-A +A

Stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Krachtens art. 778 BW kan de aanvaarding van een nalatenschap uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Zij geschiedt uitdrukkelijk wanneer de erfgerechtigde in een authentieke of onderhandse akte de titel of hoedanigheid van erfgenaam aanneemt. Zij geschiedt stilzwijgend wanneer de erfgerechtigde een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten.Schuldeisers die geconfronteerd worden met erfgenamen die een nalatenschap verwerpen, trachten vaak met alle middelen aan te tonen dat de erfgenamen impliciet een nalatenschap aanvaard hebben.

UIttreksel uit het burgerlijk wetboek:

Art. 778. De aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden : zij geschiedt uitdrukkelijk, wanneer men in een authentieke of een onderhandse akte de titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt; zij geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgenaam een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten.

Schuldeisers zullen na overlijden trachten hun vordering te recupereren op de nalatenschap of zelfs op de erfgenamen, zelfs wanneer deze de nalatenschap zouden hebben verworpen. Zij trachten dit te doen door te stellen dat de erfgenamen bepaalde handelingen hebben gesteld tegen de verwerping in alsof ze dus erfgenaam waren.

Wanneer de erfgenaam een schuld betaalt van de nalatenschap die als een dringende schuld kan worden aanzien zoals betaling van successierechten of begrafeniskosten mag een en ander niet zo maar aanzien worden als een aanvaarding van de nalatenschap.

De erfgenamen kunnen dus zeker nog ontsnappen aan vorderingen, zoals bijvoorbeeld vorderingen van het ziekenhuis.

Een verdere vraag stelt zich of erfgenamen die de nalatenschap verworpen hebben toch kunnen aangesproken worden tot betaling van ziekenhuiskosten en begrafeniskosten op grond van hun alimentatieverplichting.

Dit vereist dan wel dat de schuldeisers bewijzen dat de overledene behoeftig is (lees was) en dat de schuldenaars, lees de onderhoudsplichtigen in staat waren om aan deze verplichtingen te voldoen.

Voor een toepassingsgeval zie Vredegerecht Charleroi, 1ste kanton, 20.04.2010, Tijdschrift van de Vrederechters 2012, 630/262.
 

Rechtspraak:

• Hof van Beroep Gent, 26/11/2015, RW 2016-2017, 1307

D. t/ Onbeheerde nalatenschap B. en nv C.

...

I. Relevante elementen

1. Carla D. is de weduwe van Luc B., die op 3 november 2010 is overleden.

Zij waren gehuwd op 28 juni 1997 onder een op 23 juni 1997 bij huwelijkscontract bedongen gemeenschapsstelsel.

Zij hebben twee minderjarige kinderen (...).

2. Blijkens een akte van de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge van 22 juni 2011 heeft Carla D., in eigen naam, de nalatenschap van Luc B. verworpen.

Blijkens een akte van de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge van 15 juli 2011 heeft Carla D., als ouder en zodoende wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige kinderen, namens deze kinderen en na een machtiging van de vrederechter, de nalatenschap van Luc B. verworpen.

Nadat ook alle andere erfgerechtigden de nalatenschap van Luc B. hebben verworpen, stelt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge bij beschikking van 15 november 2011, op verzoek van (een) bepaalde schuldeiser(s) een curator aan over de onbeheerde nalatenschap van Luc B. (artt. 811 en 813 BW).

II. Beroepen vonnissen

1. Bij vonnis van 22 oktober 2013 (...) zegt de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge voor recht dat de nalatenschap van Luc B. niet langer als onbeheerd kan worden beschouwd. Dientengevolge stelt zij de curator vrij van zijn opdracht (...).

Aan dit vonnis ligt een verzoek van 12 april 2013 ten grondslag tot machtiging van de curator om de gewezen gezinswoning uit de hand te verkopen aan Carla D.

Centraal staat evenwel een (achteraf opgedoken) zogeheten instructienota van 22 november 2010, waarbij Carla D. aan de nv C. opdracht geeft om een titulariswijziging door te voeren met betrekking tot bepaalde bankrekeningen, die (in essentie) deel uitmaken van het nalatenschapsvermogen van Luc B. De nota strekt, onder bepaalde modaliteiten, tot vereffening van de bankrekeningen voortaan (op één rekening na) enkel op naam van Carla D. Deze laatste heeft deze nota onderschreven als “erfgenaam” van de nalatenschap van Luc B.

