336 [ en 353-14van het Burgerlijk Wetboek ] en in de artikelen 1288, 3° en 4°, [ ... ] van het Gerechtelijk Wetboek. ]

 

(W. 24.4.2003 - art. 6 - B.S. 16.5.2003)

(W. 27.4.2007 - art. 40,1° - B.S. 7.6.2007)

 

Dezelfde straffen zijn van toepassing op de echtgenoot die zich vrijwillig geheel of ten dele onttrekt aan de gevolgen van de machtiging door de rechter verleend krachtens [ de artikelen 203ter, 221 en [ 301, § 11 ] van het Burgerlijk Wetboek en 1280, vijfde lid, [ ... ] van het Gerechtelijk Wetboek ], wanneer tegen die machtiging geen verzet of hoger beroep meer openstaat.

 

(W. 27.4.2007 - art. 40,2° - B.S. 7.6.2007)

(W. 27.4.2007 - art. 40,3° - B.S. 7.6.2007)

 

Hetzelfde geldt voor de echtgenoot die, na te zijn veroordeeld, hetzij tot een van de verplichtingen op de niet nakoming waarvan door de eerste twee leden van dit artikel straf is gesteld, hetzij ingevolge [ de artikelen 203ter, 221 en [ 301, § 11 ] van het Burgerlijk Wetboek en 1280, vijfde lid, [ ... ] van het Gerechtelijk Wetboek ] zich vrijwillig ervan onthoudt de door de sociale wetgeving voorgeschreven formaliteiten te vervullen en zijn echtgenoot of zijn kinderen aldus berooft van de voordelen waarop zij aanspraak konden maken.

 

(W. 27.4.2007 - art. 40,2° - B.S. 7.6.2007)

(W. 27.4.2007 - art. 40,3° - B.S. 7.6.2007)

 

[ Dezelfde straffen gelden voor eenieder die het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen vrijwillig belemmert, door na te laten de nodige documenten te bezorgen aan de instellingen belast met de vereffening van die uitkeringen, door valse of onvolledige aangiften te doen, of door de bestemming te wijzigen die de persoon of de overheid, aangewezen overeenkomstig artikel 29 van [ de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade ] , eraan gegeven heeft. ]

 

(W. 10.8.2005 - art. 2 - B.S. 2.9.2005)

(W. 15.5.2006 - art. 21 - B.S. 2.6.2006)

 

In geval van een tweede veroordeling wegens een van de in dit artikel omschreven misdrijven, gepleegd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste, kunnen de straffen worden verdubbeld. ]

 

(W. 5.7.1963 - art. 1 - B.S. 19.7.1963)

(W. 31.3.1987 - art. 93 - B.S. 27.5.1987)
 

ART. 391ter
[ Wanneer een persoon meer dan twee maanden in gebreke is gebleven te voldoen aan een van de verplichtingen op de niet-nakoming waarvan door artikel 391bis straf is gesteld, kan hij voor de vrederechter worden opgeroepen op verzoek van belanghebbenden of van het openbaar ministerie. De oproeping geschiedt door middel van een aangetekende brief, door de griffier getekend en verzonden met een bericht van ontvangst.

 

De vrederechter neemt de verklaringen van de partijen af en maakt van een en ander een proces-verbaal op, dat hij aan de procureur des Konings doet toekomen. ]

 

(W. 5.7.1963 - art. 2 - B.S. 19.7.1963)
 

[ HOOFDSTUK X. - Misdrijven en wanbedrijven inzake adoptie ] (W. 24.4.2003 - art. 7 - B.S. 16.5.2003)
ART. 391quater
[ Met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die voor zichzelf, met bedrieglijk inzicht, een adoptie heeft verkregen of proberen te verkrijgen die strijdig is met de bepalingen van de wet.

 

Bij herhaling binnen drie jaar te rekenen van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van veroordeling wegens overtreding van het bepaalde in het eerste lid kunnen deze straffen worden verdubbeld. ]

 

(W. 24.4.2003 - art. 7 - B.S. 16.5.2003)
 

ART. 391quinquies
[ Met een gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die bij een adoptie als tussenpersoon is opgetreden en voor een derde een adoptie heeft verkregen of proberen te verkrijgen zonder lid te zijn van een daartoe vooraf door de bevoegde gemeenschap erkende adoptiedienst of die als lid van een erkende adoptiedienst voor een derde een adoptie heeft verkregen of proberen te verkrijgen die strijdig is met de bepalingen van de wet. ]

 

(W. 24.4.2003 - art. 7 - B.S. 16.5.2003)
 

[ HOOFDSTUK XI Gedwongen huwelijk ] (Ingevoegd W. 25.4.2007 - art. 2 - B.S. 15.6.2007)
ART. 391sexies
[ Hij die iemand door geweld of bedreiging dwingt een huwelijk aan te gaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar of met geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro.

 

De poging wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar of met geldboete van vijftig euro tot tweehonderd vijftig euro. ]

 

(Ingevoegd W. 25.4.2007 - art. 2 - B.S. 15.6.2007)

 


 

TITEL VIII Misdaden en wanbedrijven tegen personen

[ EERSTE HOOFDSTUK Opzettelijk doden, opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel, foltering, onmenselijke behandeling en onterende behandeling ] (W. 14.6.2002 - art. 4 - B.S. 14.8.2002)
ART. 392
Opzettelijk worden genoemd het doden en het toebrengen van letsel met het oogmerk om een bepaald persoon of een persoon die zal worden aangetroffen of ontmoet, aan te randen, ook al was dit oogmerk afhankelijk van enige omstandigheid of van enige voorwaarde en zelfs al heeft de dader zich vergist omtrent de persoon die het slachtoffer van de aanranding is geworden.
 
ART. 392bis
[Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden met de woorden "vader", "moeder", "ouders" en "bloedverwant in opgaande lijn" ook de adoptanten en, in geval van adoptie en volle adoptie, ook de bloedverwanten in de opgaande lijn van de adoptanten bedoeld. ]

 

(W. 31.3.1987 - art. 94 - B.S. 27.5.1987)
 

EERSTE AFDELING Doodslag en verschillende soorten van doodslag
ART. 393
Doden met het oogmerk om te doden wordt doodslag genoemd. Het wordt gestraft met [ opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 65 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 394
Doodslag met voorbedachten rade wordt moord genoemd. Hij wordt gestraft met [ levenslange opsluiting ].

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 395
[ Doodslag op de vader, de moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn wordt oudermoord genoemd en wordt gestraft met [ levenslange opsluiting. ]

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(W. 31.3.1987 - art. 95 - B.S. 27.5.1987)
 

ART. 396
Doodslag gepleegd op een kind bij de geboorte of dadelijk daarna, wordt kindermoord genoemd.

 

Kindermoord wordt naar gelang van de omstandigheden gestraft als doodslag of als moord.

 

[ ... ]

 

(Opgeheven bij W. 12.7.1984 - enig art - B.S. 31.8.1984)
 

ART. 397
Vergiftiging wordt genoemd de doodslag gepleegd door middel van stoffen die min of meer snel de dood kunnen teweegbrengen, op welke wijze die stoffen ook aangewend of toegediend zijn. Zij wordt gestraft met [ levenslange opsluiting ].

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)
 

AFDELING II Opzettelijk doden, niet doodslag genoemd, en opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel
ART. 398
Hij die opzettelijk verwondingen of slagen toebrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank of met een van die straffen alleen.

 

Ingeval de schuldige heeft gehandeld met voorbedachten rade, wordt hij veroordeeld tot gevangenisstraf van een maand tot een jaar en tot geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank.
 

ART. 399
Indien de slagen of verwondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank.

 

De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank, indien hij met voorbedachten rade heeft gehandeld.
 

ART. 400
De straf is gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en geldboete van tweehonderd frank tot vijfhonderd frank, indien de slagen of verwondingen, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge hebben.

 

De straf is [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] , ingeval de schuldige heeft gehandeld met voorbedachten rade.

 

(W. 23.1.2003 - art. 66 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 401
[Wanneer de slagen of verwondingen opzettelijk worden toegebracht, maar zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaken, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.

 

Hij wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar indien hij die gewelddaden met voorbedachten rade pleegt. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 67 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 401bis
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 52 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 402
Met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die bij een ander een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid veroorzaakt door hem, opzettelijk maar zonder het oogmerk om te doden, stoffen toe te dienen die de dood kunnen teweegbrengen, of stoffen die, al zijn zij niet van die aard dat zij de dood teweegbrengen, toch de gezondheid zwaar kunnen schaden.
 
ART. 403
De straf is [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] , wanneer die stoffen hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan ten gevolge hebben.

 

(W. 23.1.2003 - art. 68 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 404
Indien de stoffen opzettelijk worden toegediend, maar zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaken, wordt de schuldige gestraft met [ opsluiting ] van vijftien jaar tot twintig jaar.

 

(W. 23.1.2003 - art. 69 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 405
Poging om iemand stoffen als bedoeld in artikel 402 toe te dienen, zonder het oogmerk om te doden, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
 
ART. 405bis
[In de hierna bedoelde gevallen, indien de misdaad of het wanbedrijf is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, zijn de straffen de volgende :

 

1° in de gevallen bedoeld in artikel 398, eerste lid, zijn de straffen gevangenisstraf van een maand tot een jaar en geldboete van zesen-twintig frank tot honderd frank;

 

2° in de gevallen bedoeld in artikel 398, tweede lid, zijn de straffen gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank;

 

3° in de gevallen bedoeld in artikel 399, eerste lid, zijn de straffen gevangenisstraf van vier maanden tot vier jaar en geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank;

 

4° in de gevallen bedoeld in artikel 399, tweede lid, zijn de straffen gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank;

 

5° in de gevallen bedoeld in artikel 400, eerste lid, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar;

 

6° in de gevallen bedoeld in artikel 400, tweede lid, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar;

 

7° in de gevallen bedoeld in artikel 401, eerste lid, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar;

 

8° in de gevallen bedoeld in artikel 401, tweede lid, is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;

 

9° in de gevallen bedoeld in artikel 402 is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar;

 

10° in de gevallen bedoeld in artikel 403 is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.

 

11° in de gevallen bedoeld in artikel 404 is de straf opsluiting van zeventien jaar tot twintig jaar. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 28 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 405ter
[- In de gevallen bepaald in de artikelen 398 tot 405bis, indien de misdaad of het wanbedrijf is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die, uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, door zijn vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn, of door enige andere persoon die gezag heeft over de minderjarige of de onbekwame, of door een persoon die hen onder zijn bewaring heeft, of door een persoon die occasioneel of gewoonlijk samenwoont met het slachtoffer, wordt het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting. ]

 


 

ART. 405quater
[ In de gevallen bepaald in de artikelen 393 tot 405bis kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 34 - B.S. 30.5.2007)


 

ART. 406
[ Met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] wordt gestraft hij die kwaadwillig het verkeer op de spoorweg, de weg, de binnenwateren of op zee belemmert door enige handeling die een aanslag uitmaakt op de verkeerswegen, de kunstwerken of het materieel, of door enige andere handeling die het verkeer met of het gebruik van vervoermiddelen gevaarlijk kan maken of die ongevallen kan veroorzaken bij het gebruik van of het verkeer met die vervoermiddelen.

 

(W. 23.1.2003 - art. 70 - B.S. 13.3.2003)

 

Buiten de gevallen van het vorige lid wordt met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden, en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank gestraft hij die kwaadwillig het verkeer op de spoorweg, de weg, de binnenwateren of op zee belemmert door enig voorwerp dat een belemmering voor het verkeer met of voor het gebruik van vervoermiddelen uitmaakt.

 

Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die, door enige andere handeling, kwaadwillig het verkeer dat gaande is op de spoorweg of op de weg, belet. ]

 

(W. 7.6.1963 - art. 2 - B.S. 15.6.1963)
 

ART. 407
[Indien het feit verwondingen als bedoeld in artikel 399 ten gevolge heeft, wordt de schuldige veroordeeld tot opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. Hij wordt veroordeeld tot opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar indien het verwondingen betreft als bedoeld in artikel 400. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 71 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 408
Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met [ opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 72 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 409
[- § 1. Hij die eender welke vorm van verminking van de genitaliën van een persoon van het vrouwelijk geslacht uitvoert, vergemakkelijkt of bevordert, met of zonder haar toestemming, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie jaar tot vijf jaar.

 

De poging wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar.

 

§ 2. Indien de verminking uitgevoerd wordt op een minderjarige of met een winstoogmerk, is de straf opsluiting van vijf jaar tot zeven jaar.

 

§ 3. Indien de verminking een ongeneeslijk lijkende ziekte of een blijvende arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.

 

§ 4. Wanneer de verminking zonder het oogmerk om te doden, toch de dood ten gevolge heeft, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.

 

§ 5. Is de in § 1 bedoelde verminking op een minderjarige of een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, uitgevoerd door zijn vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn, of door enige andere persoon die gezag heeft over de minderjarige of de onbekwame, of door een persoon die hen onder zijn bewaring heeft, of door een persoon die occasioneel of gewoonlijk samenwoont met het slachtoffer, dan wordt het minimum van de bij de §§ 1 tot 4 bepaalde straffen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 29 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 410
[ Indien de schuldige, in de gevallen omschreven in de artikelen 398 tot 405, de misdaad of het wanbedrijf pleegt tegen zijn vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn, wordt de minimumstraf bedoeld in die artikelen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 30, 1° - B.S. 17.3.2001)

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 30, 2° - B.S. 17.3.2001)

 

[ Hetzelfde geldt [ ... ] ingeval de schuldige de misdaad of het wanbedrijf heeft gepleegd tegen zijn echtgenoot of de persoon met wie hij samenleeft of samengeleefd heeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft of gehad heeft. ] [ Bovendien wordt de maximumstraf, in het geval bepaald in artikel 398, eerste lid, verhoogd tot gevangenisstraf van een jaar. ]

 

(W. 24.11.1997 - art. 2 - B.S. 6.2.1998)

(W. 28.11.2000 - art. 30, 3° - B.S. 17.3.2001)

(W. 28.1.2003 - art. 2 - B.S. 12.2.2003)
 

ART. 410bis
[ Indien de schuldige, in de gevallen omschreven in de artikelen 398 tot 405, de misdaad of het wanbedrijf pleegt tegen een chauffeur, een begeleider, een controleur of een loketbediende van een uitbater van een netwerk voor openbaar vervoer, een postbode, een brandweerman, een lid van de civiele bescherming, een ambulancier, een arts, een apotheker, een kinesitherapeut, een verpleegkundige, een lid van het personeel aangesteld voor het onthaal in de spoeddiensten van de verzorgingsinstellingen, een maatschappelijk werker of een psycholoog van een openbare dienst, in de uitoefening van hun bediening, wordt de minimumstraf bedoeld in die artikelen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting.

 

Hetzelfde geldt wanneer de schuldige, die als leerling of student is ingeschreven in een onderwijsinstelling of er was ingeschreven tijdens de zes maanden die aan de feiten zijn voorafgegaan, of die vader, moeder of familielid van die leerling of student is, of enige andere persoon is die gezag heeft over die leerling of student of hem onder zijn bewaring heeft, de misdaad of het wanbedrijf heeft gepleegd tegen een lid van het personeel of van de directie van de onderwijsinstelling, tegen de personen die de opvang van leerlingen verzorgen in een medisch-pedagogisch Instituut dat door een gemeenschap wordt ingericht of gesubsidieerd, of tegen een externe actor die door de gemeenschapsoverheden belast is met het voorkomen en het oplossen van geweld op school, in de uitoefening van hun bediening. ]

 

(Ingevoegd W. 20.12.2006 - art. 6 - B.S. 12.2.2007)
 

AFDELING III Verschoonbare doodslag, verschoonbare verwondingen en verschoonbare slagen
ART. 411
Doodslag, verwondingen en slagen zijn verschoonbaar, indien zij onmiddellijk uitgelokt worden door zware gewelddaden tegen personen.
 
