-A +A

Strafrechtelijk kortgeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Met het strafrechtelijk kortgeding wordt de procedure bedoeld waarbij opheffing wordt gevraagd van een opsporings- of onderzoekshandeling zoals voorzien in artikel 28 sexies van het wetboek strafvordering en artikel 61 quater van hetzelfde wetboek.

Aldus kunnen onder meer beslagmaatregelen die door de onderzoeksgerechten werden doorgevoerd worden aangevochten, dan wel kan hiervoor opheffing worden gevraagd.

Wanneer een verzoekschrift wordt afgewezen tot vrijgave van bepaalde goederen, kan pas na 3 maanden een nieuw verzoekschrift voor die goederen worden neergelegd.

Maar wanneer het gaat over andere goederen dan deze die het voorwerp uitmaken van het eerste verzoek, dient er vanzelfsprekend niet opnieuw 3 maanden gewacht te worden na afwijzing van een verzoek tot vrijgave van goederen die volledig los staat van de goederen waarvoor (opnieuw) vrijgave wordt gevraagd.

Zie KI Antwerpen, 27.06.2014, RABG, 2015/1 met noot L. Delbrouck en K. Truyen, een duidelijke tekst behoeft geen interpretatie, RABG 2015/1, pagina 64

Anderzijds is de bevoegdheid van de voorzitter rechtsprekend in kort geding in strafzaken niet uitgesloten, maar moet deze tworden beoordeeld in het licht van de bepalingen van het Wetboek van strafvordering die de bevoegdheid van de strafrechter vastleggen (Burgerlijke Rechtbank, Antwerpen, 07/03/1996, RW 996 - 1997, (60), PAGINA 160 met noot  A. Vandeplas   Inbeslagneming in strafzaken en de rechter in kort geding).

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 11/02/2015 - 15:47
Laatst aangepast op: do, 14/09/2017 - 08:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.