Die instructienota heeft volgens de rechtbank tot gevolg dat Carla D. op 22 juni 2011 niet meer tot verwerping van de nalatenschap van Luc B. kon overgaan.

2. Bij dagvaarding van 27 juni 2014 stelt Carla D. derdenverzet in. Het derdenverzet strekt tot bevestiging dat Carla D. de nalatenschap van Luc B. geenszins stilzwijgend heeft aanvaard, maar daarentegen uitdrukkelijk heeft verworpen.

Carla D. wil derhalve doen zeggen voor recht dat de nalatenschap van Luc B. als blijvend onbeheerd kan worden beschouwd, met alle gevolgen van dien, inzonderheid wat betreft (1) het mandaat van de curator en (2) het verzoek tot machtiging van de curator om de gewezen gezinswoning uit de hand te verkopen.

Bij vonnis van 13 november 2014 (...) verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, het derdenverzet ontvankelijk maar ongegrond. (...)

...

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 21 april 2015 stelt Carla D. hoger beroep in. Met haar hoger beroep beoogt Carla D., met hervorming van de beroepen vonnissen, de inwilliging van haar derdenverzet. Het hoger beroep strekt zodoende tot bevestiging dat Carla D. de nalatenschap van Luc B. geenszins stilzwijgend heeft aanvaard, maar daarentegen uitdrukkelijk heeft verworpen.

Carla D. wil derhalve doen zeggen voor recht dat de nalatenschap van Luc B. als blijvend onbeheerd kan worden beschouwd, met alle gevolgen van dien, inzonderheid wat betreft (1) het mandaat van de curator en (2) het verzoek tot machtiging van de curator om de gewezen gezinswoning uit de hand te verkopen.

2. Evenals het derdenverzet, is het hoger beroep gericht tegen de curator.

De curator verklaart zich te richten naar het oordeel van het hof.

...

IV. Beoordeling

1. Het hoger beroep van Carla D. is tijdig en regelmatig ingesteld (artt. 1051, 1056, sub 2o en 1057 Ger.W.).

In zoverre het gericht is tegen het op derdenverzet gewezen vonnis van 13 november 2014, is het hoger beroep ontvankelijk.

In de lijn van de bespreking dienaangaande ter terechtzitting van 12 november 2015 is het hoger beroep echter niet ontvankelijk, in zoverre het (ook rechtstreeks) is gericht tegen het reeds met derdenverzet bestreden vonnis van 22 oktober 2013. Carla D. was immers geen partij bij dit vonnis. Zij heeft het reeds bestreden met het rechtsmiddel van derdenverzet. In zoverre zij nu het op derdenverzet gewezen vonnis bestrijdt, kan zij niet tegelijk (en eens te meer) het met derdenverzet bestreden vonnis aanvechten.

2. Ten gronde rijst de centrale vraag of de bedoelde instructienota van 22 november 2010 kan worden beschouwd als een uiting van (stilzwijgende) aanvaarding door Carla D. van de nalatenschap van Luc B.

Krachtens art. 778 BW kan de aanvaarding van een nalatenschap uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Zij geschiedt uitdrukkelijk wanneer de erfgerechtigde in een authentieke of onderhandse akte de titel of hoedanigheid van erfgenaam aanneemt. Zij geschiedt stilzwijgend wanneer de erfgerechtigde een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten.

Zoals reeds aangegeven, heeft Carla D. aan de nv C. opdracht gegeven om een titulariswijziging door te voeren met betrekking tot bepaalde bankrekeningen, die (in essentie) deel uitmaken van het nalatenschapsvermogen van Luc B. De nota strekt, onder bepaalde modaliteiten, tot vereffening van de bankrekeningen, voortaan (op één rekening na) enkel op naam van Carla D. Carla D. heeft deze nota onderschreven als “erfgenaam” van de nalatenschap van Luc B.

Thans voert Carla D. aan dat de instructienota van 22 november 2010 (1) geenszins noodzakelijk haar bedoeling insluit om de nalatenschap van Luc B. te aanvaarden en (2) evenmin een rechtshandeling behelst die zij slechts in haar hoedanigheid van erfgenaam kan stellen.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat de instructienota van 22 november 2010 wel degelijk (1) die bedoeling insluit en (2) een dergelijke rechtshandeling behelst.

