-A +A

Strafbepaling wanbetaling loon

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het niet of niet tijdig betalen van loon maakt een misdrijf uit overeenkomstig de strafbepalingen van het sociaal Strafwetboek.

Art. 162. Sociaal Strafwetboek

Uitbetaling van het werknemersloon

Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die :

1° het loon van de werknemer niet heeft uitbetaald of het niet heeft uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is;
2° zich door de leden van zijn personeel alle of een deel van de aanvullende bijdragen doet terugbetalen die de werkgever verschuldigd is, met toepassing van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939;
3° het verschuldigd vakantiegeld niet heeft uitbetaald of het niet heeft uitbetaald binnen de termijn en volgens de reglementaire voorschriften opgelegd bij de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.

Het minimum en het maximum van de strafrechtelijke geldboete of van de administratieve geldboete worden vermenigvuldigd met twaalf wanneer enerzijds het in de betrokken sector toepasselijk minimumloon niet wordt uitbetaald aan de werknemer - of in geval van deeltijdse arbeid het gedeelte van het minimumloon dat in verhouding is verschuldigd - of niet wordt uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is, en er, anderzijds, samenloop is met twee of meerdere inbreuken bedoeld bij de artikelen 138, 140 tot 142, 156, 157, 163, 165 tot 167 of 169.

Voor de in dit artikel bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
 

Voorheen werrd de strafbepâling opgenomen in de Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en de Wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

De verplichting om het loon uit te betalen op de wettelijk voorziene tijdstippen tijdens de dienstbetrekking en op de eerste betaaldag die volgt op de datum waarop de dienstbetrekking eindigt, bestaat op zichzelf en is niet afhankelijk gesteld van het verzoek van eiser om uitbetaling van zijn loon.

Krachtens artikel 3 van de Wet van 17 april 1878 houdende Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, beschikt de werknemer over een rechtsvordering tot herstel van de schade ingevolge dat misdrijf.

Krachtens artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing voor de vervanging ervan door artikel 2 van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf door verloop van vijf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, zonder dat zij kan verjaren voor de strafvordering.

Het misdrijf is een onopzettelijk misdrijf: het vereist geen algemeen noch bijzonder opzet. Het is enkel vereist dat de dader de handeling of de onthouding heeft gewild, maar niet dat hij ook de eraan verbonden schadelijke gevolgen heeft gewild. Deze laatste heeft hij bij ontstentenis van voorzichtigheid of voorzorg niet voorzien of vermeden, ofschoon hij dat had kunnen en moeten doen (Arbh. Gent 13 december 2004, R.W. 2005-06, 1142-1147). De vereiste schuldvorm is de onachtzaamheid (zie ook: P. Arnou, «Het moreel bestanddeel van het misdrijf: oude en nieuwe wegen doorheen het moeras», A.J.T. 1999-2000, 27).

De onachtzaamheid moet worden bewezen door de partij die zich op het bestaan van een misdrijf beroept. Wel kan uit de materiële gedraging zelf een feitelijk vermoeden van onachtzaamheid worden afgeleid. De waarde van dit vermoeden wordt door de rechter vrij beoordeeld. Indien de beklaagde met een zekere graad van geloofwaardigheid het moreel bestanddeel betwist, door bijvoorbeeld een rechtvaardigingsgrond in te roepen, is het aan de strafvervolgende of aan de burgerlijke partij om het moreel bestanddeel van het misdrijf te bewijzen (zie ook: W. Rauws, «Sociaalrechtelijke misdrijven en hun strafbaarheid», in G. Van Limbergen (red.) Sociaal Strafrecht, Antwerpen, Maklu, 1998, p. 72-78).

Rechtsleer: Bestuurdersaansprakelijkheid bij loonmisdrijf en overmacht, noot onder Arbeidsrechtbank te Ieper, 2e Kamer – 26 oktober 2007, RW 2008-2009, 878.

Bevoegde rechtbank, onverminderd de bevoegdheid van de strafrechter is de arbeidsrechtbank bevoegd kennis te nemen van de vordering wegens de niet-betaling van het loon en de niet-afgifte van sociale documenten, zowel wanneer het gebaseerd is op een sociaalrechtelijk misdrijf als op een overtreding van art. 1382-1383 B.W. Voorwerp en oorzaak van de vordering houden beide een rechtstreeks verband met de door eiser geleverde arbeid in ondergeschikt verband, in het raam van een arbeidsovereenkomst, en met het daarvoor verschuldigde loon en de daarop betrekking hebbende sociale documenten. Dit zijn duidelijk aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren.

Er bestaat ook geen tegenstrijdigheid tussen de vordering gebaseerd op een sociaalrechtelijk misdrijf en dezelfde vordering gebaseerd op een overtreding van art. 1382- 1383 B.W.: de burgerlijke vordering voor de arbeidsrechtbank tot betaling van een schadevergoeding wegens het niet betalen van loon en het niet tijdig afleveren van sociale documenten is gebaseerd op art. 1382 B.W. (zie ook: J. Petit, Sociaal Procesrecht, Brugge, die Keure, 2000, p. 553).

