-A +A

Schorsing van de verjaring van de strafvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Om te vermijden dat door de wet Franchimont, de verdachte zelf de verjaring zou kunnen bewerkstelligen werd uitdrukkelijk bepaald dat de verjaring van de strafvordering geschorst wordt gedurende de behandeling van een exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid geuite voor de strafrechter (niet een voor de onderzoeksrechter) en voorzover de exceptie nadien werd afgewezen. Indien dus de exceptie door het vonnisgerecht gegrond wordt verklaard of wanneer de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd zal de verjaring niet geschorst zijn.

Wanneer naar aanleiding van een prejudicieel geschil de zaak naar een ander rechtscollege wordt verzonden is de verjaring van de strafvordering geschorst tot wanneer dit college uitspraak heeft gedaan.

Wanneer de rechter op basis van de probatiewet een straf met opschorting uitspreekt wordt de verjaring van de strafvordering geschorst tijdens de proef termijn.

Uittreksel uit het wetboek van strafvordering (voorafgaande titel)

De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert.

Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst.

De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de raadkamer in het kader van de regeling van de rechtspleging, ingevolge de toepassing van artikel 127, § 3, van het Wetboek van strafvordering door een inverdenkinggestelde ingediend verzoek, de rechtspleging niet kan regelen. De schorsing gaat in op de dag van de eerste zitting voor de raadkamer die vastgesteld werd met het oog op de regeling van de rechtspleging, zowel wanneer het verzoek geweigerd dan wel ingewilligd werd, en eindigt de dag voor de eerste zitting waarop de regeling van de rechtspleging door het onderzoeksgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing evenwel langer dan een jaar mag duren.".


Deze tekstweergave houdt rekening met de laatste wijzigingen ingevolge Potpourri IV, wet van 25/12/2016 ingevolge de uitspraaken van het Grondwettelijk Hof: (GwH 11 juni 2015, nr. 83/2015; 10 GwH 11 juni 2015, nr. 83/2015; GwH 17 september 2015, nr. 112/2015.)

Nog dit: 

Cassatie 01/06/2016, AR P.16.0061.F, juridat

• samenvatting

De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert; aangezien het openbaar ministerie hoger beroep kan instellen tegen elke beschikking van de onderzoeksrechter en, bijgevolg, de uitoefening van de strafvordering kan voortzetten, is de weigering van de onderzoeksmagistaat om de zaak te behandelen geen wettelijk beletsel voor de uitoefening van de strafvordering.

• tekst arrest

Nr. P.16.0061.F
J. B.,
tegen
G. R. E.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 december 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ambtshalve middel: schending van artikel 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering

Het arrest oordeelt dat er een wettelijk beletsel bestaat voor de voortzetting van de strafvordering en stelt vast dat, wegens de daaruitvolgende schorsing van de verjaring, de strafvordering niet is verjaard.

Krachtens artikel 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is de verjaring van de strafvordering geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wan-neer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert.

Volgens het arrest dateren de feiten van 3 februari 2006 en is de eerste verja-ringstuitende daad de burgerlijke partijstelling van 19 oktober 2010.

Bij beschikking van 27 oktober 2010 heeft de onderzoeksrechter de stukken van de rechtspleging aan het parket meegedeeld, opdat het zou vorderen zoals behoort.

Op 9 augustus 2011 heeft de procureur des Konings de onderzoeksrechter gevor-derd om het onderzoek voort te zetten en laatstgenoemde heeft op 23 augustus 2011 nogmaals een beschikking tot mededeling verleend.

Op het hoger beroep van het openbaar ministerie heeft de kamer van inbeschuldi-gingstelling de onderzoeksrechter op 11 december 2013 ermee belast om onder-zoekshandelingen te verrichten.

Het arrest oordeelt dat de weigering van de onderzoeksmagistraat om een onder-zoek in te stellen in de zaak een wettelijk beletsel is in de zin van de voormelde bepaling, zodat de verjaring werd geschorst van 27 oktober 2010 tot 11 december 2013.

Aangezien het openbaar ministerie hoger beroep kan instellen tegen elke beschik-king van de onderzoeksrechter en bijgevolg de uitoefening van de strafvordering kan voortzetten, kon het arrest de voormelde omstandigheid niet als een wettelijk beletsel voor de uitoefening van die strafvordering beschouwen.

Uit de rechtspleging blijkt dat de laatste verjaringstuitende daad de beschikking van de onderzoeksrechter van 27 oktober 2010 was en dat er geen schorsings-grond voor de verjaring voorhanden was.

Daaruit volgt dat de appelrechters, door te beslissen dat de verjaring niet was in-getreden op de dag van de uitspraak van het arrest, het voormelde artikel 24, eer-ste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering hebben geschonden

De hierna uit te spreken vernietiging zonder verwijzing van het arrest, leidt tot vernietiging van de beschikking die de eiser naar de correctionele rechtbank ver-wijst.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest en verklaart derhalve de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 23 juni 2015 nietig.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernie-tigde en nietig verklaarde beslissingen.
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel,  en in openbare te-rechtzitting van 1 juni 2016 uitgesproken 

P.16.0061.F
Conclusions de M. l'avocat général R. Loop:

1) Antécédents de la procédure

Le 19 octobre 2010, Madame G. s'est constituée partie civile entre les mains du juge d'instruction de Bruxelles contre Monsieur B., diplomate, de nationalité belge, du chef de coups et blessures volontaires commis le 3 février 2006 à Bogota, en Colombie.

Par ordonnance du 27 octobre 2010, le juge d'instruction communiqua les pièces de la procédure au procureur du Roi, en application de l'article 127 du Code d'instruction criminelle, pour être par lui requis ce qu'il appartiendra.

Le procureur du Roi traça des réquisitions complémentaires le 9 août 2011, requérant le juge d'instruction de poursuivre l'instruction.

Par ordonnance du 23 août 2011, le juge d'instruction communiqua à nouveau les pièces de la procédure au procureur du Roi, en application de l'article 127 du Code d'instruction criminelle, pour être par lui requis ce qu'il appartiendra.

Le procureur du Roi interjeta appel de cette ordonnance le 5 septembre 2011.

Le 18 octobre 2013, le procureur général près la cour d'appel de Bruxelles traça un réquisitoire requérant la chambre des mises en accusation de recevoir l'appel et de surseoir à statuer sur son fondement jusqu'à ce que soit joint au dossier les dispositions de la législation colombienne qui érigent en infraction les faits décrits à la plainte avec constitution de partie civile.

Par arrêt du 11 décembre 2013, la chambre des mises en accusation a reçu l'appel, l'a dit fondé, a mis à néant l'ordonnance attaquée et a chargé le juge d'instruction de joindre au dossier la législation colombienne qui érige en infraction les faits décrits à la plainte avec constitution de partie civile et de faire procéder à tous autres devoirs qui apparaîtraient utiles à la manifestation de la vérité.

Par ordonnance du 10 février 2015, le juge d'instruction communiqua une nouvelle fois les pièces de la procédure au procureur du Roi, en application de l'article 127 du Code d'instruction criminelle, pour être requis par lui ce qu'il appartiendra.

Le 18 mars 2015, le procureur du Roi traça un réquisitoire de renvoi de l'inculpé devant le tribunal correctionnel.

Par ordonnance du 23 juin 2015, la chambre du conseil de Bruxelles a renvoyé l'inculpé devant le tribunal correctionnel du chef de coups ou blessures volontaires ayant causé une maladie ou une incapacité de travail personnel envers son épouse ou cohabitante.

L'inculpé a interjeté appel de cette ordonnance le 6 juillet 2015.

Par arrêt du 23 décembre 2015, statuant contradictoirement, la chambre des mises en accusation de Bruxelles a déclaré l'appel irrecevable et a constaté que la prescription de l'action publique n'était pas acquise à ce jour.

L'inculpé s'est pourvu en cassation contre cet arrêt le jeudi 7 janvier 2016, par déclaration de son conseil, Me Nicolas Van Der Smissen, loco Me Carine Couquelet, avocats au barreau de Bruxelles.

Le demandeur n'a fait valoir aucun moyen.

2) Examen du pourvoi

L'arrêt attaqué considère que la prescription de l'action publique n'est pas acquise parce que les ordonnances des 27 octobre 2010 et 23 août 2011, par lesquelles le juge d'instruction s'est déclaré incompétent, ont constitué un obstacle légal à l'exercice de l'action publique et ont dès lors suspendu la prescription de celle-ci entre le 27 octobre 2010 date de la première ordonnance de soit communiqué, et le 11 décembre 2013, date de l'arrêt de la chambre des mises en accusation qui chargea le juge d'instruction d'effectuer certaines devoirs.