Dat de drie bladzijden tellende nota zou zijn voorgeschreven, door Carla D. niet is geparafeerd op de bladzijden “1/3” en “2/3” en door Carla D. enkel is gehandtekend op de bladzijde “3/3”, neemt niet weg dat Carla D. naar het oordeel van het hof afdoende kennis heeft genomen van het geheel. Minstens heeft zij afdoende kennis kunnen nemen van het geheel. De onderschreven derde bladzijde verwijst herhaaldelijk naar de hoedanigheid van “erfgenaam”, die redelijkerwijze enkel slaat op de nalatenschap van Luc B. De eerste bladzijde geeft bovendien aan dat de “ondergetekende” hierbij de nalatenschap “aanvaardt”.

Carla D. wijst tevergeefs op een miskenning van art. 1326 BW. De nota behelst geen eenzijdige schuldbetekenis met betrekking tot een bepaald geldsom. De nota strekt, onder bepaalde modaliteiten, tot vereffening van de bankrekeningen (op één rekening na), voortaan enkel op naam van Carla D. Het gaat om verbintenissen (in de eerste plaats) aan de zijde van de nv C.

Het door Carla D. aangevoerde schrijnende onevenwicht tussen de uiteindelijk gebleken voordelen van de nota en de nadelen van de (aan de nota gekoppelde) aanvaarding van de nalatenschap van Luc B., verhelpt niet. Dat na verrekening en verwerking van een en ander (zo ook van het toepasselijke gemeenschapsstelsel) uiteindelijk (hooguit) slechts een zeer beperkt bedrag is terechtgekomen op een persoonlijke (na het overlijden van Luc B. nieuw geopende) bankrekening van Carla D., wat volgens Carla D. “aberrant” is in verhouding tot de schuldenlast verbonden aan de nalatenschap van Luc B., doet geen afbreuk aan de draagwijdte van de nota.

Noch dwaling noch bedrog bij het onderschrijven van de nota blijkt. Misbruik van de situatie waarin Carla D. na het overlijden van Luc B. is terechtgekomen, blijkt evenmin.

Blijkbaar kaderen de bankrekeningen inzonderheid (maar niet volledig) in een dubbel woningkrediet bij de NV C. Het krediet strekte mede tot financiering van de aankoop en de verbouwing van de gezinswoning. In die optiek diende de nota mede tot afwikkeling van de kredietrelatie, waarbij Carla D. ook persoonlijk was gehouden en executie riskeerde. Die omkadering biedt geen verschoning. De mate waarin Carla D. bij het onderschrijven van de nota al dan niet onder druk stond van een dergelijke executie, met alle bijhorende kosten van dien, is onzuiver.

De draagwijdte van en de intentie bij de nota zijn duidelijk. Het was, mede blijkens de gehanteerde terminologie, de bedoeling om de nalatenschap van Luc B. en minstens bepaalde bankrekeningen, die er deel van uitmaakten, te aanvaarden. Thans aanvoeren dat Carla D. de zin en de gevolgen niet kende, gaat niet op.

Voorts behelst de nota een rechtshandeling die Carla D. slechts in haar hoedanigheid van erfgenaam kan stellen. Het gaat om meer dan een daad van louter voorlopig beheer.

Dat de nota een miskenning inhoudt van de regels aangaande de erfkeuze m.b.t. aan minderjarigen toegevallen nalatenschappen (i.h.b. art. 378, § 1, eerste lid juncto art. 410, § 1, 5o BW en art. 776 BW), staat los van de via de nota blijkende erfkeuze van Carla D.

Het keuzebeding in het huwelijkscontract van 23 juni 1997 staat eveneens los van de via de nota blijkende erfkeuze van Carla D.

Art. 810bis BW speelt niet. Een aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving (in de zin van de artt. 793 e.v. BW) is immers niet aan de orde.

3. Het hoger beroep slaagt niet.

• Gent, 22/06/2017, R.A.B.G., 2018/3, p. 205-211

Samenvatting

Krachtens artikel 778 BW kan de aanvaarding van een nalatenschap uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Zij geschiedt uitdrukkelijk wanneer de erfgerechtigde in een authentieke of onderhandse akte de titel of hoedanigheid van erfgenaam aanneemt. Zij geschiedt stilzwijgend wanneer de erfgerechtigde een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten.