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 20 april 2009, RW 2009-2010, 876

samenvatting:

Aangezien de niet betaling van het loon een misdrijf uitmaakt dient de rechter wanneer deze  geconfronteerd wordt met een vordering tot betaling van achterstallig loon die louter ex contractu wordt ingesteld en de tegenpartij de verjaring van deze vordering op grond van art. 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet opwerpt, de plicht ambtshalve de verjaring van deze vordering op grond van art. 26 van de Voorafgaande Titel Sv. te onderzoeken. Door het ambtshalve onderzoeken of aannemen van een andere rechtsgrond, die geboden is door de feiten die de partijen hebben aangereikt, wijzigt de rechter het voorwerp van de vordering niet. Hij dient hierbij wel aan de partijen de gelegenheid te geven hierover tegenspraak te voeren.


conclusie van advocaat-generaal R. Mortier:

Het tweede onderdeel heeft betrekking op de vraag of de rechter die geconfronteerd wordt met een vordering tot betaling van achterstallig loon waarvan door de tegenpartij wordt aangevoerd dat deze overeenkomstig art. 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet verjaard is, de verplichting heeft ambtshalve de toepassing van art. 26 Voorafgaande Titel Sv. op te werpen, en dus na te gaan of de vordering ook ex delicto verjaard is, wanneer uit de feiten die door partijen worden aangevoerd het bestaan van een misdrijf blijkt, zelfs al hebben de partijen dus niet zelf deze rechtsgrond opgeworpen.

Deze problematiek houdt verband met de soms moeilijke evenwichtsoefening tussen enerzijds de taak (of de plicht) van de rechter in het burgerlijk proces, en anderzijds de naleving van het beschikkingsbeginsel.

In een aantal belangrijke arresten heeft uw Hof volgende principes geformuleerd:

– de rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregel en heeft, mits eerbiediging van het recht van verdediging, de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten, die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen. Aldus het arrest van uw Hof van 14 april 2005 (Arr. Cass. 2005, nr. 225), dat dus wijst op een plicht, en dit in tegenstelling tot de «mogelijkheid» hiertoe die in vroegere arresten werd aangenomen.

– Dit principe werd herhaald bij arrest van 7 december 2006 (Pas. 2006, nr. 627), waarbij evenwel werd herinnerd aan de noodzaak tot tegenspraak voor partijen over dit ambtshalve opgeworpen rechtsmiddel.

– Bij arrest van 6 december 2007 (C.06.0092.N) oordeelde uw Hof dat de rechter ertoe gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die partijen hieraan gegeven hebben, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij het recht van verdediging van partijen niet miskent. Het enkele feit dat partijen de toepassing van een bepaalde wetsbepaling niet hebben opgeworpen, betekent niet dat zij die mogelijkheid bij conclusie hebben uitgesloten.

Wat nu specifiek de taak van de rechter in het burgerlijk proces met betrekking tot het onderzoek van de verjaring van de vordering ex contractu en/of ex delicto betreft, dient te worden verwezen naar het arrest dat uw Hof op 23 oktober 2006 (Pas. 2006, nr. 501) in verenigde kamers heeft geveld. Toen werd geoordeeld dat art. 26 Voorafgaande Titel Sv. van toepassing is op elke burgerlijke rechtsvordering die gestoeld is op feiten die doen blijken van het bestaan van een misdrijf, zelfs wanneer die feiten eveneens een tekortkoming aan contractuele verbintenissen uitmaken en de gevorderde zaak bestaat in de uitvoering van die contractuele verbintenis als herstel voor de geleden schade. Uw Hof vernietigde bijgevolg het bestreden arrest dat weigert de verjaring van de vordering te onderzoeken in het licht van art. 26 Voorafgaande Titel Sv., op grond van de overweging dat de eiser volhardt in het vorderen van de nakoming van de contractuele verbintenissen en niet van de vergoeding van de schade die door het aangevoerde misdrijf is berokkend.

Dit standpunt van uw Hof werd bevestigd bij arrest van 14 januari 2008 (Arr. Cass. 2008, nr. 26).

Deze principes, in hun onderlinge samenhang gelezen, leiden tot de conclusie dat wanneer de rechter wordt geconfronteerd met een vordering die louter ex contractu wordt ingesteld tot betaling van achterstallig loon, en de tegenpartij de verjaring van deze vordering op grond van art. 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet opwerpt, de rechter de plicht heeft ambtshalve de verjaring van deze vordering op grond van art. 26 Voorafgaande Titel Sv. te onderzoeken, omdat het niet of niet tijdig betalen van loon een misdrijf uitmaakt. Door het ambtshalve onderzoeken of aannemen van een andere rechtsgrond, die geboden is door de feiten die partijen hebben aangereikt, wijzigt de rechter het voorwerp van de vordering niet. Hij dient hierbij wel aan partijen de gelegenheid te geven hierover tegenspraak te voeren.

Het tweede onderdeel lijkt mij dus gegrond, in zoverre de eiser daarin aan de appelrechters verwijt de vordering ex contractu te hebben afgewezen wegens verjaring, zonder de verjaring in het raam van art. 26 Voorafgaande Titel Sv. te hebben onderzocht. Verweerder roept in de memorie van antwoord evenwel op dat dit middel nieuw is, omdat eiser hiervan in zijn conclusies in hoger beroep geen enkele melding heeft gemaakt. Zoals hierboven reeds aangegeven, heeft uw Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat partijen de toepassing van een wetsbepaling niet hebben opgeworpen, niet betekent dat zij die mogelijkheid bij conclusie hebben uitgesloten. Bovendien hangt de vraag of een middel nieuw is, nauw samen met de vraag of de rechter uitspraak heeft gedaan of diende te doen over dit middel. Indien wordt aangenomen dat de rechter ambtshalve de plicht had art. 26 Voorafgaande Titel Sv. op te werpen en te beoordelen, impliceert dit dat hij hierover uitspraak had moeten doen, zelfs al hadden partijen dit niet opgeworpen. Het middel is dus niet nieuw. De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Conclusie: vernietiging

Tekst van het arrest:
...
I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 20 april 2006 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen.
...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Tweede onderdeel
...
3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiser met toepassing van art. 807 Ger. W. in appelconclusies bijkomend de betaling vorderde van achterstallig loon, aanpassing van vakantiegeld, eindejaarspremies en achterstallige premies.

