-A +A

straffen ten aanzien van rechtspersonen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening, zijn gepleegd.

Niet alleen fysieke personen maar ook rechtspersonen kunnen gestraft worden.

wettelijke basis Art. 5 en 7bis Strafwetboek.

Art. 5. <W 1999-05-04/60, art. 2, 024; Van kracht : 02-07-1999> Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.
  Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld.
  Met rechtspersonen worden gelijkgesteld :
  1° tijdelijke verenigingen en verenigingen bij wijze van deelneming;
  2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, derde lid van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting;
  3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen.
  Voor de toepassing van dit artikel kunnen niet als strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon worden beschouwd : de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, (de meergemeentezones,) de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. <W 2002-04-26/30, art. 133, 034; Van kracht : 30-04-2002>

art. 7bis De hoofdstraf die ten aanzien van de rechtspersoon wordt uitgesproken is de geldboete. Maar de rechtspersoon kan ook het voorwerp uitmaken van bijkomende straffen zoals de bijzondere verbeurdverklaring, het tijdelijk of definitief verbod om een werkzaamheid te verrichten die deel uitmaakt van het
maatschappelijk doel (Art. 36 SWB), de tijdelijke of definitieve sluiting van 1 of meer inrichtingen (art. 37 SWB), de bekendmaking van het vonnis art.37bis SWB).

In tegenstelling tot natuurlijke personen kunnen rechtspersonen wel "ter dood veroordeeld worden door de veroordeling tot ontbinding  art. 35 SWB).
 

Gezien rechtspersonen zich schuldig kunnen maken aan bepaalde misdrijven waarop gevangenisstraf staat en rechtspersonen moeilijk kunnen opgesloten worden heeft de wet een conversiemechanisme uitgewerkt (art. 41bis SWB):

1.) Politiezaken
geldboete min. 25 - max. 250 €
2.) Criminele en correctionele zaken
• feiten enkel met geldboete bestraft:zelfde geldboete voor de rechtspersoon als voor de natuurlijke persoon
• feiten met vrijheidsstraf en geldboete bestraft:
a.) Minimumgeldboete: 500 x aantal maanden minimumvrijheidsstraf zonder dat de straf lager kan liggen dan
de minimum geldboete)
b.) Maximumgeldboete: 2000 x aantal maanden
maximumvrijheidsstraf (zonder dat de straf lager kan liggen dan het dubbele van de maximum.geldboete.
• feiten bestraft met levenslang: geldboete van min. 240.000 tot maximum 720.000€.

Art. 2 bis van de voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering voorziet dat indien de strafvordering wordt ingesteld tegen een rechtspersoon en tegen een persoon die bevoegd is om deze rechtspersoon te vertegenwoordigen de rechtbank ambtshalve of op verzoek van de beklaagde een lasthebber ad hoc moet aanduiden om de gemandateerde rechtspersoon te vertegenwoordigen. Vanaf de dagvaarding kan de rechtspersoon een gemandateerde persoon voorstellen (die evenwel niet mee gedagvaard mag zijn) bij verzoekschrift neer te leggen op de dag van de terechtzitting


Art. 7bis.SWB <Ingevoegd bij W 1999-05-04/60, art. 4; Inwerkingtreding : 02-07-1999> De straffen toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen zijn :
in criminele zaken, in correctionele zaken en in politiezaken :
1° geldboete;
2° bijzondere verbeurdverklaring; de bijzondere verbeurdverklaring, bepaald in artikel 42, 1°, uitgesproken ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen kan enkel betrekking hebben op goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag;
in criminele en correctionele zaken :
1° ontbinding; deze kan niet worden uitgesproken ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersoon;
2° verbod een werkzaamheid die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel te verrichten, met uitzondering van werkzaamheden die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;
3° sluiting van een of meer inrichtingen, met uitzondering van de inrichtingen waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;
4° bekendmaking of verspreiding van de beslissing.

gelijktijdige strafbaarstelling van de rechtspersoon en van de natuurlijke persoon

Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, bepaalt: "Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld".

