-A +A

Een weg is gebrekkig wanneer hij in bepaalde omstandigheden schade kan berokkenen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 02/02/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
552
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C.H. t/ Vlaams Gewest

Ten gevolge van een val met de motorfiets op de Kennedylaan te Gent, die eiser toeschrijft aan de staat van de weg, vordert eiser op basis van art. 1384, eerste lid, BW en art. 1382-1383 BW van verweerster een schadevergoeding van 6.539,85 euro, vermeerderd met de interest, voor materiële schade en een provisie van 1 euro voor lichamelijke schade.

De ongevalsgegevens blijken uit een geseponeerde strafinformatie. De verbalisanten maken melding van een slechte staat van de weg. Er was spoorvorming van ongeveer 4 cm diep.

Op het tijdstip van het ongeval was het spitsuur. Eiser reed ongeveer 30 km per uur. Die verklaring stemt overeen met de verklaring van de bestuurder van een voorliggend voertuig die ook verklaart dat hij ongeveer 30 km per uur reed. De voertuigen kwamen tot stilstand.

Eiser veranderde van rijvak en kwam met de motorfiets ten val over de rug van de spoorvorming en viel tegen het voorliggend voertuig.

De aansprakelijkheid

1. De verbalisanten stelden in het wegdek een spoorvorming van 4 cm diep vast. Een dergelijke spoorvorming vertoont een rug aan de rand van de uitholling.

2. Het is raadzaam de vordering in eerste instantie te beoordelen in het raam van de aangevoerde aansprakelijkheidsgrond van art. 1384, eerste lid, BW.

3. Een zaak is gebrekkig in de zin van art. 1384, eerste lid, BW, wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont dat in bepaalde omstandigheden schade kan berokkenen aan derden. Dit laatste is in casu het geval. Het mogelijk schadeverwekkend karakter van de toestand in casu staat vast.

De aansprakelijkheid op basis van art. 1384, eerste lid, BW ontstaat zodra het gebrek in de hierboven bepaalde betekenis en het causaal verband ervan met het ongeval bewezen zijn.

Vandaar dat in casu het cassatiearrest van 12 september 2003 onder de aandacht moet worden gebracht. Het arrest vernietigt de beslissing van het hof van beroep dat het gebrek niet had aangenomen omdat de zaak niet ongeschikt was voor gebruik volgens haar normale bestemming, zoals ook verweerster in conclusie ten onrechte aanvoert. Het Hof van Cassatie oordeelt dat een zaak (het ging er om een wegdek) gebrekkig is in de zin van art. 1384, eerste lid, BW, wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken, dat die wetsbepaling niet vereist dat het gebrek de zaak ongeschikt maakt voor het gebruik waartoe ze bestemd is, en dat, door het in aanmerking nemen van het element dat de zaak ongeschikt maakt voor het gebruik waartoe ze bestemd is, een voorwaarde wordt toegevoegd die art. 1384, eerste lid, BW niet inhoudt (Cass. 12 september 2003, RGAR 2005, nr. 13.973, RW 2006-07, 597).

Met andere woorden, opdat er aansprakelijkheid zou zijn op basis van art. 1384, eerste lid, BW, is het nodig maar voldoende dat een zaak gebrekkig is en dat het gebrek een causaal verband heeft met het ongeval (Rb. Mechelen en Hof Antwerpen, 4 december 2001 en 30 april 2003, TAVW 2003, 291).

Het criterium dat de actuele rechtspraak hanteert om uit te maken of een wegdek gebrekkig is, is de vraag of het wegdek nog beantwoordt aan zijn normale veilige structuur. De rechtbank citeert: «Een weg met een dermate grote oneffenheid die ervoor zorgt dat een motorrijder de controle over het stuur verliest, bezit ontegensprekelijk een afwijkend en abnormaal kenmerk dat van aard is om aan derden schade te berokkenen. Er kan aldus geen enkele twijfel over bestaan dat de weg behept was met een gebrek» (Rb. Gent 10oK, 8 januari 2004, inzake Vlaams Gewest t/ De M., AR 02/4589/A, dat Pol. Gent 30 juli 2002 bevestigt, niet gepubliceerd).

Te dezen gaat het om een 4 cm diepe spoorvorming die vlak na de overgang tussen de rijvakken in de weg ligt, zodat het de rechtbank voorkomt dat aan het bovenstaande zeker voldaan is. De rechtbank verwijst in dezelfde geest nog naar volgende rechtspraak voor een met onderhavige zaak vergelijkbare situatie die als gebrek in de zaak werd aanvaard:

– opwaartse breuk (uitstulping) in de weg ten gevolge van de hitte: Rb. Turnhout 3 november 2000, VAV 2004, 129, cassatievoorziening verworpen door Cass. 27 september 202, VAV 2006, 431;

– bultje van 4 cm tussen een brug en het wegdek ingevolge omhooggekomen asfalt: Rb. Leuven 2 september 2005, VAV 2006, 448;

– een door de extreme warmte omhoog geduwd fietspad: Rb. Gent 2 oktober 2006, T.Pol. 2008, 44.

4. Ongegrond is eveneens het verweer dat verweerster aanbrengt op basis van de beschouwing dat spoorvorming op soortgelijke wegen van druk verkeer veel voorkomt. Laatstgenoemd vonnis (Rb. Gent 2 oktober 2006, T.Pol. 2008, 44) wijst erop dat het feit dat de oorzaak van het gebrek niet abnormaal is, er niet aan in de weg staat dat de daardoor teweeggebrachte toestand abnormaal is. Voor de behandeling van het gebrek (abnormaal kenmerk) kan verweerster aldus geen argument putten uit de beschouwing dat spoorvorming een veelvoorkomend fenomeen is op wegen met druk of zwaar verkeer.

5. Voor de aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid, BW zijn de oorsprong van het gebrek evenals de vraag of de bewaarder van de zaak – in casu het wegdek – kennis had van het gebrek volledig irrelevant (H. Vandenberghe e.a., «Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad», TPR 1987, p. 1255, nr. 74; Pol. Antwerpen 4 juni 1998, De Verz. 1999, 553).

Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de overheid komt de al dan niet zichtbaarheid van het gebrek door de benadeelde niet in aanmerking (Cass. 26 mei 1994, RW 1994-95, 745). Het Hof van Cassatie herinnerde daar recentelijk nogmaals aan (Cass. 12 januari 2001, TAVW 2001, 260) en spreekt over ieder abnormaal gevaar, «zichtbaar of verborgen».

Evenmin komt in aanmerking de eventuele kennis die het slachtoffer had kunnen hebben van de toestand (Cass. 21 oktober 1993, RW 1995-96, 12), zelfs al was de toestand van algemene bekendheid geweest (Hof Antwerpen 12 maart 1998, TAVW 1999, 33).

6. Gelet op het bovenstaande staat verweersters aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid, BW vast.

7. Ongeacht de signalisatie kan eiser in concreto geen samenlopende fout ten laste worden gelegd.

Het staat vast (zie supra) dat er heel druk verkeer was en eiser reed initieel, net als zijn voorligger, amper 30 km per uur.

De niet onbelangrijke spoorvorming van 4 cm diep moet als enige ongevalsoorzaak in aanmerking worden genomen, en de omstandigheid dat een motorrijder daarover aan trage snelheid uit evenwicht raakt, bewijst noch een onaangepaste snelheid, noch een overtreding van art. 8.3, tweede lid, Wegverkeersreglement, te zijnen laste.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 27/11/2010 - 16:57
Laatst aangepast op: za, 27/11/2010 - 16:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.