ART. 412
De misdaden en wanbedrijven, in het vorige artikel genoemd, zijn eveneens verschoonbaar, indien zij gepleegd worden bij het afweren overdag van de beklimming of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer blijkt dat de dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als rechtstreeks doel van hem die poogt in te klimmen of in te breken. hetzij als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten.
 
ART. 413
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 24.11.1997 - art. 3 - B.S. 6.2.1998)
 

ART. 414
Wanneer het verschonend feit bewezen is, wordt de straf verminderd als volgt:

 

Tot gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en tot geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank, indien het een misdaad betreft, waarop [ levenslange opsluiting ] of [ opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar ] gesteld is;

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(W. 23.1.2003 - art. 73 - B.S. 13.3.2003)

 

Tot gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en tot geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank, indien het enige andere misdaad betreft;

 

Tot gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en tot geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank, indien het een wanbedrijf betreft.
 

ART. 415
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 52 - B.S. 17.3.2001)
 

AFDELING IV Gerechtvaardigde doodslag, gerechtvaardigde verwondingen en gerechtvaardigde slagen
ART. 416
Er is noch misdaad, noch wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van een ander.
 
ART. 417
Onder de gevallen van ogenblikkelijke noodzaak van de verdediging worden de twee volgende gevallen begrepen:

 

Wanneer de doodslag gepleegd wordt, wanneer de verwondingen of de slagen toegebracht worden bij het afweren, bij nacht, van de beklimming of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer blijkt dat de dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als rechtstreeks doel van hem die poogt in te klimmen of in te breken, hetzij als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten;

 

Wanneer het feit plaatsheeft bij het zich verdedigen tegen de daders van diefstal of plundering die met geweld tegen personen wordt gepleegd.
 

[ AFDELING V Foltering, onmenselijke behandeling en onterende behandeling
ART. 417bis
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :

1° foltering : elke opzettelijke onmenselijke behandeling die hevige pijn of ernstig en vreselijk lichamelijk of geestelijk lijden veroorzaakt;

2° onmenselijke behandeling : elke behandeling waardoor een persoon opzettelijk ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht, onder meer om van hem inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem te straffen, of om druk op hem of op derden uit te oefenen, of hem of derden te intimideren;

3° onterende behandeling : elke behandeling die in de ogen van het slachtoffer of van derden een ernstige krenking of aantasting van de menselijke waardigheid uitmaakt. ]

(W. 14.6.2002 - art. 5 - B.S. 14.8.2002)

ART. 417ter
Hij die een persoon aan foltering onderwerpt, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.

Het misdrijf bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar in de volgende gevallen :

1° als het is gepleegd :

a) hetzij door een openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die handelt naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening;

b) hetzij op een persoon die ten gevolge van zwangerschap, een ziekte, dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid of wegens een precaire toestand bijzonder kwetsbaar is;

c) hetzij op een minderjarige;

2° of wanneer de handeling een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt.

Het misdrijf bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar als :

1° als het is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, door de vader, de moeder of door andere bloedverwanten in de opgaande lijn, door enig andere persoon die gezag over hem heeft of die hem onder zijn bewaring heeft, of door iedere meerderjarige persoon die occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenleeft;

2° of als het de dood heeft veroorzaakt, en gepleegd is zonder het oogmerk om te doden.

Het bevel van een meerdere of van een gezag kan het misdrijf bedoeld in het eerste lid niet verantwoorden. ]

(W. 14.6.2002 - art. 5 - B.S. 14.8.2002)

[ De noodtoestand kan het misdrijf bedoeld in het eerste lid niet verantwoorden. ]

(W. 18.5.2006 - art. 2 - B.S. 1.12.2006)
 

ART. 417quater
Hij die een persoon aan een onmenselijke behandeling onderwerpt, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.

Het misdrijf bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar in de volgende gevallen :

1° als het is gepleegd :

a) hetzij door een openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die handelt naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening;

b) hetzij op een persoon die ten gevolge van zwangerschap, een ziekte, dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid of wegens een precaire toestand bijzonder kwetsbaar is;

c) hetzij op een minderjarige;

2° of wanneer de handeling een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt.

Het misdrijf bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar :

1° als het is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, door de vader, de moeder of door andere bloedverwanten in de opgaande lijn, door enig andere persoon die gezag over hem heeft of die hem onder zijn bewaring heeft, of door iedere meerderjarige persoon die occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenleeft;

2° of als het de dood heeft veroorzaakt en gepleegd is zonder het oogmerk te doden.

Het bevel van een meerdere of van een gezag kan het misdrijf bedoeld in het eerste lid niet verantwoorden. ]

(W. 14.6.2002 - art. 5 - B.S. 14.8.2002)
 

ART. 417quinquies
Hij die een persoon aan een onterende behandeling onderwerpt, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van 50 EUR tot 300 EUR of met een van die straffen alleen. ]

(W. 14.6.2002 - art. 5 - B.S. 14.8.2002)
 

HOOFDSTUK II Onopzettelijk doden en onopzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel
ART. 418
Schuldig aan onopzettelijk doden of aan onopzettelijk toebrengen van letsel is hij die het kwaad veroorzaakt door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen.
 
ART. 419
Hij die onopzettelijk iemands dood veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank.

 

[ Wanneer de doding het gevolg is van een verkeersongeval dan bedraagt de gevangenisstraf drie maanden tot vijf jaar en de geldboete 50 euro tot 2000 euro. ]

 

(W. 20.7.2005 - art. 28 - B.S. 11.8.2005)
 

ART. 419bis
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 20.7.2005 - art. 30 - B.S. 11.8.2005)
 

ART. 420
Indien het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg alleen slagen of verwondingen ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft [ met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden ] en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen.

 

(W. 31.3.1936 - art. 1 - B.S. 19.4.1936)

 

[ Wanneer de slagen of verwondingen het gevolg zijn van een verkeersongeval dan bedraagt de gevangenisstraf acht dagen tot een jaar en de geldboete 50 euro tot 1000 euro. ]

 

(W. 20.7.2005 - art. 29 - B.S. 11.8.2005)
 

ART. 420bis
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 20.7.2005 - art. 30 - B.S. 11.8.2005)


 

ART. 421
Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die onopzettelijk bij een ander een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid veroorzaakt door hem stoffen toe te dienen, die de dood kunnen teweegbrengen of de gezondheid zwaar kunnen schaden.
 
ART. 422
Wanneer zich een treinongeval voordoet, dat de personen die zich in de trein bevinden, in gevaar kan brengen, wordt hij die onopzettelijk de oorzaak ervan is, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen.

 

Indien het ongeval enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank.

 

Indien het ongeval de dood van een persoon ten gevolge heeft, is de gevangenisstraf zes maanden tot vijf jaar en de geldboete honderd frank tot zeshonderd frank.
 

[ Enkele gevallen van schuldig verzuim ] (W. 6.1.1961 - art. 1 - B.S. 14.1.1961)
ART. 422bis
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot [ een jaar ] en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen.

 

Voor het misdrijf is vereist dat de verzuimer kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen. Heeft de verzuimer niet persoonlijk het gevaar vastgesteld waarin de hulpbehoevende verkeerde, dan kan hij niet worden gestraft, indien hij op grond van de omstandigheden waarin hij werd verzocht te helpen, kon geloven dat het verzoek niet ernstig was of dat er gevaar aan verbonden was. ]

 

(W. 6.1.1961 - art. 1 - B.S. 14.1.1961)

(W. 13.4.1995 - art. 4 - B.S. 25.4.1995)

 

[ De straf bedoeld in het eerste lid wordt op twee jaar gebracht indien de persoon die in groot gevaar verkeert, minderjarig is. ]

 

(W. 13.4.1995 - art. 4 - B.S. 25.4.1995)
 

ART. 422ter
[ Met de straffen in het vorige artikel bepaald wordt gestraft hij die, hoewel hij in staat is het te doen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen, weigert of nalaat aan iemand die in gevaar verkeert, de hulp te bieden waartoe hij wettelijk wordt opgevorderd; hij die, hoewel daartoe in staat, weigert of nalaat het werk of de dienst te doen of de hulp te verlenen waartoe hij wordt opgevorderd bij ongeval, beroering, schipbreuk, overstroming, brand of andere rampen, evenals in geval van roverij, plundering, ontdekking op heterdaad, vervolging door het openbaar geroep of van gerechtelijke tenuitvoerlegging. ]

 

(W. 6.1.1961 - art. 1 - B.S. 14.1.1691)
 

ART. 422quater
[ In de gevallen bepaald in de artikelen 422bis en 422ter kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 35 - B.S. 30.5.2007)
 

[ HOOFDSTUK III. - Aantasting van de persoon van minderjarigen, van onbekwamen en van het gezin.
AFDELING I. - Verlaten of in behoeftige toestand achterlaten van kinderen of onbekwamen
ART. 423
- § 1. Zij die een minderjarige of een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet in staat is om zichzelf te beschermen, op om het even welke plaats verlaten of doen verlaten, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.

 

§ 2. Indien de verlating een ernstige verminking van de in § 1 bedoelde persoon of een ongeneeslijk lijkende ziekte of het volledig verlies van het gebruik van een orgaan ten gevolge heeft, worden de schuldigen gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 3. Indien de verlating de dood van de in § 1 bedoelde persoon ten gevolge heeft, worden de schuldigen gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S. 17.3.2001)


 

ART. 424
- Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig frank tot zeshonderd frank of met een van die straffen alleen, onverminderd, indien daartoe grond bestaat, de toepassing van strengere strafbepalingen, worden gestraft :

 

De vader of moeder of de adoptanten die hun kind in behoeftige toestand achterlaten, ook al wordt het niet alleen gelaten, die weigeren het weer bij zich te nemen en weigeren zijn onderhoud te betalen als zij het aan een derde hebben toevertrouwd of als het bij rechterlijke beslissing aan een derde is toevertrouwd.

 

In geval van een tweede veroordeling wegens een van de in dit artikel omschreven misdrijven, gepleegd binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen van de eerste, kunnen de straffen worden verdubbeld. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S. 17.3.2001)
 

AFDELING II. - Onthouden van voedsel of verzorging aan minderjarigen en aan onbekwamen
ART. 425
- § 1. Zij die een minderjarige of een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet in staat is om in zijn onderhoud te voorzien, opzettelijk voedsel of verzorging onthouden, in dusdanige mate dat zijn gezondheid in het gedrang wordt gebracht, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 2. Indien het onthouden van voedsel of verzorging een ongeneeslijk lijkende ziekte, het volledige verlies van het gebruik van een orgaan of ernstige verminking ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.

 

§ 3. Indien het opzettelijk onthouden van voedsel of verzorging, zonder het oogmerk om te doden, toch de dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S. 17.3.2001)

 

 


 

ART. 426
- § 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen, onverminderd, indien daartoe grond bestaat, de toepassing van strengere strafbepalingen, worden gestraft zij die de bewaring hebben van een minderjarige of van een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet in staat is om in zijn onderhoud te voorzien, het onderhoud van het kind of van de persoon in dusdanige mate nagelaten hebben dat zijn gezondheid in het gedrang wordt gebracht.

 

§ 2. Indien de nalatigheid de dood veroorzaakt van de minderjarige of van de persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S. 17.3.2001)
 

AFDELING III. - Bepaling aan de afdelingen I en II gemeen
ART. 427
- In de gevallen omschreven in de artikelen 423, 425 en 426, wordt de minimumstraf gesteld in die artikelen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting indien de schuldige de daden tegen zijn vader, moeder, adoptanten of andere bloedverwanten in de opgaande lijn heeft gepleegd.

 

Hetzelfde geldt indien de schuldige, de vader, de moeder of de adoptant is van het slachtoffer dan wel elke andere persoon die gezag over het slachtoffer heeft of de bewaring ervan heeft. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S. 17.3.2001)
 

AFDELING IV. - Ontvoering en verberging van minderjarigen
ART. 428
- § 1. Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft hij die een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, ontvoert of doet ontvoeren, zelfs als de minderjarige zijn ontvoerder vrijwillig is gevolgd.

 

§ 2. Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft hij die een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, ontvoert of doet ontvoeren door geweld, list of bedreiging.

 

§ 3. [ ... ]

 

(Opgeheven W. 14.6.2002 - art. 6 - B.S. 14.8.2002)

 

§ 4. De straf is opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar indien de ontvoering of de gevangenhouding van de ontvoerde minderjarige, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft.

 

§ 5. Indien de ontvoering of de gevangenhouding de dood ten gevolge heeft, is de straf opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 429
- Met dezelfde straffen als de dader van de ontvoering wordt gestraft hij die een minderjarige van wie hij weet dat hij is ontvoerd, bij zich houdt. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 430
- In de gevallen bedoeld in de artikelen 428 en 429, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 428, §§ 3 tot 5, is de straf gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en geldboete van tweehonderd frank tot vijfhonderd frank indien, binnen vijf dagen na de ontvoering, de ontvoerder of de persoon bedoeld in artikel 429 de minderjarige vrijwillig heeft teruggegeven. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S. 17.3.2001)
 

AFDELING V. - Niet-afgeven van kinderen
ART. 431
- Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank of met een van die straffen alleen worden gestraft zij aan wie een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaar is toevertrouwd en hem niet afgeven aan de personen die het recht hebben hem op te eisen.

 

Indien de schuldige deze minderjarige meer dan vijf dagen verborgen houdt voor degenen die het recht hebben hem op te eisen of deze minderjarige onrechtmatig buiten het grondgebied van het Koninkrijk vasthoudt, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen. ]

 

 

(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S. 17.3.2001)

 


 

ART. 432
- § 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank, of met een van deze straffen alleen worden gestraft :

 

de vader of moeder die het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de rechtsvervolging, tegen dit kind ingesteld uit kracht van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming of betreffende de jeugdbijstand, die het onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van de personen aan wie de bevoegde overheid het heeft toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.

 

Is de schuldige geheel of ten dele ontzet uit de ouderlijke macht, dan kan de gevangenisstraf tot drie jaar worden verhoogd.

 

§ 2. Indien de schuldige het minderjarige kind meer dan vijf dagen verborgen houdt voor degenen die het recht hebben het op te eisen of het minderjarige kind onrechtmatig buiten het grondgebied van het Koninkrijk vasthoudt, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank, of met een van deze straffen alleen.

 

Is de schuldige geheel of ten dele ontzet uit de ouderlijke macht, dan is de gevangenisstraf minstens drie jaar.

 

§ 3. Wanneer over de bewaring van het minderjarige kind mocht zijn beslist, hetzij gedurende het verloop of ten gevolge van een geding tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, hetzij in andere bij de wet bepaalde omstandigheden, dan worden de straffen bepaald in de §§ 1 en 2 toegepast op de vader of de moeder die het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing is toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.