De strafuitsluitende verschoningsgrond die deze bepaling ten voordele van de persoon die de minst zware fout heeft gepleegd, invoert, bestaat niet wanneer het misdrijf wetens en willens is gepleegd. In dat geval kan de natuurlijke persoon steeds samen met de rechtspersoon worden gestraft, ongeacht wie de zwaarste fout heeft gepleegd.

De gelijktijdige strafbaarstelling van de rechtspersoon en van de natuurlijke persoon overeenkomstig die bepaling, is slechts mogelijk wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon die de fout wetens en willens heeft gepleegd. Dit houdt in dat de fout van de rechtspersoon samenvalt met deze van de natuurlijke persoon of ermee nauw verband houdt maar neemt niet weg dat een fout bij de beide personen aanwezig moet zijn.

Hieruit volgt dat het niet volstaat dat de rechter vaststelt dat de natuurlijke persoon een fout wetens en willens heeft gepleegd. Hij moet ook bij de rechtspersoon de fout vaststellen. De strafrechtelijke verantwoordelijkheid zal pas vaststaan indien de verwezenlijking van het misdrijf hetzij volgt uit een wetens en willens genomen beslissing binnen de rechtspersoon, hetzij het gevolg is van een binnen deze rechtspersoon gepleegde nalatigheid.

Voor het vaststellen van dit morele element kan de rechter steunen op de gedragingen van de bestuursorganen van de rechtspersoon of haar gezagdragers, die onder meer een natuurlijke persoon kunnen zijn.

Wanneer een rechter zou oordelen dat de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is, niet alleen omdat de misdrijven een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van haar doel en de waarneming van haar belangen, maar ook omdat de beklaagde-natuurlijke persoon, als geïdentificeerd natuurlijk persoon die de feiten wetens en willens pleegde, de feitelijke leiding had bij de problematiek rond het misdrijf en de rechtspersoon dan ook heeft gehandeld door toedoen van het persoonlijk handelen van deze beklaagde, die in de mogelijkheid was niet enkel om het misdrijf te plegen maar ook om aan de onwettige toestand te remediëren hetgeen hij niet deed, oordeelt rechters aldus dat de de rechtspersoon zelf een fout heeft begaan en verantwoorden zij hun beslissing dat ook zij strafrechtelijk verantwoordelijk is, naar recht. (Cass. 23 september 2008, RABG, 2009/7, 477, met Noot, P. Waeterinckx: de invloed van het gedrag van organen en andere leidinggevenden als beoordelingsfactor voor de morele toerekening van misdrijven en rechtspersonen. Een moeilijke evenwichtsoefening die soms flirt met de grenzen van de afgeleide strafrechtelijke verantwoordelijkheid

Cassatierechtspraak:

Uittreksel uit het jaarverslag van het hof van cassatie 2003

STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN NATUURLIJKE PERSOON EN RECHTSPERSOON EN DRAAGWIJDTE VAN HET BEGRIP “WETENS EN WILLENS GEPLEEGDE FOUT”: Cassatie ARREST VAN 4 MAART 2003

Artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, bepaalt dat wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gesteld uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan kan worden veroordeeld.

Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd, kan hij samen met de rechtspersoon worden veroordeeld. De eerste regel voert een strafuitsluitingsgrond in voor degene, natuurlijke persoon of rechtspersoon, die de minst zware fout heeft begaan.

Uit de tweede regel volgt dat de strafuitsluitingsgrond niet van toepassing is wanneer “de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd”. In dat geval kan de natuurlijke persoon eventueel samen met de rechtspersoon worden veroordeeld zonder dat moet worden nagegaan wie de zwaarste fout heeft begaan.

Een zaakvoerder van een vennootschap, transportonderneming, werd door de correctionele rechtbank veroordeeld wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een bestelwagen (61).  Dit misdrijf is strafbaar los van de vraag of de dader al dan niet met opzet handelde; het is geen opzettelijk misdrijf.