4. Het arrest oordeelt dat deze vorderingen gebaseerd zijn op de in de inleidende dagvaarding aangevoerde tewerkstelling in het raam van een arbeidsovereenkomst in de periode van 2 januari 1992 tot 31 maart 1998, waarvoor de eiser bijkomende beloning vordert, en beslist dat deze vorderingen ontstaan zijn uit de arbeidsovereenkomst in de zin van art. 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet en met toepassing van art. 807 Ger. W. regelmatig zijn ingesteld.

5. De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.

Het enkele feit dat de partijen de toepassing van een bepaalde wetsbepaling niet hebben opgeworpen, betekent niet dat zij die mogelijkheid bij conclusie hebben uitgesloten.

6. Het niet betalen, onvoldoende betalen of niet tijdig betalen van het krachtens een arbeidsovereenkomst verschuldigde loon of vakantiegeld is, overeenkomstig art. 9 en 42 van de Loonbeschermingswet en art. 54, 2o, van het K.B. van 28 juni 1971, een misdrijf.

In zoverre de te dezen als aanpassing van vakantiegeld gevorderde bedragen geen vakantiegeld zijn in de zin van voormeld K.B. van 28 juni 1971, maar wel weddetoelagen, is ook voor deze bedragen de Loonbeschermingswet van toepassing.

7. Krachtens art. 26 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht vóór de wijziging ervan bij de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, verjaart de burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf door verloop van vijf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, zonder dat zij kan verjaren vóór de strafvordering.

Sinds de voormelde wijziging bij de wet van 10 juni 1998 verjaart de burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade, maar kan zij niet verjaren vóór de strafvordering.

Krachtens art. 2262bis, § 1, tweede lid, B.W. verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Luidens het derde lid van § 1 van ditzelfde artikel verjaren die vorderingen in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

8. Art. 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat alleen betrekking heeft op de contractuele vorderingen ontstaan uit de arbeidsovereenkomst, is geen bijzondere afwijkende wetsbepaling in de zin van art. 26 van de Voorafgaande Titel Sv., zoals van toepassing sinds de wet van 10 juni 1998.

9. Voormeld art. 26 is van toepassing op elke burgerlijke rechtsvordering die tot een veroordeling strekt en die gebaseerd is op feiten die het bestaan van een misdrijf doen blijken, zelfs wanneer die feiten eveneens een contractuele tekortkoming uitmaken en het voorwerp van de vordering in de uitvoering van de contractuele verbintenis bestaat.

10. Het arrest dat de vordering tot betaling van achterstallig loon en vakantiegeld, in zoverre uitgebreid, verjaard verklaart op grond van art. 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, zonder de toepassing te onderzoeken van de verjaring bepaald in art. 26 van de Voorafgaande Titel Sv., schendt de in het onderdeel als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is gegrond.


• Cass. 22/06/2015, juridat

Samenvatting

Het misdrijf dat bestaat in de niet-betaling van het loon is voltrokken door één enkel verzuim, op het ogenblik dat de betaling moet worden verricht; een dergelijk misdrijf is een aflopend misdrijf en geen voortdurend misdrijf

Tekst arrest

Nr. S.15.0003.N
ALLIED CLEANERS SERVICES EN/OF ACS nv,
tegen
E. A. B.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel
(...)
Tweede middel
(...)
Tweede onderdeel

Krachtens de artikelen 42 Loonbeschermingswet, 56 CAO-wet en 162 en 189 So-ciaal Strafwetboek, die de niet-betaling van het krachtens een verbindende collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde loon strafbaar stellen, wordt het misdrijf voltrokken louter door een verzuim op het ogenblik dat de betaling moet worden verricht.

Een dergelijk misdrijf is een aflopend misdrijf en geen voortdurend misdrijf.

Het arrest dat oordeelt dat het niet-betalen, aan de verweerster, van het krachtens een verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde loon, een misdrijf is dat "geregeld herhaald wordt bij elke betaling, een voortdurend misdrijf is" en daaruit afleidt dat "de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering die op dat misdrijf steunt pas [...] begint te lopen aan het einde van de periode waarin het misdrijf werd gepleegd, hetzij op de dag van het einde van de arbeids-overeenkomst of van de laatste betaling, in dit geval op 9 december 2008" en "te-ruggaat [...] tot de dag waarop het voortdurende misdrijf voor het eerst werd ge-pleegd" zodat de vordering tot betaling voor de hele periode" van "2 september 2002 tot 9 december 2008" niet verjaard is, schendt de voornoemde bepalingen.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Overige grieven

Het overige van het tweede middel, dat niet tot een ruimere cassatie kan leiden, behoeft geen onderzoek.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt om aan de verweerster een bedrag van 23.342,42 euro aan loonachterstallen te betalen, ver-meerderd met de interest, en het uitspraak doet over de kosten.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beoordeling daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel


• Cassatie 17 juni 1996, RW 1996-1997, 851

Samenvatting:

De strafbaarstelling van het loonmisdrijf (artt. 2, 9 en 42, 1°, Loonbeschermingswet) vereist niet dat die lonen bij algemeen verbindend verklaarde C.A.O. zijn bepaald.