 

§ 4. Indien over de bewaring van het minderjarige kind een aan de rechtspleging door onderlinge toestemming voorafgaande minnelijke schikking is getroffen, worden de straffen bepaald in §§ 1 en 2 toegepast op de vader of de moeder die, vanaf de datum van de overschrijving van de echtscheiding door onderlinge toestemming, het minderjarige kind onttrekt of poogt te ontrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing of de minnelijke schikking is toevertrouwd, die het niet afgeeft aan hen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S. 17.3.2001)
 

[ AFDELING VI. - Gebruik van minderjarigen met het oog op het plegen van een misdaad of een wanbedrijf ] (Ingevoegd W. 10.8.2005 - art. 3 - B.S. 2.9.2005)
ART. 433
[ Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 433quinquies, wordt eenieder die een minderjarige, rechtstreeks of via een tussenpersoon, aantrekt of gebruikt om, op één van de in artikel 66 bepaalde wijzen, een misdaad of een wanbedrijf te plegen, gestraft met de straffen bepaald voor die misdaad of dat wanbedrijf, waarvan het minimum van de vrijheidsstraf verhoogd wordt met één maand ingeval het maximum van de bepaalde gevangenisstraf één jaar is, met twee maanden wanneer het maximum twee jaar is, met drie maanden wanneer het maximum drie jaar is, met vijf maanden wanneer het maximum vijf jaar is en met twee jaar in het geval van tijdelijke opsluiting, en waarvan, in voorkomend geval, het minimum van de geldboete verdubbeld wordt.

 

Het minimum van de in het eerste lid bepaalde straffen wordt nogmaals, en in dezelfde verhouding verhoogd ingeval :

 

1° de minderjarige jonger is dan zestien jaar, of

 

2° de persoon bedoeld in het eerste lid misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin de minderjarige verkeert, of

 

3° de persoon bedoeld in het eerste lid, de vader, de moeder of een andere bloedverwant in de opgaande lijn is, de adoptant, of enige andere persoon die gezag heeft over de minderjarige, of een persoon die hem onder zijn bewaring heeft, of

 

4° een gewoonte wordt gemaakt van het aantrekken of gebruiken van minderjarigen om een misdaad of een wanbedrijf te plegen. ]

 

(W. 10.8.2005 - art. 4 - B.S. 2.9.2005)
 

[ AFDELING VII. - Aantasting van de persoonlijke levenssfeer van minderjarigen ] (Ingevoegd W. 10.8.2005 - art. 5 - B.S. 2.9.2005)
ART. 433bis
[ Publicatie en verspreiding van het verslag van de debatten voor de jeugdrechtbank, voor de onderzoeksrechter en voor de kamers van het hof van beroep die bevoegd zijn om over het hoger beroep tegen hun beslissingen te oordelen, door middel van boeken, pers, film, radio, televisie, of op enige andere wijze, zijn verboden.

 

Alleen de motieven en het beschikkend gedeelte van de in openbare terechtzitting uitgesproken rechterlijke beslissing vormen, onder voorbehoud van de toepassing van het derde lid, hierop een uitzondering.

 

Publicatie en verspreiding door middel van welke procédés ook van teksten, tekeningen, foto's of beelden waaruit de identiteit kan blijken van een persoon die vervolgd wordt, of ten aanzien van wie een maatregel is genomen als bedoeld in de [ de artikelen 37, 39, 43, 49, 52, 52quater en 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade ] of in de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, zijn eveneens verboden. Hetzelfde geldt voor de persoon ten aanzien van wie een maatregel genomen is in het kader van de rechtspleging als bedoeld in artikel 63bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.

 

(W. 15.5.2006 - art. 22 - B.S. 2.6.2006)

 

Overtreding van dit artikel wordt gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van driehonderd euro tot drieduizend euro of met een van die straffen alleen. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art. 6 - B.S. 2.9.2005)
 

[ HOOFDSTUK IIIbis. Exploitatie van bedelarij ] (Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 6 - B.S. 2.9.2005)
ART. 433ter
[ Met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro wordt gestraft :

 

1° hij die een persoon aanwerft, meeneemt, wegbrengt, bij zich houdt teneinde hem over te leveren aan de bedelarij, hem ertoe aanzet te bedelen of door te gaan met bedelen, of hem ter beschikking van een bedelaar stelt opdat deze laatste zich van hem bedient om het openbaar medelijden op te wekken;

 

2° hij die, op welke manier ook, eens anders bedelarij exploiteert.

 

Poging tot de in het eerste lid bedoelde misdrijven wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met een geldboete van honderd euro tot tweeduizend euro. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 7 - B.S. 2.9.2005)
 

ART. 433quater
[ Het in artikel 433ter, eerste lid, bedoelde misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijftigduizend euro wanneer het wordt gepleegd :

 

1° ten opzichte van een minderjarige;

 

2° door misbruik te maken van de bijzonder kwetsbare positie waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand of tengevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken;

 

3° door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige andere vorm van dwang. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 8 - B.S. 2.9.2005)
 

[ HOOFDSTUK IIIter Mensenhandel ] (Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 9 - B.S. 2.9.2005)
ART. 433quinquies
[ § 1. Levert het misdrijf mensenhandel op, de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van een persoon, de wisseling of de overdracht van de controle over hem teneinde :

 

1° ten aanzien van deze persoon de misdrijven te laten plegen die bedoeld worden in de artikelen 379, 380, § 1 en § 4, en 383bis, § 1;

 

2° ten aanzien van deze persoon het misdrijf te laten plegen dat bedoeld wordt in artikel 433ter ;

 

3° deze persoon aan het werk te zetten of te laten aan het werk zetten in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid;

 

4° bij deze persoon organen of weefsels weg te nemen of te laten wegnemen in strijd met de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen;

 

5° of deze persoon tegen zijn wil een misdaad of een wanbedrijf te doen plegen.

 

Behalve in het in 5 bedoelde geval is de toestemming van de in het eerste lid bedoelde persoon met de voorgenomen of daadwerkelijke uitbuiting van geen belang.

 

§ 2. Het in § 1 bedoelde misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van één jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijftigduizend euro.

 

§ 3. Poging tot het in § 1 bedoelde misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van één jaar tot drie jaar en met geldboete van honderd euro tot tienduizend euro. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 10 - B.S. 2.9.2005)
 

ART. 433sexies
[ Het in artikel 433quinquies, § 1, bedoelde misdrijf wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van zevenhonderd vijftig euro tot vijfenzeventigduizend euro ingeval het werd gepleegd :

 

1° door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer of door een persoon die misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen;

 

2° door een openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die handelt naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 11 - B.S. 2.9.2005)


 

ART. 433septies
[ Het in artikel 433quinquies, § 1, bedoelde misdrijf wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van duizend euro tot honderdduizend euro in de volgende gevallen :

 

1° ingeval het misdrijf is gepleegd ten opzichte van een minderjarige;

 

2° ingeval het is gepleegd door misbruik te maken van de bijzonder kwetsbare positie waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken;

 

3° ingeval het is gepleegd door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang;

 

4° ingeval het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht;

 

5° ingeval het misdrijf een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt;

 

6° in geval van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;

 

7° ingeval het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 12 - B.S. 2.9.2005)
 

ART. 433octies
[ Het in artikel 433quinquies, § 1, bedoelde misdrijf wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend euro tot honderdvijftigduizend euro in de volgende gevallen :

 

1° ingeval het misdrijf de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt zonder het oogmerk te doden;

 

2° ingeval het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 13 - B.S. 2.9.2005)


 

ART. 433novies
[ In de gevallen bedoeld in de artikelen 433sexies, 433septies en 433octies worden de schuldigen bovendien veroordeeld tot ontzetting van de in artikel 31 genoemde rechten.

 

Zonder rekening te houden met de hoedanigheid van natuurlijke persoon of rechtspersoon van de uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder, kan de rechtbank de tijdelijke of definitieve, gedeeltelijke of volledige sluiting bevelen van de onderneming waar het in artikel 433quinquies bedoelde misdrijf is gepleegd.

 

De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, wordt toegepast op degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan het in artikel 433quinquies bedoelde misdrijf, zelfs wanneer de zaken waarop zij betrekking heeft geen eigendom van de veroordeelde zijn, zonder dat deze verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring schaadt. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 14 - B.S. 2.9.2005)


 

[ HOOFDSTUK IIIquater Misbruik van andermans bijzonder kwetsbare positie door de verkoop, verhuur of terbeschikkingstelling van goederen met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren ] (Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 15 - B.S. 2.9.2005)
ART. 433decies
[ Met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro wordt gestraft hij die rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie van een persoon ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand of zijn precaire sociale toestand door, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, een roerend goed, een deel ervan, een onroerend goed, een kamer of een andere in artikel 479 bedoelde ruimte, te verkopen, te verhuren of ter beschikking te stellen in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken. De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 16 - B.S. 2.9.2005)
 

ART. 433undecies
[ Het in artikel 433decies bedoelde misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van duizend euro tot honderdduizend euro in de volgende gevallen :

 

1° ingeval van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;

 

2° in geval het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.

 

De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 17 - B.S. 2.9.2005)


 

ART. 433duodecies
[ Het in artikel 433decies bedoelde misdrijf wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van duizend euro tot honderdvijftigduizend euro ingeval het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.

 

De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 18 - B.S. 2.9.2005)
 

ART. 433terdecies
[ In de gevallen bedoeld in de artikelen 433undecies en 433duodecies worden de schuldigen bovendien veroordeeld tot de ontzetting van de rechten bedoeld in artikel 31.

 

De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, wordt toegepast op de schuldigen aan het misdrijf bedoeld in artikel 433decies, zelfs ingeval de zaken waarop zij betrekking heeft niet het eigendom van de veroordeelde zijn, zonder dat deze verbeurdverklaring evenwel afbreuk kan doen aan de rechten van de derden op de goederen die verbeurd zouden kunnen worden verklaard. Zij moet in dezelfde omstandigheden ook worden toegepast op het roerend goed, het deel ervan, het onroerend goed, de kamer of enige andere ruimte bedoeld in dat artikel. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 19 - B.S. 2.9.2005)

 

[ Ze kan ook worden toegepast op de tegenwaarde van deze roerende of onroerende goederen die werden vervreemd tussen het tijdstip waarop het misdrijf werd gepleegd en de definitieve rechterlijke beslissing. ]

 

(W. 9.2.2006 - art. 3 - B.S. 28.2.2006)
 

ART. 433quaterdecies
[ Naargelang van het geval kan de procureur des Konings of de onderzoeksrechter beslag leggen op het roerend goed, het deel ervan, het onroerend goed, de kamer of enige andere in artikel 433decies bedoelde ruimte. Indien hij beslist tot inbeslagneming moet voormeld roerend goed, het deel ervan, het onroerend goed, de kamer of enige andere in artikel 433decies bedoelde ruimte worden verzegeld, of met schriftelijk akkoord van de eigenaar of verhuurder, ter beschikking worden gesteld van het O.C.M.W. teneinde opgeknapt en tijdelijk verhuurd te worden. De beslissing tot inbeslagneming van, naargelang van het geval, de procureur des Konings of de onderzoeksrechter wordt betekend aan de eigenaar of de verhuurder. In geval van beslag op een onroerend goed moet de beslissing bovendien worden betekend uiterlijk binnen vierentwintig uur, alsmede ter overschrijving worden aangeboden op het kantoor der hypotheken van de plaats waar het goed gelegen is. Als dagtekening van de overschrijving geldt de dag van de betekening van de beslissing tot inbeslagneming. Het beslag geldt tot op het tijdstip van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij hetzij de verbeurdverklaring werd bevolen, hetzij de opheffing van het beslag wordt uitgesproken. Opheffing van het beslag kan voordien te allen tijde worden verleend, al naar gelang van het geval, door de procureur des Konings of door de onderzoeksrechter nadat deze de procureur des Konings daarvan in kennis heeft gesteld. De beslagene kan de rechtsmiddelen waarin voorzien wordt in de artikelen 28sexies en 61quater van het Wetboek van strafvordering slechts instellen na verloop van een termijn van een jaar te rekenen van de datum van de inbeslagneming. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 20 - B.S. 2.9.2005)


 

ART. 433quinquiesdecies
[ In de in artikel 433decies van het Strafwetboek bedoelde gevallen kunnen slachtoffers op beslissing, naargelang het geval, van de bevoegde minister, van de bevoegde overheid of de door hen aangewezen ambtenaren, in overleg met de terzake bevoegde diensten, in voorkomend geval worden opgevangen of gehuisvest. Deze huisvestingskosten komen ten laste van de beklaagde.

Wanneer de beklaagde wordt vrijgesproken, worden de kosten ten laste gelegd al naargelang het geval, van de Staat of van het bevoegde O.C.M.W. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 21 - B.S. 2.9.2005)


 

HOOFDSTUK IV Aanslag op de persoonlijke vrijheid en op de onschendbaarheid van de woning, gepleegd door bijzondere personen
ART. 434
Met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank worden gestraft zij die iemand aanhouden of doen aanhouden, gevangen houden of doen gevangen houden, zonder een bevel van het gestelde gezag en buiten de gevallen waarin de wet de aanhouding of de gevangenhouding van bijzondere personen toelaat of voorschrijft.
 
ART. 435
De gevangenisstraf is zes maanden tot drie jaar en de geldboete vijftig frank tot driehonderd frank, indien de wederrechtelijke en willekeurige vrijheidsberoving langer dan tien dagen duurt.
 
ART. 436
Indien de wederrechtelijke en willekeurige vrijheidsberoving langer dan een maand duurt, wordt de schuldige veroordeeld tot gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en tot geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.
 
ART. 437
[ Opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] wordt uitgesproken, indien de aanhouding verricht wordt, hetzij op een vals bevel van het openbaar gezag, hetzij in de kledij of onder de naam van een van zijn agenten, of indien de aangehouden of gevangen gehouden persoon met de dood bedreigd wordt.

 

(W. 23.1.2003 - art. 74 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 438
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 14.6.2002 - art. 7 - B.S. 14.8.2002)
 

ART. 438bis
[ In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 36 - B.S. 30.5.2007)
 

ART. 439
Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank wordt gestraft hij die, zonder een bevel van de overheid en buiten de gevallen waarin de wet toelaat in de woning van bijzondere personen tegen hun wil binnen te treden, in een door een ander bewoond huis, appartement, kamer of verblijf, of in de aanhorigheden ervan binnendringt, hetzij met behulp van bedreiging of geweld tegen personen, hetzij door middel van braak, inklimming of valse sleutels.
 
ART. 440
De gevangenisstraf is zes maanden tot vijf jaar en de geldboete honderd frank tot vijfhonderd frank, indien het feit gepleegd wordt, hetzij op een vals bevel van het openbaar gezag, hetzij in de kledij, hetzij onder de naam van een van haar agenten, hetzij met vereniging van de volgende drie omstandigheden:

Dat het feit wordt gepleegd bij nacht;

Dat het wordt gepleegd door twee of meer personen;

Dat de schuldigen of een van hen wapens bij zich hebben.

De schuldigen kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 [ ... ].

 

(W. 9.4.1930 - art. 31 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 441
Poging tot het in het vorige artikel omschreven wanbedrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank.
 
ART. 442
Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank wordt gestraft hij die, zonder toestemming van de eigenaar of van de huurder, in de bij artikel 439 aangewezen plaatsen binnendringt en daar bij nacht wordt aangetroffen.
 