De rechtbank oordeelde dat de zaakvoerder het misdrijf “wetens en willens” had gepleegd en dat zij bijgevolg niet diende na te gaan wie, natuurlijke persoon of rechtspersoon, de zwaarste fout had begaan.

Tegen deze veroordeling voerde de zaakvoerder aan dat voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek alleen de wettelijke kwalificatie en niet de concrete geestesgesteldheid van de dader van belang is. Aldus zou alleen voor opzettelijke misdrijven een natuurlijke persoon kunnen worden veroordeeld zonder dat de rechtbank moet nagaan wie, natuurlijke persoon of rechtspersoon, de zwaarste fout heeft begaan.

Het Hof verwerpt deze zienswijze. De tweede zin van artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek is van toepassing zowel op opzettelijke misdrijven als op
onachtzaamheidsmisdrijven. In zijn conclusie wees het openbaar ministerie erop dat de concrete geestesgesteldheid van de natuurlijke persoon bepalend is voor de beantwoording van de vraag of het misdrijf wetens en willens is gepleegd. Daartoe verwees het openbaar ministerie naar de wetsgeschiedenis, de tekst van de wet en een arrest van het Hof van 3 oktober 2000 volgens hetwelk de strafuitsluitingsgrond slechts geldt “voor zover het misdrijf door de natuurlijke persoon uit onachtzaamheid gepleegd is”.

Ten slotte beklemtoonde het openbaar ministerie dat indien de door de wet vereiste schuldvorm bepalend zou zijn voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek, de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van natuurlijke persoon en rechtspersoon in een grote en niet wenselijke mate zou worden beperkt omdat vele in bijzondere strafwetten omschreven misdrijven geen opzet als schuldelement vereisen.

__
60 B.S. 17 mei 2003.
61 Artikel 56 van het Decreet van het Vlaamse Parlement van 19 december 1998 houdende bepalingen tot
begeleiding van de begroting 1999.

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen bij delegatie:

Indien een onderneming een welbepaalde wettelijke taak delegeert, blijft de kwestieuze onderneming verantwoordelijk. De onderneming die delegeert dient te waken op het naar wet behoorlijk uitvoeren van het verleende mandaat.

Het uitbesteden van een gedeelte van de wettelijke verplichtingen opgenomen in de codex over het welzijn op het werk brengt gevaren met zich mee. De werkgever dient zich dan in elk geval te vergewissen of alle nodige en noodzakelijke instructies door de aangestelden aan de werknemers werden gegeven, zo dit al binnen het mandaat kaderde.

Dit betekent niet dat bij wet voorziene controle procedures en toezicht in niet op een rechtsgeldige wijze kunnen gedelegeerd worden. Maar een dergelijke delegatie ontslaat de werkgever niet van een blijvende toezichtverplichting op een correcte uitoefening van de delegatie. Zeer terzake correctionele rechtbank Mechelen 10 december 2007 RABG 2009/1, 52 met noot.

 

Nog dit: 

Cassatie 04/03/2015, AR P.14.1221.F, juridat

Samenvatting

De overdracht van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de werkgever op zijn aangestelden of lasthebbers belet de rechter evenwel niet om vast te stellen dat de werkgever, in het kader van de effectieve controle op de arbeids- en de beschermingsmiddelen en de controle van de verdeling van de taken, in concreto een fout heeft begaan die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid in het gedrang kan brengen.

Wanneer de vrijheidsstraf minder dan een maand bedraagt en in dagen wordt uitgedrukt, voorziet artikel 41bis van het Strafwetboek, ten aanzien van de rechtspersoon, niet in een vermenigvuldiging van de minimumgeldboete van 500 euro, zodat in dat geval de toegepaste straf het voormelde minimum bedraagt, dat nooit lager mag zijn dan de minimumgeldboete die op het feit is gesteld (1)(2). (1) Cass. 28 juni 2005, AR P.04.1628.N, AC 2005, nr. 378.