Tekst arrest

B.V.B.A. A. t/ mrs. V.W. en V.C. qq.

Gelet op het bestreden arrest, op 19 oktober 1994 door het Arbeidshof te Gent gewezen;

HET HOF,

Gelet op het bestreden arrest, op 19 oktober 1994 door het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, gewezen;

Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 7, lid 1, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gesloten te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, 15, lid 1, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gesloten te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, 12, tweede lid, en 14 van de gecoördineerde Grondwet (oud artikel 7, tweede lid en 9 van de Grondwet van 7 februari 1831), 2, eerste lid, van het Strafwetboek, 3, 26, 27 en 28 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij de wet van 30 mei 1961, 56.1, 60 en 61, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomst en de paritaire comités, gewijzigd bij het Koninklijk Besluit nr. 15 van 23 oktober 1978, 2, 9, 11, 42.1, 45 en 46 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, gewijzigd bij de Koninklijke Besluiten van 1 maart 1971, 23 oktober 1987 en voor de wijziging bij de wet van 27 juni 1985 en de programmawet van 22 december 1989 en de wet van 23 maart 1994 en voor de wijziging bij Koninklijk Besluit nr. 225 van 7 december 1983, 54, en 60 van het Koninklijk Besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 23 oktober 1978 en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel "nullum crimen sine lege, nulla poena sine lege";

doordat het bestreden arrest van gedeeltelijke vernietiging eiseres veroordeelt om aan verweerders q.q. te betalen : 209.668 F. achterstallig loon, 31.029 F. vakantiegeld en 16.439 F. oudejaarspremie, zijnde in totaal 259.136 F. op de volgende gronden : "Vandeghinste Miranda houdt voor dat zij vanaf 1 juli 1982 als part-time bediende tewerkgesteld was bij eiseres... Zij zou met aangetekend schrijven van 15 juni 1983 aan eiseres opzeg van de arbeidsovereenkomst betekend hebben tegen 30 september 1983, ogenblik waarop zij haar betrekking als bediende-gerante werkelijk heeft beëindigd... Uiteraard kan eiseres ook nog in graad van hoger beroep de verjaring opwerpen van een vordering inzake loontegoed inclusief oudejaarspremie en achterstallig vakantiegeld. Dit hoeft dus geenszins in limine litis te gebeuren, zoals voorgehouden door verweerders q.q. Overeenkomstig de artikelen 2, 9 en 42.1°, wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers wordt de niet betaling van loon strafrechtelijk beteugeld. En overeenkomstig art. 54, eerste lid, 2°, K.B. 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de rechtsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, geldt eenzelfde principe ten aanzien van de niet betaling van het verschuldigd vakantiegeld. De werknemer aan wie op grond van een arbeidsovereenkomst loon of vakantiegeld verschuldigd is, heeft, nu de niet-betaling ervan bestanddeel is van een misdrijf, een mogelijkheid ab initio een vordering in te stellen, hetzij op grond van de overeenkomst, hetzij op grond van een misdrijf. Dit keuzerecht kan in hoofdorde worden uitgeoefend, maar ook in ondergeschikte orde, zodat de vordering een dubbele grondslag heeft. Ten deze heeft Miranda Vandeghinste - alhoewel de door haar aangehaalde feitelijke gegevens en de door haar gebruikte bewoordingen onmiskenbaar de keuze laten - in de inleidende dagvaarding geen keuze gemaakt tussen een burgerlijke vordering gesteund op een misdrijf en een vordering gesteund op de arbeidsovereenkomst. In conclusies
, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 19 juni 1992, deden verweerders q.q. gelden dat de vordering van Miranda Vandeghinste gefundeerd was ex delicto. Zij steunen in deze conclusies niet op andere feitelijke gegevens dan die welke in de dagvaardingen en in vorige conclusies aangevoerd werden, zodat het voorwerp van de oorspronkelijke vordering niet gewijzigd werd, nu tussen twee rechtstitels een keuze gemaakt werd die op basis van de bewoordingen van de dagvaarding mogelijk was. Zij hebben aldus enkel verduidelijkt welke rechtstitel volgens hen steeds als grondslag van de vordering gediend heeft. Dergelijke verduidelijking impliceert geen wijziging of uitbreiding van de eis. Het betreft derhalve geen nieuwe vordering, nu zij de mogelijkheid hadden vrij te beschikken over de vordering teneinde de rechten van Miranda Vandeghinste te waarborgen. De vordering van verweerders q.q. waarvan thans werd verduidelijkt dat zij geldt als zijnde ex delicto, was dus - gelet op de respectievelijke data van beëindiging der arbeidsovereenkomst en van de inleidende dagvaarding - niet verjaard bij toepassing van art. 26 voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering. Met betrekking tot het achterstallig loon dient vastgesteld te worden dat verweerders q.q. dit thans, bij uitbreiding van hun vordering, begroten volgens de barema's van het NPC nr. 218 (Aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden)";