[ HOOFDSTUK IVbis Belaging ] (W. 30.10.1998 - art. 2 - B.S. 17.12.1998)
ART. 442bis
[Hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank of met een van die straffen alleen.

 

Tegen het in dit artikel bedoelde misdrijf kan alleen vervolging worden ingesteld op een klacht van de persoon die beweert te worden belaagd. ]

 

(W. 30.10.1998 - art. 2 - B.S. 17.12.1998)
 

ART. 442ter
[ In de gevallen bepaald in artikel 442bis kan het minimum van de bij dit artikel bepaalde correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 37 - B.S. 30.5.2007)
 

HOOFDSTUK V Aanranding van de eer of de goede naam van personen
ART. 443
Hij die in de hierna aangeduide gevallen aan een persoon kwaadwillig een bepaald feit ten laste legt, dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen, en waarvan het wettelijk bewijs niet wordt geleverd, is schuldig aan laster, wanneer de wet het bewijs van het ten laste gelegde feit toelaat, en aan eerroof, wanneer de wet dit bewijs niet toelaat.

 

[ Wanneer het ten laste gelegde feit hierin bestaat dat gedurende vijandelijkheden is geheuld met de vijand, hetzij door hem te helpen door het verschaffen van soldaten, manschappen, geld, levensmiddelen, wapens, munitie of materialen, hetzij door hem het betreden van het grondgebied, het zich handhaven of het verblijven aldaar door enig middel mogelijk of gemakkelijk te maken, zonder daartoe gedwongen of gevorderd te zijn, is het bewijs daarvan altijd ontvankelijk en kan het door alle middelen geleverd worden.

 

Wordt een genoegzaam bewijs geleverd, dan geeft de tenlastelegging geen aanleiding tot enige strafvervolging ]

 

(W. 11.10.1919 - enig art. - B.S. 29/30.3.1920)
 

ART. 444
De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank, wanneer de tenlasteleggingen geschieden:

 

Hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen;

 

Hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken;

 

Hetzij om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen;

 

Hetzij door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden;

 

Hetzij ten slotte door geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden.
 

ART. 445
Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank wordt gestraft:

 

Hij die schriftelijk bij de overheid een lasterlijke aangifte indient;

 

Hij die schriftelijk aan een persoon lasterlijke aantijgingen tegen zijn ondergeschikte toestuurt.
 

ART. 446
Laster en eerroof jegens een gesteld lichaam worden op dezelfde wijze gestraft als laster en eerroof jegens individuele personen.
 
ART. 447
Hij die van laster beticht wordt wegens tenlasteleggingen, gericht, hetzij tegen dragers of agenten van het gezag of tegen enig persoon met een openbare hoedanigheid bekleed, hetzij tegen enig gesteld lichaam, naar aanleiding van feiten in verband met hun bediening, wordt toegelaten om door alle gewone middelen het bewijs van de ten laste gelegde feiten te leveren, behoudens het tegenbewijs door dezelfde middelen.

 

Indien het een feit betreft dat tot het private leven behoort, mag de dader van de tenlastelegging geen ander bewijs tot zijn verdediging aanvoeren dan het bewijs dat volgt uit een vonnis of uit enige andere authentieke akte.

 

Indien het ten laste gelegde feit het voorwerp is van een strafvervolging of een aangifte waarover nog geen uitspraak is gedaan, wordt de vordering wegens laster geschorst tot het definitief vonnis of tot de eindbeslissing van de bevoegde overheid.

 

[ Zo de strafvordering of de tuchtvordering met betrekking tot het ten laste gelegde feit vervallen is, wordt het betrokken dossier bij het dossier van het geding wegens laster gevoegd en wordt de vordering wegens laster hervat.

 

In geval van een beslissing van seponering of buitenvervolgingstelling betreffende de vordering met betrekking tot het ten laste gelegde feit, wordt de vordering wegens laster hervat, onverminderd een schorsing van deze vordering wanneer het onderzoek met betrekking tot het ten laste gelegde feit een nieuwe gerechtelijke ontwikkeling kent. ]

 

(W. 4.7.2001 - art. 2 - B.S. 10.8.2001)
 

ART. 448
Hij die hetzij door daden, hetzij door geschriften, prenten of zinnebeelden iemand beledigt in een van de omstandigheden in artikel 444 bepaald, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen.

 

[ Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, in een van de omstandigheden in artikel 444 bepaald, iemand die drager is van het openbaar gezag of van de openbare macht of die met een openbare hoedanigheid is bekleed, door woorden beledigt in zijn hoedanigheid of wegens zijn bediening. ]

 

(W. 27.7.1934 - art. 3 - B.S. 28.7.1934)
 

ART. 449
Indien er op het ogenblik van het misdrijf een wettelijk bewijs van de ten laste gelegde feiten bestaat en het blijkt dat de beklaagde de tenlastelegging heeft gedaan zonder enige reden van openbaar of van privaat belang en enkel met het oogmerk om te schaden, wordt hij, als schuldig aan kwaadwillige ruchtbaarmaking, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vierhonderd frank of met een van die straffen alleen.
 
ART. 450
De in dit hoofdstuk omschreven misdrijven tegen bijzondere personen gepleegd, de lasterlijke aangifte uitgezonderd, kunnen niet worden vervolgd dan op klacht van de persoon die beweert beledigd te zijn.

 

Indien de persoon overleden is zonder een klacht te hebben gedaan of zonder daarvan te hebben afgezien, of indien de laster of de eerroof tegen iemand is gericht na zijn overlijden, kan de vervolging niet geschieden dan op klacht van zijn echtgenoot, van zijn afstammelingen of [ wettelijke ] erfgenamen tot en met de derde graad.

 

(W. 31.3.1987 - art. 98 - B.S. 27.5.1987)
 

ART. 451
Niemand kan als rechtvaardigings- of verschoningsgrond aanvoeren dat de geschriften, drukwerken, prenten of zinnebeelden die het voorwerp van de vervolging uitmaken, slechts de reproduktie zijn van uitgaven die in België of in het buitenland verschenen zijn.
 
ART. 452
[ Vóór de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overlegde geschriften, geven geen aanleiding tot strafvervolging wanneer die woorden of die geschriften op de zaak of op de partijen betrekking hebben.

 

Lasterlijke, beledigende of eerrovende tenlasteleggingen die aan de zaak of aan de partijen vreemd zijn kunnen aanleiding geven hetzij tot een strafvordering hetzij tot burgerlijke rechtsvordering van de partijen of van derden. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 141 - B.S. 31.10.1967)
 

ART. 453
Bijzondere bepaling

 

Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank wordt gestraft hij die zich schuldig maakt aan grafschennis.
 

ART. 453bis
[ In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het minimum van de correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 38 - B.S. 30.5.2007)
 

HOOFDSTUK VI Enige andere wanbedrijven tegen personen
ART. 454
Hij die onder spijzen of dranken of onder voedingsmiddelen of voedingswaren, welke dan ook, bestemd om verkocht of gesleten te worden, stoffen mengt of doet mengen die de dood kunnen teweegbrengen of de gezondheid zwaar kunnen schaden, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot tweeduizend frank.
 
ART. 455
Met de straffen, bij het vorige artikel bepaald, wordt gestraft:

 

Hij die spijzen, dranken, voedingsmiddelen of voedingswaren, welke dan ook, verkoopt, slijt of te koop stelt, wetende dat zij stoffen bevatten die de dood kunnen teweegbrengen of de gezondheid zwaar kunnen schaden;

 

Hij die deze stoffen verkoopt of verschaft, wetende dat zij tot vervalsing van voedingsmiddelen of voedingswaren moeten dienen.
 

ART. 456
Met gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank wordt gestraft hij die in zijn magazijn, in zijn winkel of in enige andere plaats spijzen, dranken, voedingsmiddelen of voedingswaren heeft, die bestemd zijn om verkocht of gesleten te worden, wetende dat zij stoffen bevatten die de dood kunnen teweegbrengen of de gezondheid zwaar kunnen schaden.
 
ART. 457
De vermengde spijzen, dranken, voedingswaren of voedingsmiddelen worden in beslag genomen, verbeurd verklaard en onbruikbaar gemaakt.

 

[ ... ]

 

De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.

 

De rechtbank beveelt dat het vonnis zal worden aangeplakt op de plaatsen die zij bepaalt, en in zijn geheel of bij uittreksel zal worden opgenomen in de bladen die zij aanwijst; een en ander op kosten van de veroordeelde.

 

(W. 29.10.1919 - art. 90 - B.S. 7.11.1919)
 

ART. 458
Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte [ of voor een parlementaire onderzoekscommissie ] getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.

 

(W. 30.6.1996 - art. 10 - B.S. 16.7.1996)
 

ART. 458bis
[- Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en die hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425 en 426, gepleegd op een minderjarige kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, op voorwaarde dat hij het slachtoffer heeft onderzocht of door het slachtoffer in vertrouwen werd genomen, er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de psychische of fysieke integrieteit van de betrokkene en hij deze integriteit zelf of met hulp van anderen niet kan beschermen. ]

 

(W. 28.11.2000 - art. 33 - B.S. 17.3.2001)
 

ART. 459
Met dezelfde straffen worden gestraft de bedienden of agenten van de berg van barmhartigheid die aan anderen dan aan de officieren van politie of aan de rechterlijke overheid de naam bekendmaken van hen die in deze instelling zaken hebben gezet of hebben doen zetten.
 
ART. 460
Hij die schuldig bevonden wordt aan het wegmaken van een aan de post toevertrouwde brief of aan het openen van een zodanige brief om het geheim ervan te schenden, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen, onverminderd zwaardere straffen, indien de schuldige een ambtenaar of een agent van de Regering of van de posterijen is.
 
ART. 460bis
[Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die het afschrift van een exploot dat hij in zijn bezit heeft ingevolge artikel 68bis van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wegmaakt of die de omslag opent waarin dit afschrift zich bevindt, om het geheim ervan te schenden, behalve, in dit laatste geval, wanneer hij een van de ouders is van een minderjarig kind, ofwel de echtgenoot, de voogd, de bewindvoerder, de curator of de gerechtelijke raadsman van de betrokken persoon. ]

 

(W. 14.1.1928 - art. 4 - B.S. 16/17.1.1928)
 

ART. 460ter
[Elk gebruik door de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij van door de inzage in het dossier verkregen inlichtingen, dat tot doel en tot gevolg heeft het verloop van het gerechtelijk onderzoek te hinderen, inbreuk te maken op het privéleven, de fysieke of, morele integriteit of de goederen van een in het dossier genoemde persoon, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar of met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank. ]

 

(W. 12.3.1998 - art. 44 - B.S. 2.4.1998)


 

TITEL IX Misdaden en wanbedrijven tegen eigendommen

EERSTE HOOFDSTUK Diefstal en afpersing
ART. 461
Hij die een zaak die hem niet toebehoort, bedrieglijk wegneemt, is schuldig aan diefstal.

 

[ Met diefstal wordt gelijkgesteld het bedrieglijk wegnemen van andermans goed voor een kortstondig gebruik. ]

 

(W. 25.6.1964 - art. 1 - B.S. 8.7.1964)
 

ART. 462
Diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, door een weduwnaar of een weduwe wat zaken betreft die aan de overleden echtgenoot hebben toebehoord, door afstammelingen ten nadele van hun bloedverwanten in de opgaande lijn, door bloedverwanten in de opgaande lijn ten nadele van hun afstammelingen, of door aanverwanten in dezelfde graden, geven alleen aanleiding tot burgerrechtelijke vergoeding.

 

Ieder ander persoon die aan deze diefstallen deelneemt of die de gestolen voorwerpen of een gedeelte ervan heelt, wordt gestraft alsof de vorige bepaling niet bestond.
 

EERSTE AFDELING Diefstal zonder geweld of bedreiging
ART. 463
Diefstallen, in dit hoofdstuk niet nader omschreven, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.

 

[ In het geval bedoeld bij artikel 461, tweede lid, bedraagt de gevangenisstraf echter niet meer dan drie jaren. ]

 

(W. 25.6.1964 - art. 2 - B.S. 8.7.1964)
 

ART. 464
De gevangenisstraf is ten minste drie maanden, indien de dief een dienstbode of een loondienaar is, zelfs wanneer hij de diefstal gepleegd heeft ten nadele van andere personen dan die welke hij diende, maar die zich bevonden hetzij in het huis van de meester, hetzij in het huis waar hij hem vergezelde, of indien de dief een werkman, gezel of leerling is, die de diefstal heeft gepleegd in het huis, het werkhuis of het magazijn van zijn meester, of ook indien de dief een persoon is die gewoonlijk arbeid verricht in de woning waar hij gestolen heeft.
 
ART. 465
In de gevallen van de vorige artikelen kunnen de schuldigen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 [ ... ].

 

(W. 9.4.1930 - art. 31 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 466
Poging tot een van de diefstallen, in de vorige artikelen vermeld, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
 
ART. 467
Diefstal wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ]:

 

(W. 23.1.2003 - art. 75 - B.S. 13.3.2003)

 

Indien hij gepleegd wordt door middel van braak, inklimming of valse sleutels;

 

Indien hij gepleegd wordt door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening;

 

Indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen.
 

AFDELING II Diefstal door middel van geweld of bedreiging gepleegd en afpersing
ART. 468
Hij die een diefstal pleegt door middel van geweld of bedreiging, wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ].

 

(W. 23.1.2003 - art. 75 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 469
Met diefstal gepleegd door middel van geweld of bedreiging wordt gelijkgesteld het geval waarin de dief op heterdaad betrapt wordt en geweld of bedreigingen gebruikt hetzij om in het bezit van de weggenomen voorwerpen te kunnen blijven, hetzij om zijn vlucht te verzekeren.
 
ART. 470
Met de straffen, bij het artikel 468 bepaald, wordt gestraft alsof hij een diefstal met geweld of bedreiging had gepleegd, hij die met behulp van geweld of bedreiging afperst, hetzij gelden, waarden, roerende voorwerpen, schuldbrieven, biljetten, promessen, kwijtingen, hetzij de ondertekening of de afgifte van enig stuk dat een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhoudt of teweegbrengt.
 
ART. 471
[ In de gevallen van de artikelen 468, 469 en 470 is de straf de opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar :

 

indien het misdrijf wordt gepleegd door middel van braak, inklimming of valse sleutels;

indien het misdrijf wordt gepleegd door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening;

indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen;

indien het misdrijf gepleegd wordt bij nacht;

indien het misdrijf gepleegd wordt door twee of meer personen;

indien de schuldige, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een voertuig of enig ander al of niet met een motor aangedreven tuig. ]

 

(W. 11.12.2001 - art. 3 - B.S. 7.2.2002)
 

ART. 472
[In de gevallen van de artikelen 468, 469 en 470 is de straf de opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar :

 

indien het misdrijf wordt gepleegd onder twee van de in artikel 471 vermelde omstandigheden;

indien wapens of op wapens gelijkende voorwerpen worden gebruikt of getoond, of indien de schuldige doet geloven dat hij gewapend is;

indien de schuldige, om het misdrijf te plegen of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van weerloosmakende of giftige stoffen;

indien de schuldige, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een voertuig of enig ander al of niet met een motor aangedreven tuig, dat verkregen is door een misdaad of een wanbedrijf;

indien de schuldige, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig voorzien van kentekens of toestellen waardoor verwarring kan ontstaan met een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig van de ordediensten. ]

 

(W. 11.12.2001 - art. 4 - B.S. 7.2.2002)
 

ART. 473
[ In de gevallen van de artikelen 468, 469, 470 en 471 is de straf [ opsluiting ] van vijftien jaar tot twintig jaar, indien het geweld of de bedreiging, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysische of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft.