Le ministère public avait la possibilité d'interjeter appel contre ces ordonnances du juge d'instruction aux fins de poursuivre l'exercice de l'action publique. Elles ne sauraient donc pas constituer un obstacle légal à l'exercice de l'action publique, au sens de l'article 24, alinéa 1er, du titre préliminaire du Code de procédure pénale.

L'arrêt attaqué ne justifiant pas légalement sa décision, un moyen me paraît devoir être pris, d'office, de la violation de l'article 24, alinéa 1er, du titre préliminaire du Code de procédure pénale. Dans cette mesure, je conclus à la cassation de l'arrêt attaqué.

L'article 24, alinéa 3, du titre préliminaire du Code de procédure pénale (tel qu'il est d'application depuis le 10 février 2013, date d'entrée en vigueur de l'article 7 de la loi du 14 janvier 2013, jusqu'au plus tard le 31 décembre 2016, date ultime du maintien des effets de cette disposition annulée par l'arrêt du 11 juin 2015 de la Cour constitutionnelle) dispose toutefois que la prescription de l'action publique est suspendue lorsque, dans le cadre du règlement de la procédure, le juge d'instruction ou la chambre des mises en accusation décide que des actes d'instruction complémentaires doivent être accomplis, sans que la suspension puisse dépasser un an.

Par son arrêt du 11 décembre 2013, la chambre des mises en accusation a décidé que des actes d'instruction complémentaires devaient être accomplis, et elle avait été saisie par réquisitoire du ministère public, à la suite d'une ordonnance de soit communiqué prise par le juge d'instruction en application de l'article 127 du Code d'instruction criminelle.

J'incline dès lors à penser qu'il doit appartenir à la juridiction de renvoi de vérifier si, dans le cas d'espèce, la prescription de l'action publique n'a pas été régulièrement suspendue en raison d'une autre cause que celle illégalement retenue par l'arrêt attaqué,

Conclusions: Cassation avec renvoi.
 

Commentaar: 

• Cass. 15/09/2015, AR P.14.1189.N, juridat

samenvatting

Uit de samenhang van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering – versie 2002 dat van toepassing is op feiten gepleegd vanaf 2 september 2003, artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering – versie 1998 dat ingevolge artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 van toepassing is gebleven op de vóór 2 september 2003 gepleegde feiten, artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie waardoor artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering – versie 2013 werd ingevoerd en het arrest van 11 juni 2015 van het Grondwettelijk Hof houdende gedeeltelijke vernietiging van voormeld artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 en handhaving van de gevolgen van de vernietigde beslissing tot de inwerkingtreding van een nieuwe wetsbepaling en uiterlijk tot 31 december 2016, volgt dat op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten uitsluitend de schorsingsgrond van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering – versie 1998 van toepassing is

Tekst arrest

Nr. P.14.1189.N
J L S,
beklaagde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 10 juni 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 24 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering, zoals vervangen door artikel 3 van de wet van 11 de-cember 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (hierna artikel 24 Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998), artikel 5 van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 en artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing na de aanvulling ervan door artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepa-lingen betreffende justitie (hierna artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2013): het arrest verklaart ten onrechte de strafvordering niet vervallen wegens verjaring voor de aan de eiser verweten feiten die zich ten laatste op 17 juli 2003 zouden hebben voorgedaan; op deze feiten past het arrest zowel de door artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 bepaalde schorsingsgrond van maximaal één jaar na de inleiding van de zaak toe, als de door artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - ver-sie 2013 bepaalde schorsingsgrond van maximum één jaar ingevolge het ambts-halve bevelen door het hof van beroep van bijkomend onderzoek; artikel 24 Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering werd voor feiten gepleegd vanaf 2 september 2003 gewijzigd door artikel 5 van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen (hierna artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2002), maar ingevolge artikel 5 van de programmawet van 5 augustus 2003 bleef voor de vóór 2 september 2003 ge-pleegde feiten artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 van toepassing; uit de tekst van de wijzigende wet van 14 januari 2013 blijkt evenwel dat met die wet uitsluitend artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2002 werd gewijzigd en niet het op de vóór 2 september 2003 gepleegde feiten van toepassing zijnde artikel 24 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering - versie 1998; het arrest kon dan ook op de aan de eiser verweten feiten niet artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2013 toepassen; bovendien zijn die schorsingsregimes niet te verenigen: volgens het schorsingsregime van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 eindigt de schorsing van de verjaring na de inleiding van de zaak indien de rechter ambtshalve aanvullend onderzoek beveelt, terwijl volgens het schorsingsregime van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2013 het ambtshalve bevelen door de rechter van aanvul-lend onderzoek tot schorsing leidt.

2. Artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2002, dat van toepassing is op feiten gepleegd vanaf 2 september 2003, bepaalt:

"De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert.

Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst."

3. Artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998, dat ingevolge artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 van toepas-sing is gebleven op de vóór 2 september 2003 gepleegde feiten, bepaalt:

"De verjaring van de strafvordering is geschorst ten aanzien van alle partijen:

1° vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet be-paalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid.
De verjaring begint evenwel opnieuw te lopen:
- vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak onbepaald uit te stellen, tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat;
- vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat;
- vanaf de verklaring van hoger beroep bedoeld in artikel 203, of de betekening van het hoger beroep bedoeld in artikel 205, tot op de dag waarop het hoger beroep op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid, indien het hoger beroep tegen de uitspraak over de strafvorder-ing enkel uitgaat van het openbaar ministerie;
- van het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van de dag van de zitting waarop, naar gelang van het geval, de strafvordering bij het vonnis-gerecht in eerste aanleg of bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid of dit laatste vonnisgerecht beslist uitspraak te doen over de strafvordering, tot op de dag van de uitspraak over de strafvordering door het desbetreffende von-nisgerecht;

2° in geval van verwijzing tot beslissing van een prejudicieel geschil;

3° in het geval bepaald bij artikel 447, derde lid, van het Strafwetboek;

4° gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst."

4. Artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepa-lingen betreffende justitie heeft met ingang van 10 februari 2013 artikel 24 Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen bij wet van 16 juli 2002, aangevuld met twee leden, waardoor artikel 24 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering - versie 2013 bepaalt:

"De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert.

Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst.

De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als, in het kader van de regeling van de rechtspleging, door de onderzoeksrechter of door de kamer van inbeschuldigingstelling wordt beslist dat bijkomende onderzoekshandelingen moe-ten worden verricht. Hetzelfde geldt telkens als de raadkamer in het kader van de regeling van de rechtspleging, ingevolge een overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, van het Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek, de rechtspleging niet kan regelen.

De schorsing gaat in op de dag van de eerste zitting voor de raadkamer die vastgesteld werd met het oog op de regeling van de rechtspleging, zowel wanneer het verzoek geweigerd dan wel ingewilligd werd, en eindigt de dag voor de eerste zitting waarop de regeling van de rechtspleging door het onderzoeksgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing evenwel langer dan een jaar mag duren.

De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. In dat geval is de verjaring geschorst vanaf de dag waarop het vonnisgerecht beslist om de zaak uit te stellen tot op de dag voor de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing van de verjaring evenwel langer dan een jaar mag duren."

5. Bij arrest nr. 83/2015 van 11 juni 2015 heeft het Grondwettelijk Hof:
- artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie vernietigd, maar enkel in die mate dat het tot gevolg heeft de verjaring te schorsen wanneer, in het kader van de regeling van de rechts-pleging, de onderzoeksrechter of de kamer van inbeschuldigingstelling beslis-sen dat bijkomende onderzoekshandelingen moeten worden verricht, wanneer de raadkamer, in het kader van de regeling van de rechtspleging, de rechtsple-ging niet kan regelen ingevolge een door de burgerlijke partij overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek en wanneer het vonnisgerecht de behandeling van de zaak uitstelt met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen;
- de gevolgen van de vernietigde bepaling gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een nieuwe wetsbepaling en uiterlijk tot 31 december 2016.