Tekst arrest

Nr. P.14.1221.F
I. BAM TECHNICS nv,
II. AMLIN CORPORATE INSURANCE nv,

tegen
1. DE FEDERALE VERZEKERINGEN, vereniging van onderlinge levens-verzekeringen,
2. B. P.,

III. DE FEDERALE VERZEKERINGEN, vereniging van onderlinge levens-verzekeringen,
tegen
1. BAM TECHNICS nv,
2. AMLIN CORPORATE INSURANCE nv,
3. TRAVHYDRO IMMOBILIERE nv,
4. CONTROLE INDUSTRIEL BELGE nv,
IV. TRAVHYDRO IMMOBILIERE nv,
tegen
1. DE FEDERALE VERZEKERINGEN, vereniging van onderlinge levens-verzekeringen,
2. B. P.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 11 juni 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiseressen, in het bestreden arrest de naamloze vennootschappen Travaux Galère en Fortis Corporate Insurance genaamd, dienen te worden vereenzelvigd met de hogervermelde naamloze vennootschappen Bam Technics en Amlin Cor-porate Insurance.

A. Cassatieberoep van Bam Technics nv

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de strafvordering tegen de eiseres

Eerste middel

Eerste onderdeel

Het middel voert schending aan van artikel 13, 3° en 5°, koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en van artikel 81, 1°, Wet Welzijn Werknemers.

Die bepalingen bestraffen de leden van de hiërarchische lijn die het beleid van de werkgever uitvoeren in de uitoefening van de effectieve controle op de arbeids- en de beschermingsmiddelen en de controle van de verdeling van de taken.

De eiseres, die onder de telastlegging B.1.3 wordt vervolgd wegens schending van die regels, in de hoedanigheid van dader of mededader, voert aan dat haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet in het gedrang kon komen aangezien de in artikel 13, 3° en 5° van het voormelde koninklijk besluit bedoelde inbreuk enkel de leden van de hiërarchische lijn ten laste kan worden gelegd die het beleid van hun werkgever uitvoeren.

De overdracht van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de werkgever op zijn aangestelden of lasthebbers belet de rechter evenwel niet om vast te stellen dat de werkgever, in het kader van de voormelde controle, in concreto een fout heeft begaan die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid in het gedrang kan brengen.

Het arrest stelt eerst vast dat de eiseres de geëigende maatregelen niet heeft geno-men om een einde te stellen aan de inbreuken die de gezondheids- en veiligheids-coördinator dertien keer heeft vastgesteld en niet heeft onderzocht of de steigers conform waren. Het oordeelt voorts dat de eiseres, in haar hoedanigheid van hoofdaannemer belast met het optrekken van het gebouw waar het arbeidsongeval zich heeft voorgedaan, niet heeft gecontroleerd of de verdeling van de taken op een zodanige wijze was geschied dat de verschillende taken werden uitgevoerd door de werknemers die de daartoe vereiste bekwaamheid hadden en de vereiste opleiding en instructies hadden ontvangen. Het wijst er ook op dat de informatie die de eiseres bij het opstarten van de bouwwerf heeft verstrekt, ontoereikend was.

Met die overwegingen verklaren de appelrechters de eiseres naar recht schuldig aan de telastlegging B.1.3.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiseres verwijt het arrest dat het de telastlegging B.1.4 bewezen verklaart op grond van artikel 81, 1°, Wet Welzijn Werknemers, hoewel de gesanctioneerde gedragingen bedoeld werden in artikel 87, 5° en 6°, van dezelfde wet.

Het voormelde artikel 81, 1°, straft de werkgever die de bepalingen van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan heeft overtreden, onverminderd de bepalingen van artikel 87 van die wet die specifiekere inbreuken opsomt en daarop zwaardere straffen stelt.

Het middel dat de appelrechters verwijt dat ze een algemene, minder strenge bepaling hebben toegepast, is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Derde, vierde, vijfde en zesde onderdeel samen

Het middel komt op tegen de schuldigverklaring van de eiseres aan de telastleg-gingen B.1.4 en B.1.5. Het verwijt het arrest dat het enkel een inbreuk op de artikelen 23, 24, 25, 26 en 29, 3°, Wet Welzijn Werknemers of op de bepalingen van het Algemeen reglement op de arbeidsbescherming in aanmerking neemt, waarvan wordt betwist of ze op de onderhavige zaak wettig kunnen worden toegepast.

