-A +A

seizoenpacht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Cultuurcontracten of seizoenpachten betreffen verhuring voor minder dan 1 jaar die buiten het toepassingsveld van de pachtwet vallen.

 

Wil een dergelijk contract, seizoenpacht geheten buiten de toepassing van de pachtwet vallen dan dient voldaan aan de vlgende voorwaarden:

1. de verhuurder moet een landbouwer in hoofd- of in bijberoep zijn; anders gesteld een niet-landbouwer kan nooit een een seizoenpacht Doet hij dit toch dan zal het contract als een gewoon pachtcontract worden gekwalificeerd;

2. de verhuurder moet de voorbereidings- en bemestingswerken
uitvoeren;
- deze werken mogen door loonwerkers gebeuren (Gedr. Stukken Kamer, 1981-82, 171/40,17);
- de gebruiker moet daarna kunnen overgaan tot zaaien/planten;

3. de verhuring moet voor minder dan een jaar zijn aangegaan;
- jaarlijkse verlenging is mogelijk;
-  de overeengekomen periode moet zich niet in 1 kalenderjaar situeren (Gent 23 november 1993, RW 1993-94, 1304).
- door de verlengingsmogelijkheid is seizoenpacht een  mogelijkheid om de exploitatie van het landbouwbedrijf te verzekeren als die gedurende een bepaalde periode onmogelijk is geworden (vb. ziekte, gevangenzetting, maar ook het zogeheten "uitbollen";

4. er moet een prijs worden betaald voor de verhuring;
in geval van kosteloosheid is er geen pacht, noch een seizoenpacht; Concrter kan gesteld dat het terzake moet gaan om een pachtcontract van landeigendommen, waarbij tegen betaling het genot van een landeigendom wordt afgestaan.

4bis. Enkel gronden en weiden komen in aanmerking. Alsdusdanig kan seizoenpacht slaan op de oogst van gras als veevoeder of op het weiden van dieren door een derde

5. de verhuring moet betrekking hebben op een bepaalde landbouwteelt; het is daarom aangewezen dat in de overeenkomst de teelt wordt beschreven; Een gebruik voor meerdere opeenvolgende teelten is uitgesloten.



Opmerking. Niet alleen een eigenaar, maar ook een pachter kan als exploitant een seizoenpacht afsluiten. Zoals hoger aangehaald kan dan nuttig zijn in geval van ziekte, ter aanzet van het zogenaamd uitbollen of ter voorbereding van een opvolger die nog te jong is.

Rechtspraak:

Vred. Kruishoutem : 1996/05/08, T.Agr.R., 1997, 153-156 en http://users.rug.ac.be/~pbrewee/cgi-bin/dmr.cgi?db=rs&recno=2954