6. Uit de volgende elementen moet worden afgeleid dat artikel 24 Vooraf-gaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2013 niet van toepassing is op feiten gepleegd vóór 2 september 2003:
- artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie heeft uitsluitend artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2002 gewijzigd door aanvulling met een derde en vierde lid en niet het op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten toepasselijke artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998;
- uit de wetsgeschiedenis van deze wijziging blijkt niet dat de wetgever de be-doeling had de nieuwe schorsingsgrond ook toe te passen op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten;
- de schorsingsregeling zoals ingevoerd met artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie, zoals ze werd gehandhaafd door het Grondwettelijk Hof, valt niet te verenigen met de schor-singsregeling zoals geregeld door artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998: in het ene geval doet een door het vonnisgerecht bevolen bijkomende onderzoeksmaatregel een schorsingsperiode ingaan voor maximaal één jaar, terwijl in het andere geval een door het vonnisgerecht bevo-len onderzoeksmaatregel een einde maakt aan een periode van schorsing die aanvangt met de inleiding van de zaak per aanleg.

Op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten is dan ook uitsluitend de schorsings-regeling van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 van toepassing.

7. Het arrest kon dan ook niet oordelen dat voor wat betreft de aan de eiser verweten feiten de verjaring van de strafvordering niet alleen was geschorst vanaf de inleiding voor de eerste rechter op 2 maart 2007 gedurende één jaar en vanaf de inleiding in hoger beroep vanaf 29 maart 2011 gedurende één jaar, maar ook overeenkomstig artikel 24, derde en vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd door artikel 7 van de wet van 14 januari 2013, vanaf de bij tussenarrest van 13 december 2011 door het hof van beroep bevolen bijkomende onderzoeksmaatregel tot 13 december 2012.

8. Voor de aan de eiser verweten feiten, die zich zouden hebben voorgedaan op niet nader te bepalen data in de periode van 1 januari 2003 tot 17 juli 2003 en op 17 juli 2003, nam de oorspronkelijke termijn van verjaring een aanvang op 17 juli 2003 en werd die termijn overeenkomstig artikel 24, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998, geschorst vanaf de inleiding in eerste aanleg vanaf 2 maart 2007 tot en met 1 maart 2008. De laatst nuttige daad van stuiting in die oorspronkelijke door een schorsing van één jaar verlengde termijn werd verricht op 1 oktober 2007 door het instellen van het hoger beroep door het openbaar ministerie. Deze stuitende handeling had uitwerking na het verstrijken van de schorsingsperiode, met name op 1 maart 2008, zodat in beginsel de verja-ring van de strafvordering zou worden bereikt op 1 maart 2013. Overeenkomstig artikel 24, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 werd de verjaring vanaf de inleiding in hoger beroep geschorst vanaf 29 maart 2011 tot het tussenarrest van 13 december 2011 waarbij het hof van beroep ambtshalve een bijkomende onderzoekshandeling heeft bevolen, of gedurende 259 dagen. Bijge-volg werd de verjaring van de strafvordering voor de aan de eiser verweten feiten bereikt op 14 november 2013.

Het onderdeel is gegrond.

Overige onderdelen van het eerste middel

9. De overige onderdelen die geen betrekking hebben op de beslissing op de herstelvordering behoeven geen antwoord. Er is bijgevolg ook geen grond om de met deze onderdelen gesuggereerde prejudiciële vragen te stellen aan het Grond-wettelijk Hof.

Omvang van de cassatie

10. De vernietiging zonder verwijzing van de beslissing op de strafvordering laat de beslissing op de herstelvordering, die volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, werd ingesteld vooraleer de strafvordering is vervallen inge-volge verjaring, evenals de veroordeling van de eiser tot de kosten, onaangetast.

Tweede middel

Eerste en tweede onderdeel

11. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 4.2.1.1°, a), 6.1.1, eerste lid, 1° en 6°, 6.1.3 en 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het ar-rest verklaart de eiser ten onrechte schuldig als deelnemer aan de telastleggingen A en B; het arrest stelt vast dat het mededaderschap niet bestaat in een positieve daad, maar in een verzuim een daad te stellen waaruit de noodzakelijke hulp wordt afgeleid; alleen een positieve daad voorafgaand of samen met het wanbe-drijf kan deelneming uitmaken; een verzuim kan een dergelijke positieve daad uitmaken indien dit bewust en opzettelijk verzuim ondubbelzinnig een aansporing inhoudt tot het plegen van het wanbedrijf op een van de in de artikelen 66 en 67 Strafwetboek bedoelde wijzen; het passief bijwonen van de uitvoering van het misdrijf levert slechts een strafbare deelneming op wanneer dit onthouden de ui-ting is van het opzet om rechtstreeks aan de uitvoering mee te werken door bij te dragen tot het mogelijk maken of vergemakkelijken van het misdrijf; de loutere kennis van het feit dat een misdrijf werd of wordt gepleegd volstaat als dusdanig niet voor mededaderschap; door geen enkele positieve daad van deelneming aan te duiden, stelt het arrest het materieel element van de strafbare deelneming door de eiser niet vast en verantwoordt het de beslissing niet naar recht.

Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 4.2.1.1°, a), 6.1.1, eer-ste lid, 1° en 6°, 6.1.3 en 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig als deelnemer aan de telastleggingen A en B; het verzuim om te handelen kan een positieve daad van deelneming opleveren wanneer de hiermee gepaard gaande omstandigheden nopen tot het besluit dat dit bewuste en opzettelijke verzuim in werkelijkheid een aansporing inhoudt tot het plegen van het wanbedrijf; het arrest stelt weliswaar dat de eiser nalatig is ge-weest, maar het vermeldt niet de omstandigheden waardoor dit verzuim om te handelen als een aansporing tot het plegen van het misdrijf zou kunnen worden beschouwd; aldus verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht.

12. Artikel 66 Strafwetboek stelt deelneming strafbaar, met name wanneer de beklaagde de misdaad of het wanbedrijf heeft uitgevoerd, aan de uitvoering ervan rechtstreeks heeft meegewerkt of, door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd.

13. In de regel kan alleen een positieve daad die aan de uitvoering van de mis-daad of het wanbedrijf voorafgaat of ermee samenvalt deelneming aan de misdaad of het wanbedrijf opleveren.

14. Het verzuim om te handelen kan evenwel een dergelijke positieve daad van deelneming zijn wanneer, wegens de ermee gepaard gaande omstandigheden, het bewuste en opzettelijke verzuim om te handelen ondubbelzinnig een aansporing betekent tot het plegen van de misdaad of het wanbedrijf op een van de door de artikelen 66 en 67 Strafwetboek bepaalde wijzen.

15. Het passief bijwonen van de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan strafbare deelneming opleveren wanneer het zich onthouden van enige reactie de uiting is van het opzet om rechtstreeks aan de uitvoering mee te werken door bij te dragen tot het mogelijk maken of vergemakkelijken van die misdaad of dat wanbedrijf.

In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting falen ze naar recht.

16. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een bewust en opzettelijk ver-zuim om te handelen gelet op de ermee gepaard gaande omstandigheden ondub-belzinnig een aansporing inhoudt tot het plegen van een misdaad of een wanbe-drijf op een van de wijzen bedoeld in de artikelen 66 en 67 Strafwetboek.

In zoverre de onderdelen opkomen tegen dit onaantastbaar oordeel, zijn ze niet ontvankelijk.

