-A +A

Stookolie verontreiniging strafrechtelijke verantwoordelijkheid brandstofleverancier en houder van de tank

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Ieper
Datum van de uitspraak: 
maa, 09/11/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1441
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Op dinsdag 4 november 2008 werd er in de riolering op straat alsook in de kelders van diverse woningen te R. een indringende geur van stookolie waargenomen. De stookolie bleek vanuit de riool in de Grote Kemmelbeek te zijn gestroomd.

Na een buurtonderzoek door de politie bleek al gauw dat de stookolie afkomstig was van de woning van de eerste beklaagde, die kort voordien, nl. op donderdag 30 oktober 2008, zijn bovengrondse stookolietank had laten vullen door zijn brandstofleverancier, in dezen de derde beklaagde, waarvan de tweede beklaagde de zaakvoerder is. Uit de leveringsbon blijkt dat er meer bepaald 899 liter gasolie en 100 liter stookolie werd geleverd.

Blijkbaar was de flexibele peilslang («peildarm») van de stookolietank losgeraakt, waardoor de stookolie uit de tank was weggevloeid en via een rioolputje in de openbare riolering was terechtgekomen.

N.a.v. deze feiten worden de drie beklaagden thans vervolgd wegens het illegaal lozen van stoffen in de openbare riool of de openbare wateren of minstens wegens het deponeren van vloeistoffen op een plaats vanwaar ze door een natuurlijk verschijnsel in de openbare wateren of riolen kunnen terechtkomen (art. 2 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, tenlastelegging A), en voorts wegens bepaalde overtredingen van de voorschriften van het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het zgn. Vlarem II, nl. wegens het opslaan van brandstoffen in een enkelwandige metalen houder zonder dat deze in een inkuiping werd geplaatst (art. 6.5.2.2 Vlarem II, tenlastelegging B), en zonder dat deze is voorzien van een overvulbeveiliging (art. 6.5.1.3 Vlarem II, tenlastelegging C).

De eerste beklaagde wordt bovendien ook vervolgd omdat hij als exploitant van de inrichting, nl. als houder van de stookolietank, onvoldoende zorg ervoor heeft gedragen om milieuverontreiniging te voorkomen (art. 6.5.5.4 Vlarem II, tenlastelegging D).

...

1.3.1. Tenlastelegging A heeft betrekking op een overtreding van art. 2 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging. Deze bepaling viseert niet alleen het illegaal lozen van verontreinigende stoffen in de openbare wateren of de openbare riool, maar ook het deponeren van vloeistoffen op een plaats vanwaar ze door een natuurlijk verschijnsel in de openbare wateren of riolen kunnen terechtkomen.

Dat er te dezen door geen enkele beklaagde rechtstreeks stookolie in de Grote Kemmelbeek werd geloosd, staat vast. Het is op grond van de gegevens in het strafdossier, waaronder de vaststellingen van de verbalisanten en de verklaringen van de eerste en de tweede beklaagden, immers onbetwistbaar dat de brandstofleverancier (derde beklaagde) louter stookolie heeft geleverd in de – niet-reglementaire (zie verder) – stookolietank van de eerste beklaagde, waarbij die stookolie door een accidentele gebeurtenis uit de tank is weggevloeid naar een afvoerputje enkele meters verder op het terrein van de eerste beklaagde en alzo via de riool in de Grote Kemmelbeek is terechtgekomen. Aan de orde is te dezen dan ook de onrechtstreekse verontreiniging van de Grote Kemmelbeek met stookolie (cf. art. 1, vierde lid, van de wet van 26 maart 1971), wat ongetwijfeld als een verontreinigende stof moet worden beschouwd.

In het licht van de feitelijke gegevens van het strafdossier staat het voor deze rechtbank vast dat de brandstofleverancier zich schuldig heeft gemaakt aan het deponeren van vloeistoffen op een plaats vanwaar ze door een natuurlijk verschijnsel in de openbare wateren of riolen kunnen terechtkomen.

Ten onrechte wordt er door de verdediging betwist dat de stookolie te dezen «door een natuurlijk verschijnsel» via de riool in de Grote Kemmelbeek is terechtgekomen. Met een «natuurlijk verschijnsel» in de zin van de voormelde bepaling wordt immers de natuurlijke oorzaak bedoeld waardoor de gewraakte stoffen, zonder menselijke tussenkomst, in het oppervlaktewater of in de openbare riolen kunnen terechtkomen (Cass. 25 november 1997, Arr. Cass. 1997, p. 1202, nr. 502).