terwijl, eerste onderdeel, artikel 9 van de wet van 12 april 1965 de tijdstippen vaststelt waarop het verschuldigde loon moet worden uitbetaald; dat artikel 42.1 van de wet van 12 april 1965 de werkgever straft die het loon niet betaalt op die tijdstippen; dat die artikelen bijgevolg enkel de laattijdige betaling van het loon strafbaar stellen, maar dat het eenvoudig niet betalen van het loon door die artikelen niet strafbaar gesteld wordt; dat het bestreden arrest dan ook ten onrechte beslist heeft dat de niet betaling van loon door die artikelen strafrechtelijk beteugeld wordt en dat de werknemers aan wie op grond van een arbeidsovereenkomst loon verschuldigd is, bij niet betaling de mogelijkheid heeft een vordering in te stellen op grond van dit misdrijf (schending van art. 2, 9, 11 en 42.1, wet 12 april 1965); dat het bestreden arrest op die gronden ook niet wettelijk kon beslissen dat de vordering van verweerders q.q. wegens niet betaald loon, niet verjaard was bij toepassing van art. 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering (schending van art. 3, 26, 27 en 28, wet 17 april 1878);

Wat het eerste onderdeel betreft :

Overwegende dat artikel 9 van de Loonbeschermingswet de uitbetaling regelt van het op gezette tijden verschuldigd loon; dat artikel 42, 1°, van deze wet de werkgever die zich schuldig maakt aan de overtreding van voormeld artikel 9, strafbaar stelt;

Dat niet-betaling van dit loon inhoudt dat er geen betaling is op het hiertoe gestelde tijdstip; dat dit strafbaar is op grond van de voormelde wetsbepalingen;

Dat het onderdeel faalt naar recht;

OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.

Nog dit: 

 

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST

OPENBARE TERECHTZITIING VAN 14 OKTOBER 2011 3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

In de zaak:

1. BVBA, met maatschappelijke zetel te, appellante,

vertegenwoordigd.

Tegen:

M.V., geïntimeerde,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr.

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak

op 24 juni 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 8503/09).

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 9 november 2011; de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 31 mei 2011,

de conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 1 maart 2011 en 2 augustus 2011;

de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 16 september 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer V. M. was als financieel directeur (Controller) in dienst van de bvba 1. (hierna afgekort als 1.) van 9 augustus 1982 tot 31 augustus 2008.

2. Als financieel directeur had hij een controlefunctie in verband met alle financiële aangelegenheden en ressorteerde hij onmiddellijk onder de algemene directeur (Managing Director) de heer X., die tevens de functie van verkoopdirecteur (Marketing Manager) vervulde. In het organigram is de personeelsmanager ingeschaald in een lager niveau; deze rapporteert aan de verkoopdirecteur (de heer X.) en aan de financieel directeur (de heer Y.).

Als financieel directeur ondertekende de heer V. de jaarrekeningen van de onderneming. Hij diende na te gaan of er provisies moesten worden aangelegd voor kosten die in het volgend boekjaar verwacht werden en aldus diende hij elk jaar aan de revisor en aan de financiële directeur van de moedermaatschappij te bevestigen of er potentiële vorderingen tegen de vennootschap bekend waren.

Op 1 januari 2007, 19 april 2007 en 25 januari 2008 bevestigde de heer Y. aldus dat hem geen potentiële vorderingen tegen de vennootschap bekend waren.

Alle verplichtingen van de vennootschap waarvan we ons bewust zijn, zijn opgenomen in de jaarrekening op balansdatum. Er zijn geen

1. Schendingen of mogelijke schendingen van wetten of reglementen waarvan het gevolg zou moeten opgenomen worden in de jaarrekeningen of die als basis zouden dienen voor het opnemen van een voorziening voor een verlies.

2. Vorderingen die nog niet opgeëist werden of beoordelingen waarvan onze jurist ons geadviseerd heeft dat ze kans lopen opgevorderd te worden en dienen opgenomen te worden overeenkomstig ...

3. Andere verplichtingen of voorzieningen voor winst of verlies (met inbegrip van diegene met betrekking tot mondelinge garanties) die dienen geboekt of opgenomen te worden onder FASB n° 5

De vennootschap heeft in alle aspecten haar contractuele verplichtingen nageleefd die een relevante impact zouden hebben op de jaarrekening in geval van niet-naleving.

Op 28 juli 1999 deed de heer Y. aan alle bedienden een mededeling in verband met de toekenning van een premie als gevolg van de CAO van het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor bedienden. (stuk 21 van 1.) Hij keurde ook de aanpassing van de salarisschalen als gevolg van de indexatie goed per 1 mei 2004, 2 november 2005 en 1 januari 2006 (stukken 22 tot en met 24 van 1.).

3. 1. ressorteert onder het paritair comité 218 (Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden) Artikel 6 van de CAO van 29 mei 1989 in verband met de arbeids- en beloningsvoorwaarden (KB 6 augustus 1990, BS 31 augustus 1990) voorziet in de indexering van de effectief uitbetaalde lonen, waarbij de werkgevers ook de mogelijkheid hebben om de lonen van de bedienden te doen schommelen overeenkomstig het systeem van koppeling aan het indexcijfer van de consumptie-prijzen dat wordt toegepast voor de werklieden van hun onderneming.