17. Het arrest oordeelt dat:

- niet kan worden betwist dat de beklaagden en dus ook de eiser wisten dat de op 9 juli 2002 verleende stedenbouwkundige vergunning diende te worden nageleefd en dat zij dit niet hebben gedaan door de vier eengezinswoningen en de meergezinswoning niet elk te hebben voorzien van een hemelwaterput;
- de overeenkomst die de eiser, architect, had met Sarelco nv ook het toezicht omvatte op de uitvoering van de werken tot de oplevering ervan a rato van één bezoek per week en de bijstand bij de verrichtingen die nodig zijn bij de voor-lopige en de definitieve oplevering;
- op 21 februari 2003 de eiser als architect in aanwezigheid van het echtpaar D S (eigenaars van de eengezinswoning), architect Raman (architect van partij De Smet), Y D G en Sarelco nv de voorlopige oplevering van de eengezinswoning van het echtpaar D S in de Olmendreef 5A en op 17 juli 2003 in aanwezigheid van C R (toenmalige eigenares), haar ouders, Y D G en Sarelco nv de voorlo-pige oplevering van het gelijkvloerse appartement in de meergezinswoning heeft bijgewoond;
- bij geen van beide opleveringen de eiser als architect melding maakte van het ontbreken van de nochtans verplicht te plaatsen hemelwaterputten en van het nog moeten uitvoeren van deze werkzaamheden;
- de naleving van de stedenbouwkundige verplichting om te voorzien in hemel-waterputten nochtans ook rust op de eiser als verantwoordelijke architect die toezicht had op de uitvoering van de werken;
- de eiser Sarelco nv en Y D G had moeten wijzen op deze stedenbouwkundige verplichting en hen zo nodig in gebreke had moeten stellen, wat hij op geen enkel ogenblik heeft gedaan;
- de eiser als architect niet ernstig kan voorhouden dat hij niet wist dat de he-melwaterputten niet werden geplaatst: hij had de plannen getekend en wist waar de hemelwaterputten dienden te worden geplaatst;
- uit niets blijkt dat de eiser op enig ogenblik controle heeft uitgeoefend op het al dan niet plaatsen van de voorziene hemelwaterputten, hoewel hij zulks gemakkelijk had kunnen doen;
- de eiser zich niet kan verschuilen achter zijn eigen nalatigheid;
- de eiser in plaats van de samenwerking met Sarelco nv op te schorten omdat Sarelco nv en Y D G de opgelegde stedenbouwkundige vergunning niet na-leefden, hen ongemoeid liet en zelfs overging tot de voorlopige oplevering van twee wooneenheden;
- de opschorting door de eiser van zijn contractuele verbintenissen met Sarelco nv enkel gebeurde omdat Sarelco nv niet overging tot betaling.

Met die redenen stelt het arrest vast dat de eiser zich niet heeft beperkt tot het lou-ter passief bijwonen van de met de telastleggingen A en B bedoelde wanbedrij-ven, maar dat zijn verzuim om te handelen bewust en opzettelijk is, dat dit ver-zuim een positieve daad van deelneming inhoudt en dat gelet op de ermee gepaard gaande omstandigheden dit verzuim ondubbelzinnig een aansporing inhoudt tot het plegen van de onder de telastleggingen A en B vermelde wanbedrijven. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eiser door zijn schuldig verzuim zodanige hulp heeft verleend bij de uitvoering van het misdrijf dat het zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd.

In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

18. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 4.2.1.1°, a), 6.1.1, eerste lid, 1° en 6°, 6.1.3 en 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest be-veelt ten onrechte aanpassingswerken aan andere onroerende goederen dan de eengezinswoning op het perceel 328Z en het gelijkvloerse appartement van de meergezinswoning; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de telastleggingen betrekking hebben op vier eengezinswoningen, met name op de percelen 328W, 328X, 328Y en 328Z en een meergezinswoning met drie appartementen op het perceel 328V; het arrest verwijst voor het oordeel dat de eiser noodzakelijke hulp heeft verleend als mededader naar de voorlopige oplevering en het daarbij niet-vaststellen van de afwezigheid van hemelwaterputten, terwijl die voorlopige oplevering blijkens de vaststellingen van het arrest enkel betrekking had op de eenge-zinswoning van het echtpaar D S op het perceel 328Z en het gelijkvloerse appartement van het echtpaar Redant in de meergezinswoning op het perceel 328V; het arrest kon op grond van die vaststellingen de eisers dan ook niet schuldig verklaren aan de telastleggingen in zoverre ze betrekking hebben op de drie overige eengezinswoningen en de overige appartementen van de meergezinswoning; weliswaar is de tegen de eiser uitgesproken straf naar recht verantwoord ingevolge de bewezenverklaring van de telastleggingen voor wat betreft de voormelde eengezinswoning en het gelijkvloerse appartement van de meergezinswoning, maar de beslissing is niet naar recht verantwoord in zoverre het met betrekking tot de overige eengezinswoningen en de overige appartementen van de meergezinswoning aanpassingswerken beveelt.

19. Het arrest verklaart de eiser schuldig als mededader aan de met de telastleg-gingen A en B bedoelde wanbedrijven met een geheel van redenen vermeld in het antwoord op het eerste en tweede onderdeel van dit middel. De verwijzing door het arrest naar de passieve houding van de eiser bij de voorlopige oplevering van de eengezinswoning op het perceel 328Z en het gelijkvloerse appartement op de meergezinswoning op het perceel 328V is geen dragend motief voor het oordeel over eisers deelneming, maar betreft slechts een illustratie van eisers bewust en opzettelijk verzuim om niettegenstaande de op hem rustende toezichtsverplichting geen opmerkingen te maken met betrekking tot de stedenbouwkundige verplich-ting om te voorzien in hemelwaterputten voor elk van de eengezinswoningen en de meergezinswoning met drie appartementen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest maar slechts in de mate dat het uitspraak doet over de tegen de eiser ingestelde strafvordering.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten en laat de overige helft ten laste van de Belgische Staat.
Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.
Bepaalt de kosten op 143,61 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

P.14.1189.N
Conclusie van advocaat-generaal m.o. Winants:

1. Procedurele antecedenten.

Eiser werd als architect, samen met twee andere partijen als bouwheer,vervolgd uit hoofde van inbreuken op het Decreet van 18 mei 1999 (hierna Stedenbouwdecreet 1999) houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Dit decreet werd herhaaldelijk aangepast en gewijzigd en de wijzigingen werden uiteindelijk bij besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 gecoördineerd in hetgeen thans de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna VCRO) is.

Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Dendermonde van 14 september 2007 bekwam de eiser ontslag van rechtsvervolging.

Het openbaar ministerie tekende hoger beroep aan tegen de drie beklaagden en bij arrest van 10 juni 2014 werd eiser op tegenspraak en bij éénparigheid uit hoofde van de feiten, die door het arrest worden gesitueerd tussen 1 januari 2003 en 17 juli 2003 veroordeeld tot een geldboete van 300 euro. Lastens de drie beklaagden werd ook een herstelvordering opgelegd, bestaande in uit te voeren aanpassingswerken.

2. Onderzoek van het cassatieberoep.

Eerste middel, eerste onderdeel

1. Het eerste middel, eerste onderdeel, van eiser roept de schending in van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen door artikel 3 van de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (hierna artikel 24 V.T.Sv. - versie 1998), artikel 5 van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 en artikel 24 V.T.Sv., zoals van toepassing na de aanvulling ervan door artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie (hierna artikel 24 V.T.Sv. - versie 2013).

Eiser stelt namelijk dat het arrest ten onrechte de strafvordering niet vervallen verklaart wegens verjaring voor de aan de eiser verweten feiten die zich ten laatste op 17 juli 2003 zouden hebben voorgedaan. Op deze feiten past het arrest zowel de door artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 bepaalde schorsingsgrond van maximaal één jaar na de inleiding van de zaak toe, als de door artikel 24 V.T.Sv. - versie 2013 bepaalde schorsingsgrond van maximum één jaar ingevolge het ambtshalve bevelen door het hof van beroep van bijkomend onderzoek.

Artikel 24 V.T.Sv. werd voor feiten gepleegd vanaf 2 september 2003 gewijzigd door artikel 5 van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen (hierna artikel 24 V.T.Sv. - versie 2002), maar ingevolge artikel 5 van de programmawet van 5 augustus 2003 bleef voor de vóór 2 september 2003 gepleegde feiten artikel 24 V.T.Sv. - versie 1998 van toepassing; uit de tekst van de wijzigende wet van 14 januari 2013 blijkt evenwel dat met die wet uitsluitend artikel 24 V.T.Sv. - versie 2002 werd gewijzigd en niet het op de vóór 2 september 2003 gepleegde feiten van toepassing zijnde artikel 24 V.T.Sv. - versie 1998.

Het arrest kon dan ook op de aan de eiser verweten feiten niet artikel 24 V.T.Sv. - versie 2013 toepassen en bovendien zijn die schorsingsregimes niet te verenigen: volgens het schorsingsregime van artikel 24 V.T.Sv. - versie 1998 eindigt de schorsing van de verjaring na de inleiding van de zaak indien de rechter ambtshalve aanvullend onderzoek beveelt, terwijl volgens het schorsingsregime van artikel 24 V.T.Sv. - versie 2013 het ambtshalve bevelen door de rechter van aanvullend onderzoek tot schorsing leidt.