Met overneming van de redenen van de eerste rechter, die zelf uitdrukkelijk toe-passing heeft gemaakt van de in het citaat bedoelde bepalingen, verklaart het ar-rest de telastleggingen bewezen omdat die gedraging bedoeld werd in de bepa-lingen van het Algemeen reglement op de arbeidsbescherming, die intussen zijn opgeheven maar die op het ogenblik van de feiten van toepassing waren, en dat die gedraging strafbaar blijft op grond van de bepalingen van het koninklijk be-sluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, in-zonderheid op grond van artikel 51 van dat koninklijk besluit.

Het middel dat uitgaat van een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Zevende onderdeel

De eiseres voert aan dat zij niet schuldig kon worden verklaard aan onopzettelijke slagen en verwondingen, een telastlegging die gegrond is op de telastleggingen bedoeld sub B.1.3, B.1.4 en B.1.5 en die niet naar recht bewezen zijn.

Aangezien de appelrechters hun beslissing betreffende de telastleggingen B.1.3, B.1.4 en B.1.5 naar recht hebben bewezen, hebben ze zonder de artikelen 418 en 420 Strafwetboek te schenden, geoordeeld dat die feiten de fout opleverden die volgens die bepalingen is vereist.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert aan dat het arrest niet zonder zichzelf tegen te spreken kan be-slissen dat het de eiseres tot het minimum van de bij wet bepaalde geldboete ver-oordeelt en, uitspraak doende met eenparigheid van de stemmen van de leden van het hof van beroep, de door de eerste rechter opgelegde geldboete van vijftig euro op zesduizend euro brengen.

De appelrechters hebben de eiseres tot één enkele straf veroordeeld wegens onop-zettelijke slagen en verwondingen en verschillende inbreuken op het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming.

Strenger dan de straf bepaald bij artikel 399 Strafwetboek, is de hier toepasselijke straf niet die bepaald in artikel 128, tweede lid, Sociaal Strafwetboek, maar die bepaald in de wetsbepalingen die op de datum van de feiten van kracht waren, namelijk de Wet Welzijn Werknemers.

Voor de te dezen bewezen verklaarde misdrijven voorzag artikel 81 Wet Welzijn Werknemers in de veroordeling tot een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en/of een minimumgeldboete van vijftig euro.

Wanneer de vrijheidsstraf minder dan een maand bedraagt en in dagen wordt uit-gedrukt, voorziet artikel 41bis Strafwetboek, ten aanzien van de rechtspersoon, niet in een vermenigvuldiging van de minimumgeldboete van 500 euro, zodat in dat geval de toegepaste straf het voormelde minimum bedraagt, dat nooit lager mag zijn dan de minimumgeldboete die op het feit is gesteld.

Te dezen bedroeg de op de eisende vennootschap toepasselijke straf 500 euro, zo-dat het tegenstrijdig is haar een geldboete van 6.000 euro op te leggen na te hebben beslist om haar slechts tot het wettelijke minimum te veroordelen.

In zoverre is het middel gegrond.

Die onwettigheid leidt tot de vernietiging van de straf en van de bijdrage aan het Fonds voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, maar heeft geen invloed op de schuldigverklaring.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is, behoudens de onwettigheid die hierna ongedaan moet worden gemaakt, overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die, op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders tegen de eiseres, uitspraak doen over

a. het beginsel van aansprakelijkheid

De eiseres voert geen bijzonder middel aan.

b. de omvang van de schade

Het arrest kent de verweerders provisionele vergoedingen toe, houdt de uitspraak over de overige punten van de vordering aan, heropent het debat en stelt de zaak sine die uit.

Dergelijke beslissingen zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, in de versie zoals van toepassing op de zaak, en houden geen verband met de gevallen bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

B. Cassatieberoep van Amlin Corporate Insurance nv

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid.