 

(W. 14.6.2002 - art. 8 - B.S. 14.8.2002)

 

Dezelfde straf wordt toegepast, indien de boosdoeners de personen [ hebben onderworpen aan de handelingen bedoeld in artikel 417ter, eerste lid ] ;

 

(W. 14.6.2002 - art. 8 - B.S. 14.8.2002)

 

In de gevallen van artikel 472 wordt de straf op [ opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar ] gebracht. ]

 

(W. 14.6.2002 - art. 8 - B.S. 14.8.2002)

(W. 2.7.1975 - art. 4 - B.S. 24.7.1975)
 

ART. 474
Indien het geweld of de bedreiging gepleegd wordt zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaakt, worden de schuldigen veroordeeld tot [ opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 76 - B.S. 13.3.2003)

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 2.7.1975 - art. 6 - B.S. 24.7.1975)
 

ART. 475
Doodslag, gepleegd om diefstal of afpersing te vergemakkelijken of om de straffeloosheid ervan te verzekeren, wordt gestraft met [ levenslange opsluiting ].

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 476
De straffen, bij de artikelen 473 en 474 bepaald, worden zelfs dan toegepast wanneer de voltooiing van de diefstal of van de afpersing wordt verhinderd door omstandigheden, onafhankelijk van de wil van de schuldigen.
 
[ AFDELING IIbis Diefstal en afpersing van kernmateriaal ]
ART. 477
[Diefstal van kernmateriaal wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. ] ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 77 - B.S. 13.3.2003)

(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S. 14.8.1986)
 

ART. 477bis
[De diefstal van kernmateriaal wordt gestraft met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar:

 

(W. 23.1.2003 - art. 78 - B.S. 13.3.2003)

 

1° indien hij gepleegd wordt door middel van geweld of bedreiging;

 

2° indien hij gepleegd wordt door middel van braak, inklimming of valse sleutels;

 

3° indien hij gepleegd wordt door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening;

 

4° indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar hebben aangenomen of een vals bevel van het openbaar gezag hebben ingeroepen. ]

 

(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S. 14.8.1986)
 

ART. 477ter
[Afpersing van kernmateriaal door middel van geweld of bedreiging wordt gestraft met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 78 - B.S. 13.3.2003)

(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S. 14.8.1986)
 

ART. 477quater
[Met diefstal of afpersing van kernmateriaal, gepleegd door middel van geweld of bedreiging, wordt gelijkgesteld het geval waarin de dief of de afperser op heterdaad betrapt, geweld heeft gepleegd of bedreigingen heeft geuit, ofwel om het ontvreemde kernmateriaal in zijn bezit te houden, ofwel om zijn vlucht te dekken. ]

 

(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S. 14.8.1986)
 

ART. 477quinquies
[De diefstal of de afpersing van kernmateriaal gepleegd door middel van geweld of bedreiging, alsmede het feit bedoeld in artikel 477quater; worden gestraft met [ opsluiting ] van vijftien tot twintig jaar:

 

(W. 23.1.2003 - art. 78 - B.S. 13.3.2003)

 

1° indien zij gepleegd worden door middel van braak, inklimming of valse sleutels:

 

2° indien zij gepleegd worden door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening;

 

3° indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen;

 

4° indien zij gepleegd worden bij nacht;

 

5° indien zij gepleegd worden door twee of meer personen;

 

6° indien de schuldige, om de afpersing te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig. ]

 

(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S. 14.8.1986)
 

ART. 477sexies
[§ 1. De diefstal of de afpersing van kernmateriaal met behulp van geweld of bedreiging alsmede het feit bedoeld in artikel 477quater, worden gestraft met [ opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar ] :

 

(W. 23.1.2003 - art. 79 - B.S. 13.3.2003)

 

1° indien zij gepleegd worden onder twee van de omstandigheden vermeld in artikel 477quinquies;

 

2° indien wapens of op wapens gelijkende voorwerpen worden gebruikt of getoond, of indien de schuldige doet geloven dat hij gewapend is;

 

3° indien de schuldige, om het feit te plegen of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van weerloosmakende of giftige stoffen;

 

4° indien de schuldige, om het feit te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een gestolen voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven gestolen tuig;

 

5° indien de schuldige, om het feit te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig voorzien van kentekens of toestellen waardoor de verwarring kan onstaan met een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig van de ordediensten.

 

§ 2. Dezelfde feiten worden gestraft met dezelfde straf:

 

1° indien het geweld of de bedreiging, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking heeft veroorzaakt;

 

2° [ indien de boosdoeners de personen aan de handelingen bedoeld in artikel 417ter, eerste lid, hebben onderworpen ];

 

(W. 14.6.2002 - art. 9 - B.S. 14.8.2002)

 

 

3° indien het geweld of de bedreiging gepleegd zonder het oogmerk te doden, toch de dood heeft veroorzaakt.

 

§ 3. De straf bepaald bij § 2 wordt zelfs dan toegepast wanneer de voltooiing van de diefstal of van de afpersing wordt verhinderd door omstandigheden, onafhankelijk van de wil van de schuldigen. ]

 

(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S. 14.8.1986)
 

AFDELING III [ Betekenis van sommige in dit Wetboek voorkomende uitdrukkingen ] (W. 2.7.1975 - art. 4 - B.S. 24.7.1975)
ART. 478
Diefstal bij nacht is de diefstal gepleegd meer dan een uur voor zonsopgang en meer dan een uur na zonsondergang.
 
ART. 479
Als bewoond huis wordt beschouwd elk gebouw, appartement, verblijf, loods, elke zelfs verplaatsbare hut of elke andere gelegenheid die tot woning dient.
 
ART. 480
Als aanhorigheden van een bewoond huis worden beschouwd de binnenplaatsen, neerhoven, tuinen en alle andere besloten erven, alsook de schuren, stallen en alle andere bouwwerken die zich daarin bevinden, onverschillig waarvoor zij gebruikt worden, zelfs wanneer zij een afzonderlijke ruimte vormen binnen de algemene omheining.
 
ART. 481
Verplaatsbare omheiningen, bestemd om vee in het open veld ingesloten te houden, op welke wijze ook gemaakt, worden als aanhorigheden van een bewoond huis beschouwd, wanneer zij staan op hetzelfde stuk grond als de verplaatsbare hutten of andere schuilplaatsen, bestemd voor de veehoeders.
 
ART. 482
Onder het woord wapens worden begrepen de voorwerpen, bedoeld in artikel 135 van dit wetboek.
 
ART. 483
Onder geweld verstaat de wet daden van fysieke dwang gepleegd op personen.

 

Onder bedreiging verstaat de wet alle middelen van morele dwang door het verwekken van vrees voor een dreigend kwaad.
 

ART. 484
Braak bestaat in het openbreken, stukbreken, beschadigen, afbreken of wegnemen van om het even welke in- of uitwendige sluiting van enig huis, gebouw, bouwwerk of aanhorigheden, van een vaartuig, een wagon, een voertuig; in het openbreken van gesloten kasten of meubels, bestemd om ter plaatse te blijven en om de daarin besloten voorwerpen te beveiligen.
 
ART. 485
Met diefstal door middel van braak worden gelijkgesteld:

 

Het wegnemen van de meubels waarvan sprake in het vorige artikel;

 

De diefstal gepleegd met zegelverbreking.
 

ART. 486
Inklimming wordt genoemd:

 

Het binnenkomen over muren, deuren, daken of om het even welke andere afsluiting, in huizen, gebouwen, binnenplaatsen, neerhoven, bouwwerken van welke aard ook, tuinen, parken, besloten erven;

 

Het binnenkomen door een ondergrondse opening die niet gemaakt is om tot toegang te dienen.
 

ART. 487
Valse sleutels worden genoemd:

 

Alle haken, opstekers, lopers, nagebootste, nagemaakte of vervalste sleutels;

 

Sleutels die door de eigenaar, huurder, logementhouder, of kamerverhuurder niet bestemd zijn voor de sloten, hangsloten of voor welk sluitwerk ook, waartoe de schuldige ze gebruikt;

Verloren, zoekgeraakte of weggenomen sleutels die tot het plegen van de diefstal dienen.

 

Evenwel is het gebruik van valse sleutels alleen dan een verzwarende omstandigheid, wanneer zij dienen om voorwerpen te openen, waarvan de braak een verzwaring van straf ten gevolge zou hebben.
 

ART. 487bis
[Onder kernmateriaal wordt verstaan plutonium, met uitzondering van plutonium waarvan de isotoopconcentratie aan plutonium - 238 hoger is dan 80%; uranium - 233; uranium, verrijkt in de isotopen 235 of 233; uranium, bestaande uit een mengsel van isotopen, zoals deze in de natuur voorkomen anders dan in de vorm van erts of ertsresidu, en elke stof die een of meer van de hierboven genoemde isotopen bevat. ]

 

(W. 17.4.1986 - art. 3 - B.S. 14.8.1986)
 

ART. 488
Bijzondere bepalingen

 

Hij die bedrieglijk sleutels namaakt of vervalst, wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en tot geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.

 

Indien de schuldige slotenmaker van beroep is, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank.
 

[ HOOFDSTUK 1BIS Externe beveiliging van kernmateriaal ] (W. 17.4.1986 - art. 4 - B.S. 14.8.1986)
ART. 488bis
§ 1 Hij die opzettelijk en zonder vergunning, verleend door het bevoegd gezag, of niet op de voorwaarden daarin gesteld, zich kernmateriaal laat afgeven, dan wel zodanig materiaal verkrijgt, in zijn bezit houdt, gebruikt, verandert, afstaat, achterlaat, vervoert of verspreidt, wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 80, 1° - B.S. 13.3.2003)

 

§ 2. De straf is [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar, indien het strafbaar feit voor een ander heeft veroorzaakt:

 

(W. 23.1.2003 - art. 80, 2° - B.S. 13.3.2003)

 

1° hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, het volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking;

 

2° de algemene of gedeeltelijke vernietiging van gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, vliegtuigen of andere kunstwerken of bouwwerken die aan een ander toebehoren.

 

§ 3. Indien het strafbaar feit, gepleegd zonder het oogmerk om te doden, toch de dood heeft veroorzaakt, wordt de schuldige gestraft met [ opsluiting ] van vijftien tot twintig jaar. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 80, 2° - B.S. 13.3.2003)

(W. 17.4.1986 - art. 4 - B.S. 14.8.1986)
 

HOOFDSTUK II Bedrog
[ AFDELING I Misdrijven die verband houden met de staat van faillissement ] (W. 8.8.1997 - art. 117 - B.S. 28.10.1997)
ART. 489
[ Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen worden gestraft de kooplieden die zich in staat van faillissement bevinden in de zin van artikel 2 van de faillissementswet, of de bestuurders, in recht of in feite, van handelsvennootschappen die zich in staat van faillissement bevinden, die:

 

1° zonder voldoende tegenprestatie, ten behoeve van derden met inachtneming van de financiële toestand van de onderneming te aanzienlijke verbintenissen hebben aangegaan

 

2° zonder wettig verhinderd te zijn, verzuimd hebben de verplichtingen gesteld bij artikel 53 van de faillissementswet na te leven. ]

 

(W. 8.8.1997 - art. 118 - B.S. 28.10.1997)
 

ART. 489bis
[Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank of met een van die straffen alleen worden gestraft de personen bedoeld in artikel 489 die:

 

1° met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen, aankopen hebben gedaan tot wederverkoop beneden de koers of toegestemd hebben in leningen, effectencirculaties en andere al te kostelijke middelen om zich geld te verschaffen;

 

2° verdichte uitgaven of verliezen hebben opgegeven of geen verantwoording hebben verschaft van het bestaan of van de aanwending van de activa of een deel ervan, zoals zij uit de boekhoudkundige stukken blijken op de datum van staking van betaling, en van alle goederen van welke aard ook, die zij naderhand zouden hebben verkregen;

 

3° met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen, een schuldeiser ten nadele van de boedel betaald of bevoordeeld hebben;

 

4° met hetzelfde oogmerk, verzuimd hebben binnen de bij artikel 9 van de faillissementswet gestelde termijn aangifte te doen van het faillissement; wetens verzuimd hebben naar aanleiding van de aangifte van het faillissement de inlichtingen vereist bij artikel 10 van dezelfde wet te verstrekken; wetens naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand, op de vragen van de rechter-commissaris of van de curators, onjuiste inlichtingen hebben verstrekt. ]

 

(W. 8.8.1997 - art. 119 - B.S. 28.10.1997)
 

ART. 489ter
[Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank worden gestraft de in artikel 489 bedoelde personen die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden:

 

1° een gedeelte van de activa hebben verduisterd of verborgen;

 

2° de boeken of bescheiden bedoeld in hoofdstuk I van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, geheel of gedeeltelijk hebben doen verdwijnen; poging tot die wanbedrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank.

 

Zij die zich aan die wanbedrijven of poging daartoe schuldig hebben gemaakt, kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33. ]

 

(W. 8.8.1997 - art. 120 - B.S. 28.10.1997)
 

ART. 489quater
[De strafvordering terzake van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis en 489ter wordt vervolgd los van enige vordering die bij de rechtbank van koophandel mocht zijn ingesteld. Nochtans kan de staat van faillissement voor de strafrechter niet worden betwist wanneer hij vastgesteld is bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van koophandel of van het hof van beroep aan het slot van een procedure waarbij de beklaagde partij was, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger van de gefailleerde vennootschap. ]

 

(W. 8.8.1997 - art. 121 - B.S. 28.10.1997)
 

ART. 489quinquies
[Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank of met een van die straffen alleen worden gestraft zij die bedrieglijk:

 

1° in het belang van de failliet verklaarde koopman of handelsvennootschap, zelfs zonder de medewerking van de koopman of van de bestuurders, in rechte of in feite, van de vennootschap, de activa geheel of ten dele wegnemen, verbergen of helen;

 

2° verdichte of overdreven schuldvorderingen bij het faillissement indienen en bevestigen in eigen naam of door tussenpersonen. ]

 

(W. 8.8.1997 - art. 122 - B.S. 28.10.1997)
 

ART. 489sexies
[Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank wordt gestraft de curator die zich schuldig maakt aan ontrouw in zijn beheer. Hij wordt daarenboven veroordeeld tot teruggave en schadeloosstelling die aan de boedel is verschuldigd. De schuldige kan bovendien veroordeeld worden tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33. ]

 

(W. 8.8.1997 - art. 123 - B.S. 28.10.1997)
 

ART. 490
[ Alle arresten of vonnissen van veroordeling tot een gevangenisstraf, uitgesproken krachtens de artikelen 489, 489bis en 489ter, bevelen dat de beslissing op kosten van de veroordeelde bij uittreksel zal worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

 

Het uittreksel bevat:

 

1° de naam, de voornamen, de plaats en datum van geboorte, alsmede het adres en het inschrijvingsnummer in het handelsregister, van de veroordeelden en, in voorkomend geval, de handelsnaam of de benaming en de zetel van de faillietverklaarde handelsvennootschappen waarvan zij in rechte of in feite bestuurder zijn;

 

2° de datum van het arrest of van het vonnis van veroordeling en het gerecht dat het heeft uitgesproken;

 

3° de strafbare feiten die tot de veroordelingen aanleiding hebben gegeven en de uitgesproken straffen; wanneer, wegens eenheid van opzet, een enkele straf is uitgesproken uit hoofde van een van de voornoemde strafbare feiten en uit hoofde van andere strafbare feiten, vermelden de uittreksels alle strafbare feiten die met deze ene straf worden gestraft. ]

 

(W. 8.8.1997 - art. 124 - B.S. 28.10.1997)
 

ART. 490bis
[Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die bedrieglijk zijn onvermogen heeft bewerkt en aan de op hem rustende verplichtingen niet heeft voldaan.