2. De schorsing van de strafvordering wordt geregeld in het artikel 24 V.T.Sv., maar de wetgever heeft hierin herhaaldelijk zodanige wijzigingen aangebracht, dat het wenselijk is een kort chronologisch overzicht daarvan weer te geven, dat ik hier, omwille van de duidelijkheid, integraal overneem uit het boek van F. DERUYCK(1).
a) Na de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (BS 16 december 1998), bevatte artikel 24 V.T.Sv. een viertal schorsingsgronden:

- de schorsing wegens de inleidingszitting;
- de schorsing wegens een prejudicieel geschil
- de schorsing van de vervolging wegens laster gedurende het onderzoek naar het van laster betichte feit (art. 447, 3de en 5de lid Sw.);
- de schorsing wegens preliminaire excepties van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid.

b) Overeenkomstig het vroegere artikel 24,1°, 1ste zin V.T.Sv. was de verjaring van de strafvordering inderdaad geschorst vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid. Behoudens een viertal uitzonderingen liep de verjaring van de strafvordering dus niet meer zodra de zaak voor het vonnisgerecht wordt ingeleid, hetgeen voor het eerst in het strafprocesrecht een betekenis gaf aan het begrip 'inleidingszitting'.

Tegen deze schorsingsgrond van artikel 24, 1° V.T.Sv, rees veel kritiek, daar het hoegenaamd niet gaat om een onmogelijkheid de strafvordering in te stellen of verder uit te oefenen, en derhalve de klassieke ratio legis van de schorsing werd verlaten.

De wetgever heeft dan ook deze schorsingsgrond weer afgeschaft door de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen (BS, 5 september 2002).

Ingevolge deze wet bevatte artikel 24 V.T.Sv. nog maar twee schorsingsgronden:

- de schorsing wegens een wettelijk beletsel: deze schorsingsgrond slorpt twee vorige schorsingsgronden op, met name de schorsing wegens een prejudicieel geschil en de schorsing van de vervolging wegens laster gedurende het onderzoek naar het van laster betichte feit;
- de schorsing wegens preliminaire excepties van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid,

Deze nieuwe versie van artikel 24 V.T.Sv. zou volgens artikel 5 van de wet van 16 juli 2002 slechts in werking treden op 1 september 2003. Pas dan zou de schorsingsgrond van de inleidingszitting dus worden afgeschaft.

c) Door artikel 33 van de Programmawet van 5 augustus 2003 (BS 7 augustus 2003) werd evenwel de nieuwe versie van artikel 24 V.T.Sv. ingevolge de wet van 16 juli 2002, waarin dus de schorsingsgrond van de inleidingszitting niet langer voorkomt, beperkt tot die misdrijven, die werden gepleegd na 7 september 2003. De versie van vóór de wet van 16 j u l i 2002, met inbegrip van de schorsingsgrond van de inleidingszitting, blijft dus behouden als vigerend recht voor misdrijven die werden gepleegd tot 1 september 2003.

Er bestaan derhalve sindsdien twee versies van artikel 24 V.T.Sv., die allebei geldend recht zijn:
- een versie voor feiten gepleegd na 1 september 2003 (geen schorsing na de inleidingszitting) en
- een versie voor feiten gepleegd tot 1 september 2003 (wel schorsing na de inleidingszitting). Dat werd door het toenmalige Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) niet strijdig geacht met het gelijkheidsbeginsel (arrest nr. 12/2005 van 19 januari 2005}.

d) Door de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie (BS 31 januari 2013) worden twee nieuwe schorsingsgronden toegevoegd aan artikel 24 V.T.Sv., met name:
- de schorsing, in het kader van de regeling van de rechtspleging, bij verzoekschriften tot of beslissingen tot bijkomend onderzoek;
- de schorsing, in het kader van de procedure voor de vonnisgerechten, bij uitstel van de zaak met het oog op het verrichten van bijkomend onderzoek.

De tekst van artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 is duidelijk: het is artikel 24 V.T.Sv., "vervangen bij de wet van 16 juli 2002", dat wordt aangevuld met deze nieuwe schorsingsgronden. Artikel 24 V.T.Sv. zoals vervangen bij de wet van 16 juli 2002 betreft die versie van artikel 24 V.T.Sv., die van toepassing is op misdrijven gepleegd na 1 september 2003. De versie van artikel 24 V.T.Sv. die van toepassing is op misdrijven gepleegd tot 1 september 2003 werd evenwel niet aangevuld met deze twee nieuwe schorsingsgronden. Deze nieuwe schorsingsgronden zijn dus enkel van toepassing op misdrijven gepleegd na 1 september 2003, en niet op misdrijven gepleegd tot 1 september 2003.

e) Bij wijze van besluit kan dus worden gesteld dat de versie van artikel 24 V.T.Sv., die geldt voor misdrijven gepleegd na 1 september 2003, vier schorsingsgronden telt:

- de schorsing wegens een wettelijk beletsel;
- de schorsing wegens preliminaire excepties van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid;
- de schorsing, in het kader van de regeling van de rechtspleging, bij verzoekschriften tot of beslissingen tot bijkomend onderzoek;
- de schorsing, in het kader van de procedure voor de vonnisgerechten, bij uitstel van de zaak met het oog op het verrichten van bijkomend onderzoek.

De tweede versie van artikel 24 V.T.Sv., d ie geldt voor misdrijven gepleegd tot 1 september 2003, telt drie schorsingsgronden:
- de schorsing wegens een prejudicieel geschil en de schorsing van de vervolging wegens laster gedurende het onderzoek naar het van laster betichte feit: dit zijn twee gevallen van schorsing wegens een wettelijk beletsel;
- de schorsing wegens preliminaire excepties van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid;
- de schorsing wegens de inleidingszitting,

f) Hierna worden deze verschillende schorsingsgronden nader toegelicht.
* De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert.

Deze schorsingsgrond geldt zowel voor misdrijven gepleegd vóór als na 1 september 2003.

Deze schorsingsgrond knoopt duidelijk aan bij de traditionele ratio legis voor de schorsing van de verjaring van de strafvordering.

Zo wordt de verjaring van de strafvordering geschorst in geval van prejudiciële vragen {bv. aan het Grondwettelijk Hof) of prejudiciële geschillen (bv. art. 447, 3de lid Sw. i.v.m. de vervolging wegens laster).

Men denke verder aan de schorsing wegens de hoedanigheid van parlementair, de schorsing vanaf het verstrijken van de gewone termijn van verzet tot het aantekenen van een ontvankelijk buitengewoon verzet, de schorsing, tijdens de cassatieprocedure, vanaf de dag van de bestreden beslissing tot op de dag van het arrest van het Hof van Cassatie, op voorwaarde uiteraard dat de voorziening ontvankelijk is en leidt tot een cassatie met verwijzing, de schorsing tijdens de regeling van rechtsgebied door het Hof van Cassatie, enz.

* De verjaring van de strafvordering is geschorst gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, van onontvankelijkheid of van nietigheid. Deze grond van schorsing werd ingevoerd door de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het vooronderzoek teneinde het dilatoire gebruik van proceduremiddelendoor de partijen te ontmoedigen.

Deze schorsingsgrond geldt zowel voor misdrijven gepleegd vóór als na 1 september 2003.

Deze tweede schorsingsgrond kan onmogelijk worden ingepast in de klassieke ratio legis van de schorsing.

Er is geen schorsing indien een van de genoemde excepties wordt ingeroepen door het openbaarministerie.

Er is evenmin schorsing indien de partijen deze excepties hebben ingeroepen voor de onderzoeksgerechten.

De tweede zin van artikel 24, 2 d e lid V.T.Sv. bepaalt voorts dat er geen schorsing is indien de beslissing over de exceptie bij de grond van de zaak zelf wordt gevoegd. Er is dus enkel schorsing als de uitspraak over de exceptie bij tussenvonnis wordt gedaan. De vonnisrechter kan dus zelf bepalen of de verjaringstermijn verder loopt dan wel wordt geschorst.

Diezelfde bepaling preciseert tenslotte dat er geen schorsing is indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart. Enkel wanneer de exceptie wordt verworpen, is er dus schorsing.

* Artikel 24, 3de lid V.T.S., ingevoerd door de wet van 14 januari 2013, betreft een nieuwe schorsingsgrond in het kader van de regeling van de rechtspleging op het einde van het onderzoek. Deze schorsingsgrond geldt enkel voor misdrijven gepleegd na 1 september 2003.

Zoals hierna nog wordt uiteengezet (zie p. 172), kunnen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij, voorafgaand aan de zitting van de raadkamer over de regeling van de rechtspleging (art. 127 Sv.), bij de onderzoeksrechter een verzoekschrift indienen tot het verrichten van bijkomend onderzoek (art. 61quinquies Sv.).