Samenvatting :
Eiser stelt dat hij eigenaar is van twee percelen die hij verpacht aan verweerster. Bij aangetekende brief betekende eiser aan verweerster opzegging voor beide percelen. Verweerster ging akkoord met deze opzeggingen. Eiser stelt evenwel vast dat verweerster deze gronden al jaren niet meer in gebruik heeft maar ze in onderpacht gaf aan een derde. Deze onderpacht geschiedt met miskenning van art. 10 van de Pachtwet. Eiser stelt dat deze verboden onderpacht voor hem als jonge landbouwer een zeer grote schade veroorzaakt. Eiser dagvaarde verweerster daarom tot de onmiddellijke pachtverbreking en een schadevergoeding. Verweerster stelt in hoofdorde dat de dagvaarding nietig is overeenkomstig artikel 702, 3° lid van het Gerechtelijk Wetboek daar de dagvaarding niet de juiste omschrijving zou geven van de gepachte percelen zodat de dagvaarding nietig is bij gebrek aan concrete beschrijving van de percelen. De Rechtbank stelt vast dat eiser in de dagvaarding duidelijk heeft gespecifieerd over welke pachtgronden het gaat. De dagvaarding is door geen enkele nietigheid aangetast daar zij geen verwarring en ook niet in de minste mate enige rechtsonzekerheid kon inhouden. In ondergeschikte orde vraagt verweerster de afwijzing van de vordering, daar verweerster de percelen in seizoenpacht gaf en niet in onderpacht. De Rechtbank overweegt dat naar aanleiding van een minnelijke schikking voor de vrederechter van het kanton Kruishoutem, verweerster uitdrukkelijk erkende dat zij één van de gepachte percelen in onderpacht gaf aan een derde. Deze verklaring werd opgenomen in het proces-verbaal van verschijning tot minnelijke schikking, door verweerster ondertekend, en is een gerechtelijke bekentenis die volle bewijskracht heeft en niet meer kan worden herroepen (art. 1356 B.W.). Omtrent het andere perceel werd geen gerechtelijke bekentenis gedaan. Verweerster stelt dat dit perceel aan dezelfde derde "in seizoenpacht" wordt gegeven. Artikel 2.2 van de Pachtwet voorziet dat de seizoenpachten buiten toepassing van de Pachtwet vallen. Als seizoenpacht dient te worden beschouwd de overeenkomsten waarbij de ene partij de verbintenis aangaat een bepaalde grond voor minder dan een jaar ter beschikking te stellen van de andere partij, die zich verbindt om er een welbepaalde teelt op te winnen en hiervoor de overeengekomen vergoeding te betalen. Het in gereedheid brengen van de grond gebeurt door de eerste partij, terwijl het zaaien en planten en de oogstwerkzaamheden geheel of gedeeltelijk ten laste genomen worden door de tweede partij. Het seizoencontract moet afgesloten zijn voor een bepaalde landbouwteelt. De verhuurder moet tevens landbouwexploitant zijn en als dusdanig de voorbereidende werkzaamheden uitvoeren. Om hoedanigheid van landbouwexploitant te hebben is vereist dat de verhuurder zelf een landbouwbedrijf in de zin van artikel 1 van de Pachtwet exploiteert. In de verkoopaktes wordt verweerster vermeld als "zonder beroep" en ook in haar eigen besluitschrift wordt zij "zonder beroep" vermeld. Verweerster legt bovendien geen enkel bewijs voor, waaruit blijkt dat het perceel voor minder dan een jaar in seizoenpacht werd gegeven en dit voor het bekomen van een bepaalde teelt door de seizoenpachter. Evenmin werd een overeengekomen prijs bepaald. Uit de door verweerster voorgelegde stukken blijkt dat het in gereedheid brengen van de grond is gebeurd door de derde en een familielid daarvan. Dit is in tegenstrijd met de Pachtwet aangezien de voorbereidende werkzaamheden werden uitgevoerd door de seizoenpachter zelf en niet door de verhuurster. Er is derhalve geen sprake van seizoenpacht maar van onderpacht, nu verweerster niet voldoet aan de voorwaarden van het geven van een perceel landbouwgrond in seizoenpacht. Nergens is bewezen dat het gaat om een gebruik van minder dan een jaar, nergens is de teelt aangeduid die de seizoenpachter zal telen en de voorbereidende werkzaamheden van de grond werden door de beweerde seizoenpachter zelf uitgevoerd. De stukken voorgelegd door verweerster, zijn alle opgemaakt door de seizoenpachter en door een familielid van deze en dateren alle van na het instellen van de procedure. Nu verweerster in een gerechtelijke bekentenis heeft gezegd dat het grootste perceel in onderpacht werd gegeven, zijn er zeer zware overeenstemmende vermoedens dat ook het tweede en kleinere perceel in onderpacht werd gegeven, aangezien verweerster niet het bewijs levert van een seizoenpacht. Nu verweerster zelf geen typische landbouwactiviteit meer uitoefent en eiser een jonge landbouwer is, staat het vast dat deze ingevolge de door verweerster verleende onderpacht schade heeft geleden. Er is dan ook aanleiding de pachtovereenkomst te ontbinden ten nadele van de verweerster. Aan eiser wordt een schadevergoeding ex aequo et bono toegekend van 50.000 BEF. De pachtovereenkomst wordt verbroken tussen partijen ten laste van verweerster, wegens het op onrechtmatige wijze geven van voormelde percelen in onderpacht. Verweerster wordt veroordeeld de gronden te veralten binnen de 24u. na de betekening van het vonnis, op straffe van uitdrijving en van een dwangsom van 2.000 BEF per dag vertraging.


 


 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 17:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.