 

Dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkt, kan worden afgeleid uit enige omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken.

 

Ten aanzien van de derde die mededader of medeplichtig is, vervalt de strafvordering wanneer hij de hem overhandigde goederen teruggeeft. ]

 

(W. 8.8.1997 - art. 141 - B.S. 28.10.1997)
 

AFDELING II Misbruik van vertrouwen
ART. 491
Hij die ten nadele van een ander goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen en die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk verduistert of verspilt, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.

 

De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
 

ART. 492
De bepaling van artikel 462 is toepasselijk op het misdrijf in het vorige artikel omschreven.
 
ART. 492bis
[Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank worden gestraft de bestuurders, in feite of in rechte, van burgerlijke en handelsvennootschappen, alsook van verenigingen zonder winstoogmerk, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten.

 

De schuldigen kunnen daarenboven veroordeeld worden tot ontzetting van hun rechten overeenkomstig artikel 33. ]

 

(W. 8.8.1997 - art. 142 - B.S. 28.10.1997)
 

ART. 493
Met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die misbruik maakt van de behoeften, de zwakheden, [ de hartstochten of de onwetendheid ] van een minderjarige om hem, te zijnen nadele, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen, handelspapieren of enig ander verbindend papier te doen tekenen, in welke vorm deze handeling ook verricht of vermomd mag zijn.

 

De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.

 

(K.B. 18.3.1935 - art. 1 - B.S. 20.3.1935)
 

ART. 494
[ Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van duizend frank tot tienduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die zich wegens een in enigerlei vorm aangegane geldlening voor zichzelf of voor een ander een interest of andere voordelen doet beloven, die de wettelijke interest overschrijden, indien hij er een gewoonte van maakt de zwakheden of de hartstochten van de lener te misbruiken.

 

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die zich wegens een in enigerlei vorm aangegane geldlening voor zichzelf of voor een ander een interest of andere voordelen doet beloven, die klaarblijkelijk de normale interest en de dekking van het risico van die lening overschrijden, indien hij er een gewoonte van maakt de behoeften of de onwetendheid van de lener te misbruiken.

 

In de gevallen van dit artikel vermindert de rechter, op vordering van elke benadeelde partij, haar verplichtingen overeenkomstig artikel 1907ter van het Burgerlijk Wetboek. ]

 

(K.B. 18.3.1935 - art. 2 - B.S. 20.3.1935)
 

ART. 495
Hij die, na in een rechtsgeding enige titel, enig stuk of enige memorie te hebben overgelegd, die titel, dat stuk of die memorie, op welke wijze ook, kwaadwillig of bedrieglijk verduistert, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.

 

Deze straf wordt uitgesproken door de rechtbank waarbij het geschil aanhangig is.
 

ART. 495bis
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank, of met een van die straffen alleen, wordt gestraft hij die een stuk dat hij onder zich heeft en waarvan de overlegging in rechte bij een vonnis wordt bevolen, bedrieglijk vernietigt, verandert of verbergt. ]

 

(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 144 - B.S. 31.10.1967)
 

AFDELING III Oplichting en bedriegerij
ART. 496
Hij die, met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, zich gelden, roerende goederen, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen doet afgeven of leveren, hetzij door het gebruik maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denkbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot drieduizend frank.

 

[ Poging tot het wanbedrijf omschreven in het eerste lid wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweeduizend frank. ]

 

[ In de gevallen in de vorige leden omschreven kan de schuldige bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33. ]

 

(W. 16.6.1993 - enig art. - B.S. 24.7.1993)
 

ART. 497
Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft:

 

[ Zij die met bedrieglijk opzet aan een in België of in het buitenland wettelijk gangbare munt de schijn geven of pogen te geven van een munt van grotere waarde;

 

Zij die munten uitgeven of pogen uit te geven, waaraan de schijn is gegeven van munten van grotere waarde, of zodanige munten in het land invoeren of pogen in te voeren met het doel die in omloop te brengen. ]

 

Zij die stukken metaal zonder enige muntslag uitgeven of pogen uit te geven voor muntstukken.

 

(W. 12.7.1932 - art. 1, 12 - B.S. 20.8.1932)
 

ART. 497bis
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft zij die munten waaraan de schijn is gegeven van munten van grotere waarde, ontvangen of zich aanschaffen met het doel die in omloop te brengen.

 

Poging wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank. ]

 

(W. 12.7.1932 - art. 1, 13 - B.S. 20.8.1932)
 

ART. 498
Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die de koper bedriegt:

 

Omtrent de identiteit van de verkochte zaak, door bedrieglijk een andere zaak te leveren dan het bepaalde voorwerp waarop de overeenkomst slaat;

 

Omtrent de aard of de oorsprong van de verkochte zaak, door een zaak te verkopen of te leveren, die in schijn gelijk is aan die welke hij heeft gekocht of heeft gemeend te kopen.
 

ART. 499
[ Tot gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en tot geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank of tot een van die straffen alleen worden veroordeeld zij die door het aanwenden van listige kunstgrepen:

 

1° De koper of de verkoper omtrent de hoeveelheid van de verkochte zaken bedriegen;

 

2° De partijen, verbonden door een contract van huur van werk, of een van die partijen, bedriegen, hetzij omtrent de hoeveelheid, hetzij omtrent de hoedanigheid van het geleverde werk, wanneer in dit tweede geval de bepaling van de hoedanigheid van het werk moet dienen om het bedrag van het loon vast te stellen. ]

 

(W. 17.6.1896 - enig art. B.S. 25.6.1896)
 

ART. 500
Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank of met een van die straffen alleen worden gestraft:

 

Zij die [ voedingsmiddelen ] bestemd om verkocht of gesleten te worden, vervalsen of doen vervalsen;

 

Zij die deze zaken verkopen, slijten of te koop stellen, wetende dat zij vervalst zijn;

 

Zij die door aanplakbiljetten of door berichten, al dan niet gedrukt, kwaadwillig of bedrieglijk het procédé om diezelfde zaken te vervalsen, verbreiden of bekendmaken.

 

(W. 24.1.1977 - art. 24 - B.S. 8.4.1977)
 

ART. 501
Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij bij wie [ voedingsmiddelen gevonden worden ] bestemd om verkocht of gesleten te worden, en die weet dat zij vervalst zijn.

 

(W. 24.1.1977 - art. 24 - B.S. 8.4.1977)
 

ART. 501bis
[Wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig tot driehonderd frank of met één dezer straffen alleen, hij die, zonder het in artikel 500 vereiste bedrieglijk opzet, vervalste [ voedingsmiddelen ] heeft verkocht, gesleten of te koop gesteld. ]

 

(W. 20.6.1964 - art. 15 - B.S. 10.7.1964)

(W. 24.1.1977 - art. 24 - B.S. 8.4.1977)
 

ART. 502
In de gevallen [ van de artikelen 500 en 501 ] kan de rechtbank bevelen dat het vonnis zal worden aangeplakt op de plaatsen die zij bepaalt, en in zijn geheel of bij uittreksel zal worden opgenomen in de bladen die zij aanwijst; een en ander op kosten van de veroordeelde.

 

(W. 24.1.1977 - art. 24 - B.S. 8.4.1977)

 

[ ... ]

 

(W. 29.10.1919 - art. 90 - B.S. 7.11.1919)
 

ART. 503
[ De vervalste voedingsmiddelen die in het bezit van de schuldige worden gevonden, worden in beslag genomen en verbeurd verklaard.

 

Nochtans moeten die voedingsmiddelen, wanneer zij ingevolge de vervalsing voor de voeding ongeschikt zijn gemaakt en wegens hun aard of toestand niet kunnen worden bewaard, na monsterneming worden vernietigd of gedenatureerd door de bekeurende beambte, bijgestaan door een ambtenaar bedoeld in artikel 11 van de wet betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten, welke personen gezamenlijk de processen-verbaal van de inbeslagneming en vernietiging of denaturering van die voedingsmiddelen ondertekenen. In ieder geval wordt de verbeurdverklaring bevolen.

 

De voedingsmiddelen die niettegenstaande hun vervalsing voor de voeding geschikt blijven, mogen worden overgemaakt aan een van een ondergeschikt bestuur afhangende inrichting voor maatschappelijk dienstbetoon, hetzij onmiddellijk na monsterneming zo het voedingsmiddelen betreft die niet voor bewaring vatbaar zijn, hetzij na rechterlijke beslissing waarbij de verbeurdverklaring wordt bevolen, zo deze voedingsmiddelen vatbaar zijn voor bewaring. ]

 

(W. 24.1.1977 - art. 25 - B.S. 8.4.1977)
 

ART. 504
De bepaling van artikel 462 is toepasselijk op de misdrijven, in de artikelen 496, 498 en 499 omschreven.
 
[ AFDELING IIIbis Private omkoping
Art. 504bis
§ 1. Passieve private omkoping bestaat in het feit dat een persoon die bestuurder of zaakvoerder van een rechtspersoon, lasthebber of aangestelde van een rechtspersoon of van een natuurlijke persoon is, rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde, een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook vraagt of aanneemt, om zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur of de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, een handeling van zijn functie of een door zijn functie vergemakkelijkte handeling te verrichten of na te laten.

 

§ 2. Actieve private omkoping bestaat in het rechtstreeks of door tussenpersonen voorstellen aan een persoon die bestuurder of zaakvoerder van een rechtspersoon, lasthebber of aangestelde van een rechtspersoon of van een natuurlijke persoon is, van een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook voor zichzelf of voor een derde om zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur of de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, een handeling van zijn functie of een door zijn functie vergemakkelijkte handeling te verrichten of na te laten. ]

 

(W. 10.2.1999 - art. 5 - B.S. 23.3.1999)


 

Art. 504ter
§ 1. In geval van private omkoping is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een geldboete van 100 frank tot 100 000 frank of één van die straffen.

§ 2. Indien de vraag bedoeld in artikel 504bis, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 504bis, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 504bis, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van 100 frank tot 50 000 frank of één van die straffen. ]

 

(W. 10.02.1999 - art. 5 - B.S. 23.03.1999)


 

[ AFDELING IIIbis. Informaticabedrog ] (W. 28.11.2000 - art. 4 - B.S. 3.2.2001)
ART. 504quater
§ 1. [ Hij die, met bedrieglijk opzet, beoogt een onrechtmatig economisch voordeel voor zichzelf of voor een ander te verwerven ], door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in een informaticasysteem in te voeren, te wijzigen, te wissen of met enig ander technologisch middel [ de normale aanwending ] van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.

(W. 15.5.2006 - art. 4 - B.S. 11.9.2006)

 

§ 2. Poging tot het plegen van het misdrijf bedoeld in § 1 wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftigduizend frank, of met een van die straffen alleen.

 

§ 3. De straffen bepaald in de §§ 1 en 2 worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 210bis, 259bis, 314bis of in titel IXbis.
 

[ AFDELING IV Heling en andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voortkomen ] (W. 17.7.1990 - art. 4 - B.S. 15.8.1990)
ART. 505
[ Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig [ euro ] tot honderdduizend [ euro ] of met een van die straffen alleen worden gestraft :

 

1° zij die weggenomen, verduisterde of door misdaad of wanbedrijf verkregen zaken of een gedeelte ervan helen;

 

2° [ zij die zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kopen, ruilen of om niet ontvangen, bezitten, bewaren of beheren, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen ; ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 2,1° - B.S. 22.8.2007)

 

3° zij die de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, [ omzetten of overdragen ] met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden;

 

(W. 10.5.2007 - art. 2,2° - B.S. 22.8.2007)

 

4° [ zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken verhelen of verhullen, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 2,3° - B.S. 22.8.2007)

 

[ in het eerste lid, 3° en 4°, genoemde misdrijven bestaan, indien de dader ervan ook dader, mededader van of medeplichtige is aan het misdrijf waaruit de zaken genoemd in artikel 42, 3°, voortkomen. De in het eerste lid, 1° en 2°, genoemde misdrijven bestaan, ook indien de dader ervan eveneens de dader, mededader van of medeplichtige is aan het misdrijf waaruit de zaken genoemd in artikel 42, 3°, voortkomen, wanneer dit misdrijf in het buitenland is gepleegd en in België niet kan worden vervolgd. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 2,4° - B.S. 22.8.2007)

 

[ Behalve ten aanzien van de dader, de mededader en de medeplichtige van het misdrijf dat de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, heeft opgeleverd, hebben op fiscaal vlak de misdrijven bedoeld in het eerste lid, 2° en 4°, uitsluitend betrekking op feiten gepleegd in het raam van ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procédés van internationale omvang worden aangewend.

 

De in de artikelen 2, 2bis en 2ter van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme beoogde instellingen en personen kunnen zich op het vorige lid beroepen voor zover zij zich, ten aanzien van de beoogde feiten, hebben geconformeerd aan de voorziene verplichting van artikel 14quinquies van de wet van 11 januari 1993 die de wijze van informatieverstrekking aan de Cel voor financiële informatieverwerking regelt. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 2,5° - B.S. 22.8.2007)

 

De zaken bedoeld [ in het eerste lid, 1° ] van dit artikel maken het voorwerp uit van [ het misdrijf dat gedekt is door deze bepaling ], in de zin van artikel 42, 1°, en zij worden verbeurdverklaard, ook indien zij geen eigendom zijn van de veroordeelde, zonder dat [ deze straf ] nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurd verklaring, schaadt.

 

(W. 10.5.2007 - art. 2,6° - B.S. 22.8.2007)

 

[ De in het eerste lid, 3° en 4°, bedoelde zaken zijn het voorwerp van de door deze bepalingen bedoelde misdrijven in de zin van artikel 42, 1°, en worden verbeurd verklaard ten aanzien van alle daders, mededaders of medeplichtigen van die misdrijven, ook al heeft de veroordeelde die zaken niet in eigendom. Die straf mag evenwel geen schade berokkenen aan de rechten die derden op de voor verbeurdverklaring vatbare goederen kunnen doen gelden. Zo die zaken niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden aangetroffen, gaat de rechter over tot een raming van de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend geldbedrag. In dat geval kan de rechter dat bedrag evenwel verminderen teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.

 

De in het eerste lid, 2°, bedoelde zaken zijn het voorwerp van het door deze bepaling bedoeld misdrijf in de zin van artikel 42, 1°, en worden verbeurd verklaard ten aanzien van alle daders, mededaders of medeplichtigen van die misdrijven, ook al heeft de veroordeelde die zaken niet in bezit. Daarbij mag die straf geen schade berokkenen aan de rechten die derden op de voor verbeurdverklaring vatbare goederen kunnen doen gelden. Zo die zaken niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden aangetroffen, gaat de rechter over tot een raming van de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een geldbedrag dat in verhouding staat tot de mate waarin de veroordeelde bij het misdrijf betrokken was. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 2,7° - B.S. 22.8.2007)

 

Poging tot een van de misdrijven bedoeld in 2°, 3° en 4° van dit artikel wordt bestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig [ euro ] tot vijftigduizend [ euro ] of met een van die straffen alleen.