Dan wordt de zitting van de raadkamer van rechtswege uitgesteld. De onderzoeksrechter kan dan ofwel het verzoekschrift inwilligen en de gevraagde onderzoeksmaatregelen uitvoeren, ofwel het verzoekschrift afwijzen. In dat laatste geval kan hoger beroep worden aangetekend bij de kamer van inbeschuldigingstelling, die dan het bijkomend onderzoek alsnog kan bevelen.

Welnu, als de raadkamer, ingevolge een verzoekschrift overeenkomstig de artikelen 127juncto 61quinquies Sv., de rechtspleging niet kan regelen, wordt de verjaring van de strafvordering geschorst.

De schorsing gaat in vanaf de dag die was vastgesteld voor de zitting van de raadkamer en eindigt de dag vóór de eerste zitting waarop de regeling van de rechtspleging door de raadkamer wordt hervat. De schorsing kan evenwel niet langer dan 1 jaar duren. Deze regeling geldt zowel wanneer het verzoek geweigerd werd, als wanneer het ingewilligd werd.

Artikel 24, 3de lid V.T.Sv. preciseert verder dat de verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als, in het kader van de regeling van de rechtspleging, door de onderzoeksrechter of door de kamer van inbeschuldigingstelling wordt beslist dat bijkomende onderzoekshandelingen moeten worden verricht. Het gaat hier om het geval waarin de onderzoeksrechter en de kamer van inbeschuldigingstelling, zonder daartoe door de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij te zijn aangezocht, tot bijkomend onderzoek beslissen, m.a.w. ofwel ambtshalve, ofwel op vordering van het openbaar ministerie.

De schorsingsregeling van artikel 24, 3de lid V.T.Sv. druist volstrekt in tegen de ratio legis van de schorsing van de verjaring van de strafvordering.
* Artikel 24, 4de lid V.T.S., ingevoerd door de wet van 14 januari 2013, betreft een nieuwe schorsingsgrond in het kader van de behandeling van de zaak voor de vonnisgerechten. Deze schorsingsgrond geldt enkel voor misdrijven gepleegd na 1 september 2003.

De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens het vonnisgerecht de behandeling van de zaak uitstelt met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen (op verzoek van de partijen, op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve, dat maakt niet uit). De schorsing gaat in op de dag waarop het vonnisgerecht beslist de zaak uit te stellen, tot op de dag vóór de zitting waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat. Ook hier kan de schorsing niet langer dan 1 jaar duren.

De schorsingsregeling van artikel 24, 4de lid V.T.Sv. druist eveneens volstrekt in tegen de ratio legis van de schorsing van de verjaring van de strafvordering.
* Enkel voor feiten gepleegd tot 1 september 2003 wordt de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de inleidingszitting (zij het op tegenspraak, zij het op verzet, zij het in eerste aanleg, zij het in hoger beroep) voor de feiten rechter.

De verjaring begint evenwel weer te lopen (artikel 24,1 °, 2 d e zin V.T.Sv. in de vroegere versie):
- vanaf het verstrijken van een termijn van 1 jaar te rekenen vanaf de inleidingszitting;
Die termijn van 1 jaar is als een werkelijke maximumtermijn te beschouwen. Als gedurende dat jaar een andere schorsingsgrond optreedt, kan dit niet leiden tot een optelling van beide schorsingsperiodes. Uiteraard blijft, als de tweede schorsingsgrond blijft voortduren na het verloop van 1 jaar, de verjaring geschorst tot o p het einde van deze tweede schorsingsgrond.

Minder evident is wat dient te gebeuren, indien binnen dat jaar een stuitingsgrond optreedt.

Het Hof van Cassatie heeft beslist dat de verjaring dan wel degelijk wordt gestuit en dat bovendien de aanvang van de nieuwe verjaringstermijn wordt verschoven tot na de beëindiging van de schorsing(2).
- vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie (dus niet van de partijen), om de behandeling van de zaak onbepaald (sine die) uit te stellen (dus niet o p een bepaalde datum uit te stellen), tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat;
- vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie (dus niet van de partijen), om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden m.b.t. het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat (het is onwaarschijnlijk dat deze beslissing, die voor feiten gepleegd na 1 september 2003 een schorsingsgrond uitmaakt, voor feiten gepleegd tot 1 september 2003 integendeel de verjaring van de strafvordering weer doet lopen ...);
- vanaf het aantekenen van hoger beroep tegen de uitspraak over de strafvordering, wanneer het hoger beroep enkel uitgaat van het openbaar ministerie, en dit tot op de dag waarop het hoger beroep bij de beroeps rechter wordt ingeleid.
Hoger beroep door de beklaagde heeft dus tot gevolg dat de verjaring van de strafvordering geschorst blijft, ook al wordt dit hoger beroep gevolgd door het openbaar ministerie. Het Hof van Cassatie heeft evenwel gepreciseerd dat de schorsing in dat geval hoe dan ook slechts 1 jaar kan bedragen(3). Indien m.a.w. de zaak 1 jaar na de inleiding in eerste aanleg nog niet is ingeleid in graad van beroep, loopt de verjaring opnieuw na het verstrijken van 1 jaar na de inleiding in eerste aanleg, en dit tot op de dag van de inleiding in hoger beroep.

g) Tegen artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 werden twee beroepen tot vernietiging ingesteld, één door de ‘Ordre des barreaux francophones et germanophone', een ander door een inverdenkinggestelde voor de correctionele rechtbank te Gent, terwijl door het Hof van beroep te Brussel ook een prejudiciële vraag werd gesteld nopens bewust artikel 7.

Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest van 11 juni 2015 (arrest 83/2015) uitspraak gedaan als vogt:
"- vernietigt artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie, zoals het is gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie maar enkel in die mate dat het tot gevolg heeft de verjaring van de strafvordering te schorsen wanneer, in het kader van de regeling van de rechtspleging, de onderzoeksrechter of de kamer van inbeschuldigingstelling beslissen dat bijkomende onderzoekshandelingen moeten worden verricht, wanneer de raadkamer, in het kader van de regeling van de rechtspleging, de rechtspleging niet kan regelen ingevolge een door de burgerlijke partij overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, van het Wetboek van strafvordering ingediend verzoek en wanneer het vonnisgerecht de behandeling van de zaak uitstelt met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen;
- verwerpt de beroepen voor het overige;
- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot de inwerkingtreding van een nieuwe wetsbepaling en uiterlijk tot 31 december 2016;
- zegt voor recht:

Door niet in een overgangsmaatregel te voorzien, schendt artikel 7 van de voormelde wet van 14 januari 2013 niet de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het wettigheidsbeginsel en met het rechtszekerheidsbeginsel, met artikel 14,leden 1 en 3, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 6.1 en 6.3, b), c) en d), van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens".

3. Ik meen dan ook dat uit de volgende elementen moet worden afgeleid dat artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2013 niet van toepassing is op feiten gepleegd vóór 2 september 2003:
- artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie heeft uitsluitend artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2002 gewijzigd door aanvulling met een derde en vierde lid en niet het op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten toepasselijke artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998;
- uit de wetsgeschiedenis van deze wijziging blijkt niet dat de wetgever de bedoeling had de nieuwe schorsingsgrond ook toe te passen op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten;
- de schorsingsregeling zoals ingevoerd met artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie, zoals ze werd gehandhaafd door het Grondwettelijk Hof, niet te verenigen valt met de schorsingsregeling zoals geregeld door artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998: in het ene geval doet een door het vonnisgerecht bevolen bijkomende onderzoeksmaatregel een schorsingsperiode ingaan voor maximaal één jaar, terwijl in het andere geval een door het vonnisgerecht bevolen onderzoeksmaatregel een einde maakt aan een periode van schorsing die aanvangt met de inleiding van de zaak per aanleg.(4)

Op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten is dan ook uitsluitend de schorsingsregeling van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 van toepassing.(5) (6)

4. Het arrest kon derhalve dan ook niet oordelen dat voor wat betreft de aan de eiser verweten feiten de verjaring van de strafvordering niet alleen was geschorst vanaf de inleiding voor de eerste rechter op 2 maart 2007 gedurende één jaar en vanaf de inleiding in hoger beroep vanaf 29 maart 2011 gedurende één jaar, maar ook overeenkomstig artikel 24, derde en vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd door artikel 7 van de wet van 14 januari 2013, vanaf de bij tussenarrest van 13 december 2011 door het hof van beroep bevolen bijkomende onderzoeksmaatregel tot 13 december 2012.