Op grond van de vaststellingen van de verbalisanten is het te dezen duidelijk wat de oorzaak is van het feit dat de stookolie uit de tank is kunnen wegvloeien. De rubberen peilslang blijkt immers te zijn losgekomen van haar bevestigingspunt en is naar beneden gevallen, waardoor de tank eenvoudigweg (grotendeels) is leeggelopen.

Dat de peilslang ingevolge een (poging tot) diefstal van de stookolie van haar normale bevestiging zou zijn losgekomen, is louter speculatief en zelfs onwaarschijnlijk. De problematiek van de diefstal van stookolie werd door de verbalisanten slechts terloops en dan nog slechts als algemene tip voor diefstalpreventie op 4 november 2008 aan de eerste beklaagde meegedeeld, gelet op de omstandigheid dat de opslagtank zichtbaar is vanop straat. Pas n.a.v. een tweede, navolgende verklaring op 6 november 2008 deelde de eerste beklaagde mee dat in de nacht van vrijdag op zaterdag na de levering van de stookolie zijn hond veel had geblaft en dat de bevestigingsklemmen van de peilslang blijkbaar werden doorgesneden of doorgeknipt, waarbij het opmerkelijk is dat dit laatste blijkbaar niet werd vastgesteld bij zijn eerste ondervraging op 4 november 2008. De namens de eerste beklaagde ter terechtzitting voorgelegde kopieën van foto‘s bevestigen overigens vooral de vrij primitieve wijze waarop de peilslang werd vastgemaakt, en maken het geenszins waarschijnlijk dat er te dezen een poging tot diefstal aan de orde zou zijn geweest.

In zoverre er werkelijk sprake zou zijn geweest van een diefstal van de stookolie, zou deze uiteraard niet zomaar zijn weggevloeid maar daadwerkelijk zijn ontvreemd, wat te dezen duidelijk niet het geval was: gelet op de indringende geur die in de kelders van verschillende bewoners alsook in de rioolroosters werd waargenomen, staat het vast dat de inhoud van de tank is weggelekt en zeker niet werd ontvreemd. De hypothese van een diefstal werd door de verbalisant dan ook «weinig waarschijnlijk» geacht.

Het loskomen van de peilslang vereiste te dezen geenszins een menselijke tussenkomst. Uit de foto‘s in het strafdossier alsook de namens de eerste beklaagde ter terechtzitting neergelegde foto‘s blijkt immers duidelijk dat het hier gaat om een vrij primitieve rubberen slang die aan de onderkant van de tank is aangesloten, zonder dat deze installatie aan de bovenkant is uitgerust met een degelijk systeem om de slang op een degelijke wijze vast te maken, wat overigens wordt bevestigd door de voormelde verklaring van de eerste beklaagde waaruit blijkt dat de bevestigingsklemmen blijkbaar eenvoudigweg konden worden doorgesneden of doorgeknipt. Het valt trouwens op dat de verbalisant de peilslang na de vaststellingen niet opnieuw heeft vastgemaakt maar louter wat hoger heeft gelegd om verdere lekkage te vermijden, waarbij niet in het minst melding wordt gemaakt van enig bevestigingssysteem.

Een en ander wettigt de conclusie dat de peilslang door een louter natuurlijke oorzaak is losgekomen of minstens kan zijn losgekomen, zoals door weersomstandigheden of nog door de loutere werking van de zwaartekracht, waardoor de slordig vastgemaakte peilslang eenvoudigweg naar beneden is gevallen.

Hoewel de brandstofleverancier als zodanig niet verantwoordelijk is voor de degelijkheid van de brandstoftank van zijn klant, noch voor de conformiteit van die tank met de wettelijke en reglementaire bepalingen, kan het leveren van brandstof in een gebrekkige en niet-reglementaire tank van zijn klant in voorkomend geval, afhankelijk van de omstandigheden, worden beschouwd als het deponeren van een verontreinigende vloeistof op een plaats vanwaar ze door een natuurlijk verschijnsel in de openbare wateren of riolen kan terechtkomen, in de zin als bedoeld in art. 2 van de wet van 26 maart 1971.