Een louter passieve houding volstaat niet.  Er moet minstens medewerking zijn aan het stellen van een “daad” die uiteraard moet dateren van na het overlijden. De bedoelde daad moet noodzakelijk de niet-vermoede bedoeling om te aanvaarden insluiten, wat inzonderheid het geval is wanneer de erfgerechtigde over de nalatenschapsgoederen beschikt en zich als zodanig inmengt inzake de nalatenschap. In voorkomend geval gaat het dan om beheersdaden pro herede gestio

Veeleer dan enkel de aard van de daad, moet worden nagegaan of de erfgerechtigde op het ogenblik dat hij de daad stelde, wel degelijk de bedoeling had zodoende de nalatenschap te aanvaarden.

Tekst arrest

(B.S. / G.M. - Rolnr.: 2015/FA/0072)

I. Relevante elementen
1. B.S. is de kleindochter van G.M. laatst wonende te M. en overleden te K. op 27 januari 2009.

B.S. is de dochter van een vooroverleden (enige) zoon van de erflater en fungeert derhalve (mede in de lijn met een eigenhandig testament van 4 juni 2003) als enige erfgerechtigde.

2. Middels verklaring ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk op 14 juni 2011 verwerpt B.S. (via haar advocaat) de nalatenschap van G.M. (art. 784 BW).

3. Bij beschikking van 6 september 2011 stelt de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk Mr. Philippe Casier (met kantoor te Kortrijk) aan als curator over de onbeheerde nalatenschap van G.M. (art. 811 en 813 BW).

4. Bij beschikking van 13 mei 2014 in de zaak met BR nr. 2011/0939/B ontlast de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk Mr. Philippe Casier (met kantoor te Kortrijk) als curator over de onbeheerde nalatenschap van G.M.

De rechtbank gaat daarbij in op het eenzijdige verzoekschrift van de curator van 7-10 november 2011, die aanvoert dat B.S. handelingen met betrekking tot nalatenschapsgoederen heeft gesteld (dan wel heeft laten stellen) die noodzakelijkerwijze een stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap van G.M. impliceren (art. 778 BW).

De nalatenschap van G.M. wordt derhalve niet (langer) als onbeheerd aanzien, terwijl de beheerskosten en het ereloon, zoals nader begroot, ten laste van de nalatenschap vallen.

5. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 17 juli 2014 laat Mr. Casier overgaan tot betekening aan B.S. van de beschikking van 13 mei 2014.

II. Beroepen vonnis
1. Bij dagvaarding van 31 oktober 2014 stelt B.S. (mede gelet op de in art. 55 Ger.W. bedoelde termijnverlenging) tijdig en regelmatig derdenverzet in tegen de beschikking van 13 mei 2014 (art. 1033-1034 en 1122 et seq. Ger.W.).

Het derdenverzet strekt tot vernietiging/hervorming van de bestreden beschikking van 13 mei 2014 derwijze dat zowel (1) de verwerping van de nalatenschap van 14 juni 2011 als (2) de curatele over de onbeheerde nalatenschap van 6 september 2011 gehandhaafd blijven.

2. Bij vonnis van 8 oktober 2015 in de zaak met AR-nr. 2014/2543/A verklaart de 23ste familiekamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, het derdenverzet van B.S. ontvankelijk doch ongegrond.

De rechtbank bevestigt zodoende de bestreden beschikking van 13 mei 2014 tot ontlasting van Mr. Casier als curator over de onbeheerde nalatenschap van G.M.

De rechtbank veroordeelt B.S. tot de niet nader begrote kosten van het geding.

3. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 30 december 2015 laat Mr. Casier overgaan tot betekening aan B.S. van het vonnis van 8 oktober 2015.

III. Hoger beroep
1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 29 januari 2016 stelt B.S. hoger beroep in.

Met haar hoger beroep beoogt B.S. met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van haar derdenverzet strekkende tot vernietiging/hervorming van de bestreden beschikking van 13 mei 2014 derwijze dat zowel (1) de verwerping van de nalatenschap van 14 juni 2011 als (2) de curatele over de onbeheerde nalatenschap van 6 september 2011 gehandhaafd blijven.