 

De personen die krachtens deze bepalingen worden gestraft, kunnen bovendien veroordeeld worden tot ontzetting, overeenkomstig artikel 33. ]

 

(W. 26.6.2000 - art. 2 - B.S. 29.7.2000)

(W. 7.4.1995 - art. 7 - B.S. 10.5.1995)
 

ART. 505bis
[ Zij die weggenomen, verduisterde of door de misdaad of het wanbedrijf bedoeld in artikel 433 verkregen zaken of een gedeelte ervan helen, worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 505, eerste lid, waarbij de minimumstraf in het geval van gevangenisstraf wordt verhoogd tot drie maanden en in het geval van geldboete tot duizend euro. ]

 

(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art. 7 - B.S. 2.9.2005)
 

ART. 506
[Ingeval de straf, toepasselijk op de daders van de misdaad, levenslange opsluiting of opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar is, worden [ de in de artikelen 505 en 505bis bedoelde helers ] veroordeeld tot opsluiting van vijf jaar tot tien jaar indien bevonden wordt dat zij ten tijde van de heling kennis droegen van de omstandigheden waaraan de wet levenslange opsluiting of opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar verbindt. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 81 - B.S. 13.3.2003)

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(W. 10.7.1996 - art. 3 - B.S. 1.8.1996)

(W. 10.8.2005 - art. 8 - B.S. 2.9.2005)
 

AFDELING V Enige andere soorten van bedrog
ART. 507
Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft de beslagene en allen die voorwerpen waarop tegen hem beslag is gedaan, in zijn belang bedrieglijk vernietigen of wegmaken.

 

[ Dezelfde bepaling is van toepassing op de echtgenoot of op hen die in zijn belang roerende goederen vernietigen, beschadigen of wegmaken, ten aanzien waarvan een maatregel is uitgevaardigd als bedoeld in artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek ] [ en in de artikelen 1253septies, tweede lid en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek. ]

 

(W. 14.7.1976 - art. 39 - B.S. 18.9.1976)

(W. 30.4.1958 - art. 6 - B.S. 10.5.1958)

(W. 9.4.1990 - enig art. - B.S. 9.6.1990)
 

ART. 507bis
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die de overeenkomstig de artikelen 28sexies en 61quater van het Wetboek van Strafvordering opgelegde voorwaarden bij de opheffing van een opsporings- of onderzoekshandeling niet naleeft. ]

 

(W. 12.3.1998 - art. 45 - B.S. 2.4.1998)
 

ART. 508
Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft:

 

Zij die een roerende zaak die aan een ander toebehoort en die zij hebben gevonden of die bij toeval in hun bezit is gekomen, bedrieglijk verbergen of aan derden afgeven;

 

Zij die zich een door hen ontdekte schat toeëigenen ten nadele van de personen aan wie de wet een deel daarvan toekent.
 

ART. 508bis
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd frank tot vijftienhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die, wetende dat hij in de volstrekte onmogelijkheid verkeert om te betalen, zich in een daartoe bestemde inrichting dranken of spijzen laat opdienen, die hij daar geheel of gedeeltelijk verbruikt, zich logies doet geven in een reizigershotel of in een herberg, of een huurrijtuig huurt.

 

In geval van herhaling kunnen de straffen worden verdubbeld. ]

 

[ ... ]

 

(W. 23.3.1936 - enig art. - B.S. 27.3.1936)

(Opgeheven W. 17.12.1963 - art. 2 - B.S. 10.1.1964)
 

ART. 508ter
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd frank tot vijftienhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die, na een voertuig van brandstof of smeerolie te hebben laten voorzien, zich bedrieglijk aan de onmiddellijke betaling onttrekt.

 

Bij herhaling kunnen de straffen worden verdubbeld. ]

 

(W. 17.12.1963 - art. 1 - B.S. 10.1.1964)
 

ART. 509
Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot drieduizend frank wordt gestraft hij die zich gelden, waarden of schuldbevrijdingen bedrieglijk aanschaft door middel van een effect, getrokken op een persoon die niet bestaat of van wie hij weet dat hij zijn schuldenaar niet is of op de vervaldag niet zijn zal, en die hem niet heeft gemachtigd op hem te trekken.

 

De vervolging zal echter niet plaatshebben of zal worden gestaakt, indien het effect betaald is of indien fonds bezorgd is op het ogenblik dat het bedrog ontdekt wordt, tenzij de betrokkene klacht heeft gedaan.

 

In dat geval wordt de schuldige veroordeeld tot gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie maanden en tot geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank of tot een van die straffen alleen.
 

ART. 509bis
[ Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot drieduizend frank wordt gestraft:

 

1° Hij die wetens en willens een postcheque of een postoverschrijving uitgeeft zonder toereikende, voorafgaande en beschikbare dekking;

 

2° Hij die een van deze titels overdraagt, wetende dat de dekking niet tevens toereikend en beschikbaar is;

 

3° Hij die na een van deze titels te hebben uitgegeven, wetens en willens hun dekking geheel of gedeeltelijk afhaalt binnen zes maanden na hun uitgifte;

 

4° Hij die, na een van deze titels te hebben uitgegeven, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de dekking geheel of ten dele onbeschikbaar maakt. ]

 

(W. 2.5.1956 - art. 28 - B.S. 18.5.1956)
 

ART. 509ter
[ Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot drieduizend frank, of met een van die straffen alleen wordt gestraft:

 

1° Hij die, na een factuur te hebben geëndosseerd, wetens het bedrag ervan int ten eigen bate;

 

2° Hij die, na het origineel of een duplicaat van een factuur te hebben geëndosseerd, zich wetens geld doet ter hand stellen of enig voordeel doet toekennen dank zij het endossement van een ander exemplaar (het origineel of een duplicaat) van dezelfde factuur;

 

3° Hij die zich geld doet afgeven of zich enig voordeel doet toekennen door wetens een factuur betreffende een wettelijk teniet gegane verbintenis te endosseren. ]

 

(W. 31.3.1958 - art. 3 - B.S. 27.4.1958)
 

ART. 509quater
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd euro tot vijftienhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, deze toch aanvaardt van een partij in het geding. ]

 

(Hersteld W. 15.5.2007 - art. 33 - B.S. 22.8.2007)
 

HOOFDSTUK III Vernieling, beschadiging, aanrichting van schade
EERSTE AFDELING Brandstichting
ART. 510
[ Met [ opsluiting ] van vijftien jaar tot twintig jaar worden gestraft zij die in brand steken: gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, rijtuigenwagons, vliegtuigen of andere kunstwerken, bouwwerken of motorvoertuigen, indien de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 82 - B.S. 13.3.2003)

(W. 7.6.1963 - art. 3 - B.S. 15.6.1963)
 

ART. 511
[ Met [ opsluiting ] van tien jaar tot vijftien jaar worden gestraft zij die in brand steken, hetzij de onroerende eigendommen in artikel 510 vermeld, hetzij schepen, vaartuigen en vliegtuigen, maar buiten de gevallen in dat artikel omschreven, hetzij wouden, bossen, schaarhout of vruchten te velde.

 

(W. 23.1.2003 - art. 82 - B.S. 13.3.2003)

 

Indien de eigendommen echter uitsluitend toebehoren aan hen die ze hebben in brand gestoken, en de brand met kwaad of bedrieglijk opzet is gesticht, worden de schuldigen gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank. ]

 

(W. 7.6.1963 - art. 4 - B.S. 15.6.1963)
 

ART. 512
[ Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank worden gestraft zij die opzettelijk de roerende goederen die aan een ander toebehoren in brand steken, met uitzondering van schepen, vaartuigen en vliegtuigen, en op voorwaarde dat de daad aan anderen ernstig nadeel kan berokkenen.

 

Indien de roerende goederen uitsluitend toebehoren aan hen die ze hebben in brand gestoken en de brand met kwaad of bedrieglijk opzet is gesticht, zijn de straffen zes maanden tot drie jaar gevangenisstraf en geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank. ]

 

(W. 7.6.1963 - art. 5 - B.S. 15.6.1963)
 

ART. 513
[Wordt de brand bij nacht gesticht dan worden de bij de artikelen 510 tot 512 bepaalde straffen vervangen als volgt :

 

opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, door opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar;

opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, door opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;

de gevangenisstraf en de geldboete, bij artikel 511, tweede lid, en artikel 512, eerst lid, bepaald, door opsluiting van vijf jaar tot tien jaar;

de gevangenisstraf en de geldboete, bij artikel 512, tweede lid, bepaald, door gevangenisstraf van een jaar tot vier jaar en geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 83 - B.S. 13.3.2003)

(W. 7.6.1963 - art. 6 - B.S. 15.6.1963)
 

ART. 514
Wanneer op brandstichting gevangenisstraf gesteld is, wordt de poging tot brandstichting gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.
 
ART. 514bis
[ In de gevallen bepaald in de artikelen 510 tot 514 kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 39 - B.S. 30.5.2007)
 

ART. 515
In de gevallen in de vorige artikelen omschreven, kan de schuldige die tot gevangenisstraf veroordeeld wordt, bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 [ ... ].

 

(W. 9.4.1930 - art. 31 - B.S. 11.5.1930)
 

ART. 516
Hij die, met het oogmerk om een van de feiten te plegen, omschreven in de artikelen 510, 511 en 512, enige zaak in brand steekt, zodanig geplaatst dat de brand zal overslaan op de zaak die hij wil vernielen, wordt gestraft alsof hij rechtstreeks de laatstbedoelde zaak had in brand gestoken of gepoogd in brand te steken.
 
ART. 517
Wanneer de brand overslaat van de zaak die de schuldige wilde verbranden, op een andere zaak waarvan de vernieling strafbaar is met een zwaardere straf, wordt deze uitgesproken, indien de twee zaken zodanig geplaatst waren dat de brand noodzakelijk van de ene op de andere moest overslaan.
 
ART. 518
[ Wanneer de brand verwondingen heeft veroorzaakt aan een of meer personen en de dader van het feit moest vermoeden dat zij zich in de in brand gestoken plaatsen bevonden op het ogenblik van de misdaad of van het wanbedrijf, wordt de schuldige veroordeeld alsof die verwondingen met voorbedachten rade waren toegebracht en wordt de door de wet hierop gestelde straf toegepast, indien deze zwaarder is dan de straf die wegens brandstichting op hem toepasselijk is.

 

In het tegenovergestelde geval wordt de laatstbedoelde straf tot twee jaar boven het maximum verhoogd, indien zij in opsluiting [ van vijftien jaar tot twintig jaar of gedurende een kortere tijd ] bestaat.

 

(W. 23.1.2003 - art. 84 - B.S. 13.3.2003)

 

Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt [ levenslange opsluiting ] toegepast. ]

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)

(W. 7.6.1963 - art. 7 - B.S. 15.6.1963)
 

ART. 519
Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft het veroorzaken van brand van andermans roerende of onroerende eigendommen, hetzij door ouderdom of gebrek aan herstelling of reiniging van nabijgelegen ovens, schoorstenen, smederijen, huizen of fabrieken, hetzij door het aansteken van vuren op het veld op minder dan honderd meter afstand van huizen, gebouwen, wouden, heiden, bossen, boomgaarden, beplantingen, hagen, mijten, tassen graan, stro, hooi, voeder of van enige andere stapel brandbare stoffen, hetzij door vuur of licht te dragen of te laten staan of vuurwerk aan- of af te steken zonder voldoende voorzorg.
 
ART. 520
[ Met de straffen bij de vorige artikelen bepaald, en naar de onderscheidingen aldaar gemaakt, worden gestraft zij die gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, rijtuigen, wagons, vliegtuigen of andere kunstwerken, bouwwerken of motorvoertuigen, door het veroorzaken van een ontploffing, vernielen of pogen te vernielen. ]

 

(W. 7.6.1963 - art. 8 - B.S. 15.6.1963)
 

AFDELING II Vernieling van bouwwerken, stoommachines en telegraaftoestellen
ART. 521
[ Hij die buiten de gevallen in de artikelen 510 tot 520 genoemd, door welk middel ook, gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, vliegtuigen of andere kunstwerken of bouwwerken die aan een ander toebehoren, geheel of ten dele vernielt, wordt gestraft met [ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ] .

 

(W. 23.1.2003 - art. 85 - B.S. 13.3.2003)

 

Bij onbruikbaarmaking met het oogmerk om te schaden, is de straf vijftien dagen tot drie jaar gevangenis en geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank.

 

De in het tweede lid bedoelde straf is toepasselijk in geval van gehele of gedeeltelijke vernieling of van onbruikbaarmaking, met het oogmerk om te schaden, van rijtuigen, wagons en motorvoertuigen. ]

 

(W. 7.6.1963 - art. 9 - B.S. 15.6.1963)
 

ART. 522
De bepaling van artikel 518 is toepasselijk op het geval in het vorige artikel omschreven.
 
ART. 523
[ Hij die een machine vernielt, die aan een ander toebehoort en bestemd is voor voortbrenging, omzetting of verdeling van drijfkracht of voor het verbruik ervan voor andere dan louter huishoudelijke doeleinden, wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie jaar en tot geldboete van vijfhonderd frank.

 

Vernieling bestaat zodra de werking van de machine geheel of ten dele verhinderd is, onverschillig of het feit de aandrijvende dan wel de aangedreven toestellen betreft. ]

 

(W. 7.6.1963 - art. 10 - B.S. 15.6.1963)
 

ART. 524
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 13.10.1930 - art. 31 - B.S. 18.10.1930).
 

ART. 525
[Wanneer de feiten, in de twee vorige artikelen omschreven, gepleegd worden in vereniging of in bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, worden de schuldigen gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.

 

De hoofden en de aanstokers worden veroordeeld tot opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en tot geldboete van vijfhonderd frank tot vijfduizend frank. ]

 

(W 23.1.2003 - art. 86 - B.S 13.3.2003)
 

AFDELING III Vernieling of beschadiging van graven, monumenten, kunstvoorwerpen, titels, bescheiden of andere papieren
ART. 526
Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die vernielt, neerhaalt, verminkt of beschadigt:

Grafsteden, gedenktekens of grafstenen;

Monumenten, standbeelden of andere voorwerpen die tot algemeen nut of tot openbare versiering bestemd zijn en door de bevoegde overheid of met haar machtiging zijn opgericht;

Monumenten, standbeelden, schilderijen of welke kunstvoorwerpen ook, die in kerken, tempels of andere openbare gebouwen zijn geplaatst.
 

ART. 527
Hij die registers, minuten of oorspronkelijke akten van het openbaar gezag, titels, biljetten, wisselbrieven, handels- of bankpapieren, die een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen, op enigerlei wijze kwaadwillig of bedrieglijk vernietigt, wordt gestraft alsof hij die stukken had weggenomen, en naar de onderscheidingen in het eerste hoofdstuk van deze titel gemaakt.
 
AFDELING IV Vernieling of beschadiging van eetwaren, koopwaren of andere roerende eigendommen
ART. 528
Elke vernieling, elke beschadiging van andermans roerende eigendommen, gepleegd met behulp van geweld of bedreiging, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen.
 
ART. 529
[Indien het feit gepleegd wordt in vereniging of in bende, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.