De eiseres voert geen middel aan.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die uitspraak doen over de omvang van de schade

Om de hierboven onder A.2.b vermelde reden is het cassatieberoep niet ontvanke-lijk.

C. Cassatieberoep van Federale Verzekeringen nv

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid

De eiseres voert geen middel aan.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die uitspraak doet over de omvang van de schade.

Om de hierboven onder A.2.b vermelde reden is het cassatieberoep niet ontvanke-lijk.

D. Cassatieberoep van Travhydro nv

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de strafvordering tegen de eiseres

Ambtshalve middel : schending van artikel 149 Grondwet

Omwille van de in antwoord op het tweede middel van Bam Technics nv vermel-de redenen is het tegenstrijdig om de eiseres een geldboete op te leggen van 6.000 euro, na te hebben gesteld dat er grond was om haar tot het minimum van de bij wet bepaalde geldboete te veroordelen.

Die onwettigheid leidt tot vernietiging van de straf en van de bijdrage aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, maar heeft geen invloed op de schuldigverklaring.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is, behoudens de onwettigheid die hierna ongedaan moet worden gemaakt, overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die, op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders tegen de eiseres, uitspraak doen over

a. het beginsel van aansprakelijkheid

De eiseres voert geen middel aan.

b. de omvang van de schade

De eiseres doet afstand van haar cassatieberoep.

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van de naamloze vennoot-schap Travhydro in zoverre het gericht is tegen de beslissingen die uitspraak doen over de omvang van de schade van de verweerders, De Federale Verzekeringen nv en B. P.
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de straf die is opgelegd aan elk van de naamloze vennootschappen Bam Technics en Travhydro alsook over hun bijdrage aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Veroordeelt elk van de eiseressen, de naamloze vennootschappen Bam Technics en Travhydro, tot de helft van de kosten van hun cassatieberoep en laat de andere helft ten laste van de Staat.
Veroordeelt elk van de overige eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel,  in openbare terechtzitting van 4 maart 2015 uitgesproken

Grondwettelijk Hof; 05/05/2004, 752004;2760, Nulllum Crimen, 2006/1

Het Arbitragehof,

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 26 juni 2003 in zake het openbaar ministerie tegen L. Latré en G. Latré, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 7 juli 2003, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

" Schendt artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek, zoals opnieuw ingevoegd bij wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het een strafuitsluitingsgrond invoert voor de natuurlijke persoon die een misdrijf pleegt in het kader van de activiteit (lees intrinsiek verband met doel, de waarneming van zijn belangen, voor rekening) van een rechtspersoon, terwijl dit niet het geval is voor de natuurlijke persoon die hetzelfde misdrijf pleegt in het kader van de activiteit (lees intrinsiek verband met doel, de waarneming van zijn belangen, voor rekening) van een natuurlijke persoon ? "

III. In rechte

B.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek, zoals hersteld bij artikel 2 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, dat luidt :

" Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening, zijn gepleegd.

Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld.

Met rechtspersonen worden gelijkgesteld :

1° tijdelijke verenigingen en verenigingen bij wijze van deelneming;
2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting;
3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen.

Voor de toepassing van dit artikel kunnen niet als strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon worden beschouwd : de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. "

B.2. Artikel 5 van het Strafwetboek, hersteld bij de wet van 4 mei 1999, heeft een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon ingevoerd, onderscheiden en autonoom ten opzichte van die van de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hebben gehandeld of dit hebben nagelaten. Voordien kon een rechtspersoon niet als dusdanig strafrechtelijk worden vervolgd. Een misdrijf waarvoor een rechtspersoon verantwoordelijk zou kunnen worden geacht, werd aan welbepaalde natuurlijke personen aangerekend.

B.3. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het een strafuitsluitingsgrond invoert voor een door zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon gepleegd misdrijf voor wie van hen beiden de minst zware fout heeft begaan voor zover het misdrijf door de natuurlijke persoon uit onachtzaamheid is gepleegd, terwijl een dergelijke strafuitsluitingsgrond niet kan worden aangevoerd door een natuurlijke persoon die hetzelfde onopzettelijke misdrijf heeft gepleegd als een andere natuurlijke persoon. Terwijl aldus in het tweede geval samenloop van strafrechtelijke aansprakelijkheden mogelijk is, is dit in het eerste geval uitgesloten.