1. ressorteert voor de arbeiders onder het paritair comité 149.04 (paritair subcomité voor de metaalhandel) en in deze sector wordt ook voorzien in een koppeling van de effectief uitbetaalde lonen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, zoals kan afgeleid worden uit de opeenvolgende CAO's, die neergelegd worden door I.; niet betwist wordt dat de regeling voor de arbeiders voor 1. geen voordeliger systeem gaf.

4. Omdat hij op 11 augustus 2008 de pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar bereikte, beëindigde de heer V. op 28 februari 2008 zijn arbeidsovereenkomst door middel van een opzeggingstermijn van 6 maanden, aanvangend op 1 maart 2008 en eindigend op 31 augustus 2008.

Op 14 maart 2008 verzond de heer V. een aangetekende brief naar 1., waarin hij aanspraak maakte op loonachterstallen wegens ontbrekende indexatie over een periode van 14 jaar (1992 - 2006), en dit ten bedrage van euro 239.222.

Op 17 april 2008 betwistte de raadsman van 1. deze vordering wegens verjaring en wegens het feit dat de heer V. zich niet kon beroepen op zijn eigen foutief handelen. Tevens werd het bestaan van enige schade betwist en werd gewezen op het jaarlijks afsluiten van een nieuwe overeenkomst met betrekking tot het contractueel overeengekomen loon; ook de berekening werd betwist en in uiterst ondergeschikte orde werd voorbehoud gemaakt voor een tegenvordering wegens zware fout als financieel directeur.

In officiële brieven van 8 mei 2008 en 28 april 2009 beantwoordde de raadsman van de heer V. deze argumenten en werd de vordering aangepast tot euro 321.728,63.

5. De betwisting bleef, zodat de heer V. op 2 juni 2009 1. dagvaardde voor de arbeidsrechtbank te Brussel en betaling vorderde van

euro 1 provisioneel ten titel van achterstallig loon, eindejaarspremie en vakantiegeld vanaf 1992 meer de verwijlsintresten op de brutobedragen vanaf de eisbaarheid en minstens ten titel van schadevergoeding meer de vergoedende intresten vanaf de eisbaarheid euro 1 provisioneel ten titel van schadevergoeding tengevolge van de negatieve impact van de achterstallen op de pensioenrechten meer de vergoedende intresten dit alles meer te gerechtelijke intresten op bruto en de gerechtskosten.

Tevens vorderde de heer V. de aanstelling van een deskundige.

Bij conclusies neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel op 27 augustus 2009 stelde 1. een tegenvordering in betaling van euro 1 provisioneel ten titel van schadevergoeding wegens bedrog.

6. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 24 juni 2010 werd de hoofdvordering, zoals gesteld in verband met de schadevergoeding wegens de achterstallen ontvankelijk en gegrond verklaard; de tegenvordering werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

De debatten werden heropend om partijen toe te laten de schadevergoeding wegens het niet betalen van de achterstallen correct te begroten en om de heer V. toe te laten de zaak in staat te stellen met betrekking tot de ingeroepen verjaring en de schadevergoeding tengevolge van de negatieve impact van de niet-betaling van de achterstallen op de pensioenrechten.

7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 9 november 2010, tekende 1. hoger beroep aan in de mate dat de vordering door de eerste rechter gegrond werd verklaard.

De heer V. tekende incidenteel beroep aan op 28 februari 2011, omdat uit de motivering van de eerste rechter volgt dat de schadevergoeding wegens loonachterstallen toegekend werd op nettobasis, terwijl hij van oordeel is dat de berekening dient uit te gaan van de bruto bedragen; hij vraagt dat er gezegd wordt voor recht dat de vordering met betrekking tot de pensioenrechten niet verjaard is en dat 1. zou veroordeeld worden tot euro 1 provisioneel ten titel van schadevergoeding wegens het niet correct berekenen en betalen van het aanvullend pensioen. Ondergeschikt vraagt hij opnieuw de aanstelling van een deskundige.

ll. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

Anders dan de heer V. wil voorhouden, bevat het verzoekschrift tot hoger beroep van 9 november 2010 wel degelijk grieven tegen het bestreden vonnis.

De delictuele vordering

2. De eerste rechter heeft correct vastgesteld dat voor de periode van augustus 1982 tot 31 december 1991 het loon van de heer V. volgens de regels van de CAO geïndexeerd werd, maar dat de heer V. een vordering ex delicto stelt wegens de niet indexering sinds 1 januari 1992. Hij houdt voor dat zijn werkgever zich hierbij schuldig gemaakt heeft aan een voortgezet misdrijf.

Waar de niet-betaling van loon een misdrijf vormt als gevolg van artikel 42 van de loonbeschermingswet, kan de werknemer een vordering tot herstel van de door dat misdrijf veroorzaakte schade instellen, ook al bestaat de vergoeding van de geleden schade in de betaling van het loon zelf; dergelijke rechtsvordering verjaart volgens de bij de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalde voorschriften.

Op grond van de artikelen 9 en 42 van de loonbeschermingswet leidt de niet-betaling van het loon op gezette tijden tot een misdrijf.

Bij niet-betaling van het loon, is dit loon ook niet betaald op het daartoe vastgestelde tijdstip. Dergelijk verzuim wordt strafbaar gesteld door artikel 42, 1 van de loonbeschermingswet (Cass. 17 juni 1996, JTI 1996, 3 131; Cass. 2 februari 2004, Soc. Kron 2004, 873).

Op grond van art. 56 van de CAOwet van 5 december 1968 is de werkgever strafbaar die zich schuldig maakt aan de overtreding van een algemeen verbindend verklaarde CAO.