Dit zal met name het geval zijn wanneer, zoals te dezen, een professionele brandstofleverancier redelijkerwijze moest weten en voorzien dat de tank van zijn klant dermate gebrekkig is dat de mogelijkheid bestaat dat de geleverde brandstof zelfs zonder een menselijke tussenkomst, d.w.z. door de loutere werking van een natuurlijk verschijnsel, zou kunnen wegvloeien en aldus in de openbare wateren of riolen kan terechtkomen.

Een en ander is onmiskenbaar het geval in de voorliggende zaak. De zaakvoerder van de derde beklaagde gaf immers onmiddellijk toe dat hij ervan op de hoogte was dat de tank bij de eerste beklaagde een enkelvoudige tank was zonder lekopvang en dus niet- reglementair, waarbij hij zonder meer verklaarde dat hij wist dat hij – waarmee blijkbaar «de firma» wordt bedoeld «in de fout is gegaan» door desondanks stookolie in die tank te leveren. De brandstofleverancier was er zich m.a.w. goed van bewust dat het leveren van stookolie in de tank van de eerste beklaagde een risico inhield.

De tenlastelegging A is dan ook bewezen in de persoon van de brandstofleverancier (derde beklaagde).

Hetzelfde geldt t.a.v. de eerste beklaagde, die zich immers niet kan beroepen op zijn onwetendheid noch op enige vorm van overmacht of een vreemde oorzaak. De eerste beklaagde diende immers niet alleen te beseffen dat zijn stookolietank niet-reglementair was, maar diende er zich ook en vooral van bewust te zijn dat het gevaar op lekkage ook zonder een menselijke tussenkomst hierdoor reëel was, en dat er bijgevolg stookolie in de openbare wateren of riolen kon terechtkomen.

1.3.2. Tenlastelegging B heeft betrekking op een overtreding van art. 6.5.2.2. van Vlarem II, omdat de bewuste tank enkelwandig is en niet in een inkuiping werd geplaatst. Het ontbreken van de door art. 6.5.1.3. van Vlarem II vereiste overvulbeveiliging maakt het voorwerp uit van tenlastelegging C.

Deze tenlasteleggingen worden niet betwist in de persoon van de eerste beklaagde en worden zonder meer bewezen door de vaststellingen van de verbalisanten. Het staat immers vast dat de brandstoftank bij de eerste beklaagde enkelwandig is en niet in een inkuiping werd geplaatst, en evenmin is voorzien van een overvulbeveiliging.

De tenlasteleggingen B en C zijn dan ook bewezen in de persoon van de eerste beklaagde.

Deze tenlasteleggingen kunnen evenwel niet bewezen worden verklaard wat de brandstofleverancier betreft (derde beklaagde, waarvan de tweede beklaagde de zaakvoerder is). De regels van hoofdstuk 6.5 van Vlarem II zijn immers van toepassing op particuliere stookolietanks met een waterinhoud van minder dan 5.000 liter, en richten zich uit hun aard tot diegenen die verantwoordelijk zijn voor het gebruik en het in werking houden van die stookolietanks, en aldus voor de «opslag» van de brandstoffen (vgl. art. 6.5.2.1 Vlarem II). De opslag van de brandstoffen gebeurde te dezen door de eerste beklaagde en niet door de brandstofleverancier. Bijgevolg dienen de tweede en de derde beklaagde te worden vrijgesproken van de tenlasteleggingen B en C.

1.3.3. M.b.t. tenlastelegging D wordt alleen de eerste beklaagde vervolgd. Deze tenlastelegging betreft een overtreding van art. 6.5.5.4 van Vlarem II en heeft betrekking op het verzuim zorg te dragen voor de goede werking en het onderhoud van de stookolietank teneinde milieuverontreiniging te voorkomen.

Ook deze tenlastelegging is in de persoon van de eerste beklaagde bewezen. Het is, zoals reeds gezegd, immers duidelijk dat de eerste beklaagde zich niet kan beroepen op zijn onwetendheid noch op enige vorm van overmacht of een vreemde oorzaak, en dat hij niet alleen diende te beseffen dat zijn stookolietank niet- reglementair was, maar ook en vooral dat het gevaar op lekkage van stookolie niet denkbeeldig was.

...

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 26/04/2010 - 20:30
Laatst aangepast op: ma, 26/04/2010 - 20:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.