5. Voor de aan de eiser verweten feiten, die zich zouden hebben voorgedaan op niet nader te bepalen data in de periode van 1 januari 2003 tot 17 juli 2003 en op 17 juli 2003, nam de oorspronkelijke termijn van verjaring een aanvang op 17 juli 2003 en werd die termijn overeenkomstig artikel 24, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998, geschorst vanaf de inleiding in eerste aanleg vanaf 2 maart 2007 tot en met 1 maart 2008. De laatst nuttige daad van stuiting in die oorspronkelijke door een schorsing van één jaar verlengde termijn werd verricht op 1 oktober 2007 door het instellen van het hoger beroep door het openbaar ministerie. Deze stuitende handeling had uitwerking na het verstrijken van de schorsingsperiode, met name op 1 maart 2008, zodat in beginsel de verjaring van de strafvordering zou worden bereikt op 1 maart 2013.(7) Overeenkomstig artikel 24, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 werd de verjaring vanaf de inleiding in hoger beroep geschorst vanaf 29 maart 2011 tot het tussenarrest van 13 december 2011 waarbij het hof van beroep ambtshalve een bijkomende onderzoekshandeling heeft bevolen, of gedurende 259 dagen. Bijgevolg werd de verjaring van de strafvordering voor de aan de eiser verweten feiten bereikt op 14 november 2013.

Het onderdeel is gegrond.

Overige onderdelen van het eerste middel.

6. De overige onderdelen die geen betrekking hebben op de beslissing op de herstelvordering behoeven geen antwoord en er is dus ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het grondwettelijk Hof.

Omvang van de cassatie

7. De vernietiging zonder verwijzing van de beslissing op de strafvordering laat de beslissing op de herstelvordering, die volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, werd ingesteld voordat de strafvordering is vervallen ingevolge verjaring, onaangetast.

Tweede middel, eerste en tweede onderdeel.

8. Het eerste onderdeel voert de schending aan van artikel 4.2.1.1°, a), 6.1.1, eerste lid, 1° en 6°, 6.1.3 en 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omdat het arrest de eiser ten onrechte schuldig verklaart als deelnemer aan de telastleggingen A en B en daarbij vaststelt dat de mededaderschap niet bestaat in een positieve daad, maar in een verzuim een daad te stellen, zodat door geen enkele positieve daad van deelneming aan te duiden, het arrest het materieel element van de strafbare deelneming door de eiser niet vaststelt en het de beslissing niet naar recht verantwoordt.

Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 4.2.1.1°, a), 6.1.1, eerste lid, 1° en 6°, 6.1.3 en 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omdat het arrest de eiser ten onrechte schuldig verklaart als deelnemer aan de telastleggingen A en B.
Het verzuim om te handelen kan een positieve daad van deelneming opleveren wanneer de hiermee gepaard gaande omstandigheden nopen tot het besluit dat dit bewuste en opzettelijke verzuim in werkelijkheid een aansporing inhoudt tot het plegen van het wanbedrijf, hetgeen het arrest niet vaststelt.

9. Artikel 66 Strafwetboek stelt deelneming strafbaar, met name wanneer de beklaagde de misdaad of het wanbedrijf heeft uitgevoerd, aan de uitvoering ervan rechtstreeks heeft meegewerkt of, door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd.

In de regel kan alleen een positieve daad die aan de uitvoering van de misdaad of het wanbedrijf voorafgaat of ermee samenvalt deelneming aan de misdaad of het wanbedrijf opleveren.

Het verzuim om te handelen kan evenwel een dergelijke positieve daad van deelneming zijn wanneer, wegens de ermee gepaard gaande omstandigheden, het bewuste en opzettelijke verzuim om te handelen ondubbelzinnig een aansporing betekent tot het plegen van de misdaad of het wanbedrijf op een van de door de artikelen 66 en 67 Strafwetboek bepaalde wijzen.

Het passief bijwonen van de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan strafbare deelneming opleveren wanneer het zich onthouden van enige reactie de uiting is van het opzet om rechtstreeks aan de uitvoering mee te werken door bij te dragen tot het mogelijk maken of vergemakkelijken van die misdaad of dat wanbedrijf.(8)

In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting falen ze naar recht.

10. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een bewust en opzettelijk verzuim om te handelen gelet op de ermee gepaard gaande omstandigheden ondubbelzinnig een aansporing inhoudt tot het plegen van een misdaad of een wanbedrijf op een van de wijzen bedoeld in de artikelen 66 en 67 Strafwetboek.
In zoverre de onderdelen opkomen tegen dit onaantastbaar oordeel, zijn ze niet ontvankelijk.

11. Het arrest geeft op de bladzijden 18, 19 en 20 uitvoerig de redenen aan waaruit blijkt dat de eiser zich niet heeft beperkt tot het louter passief bijwonen van de met de telastleggingen A en B bedoelde wanbedrijven, maar dat zijn verzuim om te handelen bewust en opzettelijk is, dat dit verzuim een positieve daad van deelneming inhoudt en dat gelet op de ermee gepaard gaande omstandigheden dit verzuim ondubbelzinnig een aansporing inhoudt tot het plegen van de onder de telastleggingen A en B vermelde wanbedrijven. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eiser door zijn schuldig verzuim zodanige hulp heeft verleend bij de uitvoering van het misdrijf dat het zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd.

In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.

Derde onderdeel
 

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4.2.1.1°, a), 6.1.1, eerste lid, 1° en 6°, 6.1.3 en 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omdat het arrest ten onrechte aanpassingswerken zou bevelen aan andere onroerende goederen dan de eengezinswoning en het gelijkvloerse appartement van de meergezinswoning.

13. Het arrest verklaart de eiser schuldig als mededader aan de met de telastleggingen A en B bedoelde wanbedrijf met een geheel van redenen die zijn vermeld in het antwoord op het eerste en tweede onderdeel van dit middel. De verwijzing door het arrest naar de voorlopige oplevering, naar de passieve houding van de eiser bij de voorlopige oplevering van de eengezinswoning en het gelijkvloerse appartement op de meergezinswoning is geen dragend motief voor het oordeel over eisers deelneming, maar betreft slechts een illustratie van eisers bewust en opzettelijk verzuim om niettegenstaande de op hem rustende toezichtsverplichting geen opmerkingen te maken met betrekking tot de stedenbouwkundige verplichting om voor elk van de eengezinswoningen en de meergezinswoning met drie appartementen te voorzien in hemelwaterputten.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Conclusie: ik concludeer derhalve tot cassatie zonder verwijzing op basis van het eerste onderdeel van eisers eerste middel en tot verwerping van de cassatieberoepen voor het overige.
_____________________
(1) F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch Strafprocesrecht, die Keure, 2014, blz. 47-52.
(2) Cass. 18 februari 2003, P.02.0891.N, AC 2003, 426, T. Strafr. 2003, 121, noot J. MEESE.
(3) Cass. 20 september 2000, AR P.00.0326.F, AC 2000, nr. 482 en Cass. 8 november 2000, AR P.00.0516.F, AC 2000, nr. 605.
(4) F. SCHUERMANS, "Verzoeken tot bijkomende onderzoekshandelingen als nieuwe grond tot schorsing van de verjaring van de strafvordering", T. Strafr. 2013, p. 174, nr. 16.
(5) F. KONING, "La loi du 14 janvier 2013: une nouvelle cause de suspension de la prescription en cas de devoirs d'enquête", JT 2013, p. 259, nr. 31.
(6) Met het arrest P.13.1078.F van 27 november 2013 heeft het Hof nochtans de schorsingsgrond art. 24 V.T.Sv. versie 2013 toegepast op feiten (deels) daterend van voor 02/09/2003, om weliswaar te besluiten dat de strafvordering toch verjaard was.
(7) Zie Cass. 18 februari 2003, P.02.0891.N, AC 2003, 426, T. Strafr. 2003, 121, noot J. MEESE; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, nr. 268, p. 162.
(8) Cass. 29 november 2011, AR P.11.0573.N, AC 2011, nr. 652.