Ook de niet betaling van vakantiegeld wordt strafbaar gesteld door art 54, 2° van de op 28 juni 1971 gecoördineerde vakantiewetten.

Voor lonen, eindejaarspremies en vakantiegeld roept de heer V. in dat geen rekening werd gehouden met de indexeringsclausule van art. 6 van de CAO van 29 mei 1989 in verband met de arbeids- en beloningsvoorwaarden afgesloten in het paritair comité 218.

Enkel wanneer het materieel en het moreel bestanddeel van het misdrijf aangetoond is, laat de heer V. terecht zijn vorderingen in betaling van achterstallig commissieloon en achterstallig vakantiegeld steunen op een burgerlijke vordering voortspruitend uit een misdrijf. Het hof zal eerst nagaan of het moreel element van het misdrijf aanwezig kan zijn, gelet op de verantwoordelijkheden van de heer V. in de onderneming en zijn bevestigingen rond de financiële situatie.

Het moreel bestanddeel

3. De onachtzaamheid of het gebrek aan voorzichtigheid volstaat voor de aanwezigheid van het moreel bestanddeel van het niet opzettelijk misdrijf.

Bij de niet opzettelijke misdrijven, zoals de meeste sociaalrechtelijke misdrijven, bestaat het moreel bestanddeel uit de volwaardige wil van de dader om de materiële handeling of nalatigheid te stellen; wanneer de werkgever een rechtvaardigingsgrond inroept en wanneer deze bewering niet ontbloot is van elk element van geloofwaardigheid, staat het aan degene die zich op dit misdrijf beroept, om de onjuistheid van deze rechtvaardigingsgrond aan te tonen (Cass. 4 januari 1994, A.C., 1994; Cass. 30 september 1993, A.C. 1993, nr. 389; W. Rauws, Sociaalrechtelijke misdrijven en hun strafbaarstelling, in Sociaal Strafrecht, Maklu, 1998 p 73).

Rechtvaardigingsgronden zijn deze die elke fout in hoofde van de betrokkene uitsluiten, zoals overmacht, onoverwinnelijke dwaling, of een noodtoestand (J.F. Goffin, Responsabilités des dirigeants de sociétés, Larcier, 2004, p 371).

Dwaling kan slechts dan een schulduitsluitingsgrond opleveren wanneer zij onoverkomelijk is en ze kan bijgevolg slechts worden aanvaard wanneer uit de feitelijke omstandigheden kan worden afgeleid dat de beklaagde heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtige persoon zou hebben gedaan.

4. 1. roept de onoverwinnelijke dwaling in als rechtvaardigingsgrond.

Ze verwijst daarbij naar:

de verantwoordelijkheid van de heer V., die binnen de organisatie instond om ervoor te zorgen dat geen misdrijf i.v.m. de financiële verwerking van de loonmassa/kost plaatsvond en die dienaangaande intern de nodige mededelingen en controle deed, zoals blijkt uit de stukken 21 tot 24, besproken in randnummer 1.2, en die niettemin de regelgeving i.v.m. de indexatie verborgen hield ten aanzien van het Zweedse moederbedrijf

de vertrouwdheid van de heer V. met de indexeringsregeling, zoals blijkt uit de aanpassing van zijn eigen loon aan de spilindex tot en met 1991, uit zijn functie als lid van het remuneratiecomité voor het personeel dat niet tot het management behoorde en waardoor hij in functie van de evaluatie de juiste loonsverhoging diende te bepalen, alsook uit de stukken 21 tot 24.

de bevestiging van de heer V. aan de revisor en aan de financiële directeur van het moederbedrijf dat er geen potentiële vorderingen waren, zodat evenmin provisies moesten worden aangelegd en dit nog op 1 januari 2007, 19 april 2007 en 25 januari 2008, terwijl hij na zijn opzeg wegens aanstaande pensionering wegens gebrek aan indexering voor zichzelf een spaarpot wegens achterstallen vordert.

Het hof is van oordeel dat 1. de rechtvaardigingsgrond van de onoverwinnelijke dwaling aannemelijk maakt, bezien vanuit het oogpunt dat de gedraging van 1. moet worden beoordeeld vanuit het criterium van de handelwijze van een vergelijkbaar redelijke en voorzichtige persoon.

5. Als vorderende partij moet de heer V. in die omstandigheden aantonen dat de ingeroepen rechtvaardigingsgrond onjuist is. Hierin faalt hij.

Hij ontkent dat hij de indexeringsregeling intern verborgen hield; zodoende vergeet hij echter dat een dergelijke ontkenning niet wegneemt dat hijzelf de bewijslast draagt wat betreft de onjuistheid van de rechtvaardigingsgrond. Hij veronachtzaamt ook dat de opvolging van de juiste toepassing van de indexering tot zijn taken behoorde (vgl. de stukken 21 tot 24 en de stukken 7 tot 9 van 1.).

Ten onrechte wil de heer V. een argument vinden in de mededelingen van het moederbedrijf over het loonpakket. Op basis hiervan ontving hij jaarlijks substantiële loonsverhogingen, die volgens hem grotendeels omwille van zijn verdiensten en slechts marginaal omwille van koopkrachtvermindering werden toegekend. Hij leidt hieruit af dat deze door de werkgever werden toegekend, en dat deze toekenningen dus niet onder zijn verantwoordelijkheid vielen. Hij baseert zich hiervoor op de zinsnede in de mededeling dat de verhoging aan hem moet worden meegedeeld.