B.4. Volgens de Ministerraad kunnen de regels aangaande de cumulatie van strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon en een natuurlijke persoon niet worden vergeleken met die inzake natuurlijke personen onderling, daar de wetgever een bijzonder systeem van strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen heeft uitgewerkt dat aan een eigen logica beantwoordt, onderscheiden van de logica van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van natuurlijke personen.

De in het geding zijnde regeling betreft de toerekening van misdrijven bij een samenloop van strafrechtelijke verantwoordelijkheden tussen de natuurlijke persoon en de rechtspersoon, die in beginsel beiden schuldbekwaam worden geacht. Die regeling is bijgevolg vergelijkbaar met de toerekening van misdrijven bij een samenloop van daders die allen de hoedanigheid van natuurlijke persoon hebben.

De exceptie wordt verworpen.

B.5. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.6.1. Volgens de memorie van toelichting regelt de in het geding zijnde bepaling de verhouding tussen de aansprakelijkheid van de rechtspersoon en die van natuurlijke personen voor dezelfde feiten :

" Het gehanteerde principe houdt in dat cumulatie van aansprakelijkheden in dat geval uitgesloten is, tenzij aangetoond kan worden dat het misdrijf ook aan de natuurlijke persoon zelf kan worden toegerekend, die manifest opzettelijk gehandeld heeft. In tegenstelling tot hetgeen de Raad van State in het advies lijkt te stellen, betreft de uitsluiting van cumulatie enkel de delicten gepleegd met nalatigheid als intentioneel element. Het uitgangspunt is derhalve de wettelijke kwalificatie van het misdrijf.

Het voorstel beoogt aldus terug te komen op bepaalde rechtspraak die zeer ver ging in de toerekening van misdrijven aan leidinggevende personen binnen rechtspersonen door het misdrijf bewezen te achten op basis van tekortkomingen van deze personen, daar waar het misdrijf duidelijk opzet vereist, of zelfs louter op basis van de positie van de betrokkene binnen de rechtspersoon te komen tot een quasi objectieve strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Niettemin kan het niet zo zijn dat het voorstel een vrijbrief biedt voor personen die in het kader van de rechtspersoon strafbare gedragingen stellen. Zoals gezegd, kunnen ingeval van opzet, de rechtspersoon en de natuurlijke persoon samen als mededaders worden vervolgd en veroordeeld. Indien in hoofde van de natuurlijke persoon enkel de schuldvorm van nalatigheid aanwezig is - wat vaak het geval zal zijn in het bijzonder strafrecht waar voor veel misdrijven geen opzet vereist is -, zal de rechter geval per geval moeten nagaan of de verantwoordelijkheid van de rechtspersoon, dan wel van de natuurlijke persoon het zwaarst moet doorwegen. "
(Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/1, pp. 6 en 7)

Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het wetsontwerp het beginsel van samenloop van verantwoordelijkheden wilde vastleggen maar alleen wanneer het misdrijf aan een natuurlijke persoon zelf kan worden toegerekend die opzettelijk zou hebben gehandeld.

Tijdens de parlementaire besprekingen werd staande gehouden dat men een onderscheid moet maken tussen " maffiose " criminaliteit, die " veeleer (...) een opzettelijke criminaliteit (is) " en de " economische " criminaliteit, wanneer het een misdrijf met " nalatigheid " betreft (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr.
1-1217/6, p. 21).

B.6.2. Op de kritiek van een senator dat " het voorstel (...) de gevaarlijke weg (lijkt) op te gaan van de ontheffing van verantwoordelijkheid van natuurlijke personen " (amendement nr. 11, Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/2, p. 5, en de uiteenzetting hierbij in Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/6, pp. 31-50), antwoordde de Minister dat

" ze niet allebei veroordeeld kunnen worden, omdat hun respectievelijke handelingen zo moeilijk te onderscheiden zijn dat systematische cumulatie in deze gevallen onvermijdelijk tot dubbele veroordelingen zou leiden terwijl er momenteel maar een mogelijk is ".