Het hoger beroep strekt zodoende tot bevestiging dat B.S. de nalatenschap van G.M. geenszins stilzwijgend heeft aanvaard, maar daarentegen uitdrukkelijk heeft verworpen.

B.S. wil derhalve doen zeggen voor recht dat de nalatenschap van G.M. blijvend als onbeheerd moet worden beschouwd, met alle gevolgen van dien, inzonderheid wat betreft de gerechtelijke opdracht van Mr. Casier als curator over de onbeheerde nalatenschap van G.M.

B.S. beoogt tot slot de veroordeling van de onbeheerde nalatenschap van G.M. tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen.

2. Evenals het derdenverzet, is het hoger beroep gericht tegen Mr. Casier.

Mr. Casier neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep (als ontvankelijk doch ongegrond) en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van B.S. tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen met inbegrip van kosten van betekening.

3. Het hof heeft de partijen in hun middelen gehoord op de openbare terechtzitting van 8 juni 2017, waarna het hof het debat heeft gesloten en de zaak in beraad heeft genomen.

Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien.

Het hof aanziet de conclusie van 1 februari 2017 van B.S. en de conclusie van Mr. Casier van 17 oktober 2016 als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken), met instemming van de partijen, in het debat te houden.

IV. Beoordeling
1. Het hoger beroep van B.S. is tijdig en regelmatig ingesteld (art. 1051, 1056, sub 2° en 1057 Ger.W.).

Het hoger beroep is gericht tegen het op derdenverzet gewezen vonnis van 8 oktober 2015.

Met haar hoger beroep viseert B.S. derhalve slechts onrechtstreeks de met derdenverzet bestreden beschikking van 13 mei 2014. B.S. was immers geen partij bij dit vonnis. Zij heeft het reeds bestreden met het rechtsmiddel van derdenverzet. Daar waar zij nu het op derdenverzet gewezen vonnis bestrijdt, kan zij niet tegelijk (en eens te meer) de met derdenverzet bestreden beschikking aanvechten.

2. Ten gronde rijst centraal discussie of de handelingen die B.S. met betrekking tot goederen van de nalatenschap van G.M. heeft gesteld (dan wel heeft laten stellen) al dan niet noodzakelijkerwijze een stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap van G.M. impliceren (art. 778 BW).

Krachtens artikel 778 BW kan de aanvaarding van een nalatenschap uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Zij geschiedt uitdrukkelijk wanneer de erfgerechtigde in een authentieke of onderhandse akte de titel of hoedanigheid van erfgenaam aanneemt. Zij geschiedt stilzwijgend wanneer de erfgerechtigde een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten.

Een louter passieve houding volstaat niet (M. Puelinckx-Coene et al., “Overzicht van rechtspraak. Erfenissen (1996-2004)”, TPR 2005, 529, nr. 132). Er moet minstens medewerking zijn aan het stellen van een “daad” die uiteraard moet dateren van na het overlijden. De bedoelde daad moet noodzakelijk de niet-vermoede bedoeling om te aanvaarden insluiten, wat inzonderheid het geval is wanneer de erfgerechtigde over de nalatenschapsgoederen beschikt en zich als zodanig inmengt inzake de nalatenschap. In voorkomend geval gaat het dan om beheersdaden pro herede gestio (M. Puelinckx-Coene et al., “Overzicht van rechtspraak. Erfenissen (1996.2004)”, TPR 2005, 529-530, nr. 133). Veeleer dan enkel de aard van de daad, moet worden nagegaan of de erfgerechtigde op het ogenblik dat hij de daad stelde, wel degelijk de bedoeling had zodoende de nalatenschap te aanvaarden.

3. In casu heeft B.S., die in het buitenland woont en geen Nederlands spreekt, in de maand na het overlijden van G.M. en meer precies in februari 2009 notaris P.V. (met standplaats te Moorsele) aangesproken/gelast om de rekeningen/samenstelling van de nalatenschap van G.M. na te gaan teneinde nadere positie te kunnen innemen (en derhalve een erfkeuze te kunnen maken).

Bij gebrek aan tijdige/dienstige reactie/informatieverschaffing aangaande de omvang/samenstelling van de nalatenschap van G.M., richt B.S. zich in augustus 2009 tot notaris P.H. (met standplaats te Brugge) met het oog op verdere opvolging.