 

De hoofden en de aanstokers worden gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 87 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 530
[Vernieling of beschadiging van andermans roerende eigendommen, gepleegd met behulp van geweld of bedreiging, in een bewoond huis of in de aanhorigheden ervan en met een van de omstandigheden van artikel 471, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.

 

De straf zal niet minder zijn dan twaalf jaar indien de misdaad in vereniging of in bende gepleegd wordt.

 

De hoofden en de aanstokers worden gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 88 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 531
Indien het geweld of de bedreiging met behulp waarvan de vernieling of de beschadiging wordt gepleegd, een ziekte of een lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 400 ten gevolge heeft, worden de schuldigen gestraft met de straf onmiddellijk hoger dan die waarmee zij op grond van de twee vorige artikelen zouden worden gestraft.
 
ART. 532
Doodslag gepleegd om de vernieling of de beschadiging te vergemakkelijken of om de straffeloosheid ervan te verzekeren, wordt gestraft met [ levenslange opsluiting ].

 

(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S. 1.8.1996)
 

ART. 532bis
[ In de gevallen bepaald in de artikelen 528 tot 532 kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke over- tuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. ]

 

(W. 10.5.2007 - art. 41 - B.S. 30.5.2007)
 

ART. 533
Hij die koopwaren of stoffen dienende om verwerkt te worden, kwaadwillig of bedrieglijk vervalst of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.

 

De gevangenisstraf is zes maanden tot drie jaar en de geldboete vijftig frank tot vijfhonderd frank, indien het misdrijf wordt gepleegd door iemand die in de fabriek, het werkhuis of het handelshuis werkzaam is.
 

ART. 534
Hij die de banden of de hindernissen waarmee een vaartuig, een wagon of voertuig is vastgelegd, kwaadwillig wegneemt, doorsnijdt of vernielt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar.
 
[ AFDELING IVbis Graffiti en beschadiging van onroerende eigendommen ] (W. 25.1.2007 - art. 2 - B.S. 20.2.2007)
ART. 534bis
[ § 1. Met gevangenisstraf van één maand tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die zonder toestemming graffiti aanbrengt op roerende of onroerende goederen.

 

§ 2. Het maximum van de gevangenisstraf wordt gebracht op één jaar gevangenisstraf bij herhaling van een in de eerste paragraaf bedoeld misdrijf binnen vijf jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. ]

 

(Ingevoegd W. 25.1.2007 - art. 3 - B.S. 20.2.2007)
 

ART. 534ter
[ Met gevangenisstraf van een maand tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die opzettelijk andermans onroerende eigendommen beschadigt. ]

 

(Ingevoegd W. 25.1.2007 - art. 4 - B.S. 20.2.2007)
 

ART. 534quater
[ In de gevallen bepaald in de artikelen 534bis en 534ter kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. ]

 

(Ingevoegd W. 10.5.2007 - art. 42 - B.S. 30.5.2007)
 

AFDELING V Vernieling en verwoesting van veldvruchten, planten, bomen, enten, granen en voeder, vernieling van landbouwgereedschappen
ART. 535
Met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die vruchten te velde of natuurlijk opgekomen of gepoot plantsoen kwaadwillig afsnijdt of verwoest.
 
ART. 536
Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank wordt gestraft hij die kwaadwillig een bezaaide akker verwoest, zaad van dolik of van enig ander schadelijk kruid of gewas op een akker strooit, landbouwgereedschappen, omheiningen voor het vee of wachtershutten stukbreekt of onbruikbaar maakt.
 
ART. 537
Hij die kwaadwillig een of meer bomen omhakt of zodanig snijdt, verminkt of ontschorst dat zij vergaan, of een of meer enten vernielt, wordt gestraft:

 

Voor elke boom, met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank;

 

Voor elke ent, met gevangenisstraf van acht dagen tot vijftien dagen en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftig frank of met een van die straffen alleen.

 

In geen geval mag de gezamenlijke straf hoger zijn dan drie jaar wat de gevangenisstraf en vijfhonderd frank wat de geldboete betreft.
 

AFDELING VI Ombrengen van dieren
ART. 538
Hij die paarden of andere trek- of lastdieren, hoornvee, schapen, geiten of varkens vergiftigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
 
ART. 539
Hij die in een rivier, een vaart, een beek, een vijver, een visvijver of een viskom stoffen werpt die de vis kunnen vernielen, en met het oogmerk om die uitslag te bereiken, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
 
ART. 540
Zij die buiten noodzaak een van de in artikel 538 vermelde dieren doden of zwaar letsel toebrengen, worden gestraft met de volgende straffen:

 

Indien het misdrijf wordt gepleegd in gebouwen, besloten erven en aanhorigheden of op gronden waarvan de meester van het gedode of gewonde dier eigenaar, huurder, deelpachter of pachter is, is de straf gevangenisstraf van een maand tot zes maanden en geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank;

 

Indien het gepleegd wordt op plaatsen waarvan de schuldige zelf eigenaar, huurder, deelpachter of pachter is, is de straf gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank;

 

Indien het gepleegd wordt op enige andere plaats, wordt gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie maanden en geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank opgelegd.
 

ART. 541
Hij die buiten noodzaak een ander huisdier dan de in artikel 538 vermelde doodt of zwaar letsel toebrengt, op een plaats waarvan degene aan wie het dier toebehoort, eigenaar, vruchtgebruiker, gebruiker, huurder, deelpachter of pachter is, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen.

 

Deze straffen worden opgelegd, indien die feiten kwaadwillig gepleegd worden op een tam of een gevangen gehouden dier op de plaatsen waar zij gehouden worden, ofwel op een huisdier op het ogenblik dat het gebruikt wordt tot de dienst waartoe het bestemd is en op een plaats waar zijn meester het recht heeft zich te bevinden.
 

ART. 542
Indien er in de gevallen van de vorige artikelen schending van afsluiting heeft plaatsgehad, wordt het minimum van de straf verhoogd overeenkomstig artikel 266.
 
AFDELING VII Bepalingen aan de vorige afdelingen gemeen
ART. 543
Indien de feiten, in de afdelingen V en VI van dit hoofdstuk omschreven, gepleegd worden hetzij uit haat tegen een openbaar ambtenaar en uit hoofde van zijn bediening, hetzij bij nacht, wordt het minimum van de straf verhoogd overeenkomstig artikel 266.
 
ART. 544
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 31 - B.S. 11.5.1930)
 

AFDELING VIII Vernieling van afsluitingen, verplaatsing of verwijdering van grenspalen en hoekbomen
ART. 545
Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die geheel of ten dele grachten dempt, levende of dode hagen afhakt of uitrukt, landelijke of stedelijke afsluitingen, uit welke materialen ook gemaakt, vernielt; grenspalen, hoekbomen of andere bomen, geplant of erkend om de grenzen tussen verschillende erven te bepalen, verplaatst of verwijdert.
 
ART. 546
Wanneer de feiten, in het vorige artikel omschreven, gepleegd worden met het oogmerk om een bezitsaanmatiging op een erf te plegen, is de straf gevangenisstraf van een maand tot een jaar en geldboete van vijftig frank tot tweeduizend frank.
 
AFDELING XI Vernieling en schade door overstroming veroorzaakt
ART. 547
[Met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar worden gestraft zij die kwaadwillig of bedrieglijk de werken van een mijn geheel of ten dele onder water zetten.

 

Indien de schuldige op grond van de omstandigheden moest vermoeden dat een of meer personen zich op het ogenblik van de overstroming in de mijn bevonden, wordt hij veroordeeld tot opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. ]

 

(W. 23.1.2003 - art. 89 - B.S. 13.3.2003)
 

ART. 548
De bepaling van artikel 518 is toepasselijk op het feit in het vorige artikel omschreven.
 
ART. 549
Hij die kwaadwillig of bedrieglijk andermans erf onder water zet of er het water op schadelijke wijze op doet lopen, wordt veroordeeld tot geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
 
ART. 550
Met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft de eigenaars, de pachters of alle andere personen die molens, fabrieken of vijvers in gebruik hebben en die andermans wegen of eigendommen onder water zetten door het verhogen van hun overlaten boven het peil dat door de bevoegde overheid is bepaald.

 

Indien uit die feiten enige beschadiging ontstaat, wordt, naast geldboete, gevangenisstraf van acht dagen tot een maand opgelegd.
 

[ TITEL IXbis. Misdrijven tegen de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van informaticasystemen en van de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen. ] (W. 28.11.2000 - art. 5 - B.S. 3.2.2001)

ART. 550bis
§ 1. Hij die, terwijl hij weet dat hij daar toe niet gerechtigd is, zich toegang verschaft tot een informaticasysteem of zich daarin handhaaft, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfentwintig duizend frank of met een van die straffen alleen.

 

Wanneer het misdrijf, bedoeld in het eerste lid, gepleegd wordt met bedrieglijk opzet, bedraagt de gevangenisstraf zes maanden tot twee jaar.

 

§ 2. Hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, zijn toegangsbevoegdheid tot een informaticasysteem overschrijdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfentwintigduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 3. Hij die zich in een van de gevallen bedoeld in de §§ 1 en 2 bevindt en :

 

1° hetzij de gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van het informaticasysteem op enige manier overneemt;

 

2° hetzij enig gebruik maakt van een informaticasysteem van een derde of zich bedient van het informaticasysteem om toegang te verkrijgen tot een informaticasysteem van een derde;

 

3° hetzij enige schade, zelfs onopzettelijk, veroorzaakt aan het informaticasysteem of aan de gegevens die door middel van het informaticasysteem worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen of aan een informaticasysteem van een derde of aan de gegevens die door middel van het laatstgenoemde informaticasysteem worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen;

 

wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftigduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 4. Poging tot het plegen van een van de misdrijven, bedoeld in §§ 1 en 2, wordt gestraft met dezelfde straffen.

 

[ § 5. Hij die, onrechtmatig, enig instrument, met inbegrip van informaticagegevens, dat hoofdzakelijk is ontworpen of aangepast om die in §§ 1 tot 4 bedoelde misdrijven mogelijk te maken, bezit, produceert, verkoopt, verkrijgt met het oog op het gebruik ervan, invoert, verspreidt of op enige andere manier ter beschikking stelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot honderdduizend euro of met één van die straffen alleen. ]

 

(W. 15.5.2006 - art. 5 - B.S. 12.9.2006

 

§ 6. Hij die opdracht geeft of aanzet tot het plegen van een van de misdrijven, bedoeld in §§ 1 tot 5, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot tweehonderdduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 7 Hij die, terwijl hij weet dat gegevens bekomen zijn door het plegen van een van de misdrijven bedoeld in §§ 1 tot 3, deze gegevens onder zich houdt, aan een andere persoon onthult of verspreidt, of er enig gebruik van maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 8. De straffen bepaald in de §§ 1 tot 7 worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 210bis, 259bis, 314bis, 504quater of 550ter.


 

ART. 550ter
[ § 1. Hij die, terwijl hij weet dat hij daartoe niet gerechtigd is, rechtstreeks of onrechtstreeks, gegevens in een informaticasysteem invoert, wijzigt, wist of met enig ander technologisch middel de normale aanwending van gegevens in een informaticasysteem verandert, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfentwintigduizend euro of met één van die straffen alleen.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde misdrijf gepleegd wordt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, bedraagt de gevangenisstraf zes maanden tot vijf jaar. ]

 

(W. 15.5.2006 - art. 6, 1° - B.S. 12.9.2006)

 

§ 2. Hij die, ten gevolge van het plegen van een misdrijf bedoeld in § 1, schade berokkent aan gegevens in dit of enig ander informaticasysteem, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfenzeventigduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

§ 3. Hij die, ten gevolge van het plegen van een van de misdrijven bedoeld in § 1, de correcte werking van dit of enig ander informaticasysteem geheel of gedeeltelijk belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

[ § 4. Hij die onrechtmatig enig instrument, met inbegrip van informaticagegevens, dat hoofdzakelijk is ontworpen of aangepast om de in §§ 1 tot 3 bedoelde misdrijven mogelijk te maken, bezit, produceert, verkoopt, verkrijgt met het oog op gebruik ervan, invoert, verspreidt of op enige andere manier ter beschikkking stelt terwijl hij weet dat deze gegevens aangewend kunnen worden om schade te berokkenen aan gegevens of, geheel of gedeeltelijk, de correcte werking van een informaticasysteem te belemmeren, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot honderdduizend euro of met één van die straffen alleen. ]

 

(W. 15.5.2006 - art. 6, 2° - B.S. 12.9.2006)

 

§ 5. De straffen bepaald in de §§ 1 tot 4 worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 210bis, 259bis, 314bis, 504quater of 550bis.

 

[ § 6. Poging tot het plegen van het in § 1 bedoelde misdrijf wordt gestraft met dezelfde straffen. ]

 

(W. 15.5.2006 - art. 6, 3° - B.S. 12.9.2006)
 

TITEL X Overtredingen

EERSTE HOOFDSTUK [ ... ] (Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
ART. 551
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

ART. 552
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

ART. 553
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

ART. 554
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

HOOFDSTUK II [ ... ] (Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
555
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

ART. 556
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

ART. 557
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

ART. 558
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

HOOFDSTUK III [ ... ] (Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
ART. 559
Met geldboete van tien frank tot twintig frank worden gestraft:

 

1° Zij die, buiten de gevallen omschreven in boek II, titel IX, hoofdstuk III, van dit wetboek, andermans roerende eigendommen opzettelijk beschadigen of vernielen;

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

ART. 560
[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

ART. 561
Met geldboete van tien frank tot twintig frank en met gevangenisstraf van een dag tot vijf dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft:

 

1° Zij die zich schuldig maken aan nachtgerucht of nachtrumoer waardoor de rust van de inwoners kan worden verstoord;

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

ART. 562
In geval van herhaling kan, naast geldboete, gevangenisstraf van ten hoogste vijf dagen worden uitgesproken wegens de overtredingen, in de artikelen 559 en 560 omschreven.

 

Ten aanzien van de overtredingen, in het vorige artikel omschreven, kan de rechter, in geval van herhaling, naast geldboete, gevangenisstraf van ten hoogste negen dagen uitspreken.
 

HOOFDSTUK IV [ ... ] (Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
ART. 563
Met geldboete van vijftien frank tot vijfentwintig frank en met gevangenisstraf van een dag tot zeven dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft:

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)

 

2° Zij die stedelijke of landelijke afsluitingen, uit welke materialen ook gemaakt, opzettelijk beschadigen;

 

3° Daders van feitelijkheden of lichte gewelddaden, mits zij niemand gewond of geslagen hebben en mits de feitelijkheden niet tot de klasse van de beledigingen behoren: in het bijzonder zij die opzettelijk, doch zonder het oogmerk om te beledigen, enig voorwerp op iemand werpen dat hem kan hinderen of bevuilen;

 

[ ... ]

 

(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
 

ART. 564
In geval van herhaling is de rechtbank bevoegd om, naast geldboete, gevangenisstraf van ten hoogste twaalf dagen uit te spreken.
 
[ ... ] (Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
ART. 565
In de gevallen in de vier vorige hoofdstukken omschreven, bestaat herhaling wanneer de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds is veroordeeld binnen de twaalf voorafgaande maanden [ ... ].

 

(K.B. 10.1.1935 - art. 3 - B.S. 13.1.1935)
 

ART. 566
Wanneer in de gevallen in de vier vorige hoofdstukken omschreven, verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de geldboete tot beneden vijf frank verminderd worden, zonder dat zij ooit lager mag zijn dan een frank.
 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.