De Minister voegde eraan toe :

" De bedoeling is in deze gevallen de echte verantwoordelijke aan te wijzen. " (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1217/6, p. 42)

Daarop werd een amendement ingediend (amendement nr. 19, Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/4) dat tot de uiteindelijke tekst van artikel 5, tweede lid, heeft geleid en waarbij de indiener aanvoerde :

" Dit artikel voert als nieuw element in dat de aansprakelijkheid van de rechtspersoon wordt geïmpliceerd uitsluitend wegens de tussenkomst van een geïdentificeerd natuurlijke persoon. Enkel in dat geval moet de rechter een keuze maken. Bij deze keuze is de zwaarste fout het criterium. Beiden kunnen dus worden vervolgd, maar de rechter kan enkel degene veroordelen die de zwaarste fout heeft begaan, en voor zover de aansprakelijkheid van de rechtspersoon in het gedrang komt ingevolge de uitsluitende tussenkomst van de geïdentificeerde natuurlijke persoon.

Aldus wordt de casus beperkt waarbij de aansprakelijkheid van de rechtspersoon in het gedrang komt - uitsluitend wegens de tussenkomst van een natuurlijk persoon - en ten tweede wordt het criterium bepaald, namelijk dat de rechter moet nagaan wie de zwaarste fout heeft begaan. " (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/6, p. 46)

B.6.3. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat een samenloop van strafrechtelijke verantwoordelijkheden van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon in beginsel is uitgesloten (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr.
2093/5, p. 15). Op die wijze wilde de wetgever ingaan tegen een rechtspraak die tot een quasi objectieve verantwoordelijkheid leidde door de bestuurders van de rechtspersonen te veroordelen voor inbreuken die ze materieel niet hadden gepleegd, maar aan wie de inbreuken ten laste werden gelegd vanwege de positie die ze bekleedden binnen de rechtspersoon.

B.7. Doordat de in het geding zijnde maatregel ten aanzien van de personen die samen met een rechtspersoon een misdrijf uit onachtzaamheid hebben begaan, een strafuitsluitingsgrond in het leven roept, doet hij een verschil in behandeling ontstaan ten aanzien van de personen die samen met een andere persoon dan een rechtspersoon een misdrijf uit onachtzaamheid hebben begaan.

B.8. Dat verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording gelet op de verschillen die er bestaan tussen de beide in B.7 beschreven situaties. Wanneer twee natuurlijke personen tegelijkertijd worden vervolgd wegens eenzelfde feit, moet de rechter in het licht van de omstandigheden van elke zaak onderzoeken of zij beiden schuldig zijn. Artikel 5, eerste lid, stelt daarentegen automatisch de rechtspersoon aansprakelijk voor de nalatigheid die toe te schrijven is aan de natuurlijke persoon die voor zijn rekening heeft gehandeld. Rekening houdend met het feit dat een rechtspersoon uitsluitend handelt door het optreden van een natuurlijke persoon, vermocht de wetgever, om de in B.6.2 in herinnering gebrachte redenen, te oordelen dat, wanneer de natuurlijke persoon wordt geïdentificeerd en teneinde te vermijden dat de rechtspersoon en de natuurlijke persoon systematisch samen worden veroordeeld (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/6, p. 38), de rechter ertoe diende te worden aangezet een afweging te maken tussen, enerzijds, het aspect fout van een natuurlijke persoon en, anderzijds, de verantwoordelijkheid van de rechtspersoon (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2093/5, p. 15) en hem de mogelijkheid moest worden geboden geval per geval na te gaan welk gedrag bepalend was, dat van de rechtspersoon, dan wel dat van de natuurlijke persoon. (Parl.
St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/1, p. 6).

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :

Artikel 5, tweede lid, eerste zin, van het Strafwetboek, zoals hersteld bij de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare
terechtzitting van 5 mei 2004.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: di, 26/12/2017 - 11:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.