Pas in september 2009 reageert notaris P.V. ten aanzien van notaris P.H. in die zin dat (1) hij in juli 2009 een ING-zichtrekening van G.M. heeft laten afsluiten met overmaking van het saldo op zijn derdenrekening en (2) de netto-nalatenschapsactiva neerkomen op 6.050,76 - 3.408,39 = 2.642,37 EUR, bedrag dat hij overmaakt op een derdenrekening van notaris P.H.

De verdere (communicatie)gang van zaken (1) ten aanzien van en (2) verder door B.S. is onduidelijk. Hoe dan ook blijkt dat voormeld bedrag (1) niet is overgemaakt aan B.S. aangezien het in handen is gebleven van notaris P.H. en (2) door deze laatste pas in februari 2015 (met interesten) is overgemaakt aan Mr. Casier.

Op die manier is uiteindelijk door notaris P.H. een bedrag van 2.708,42 EUR overgemaakt aan Mr. Casier.

4. Anders dan de eerste rechter is het hof met B.S. van oordeel dat voormelde elementen/daden in hun context niet noodzakelijk de bedoeling van B.S. om de nalatenschap van G.M. te aanvaarden insluiten.

Het hof volgt de eerste rechter niet in de afleiding/het besluit dat voormelde elementen duidelijk maken dat (1) notaris P.V. de opdracht kreeg de nalatenschapstegoeden in te vorderen en (2) uiteindelijk notaris P.H. de opdracht kreeg deze tegoeden verder te beheren, derwijze dat (mede gelet op gevoerde procedures) meer dan loutere beheersdaden aan de orde waren.

Dat meer dan “daden van bewaring, toezicht of voorlopig beheer” in de zin van artikel 779 BW aan de orde waren, blijkt immers niet afdoende.

De contextelementen die zich aandienen wijzen veeleer op informatievergaring en de afwikkeling/betaling van dringende schulden teneinde (verdere) perikelen te vermijden.

Noch het gegeven dat notaris P.V. blijkbaar medio 2009 een ING- zichtrekening van G.M. heeft laten afsluiten noch de verdere transferten van het bedoelde saldo zijn onoverkomelijk.

Dat notaris P.H. moedwillig dan wel op instructie van B.S. nalatenschapsgelden onder zich heeft gehouden, blijkt geenszins. Toe-eigening van nalatenschapsgelden blijkt nog minder.

De onduidelijke perikelen omtrent (1) de woning te G. (waarvan G.M. blijkbaar enkel het vruchtgebruik genoot, terwijl B.S. naakte eigenaar was, zodat de woning niet tot de nalatenschap van G.M. behoorde) en (2) gebeurlijke procedurehandelingen met betrekking tot de nalatenschap van G.M. impliceren evenmin een stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap van G.M. door B.S.

Het hof ziet geen kwade trouw aan de zijde van B.S., zoals Mr. Casier die nochtans wil voorhouden (zie ook M. Puelinckx-Coene et al., “Overzicht van rechtspraak. Erfenissen (1996-2004)”, TPR 2005, 533-534, nr. 137).

5. Het hoger beroep van B.S. slaagt.

Met hervorming van het beroepen vonnis willigt het hof haar derdenverzet in strekkende tot vernietiging/hervorming van de bestreden beschikking van 13 mei 2014 derwijze dat zowel (1) de verwerping van de nalatenschap van 14 juni 2011 als (2) de curatele over de onbeheerde nalatenschap van 6 september 2011 gehandhaafd blijven.

Het hof is van oordeel dat B.S. de nalatenschap van G.M. geenszins stilzwijgend heeft aanvaard, maar daarentegen uitdrukkelijk heeft verworpen.

De nalatenschap van G.M. moet derhalve blijvend als onbeheerd worden beschouwd, met alle gevolgen van dien, inzonderheid wat betreft de gerechtelijke opdracht van Mr. Casier als curator over de onbeheerde nalatenschap van G.M.

V. Gedingkosten
1. De gedingkosten van beide aanleggen zijn ten laste van de onbeheerde nalatenschap van G.M. (art. 1017, eerste en vierde lid Ger.W.).

2. Deze kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W. (art. 1018, sub 6° Ger.W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid Ger.W.).