Deze documenten betreffen klaarblijkelijk stukken tussen het Zweedse moederbedrijf (vgl. de handtekeningen i.v.m. de goedkeuring) en 1. België; ze bepalen een bedrag van de globale loonkost. Ze betreffen geen overeenkomst tussen de heer V. en zijn werkgever over het toe te passen brutoloon, want in dat geval dienden ze op straffe van absolute nietigheid in het Nederlands te zijn gesteld, daar 1. gevestigd is te Zaventem.

De globale loonkost moest dan volgens de Belgische sociale wetgeving worden omgezet in een maandelijks brutoloon, wat aangetoond wordt door het feit dat bij de omzetting rekening werd gehouden met dertiende maand en dubbel vakantiegeld

Deze globale correcte omzetting viel onder de verantwoordelijkheid, minstens de supervisie van de heer V., zoals volgt uit de door 1. aangebrachte stukken 21 tot 24 en 7 tot 9.

Ten onrechte wil de heer V. zich voor deze omzetting verschuilen achter de personeelsmanager; de stukken tonen zijn rechtstreekse betrokkenheid bij de problematiek, zijn controlebevoegdheid en verantwoordelijkheid.

Overigens blijkt uit het organigram dat de personeelsmanager werkt onder zijn verantwoordelijkheid (zie stuk 2 van 1. - organigram).

Wanneer de heer V. als financieel directeur, die tussenkwam m.b.t. de toepassing van de CAO's van het PC 218, aldus aan de bedrijfsrevisor en aan het moederbedrijf bevestigt dat er na het opstellen van de jaarrekening, waarin de loonkost verwerkt is, geen potentiële claims te verwachten zijn, waardoor er geen aanleg van een provisie nodig is, dan mocht 1. als redelijke en voorzichtige werkgever ervan uitgaan dat de omzetting van de loonkost naar de toepasselijke CAOregels over indexering correct was gebeurd, zeker in verband met het eigen loon pakket van de heer V ..

De heer V. haalt terecht aan dat de verwerking door het sociaal secretariaat hier geen valabel argument kan zijn; dit geldt evenzeer t.a.v. de overschakeling naar SD-Worx in 2006, waarop hijzelf zich dan weer wil steunen; overigens dateren de bevestigingen van de heer V. i.v.m. het ontbreken van potentiële vorderingen vanl januari 2007, 19 april 2007 en 25 januari 2008 en ook daarbij heeft de heer Meiers geen gevolg voorbehouden aan de verschillende verwerking door het sociaal secretariaat. Nochtans bevestigde hij uitdrukkelijk: De vennootschap heeft in alle aspecten haar contractuele verplichtingen nageleefd die een relevante impact zouden hebben op de jaarrekening in geval van niet-naleving.

De heer V. faalt in de op hem rustende bewijslast in verband met de weerlegging van de ingeroepen rechtvaardigingsgrond. Het feit dat hij thans inroept dat hij de stukken 22 tot 24 slechts zou hebben ondertekend omwille van de ziekte van de personeelsmanager en de vakantie van de algemene

directeur doet is zonder belang, maar tevens onwaarschijnlijk. Hij ondertekende dit zowel in 2004, als in 2005 en 2006.

Ook de andere ontkenningen en de verder niet aangetoonde beweringen weerleggen niet de rechtvaardigingsgrond van de onoverwinnelijke dwaling, zoals die door 1. voldoende aannemelijk is gemaakt

De discussie tussen partijen over rechtsverwerking en rechtsmisbruik is in dit verband niet ter zake dienend.

6. Hieruit vloeit voort dat de heer V. het moreel bestanddeel van zijn delictuele vordering niet bewijst, zodat zijn burgerlijke vordering ex delicto ongegrond is.

De overige discussiepunten tussen partijen zijn daardoor zonder belang. Overigens laat 1. haar verdere argumenten slechts gelden in ondergeschikte orde, voor zover de afwezigheid van materieel en moreel bestanddeel van het misdrijf niet zou worden aanvaard.

De tegenvordering van 1. strekt ertoe om haar te vrijwaren in verband met de schade, die zij zou lijden door het verzwijgen van zijn persoonlijke vordering; aangezien de hoofdvordering niet aangenomen wordt, is deze vrijwaring zonder voorwerp en alleszins bewijst 1. in die omstandigheden geen schade, zodat ze ongegrond is.

Aangezien de heer V. geen aanspraak kan maken op achterstallen, toont hij evenmin schade aan in verband met zijn berekening aanvullend pensioen, daar voor de berekening van het normaal rustpensioen het pensioensalaris het gemiddelde is van het bruto basis jaarsalaris verhoogd met de door 1. toegekende bonus, commissies en gepresteerde overuren, en dit uitgaande van een gemiddelde over de laatste tien jaar.

OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, en ongegrond; Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende.

Verklaart de oorspronkelijke vordering en de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond. Wijzen partijen af van hun vorderingen.

Veroordeelt de heer V. tot de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van 1. begroot op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en beroep, telkens euro 1.200, doch door het hof vereffend op

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 165

Rechtsplegingsvergoeding beroep euro 165

Totaal euro 330

En voor zover als nodig aan de zijde van de heer V. begroot op euro 413,09.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: za, 28/10/2017 - 12:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.