-A +A

sociale fraude

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
   


Rechtspraak:

•• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 26 februari 2008, RW 2008-2009, 1220, met Noten : De vergoeding bij een strafrechtelijk beteugelde overtreding van de RSZ-wet: een vergoeding, een straf of een gemengd karakter?
HOET P
lees deze noot met het paswoord van RW

samenvatting

De ambtshalve driedubbele veroordeling tot betaling van de vergoeding krachtens art. 35, § 1, vierde lid, van de RSZ-wet is geen straf in de zin van de artikelen 7 tot 43quater Sw., ook al valt zij onder de uitoefening van de strafvordering.

Niettemin ontleent deze vergoeding aan de strafrechtelijke sanctie die zij vervolledigt, een repressief en afschrikwekkend karakter dat vooral tot uiting komt in het bedrag ervan, vastgesteld op het driedubbele van de bedrieglijk aangegeven bijdragen. Deze maatregel beoogt aldus niet enkel het herstel van de schade die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid door het misdrijf werkelijk heeft geleden.

De bij art. 35, § 1, vierde lid, van de RSZ-wet bepaalde ambtshalve veroordeling vertoont hierdoor ook het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van art. 7.1 E.V.R.M.

In de mate dat deze ambtshalve veroordeling een straf is, kan haar tenuitvoerlegging worden uitgesteld en kan ze wegens verzachtende omstandigheden worden verminderd.

het arrest

H. e.a. t/ O.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen van de eisers I zijn gericht tegen het arrest (2006/1735) van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 april 2006.

De cassatieberoepen van de eisers II zijn gericht tegen het arrest (2006/4701) van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 november 2006.

Het cassatieberoep van de eiser III is gericht tegen het arrest (2006/4702) van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 november 2006.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Derde middel van de eisers I

6. Het middel voert de schending aan van de artikelen 35, § 1, vierde lid, en 38 RSZ-wet en 1, 3, eerste lid, en 8, § 1, eerste lid, Probatiewet, alsook van de artikelen 85, eerste lid, en 100 Sw. Het betoogt dat het bestreden arrest niet wettig beslist dat de uitspraak van de veroordeling tot een ambtshalve vergoeding gelijk aan driemaal de bedrieglijk aangegeven bijdragen, niet kan worden opgeschort, noch kan worden verminderd door verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen.

7. Krachtens art. 35, § 1, vierde lid, van de RSZ-wet, voorheen art. 35, derde lid, van deze wet, veroordeelt de rechter, bij bedrieglijke onderwerping van een of meer personen aan de toepassing van deze wet, ambtshalve de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers tot betaling aan de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen van een vergoeding gelijk aan het driedubbel van de bedrieglijk aangegeven bijdragen.

8. Uit het feit dat deze veroordeling als «vergoeding» wordt gekwalificeerd en ze bestemd is voor de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen, blijkt dat de wetgever hiermee een bijzondere vorm van herstel of teruggave heeft willen instellen teneinde, ten behoeve van de financiering van de sociale zekerheid, de door het misdrijf verstoorde wettelijke orde te herstellen.

De ambtshalve veroordeling tot betaling van deze vergoeding is bijgevolg geen straf in de zin van de artikelen 7 tot 43quater Sw., ook al valt zij onder de uitoefening van de strafvordering.

9. Niettemin ontleent deze vergoeding aan de strafrechtelijke sanctie die zij vervolledigt, een repressief en afschrikwekkend karakter, dat vooral tot uiting komt in het bedrag ervan, vastgesteld op het driedubbele van de bedrieglijk aangegeven bijdragen. Deze maatregel beoogt aldus niet enkel het herstel van de schade die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid door het misdrijf werkelijk heeft geleden.

De bij art. 35, § 1, vierde lid, van de RSZ-wet bepaalde ambtshalve veroordeling vertoont hierdoor ook het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van art. 7.1 E.V.R.M.

10. Onder de voorwaarden die zij bepalen, laten art. 3 en 18bis Probatiewet de vonnisgerechten toe ten voordele van de beklaagde de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te gelasten.

Uit art. 16 van deze wet volgt dat de veroordeling waarvan de uitspraak kan worden opgeschort, die is welke een straf oplegt.

11. In de mate dat die maatregel ook het karakter heeft van een strafrechtelijke sanctie in de zin van art. 7.1 E.V.R.M., valt de bij art. 35, § 1, vierde lid, RSZ-wet bepaalde ambtshalve veroordeling onder de veroordelingen waarvan overeenkomstig de artikelen 3 tot 6 en 18bis Probatiewet, de opschorting van de uitspraak kan worden gelast en waarvoor strafvermindering wegens verzachtende omstandigheden mogelijk is.

De appelrechters die anders oordelen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: wo, 04/05/2011 - 23:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.