De in het gelijk gestelde partij (met een advocaat) is in dit geval B.S., zodat alleen voor deze partij een rechtsplegingsvergoeding kan worden bepaald.

Het bedoelde geschil is in wezen niet in geld waardeerbaar, met dien verstande dat, gelet op de beperkte financiële draagkracht van de onbeheerde nalatenschap van G.M., herleiding tot het minimumbedrag is aangewezen (art. 1022, derde lid Ger.W.).

In dat geval is het in eerste aanleg (vanaf 1 maart 2011) toepasselijke (geindexeerde) minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 82,50 EUR (art. 3 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W.). In datzelfde geval is het in hoger beroep (vanaf 1 juni 2016) toepasselijke (geïndexeerde) minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 90 EUR (art. 3 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W.).

3. Wat betreft de door Mr. Casier aangehaalde kosten van betekening, wijst het hof op artikel 1024 Ger.W.

Op deze gronden,

het hof,

rechtdoende op tegenspraak,

met inachtneming van (de art. 2 et seq. en inz.) artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

verklaart het hoger beroep van B.S. ontvankelijk en gegrond als volgt,

hervormt het beroepen vonnis van 8 oktober 2015 als volgt,

verklaart het derdenverzet van B.S. strekkende tot vernietiging/hervorming van de bestreden beschikking van 13 mei 2014 gegrond derwijze dat zowel (1) de verwerping (door B.S.) van de nalatenschap (van G.M.) op 14 juni 2011 als (2) de curatele over de onbeheerde nalatenschap (zoals ingesteld bij beschikking van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 6 september 2011) gehandhaafd blijven,

vernietigt/hervormt derhalve de bestreden beschikking van 13 mei 2014,

zegt voor recht dat:

- B.S. de nalatenschap van G.M. geenszins stilzwijgend heeft aanvaard, maar daarentegen uitdrukkelijk heeft verworpen;

- de nalatenschap van G.M. blijvend als onbeheerd moet worden beschouwd, met alle gevolgen van dien, inzonderheid wat betreft de gerechtelijke opdracht van Mr. P. Casier als curator over de onbeheerde nalatenschap van G.M.,

Legt de gedingkosten van beide aanleggen, enkel aan de zijde van B.S. nuttig te begroten op (1) een rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg ten bedrage van 82,50 EUR en (2) een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten bedrage van 90 EUR, ten laste van de onbeheerde nalatenschap van G.M.

Noot

• Verlooy, B., « Wanneer is er een stilzwijgende aanvaarding? », R.A.B.G., 2018/3, p. 211-214

Overige rechtsleer

• J. Du Mongh en C. Declerck, “Art. 774 BW”, “Art. 783 BW”, “Art. 785” in X, Erfenissen, schenkingen en testamenten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl.; J. Du Mongh, “Art. 775 BW”, “Art. 789 BW”, “Art. 790 BW”, .;

• M. puelinckx-coene, J. Verstraete, N. Geelhand en I. Verhaert, “Overzicht van rechtspraak. Erfenissen (1996-2004)”, TPR 2005, afl. 2, p. 520-581;

• F. Laliere, Option héréditaire, Reeks Répertoire pratique du droit belge, Bruylant, Brussel, 2016, p. 18 et seq.;

• C. Sluyts en N. Vandebeek, “Aanvaarding en verwerping van de nalatenschap. Vereffening, verdeling en tussengeschillen” in C. Sluyts en N. Vandebeek (eds), Het onroerend goed en de nalatenschap, Mechelen, Kluwer, losbl., p. XIV.E - 104-124.

• S. Mosselmans, “Het optierecht met betrekking tot een nalatenschap, legaat of gift toegevallen aan een beschermde meerderjarige persoon”, T.Fam. 2015, afl. 2-3, p. 86-92;

• V. Vanderhulst, “De meerderjarige beschermde persoon als erfgerechtigde: notariële aandachtspunten bij de uitoefening van het keuzerecht”, NFM 2014, afl. 8, p. 182-202.

Overige rechtspraak

• Cass. 25 maart 2005, C.04.0038.N, www.juridat.be.

•  Cass. 5 juli 1883, Pas. 1883, I, p. 343.

• Cass. 23 januari 1998, AR 1303, www.juridat.be.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 24/02/2013 - 13:30
Laatst aangepast op: zo, 11/03/2018 - 21:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.