• Cassatie 24/11/2015, AR, P.14.0722.N, juridat

samenvatting

De verjaring van de strafvordering loopt niet enkel in het belang van de beklaagde, maar bestaat in het algemeen belang.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. In dat geval is de verjaring geschorst vanaf de dag waarop het vonnisgerecht beslist om de zaak uit te stellen tot op de dag voor de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing van de verjaring evenwel langer dan een jaar mag duren."

Onderzoekshandelingen in de zin van die bepaling zijn alle door een bevoegd persoon gestelde daden van onderzoek die ertoe strekken gegevens te verzamelen of het dossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen en de zaak in staat van wijzen te brengen.

De rechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van bijkomende onderzoekshandelingen zoals het persoonlijk horen van de beklaagde. Daartoe kan hij krachtens de artikelen 152, § 2 en § 3, en 185, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering diens persoonlijke verschijning bevelen of in voorkomend geval een bevel tot medebrenging uitvaardigen.

Een bevel tot persoonlijke verschijning en een bevel tot medebrenging uitgaande van de rechtbank die oordeelt over een lastens een beklaagde ingestelde strafvordering zijn bijkomende onderzoekshandelingen in de zin van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Het uitstel van behandeling van de zaak door het vonnisgerecht met het oog op de uitvoering daar-van schorst dan ook de verjaring van de strafvordering.

tekst arrest

Nr. P.14.0722.N

B V,
beklaagde,
eiser,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Dendermonde van 26 maart 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Ti-tel Wetboek van Strafvordering en artikel 68 Wegverkeerswet.

Eerste onderdeel

2. Het bestreden vonnis oordeelt dat de verjaring van de strafvordering wordt geschorst door het in artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering bedoelde bevel tot persoonlijke verschijning of bevel tot medebrenging uitgaande van het vonnis-gerecht, terwijl de strafvordering slechts wordt geschorst wanneer het vonnisge-recht de zaak uitstelt voor het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen en vernoemde maatregelen deze hoedanigheid niet hebben; de verjaring van de strafvordering loopt ten gunste van de beklaagde en alleen het uitstel waarbij daadwerkelijk concrete onderzoekshandelingen worden uitgevoerd, schorsen het verloop van de verjaring; door het aannemen van schorsing ten gevolge van het bevel tot persoonlijke verschijning en van het bevel tot medebrenging verlengt het bestreden vonnis ten onrechte de verjaringstermijn met 50 dagen, zijnde het aantal dagen dat verliep tussen 24 december 2013, dag waarop het uitstel werd verleend, en 11 februari 2014, dag vóór de hervatting van de behandeling van de zaak; het bestreden vonnis had moeten vaststellen dat de strafvordering op 7 februari 2014 verjaard was.

3. De verjaring van de strafvordering loopt niet enkel in het belang van de be-klaagde, maar bestaat in het algemeen belang.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering be-paalt: "De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. In dat geval is de verjaring geschorst vanaf de dag waarop het vonnisgerecht beslist om de zaak uit te stellen tot op de dag voor de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing van de verjaring evenwel langer dan een jaar mag duren."

5. Onderzoekshandelingen in de zin van die bepaling zijn alle door een be-voegd persoon gestelde daden van onderzoek die ertoe strekken gegevens te verzamelen of het dossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen en de zaak in staat van wijzen te brengen.

6. De rechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van bijkomende onderzoekshandelingen zoals het persoonlijk horen van de beklaagde. Daartoe kan hij krachtens de artikelen 152, § 2 en § 3, en 185, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering diens persoonlijke verschijning bevelen of in voorkomend geval een bevel tot medebrenging uitvaardigen.

7. Een bevel tot persoonlijke verschijning en een bevel tot medebrenging uit-gaande van de rechtbank die oordeelt over een lastens een beklaagde ingestelde strafvordering zijn bijkomende onderzoekshandelingen in de zin van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Het uitstel van be-handeling van de zaak door het vonnisgerecht met het oog op de uitvoering daar-van schorst dan ook de verjaring van de strafvordering.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede onderdeel
8. Het bestreden vonnis oordeelt dat de verjaring van de strafvordering onder meer geschorst werd van 24 december 2013 tot 15 januari 2014 en van die dag tot 29 januari 2014, zijnde de tijdspanne binnen dewelke de behandeling van de zaak werd uitgesteld met het oog op de persoonlijke verschijning van de eiser; op de rechtszitting van 15 januari 2014 stelde de rechtbank evenwel vast dat het bevel van 24 december 2013 niet regelmatig ter kennis van de eiser was gebracht, zodat een nieuw bevel tot persoonlijke verschijning werd uitgevaardigd en de zaak op-nieuw werd uitgesteld naar 29 januari 2014; het bevel tot persoonlijke verschijning van 24 december 2013 dat niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht en derhalve niet regelmatig werd uitgevoerd, kan evenwel geen gevolgen hebben; het bestreden vonnis dat ervan uitgaat dat de verjaring door het uitstel op grond van het bevel van 24 december 2013 geschorst werd tot 15 januari 2014, verlengt ten onrechte de verjaringstermijn en laat na het verval van de strafvordering vast te stellen, die in die omstandigheden plaatsvond op 7 maart 2014.

9. De verjaring van de strafvordering wordt geschorst door het uitstellen van de zaak met het oog op de uitvoering van een bevel tot persoonlijke verschijning, zelfs indien dit bevel niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht van de betrokke-ne.

10. De omstandigheid dat het bevel tot persoonlijke verschijning niet rechtsgel-dig werd betekend en dat de zaak op die grond op 15 januari 2014 werd uitgesteld met het oog op een rechtsgeldige betekening, belette de appelrechters niet aan te nemen dat de verjaring van de strafvordering krachtens artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geschorst was vanaf 24 december 2013.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

11. Het bestreden vonnis oordeelt dat de verjaring van de strafvordering ge-schorst werd door het uitstel met het oog op de uitvoering van het bevel tot per-soonlijke verschijning van 24 december 2013; ten onrechte wordt ook aangenomen dat ook het tweede uitstel voor de uitvoering van het bevel tot persoonlijke verschijning van 15 januari 2014 de verjaring schorst; de behandeling van de zaak werd dan immers niet uitgesteld voor bijkomende onderzoekshandelingen, maar wel voor het remediëren van de onregelmatige uitvoering van een reeds bevolen bijkomende onderzoekshandeling; het bestreden vonnis dat ervan uitgaat dat de verjaring ook door het uitstel van 15 januari 2014 geschorst werd, verlengt ten on-rechte de verjaringstermijn en laat na het verval van de strafvordering vast te stel-len, dat in die omstandigheden plaatsvond op 15 maart 2014.

12. Artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering be-paalt dat de verjaring van de strafvordering wordt geschorst telkens als de behan-deling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. De schorsing van de verjaring mag evenwel niet langer dan één jaar duren.

13. De artikelen 152, § 2, en 185, § 2, Wetboek van Strafvordering bepalen dat de rechtbank in elke stand van het geding de persoonlijke verschijning kan beve-len.

14. Noch deze bepalingen, noch enige andere bepaling beletten de rechtbank om meermaals een bevel tot persoonlijke verschijning te geven met betrekking tot de-zelfde persoon. Uitstel van de behandeling van de zaak met het oog op de uitvoe-ring van elk van die daden van onderzoek schorst de verjaring van de strafvorde-ring, zonder dat de schorsing langer mag zijn dan één jaar.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 117,21 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 24 november 2015 uitgesproken

P.14.0722.N
Conclusie van plaatsvervangend advocaat-generaal De Swaef:

1. De eiser werd vervolgd voor verscheidene verkeersinbreuken. Hij werd door de politierechtbank bij verstek veroordeeld; op verzet werd hij vrijgesproken op grond van twijfel. Het Openbaar Ministerie stelde hoger beroep in tegen dit vonnis.

De rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde veroordeelde in hoger beroep de eiser, bij eenparigheid, voor alle telastleggingen tot één geldboete van 500 euro, verhoogd met 45 opdeciemen tot 2750 euro (met een boetevervangend rijverbod van 30 dagen) en verklaarde hem vervallen van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een periode van zes maanden.

De rechtbank oordeelde dat de strafvordering niet verjaard was, onder meer omdat met toepassing van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering (zoals gewijzigd door artikel 7 van de Wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie) de verjaringstermijn werd geschorst. Meer bepaald stelde de rechtbank van eerste aanleg vast dat de verjaringstermijn was geschorst ten gevolge van de beslissing van de politierechtbank op de terechtzitting van 22 februari 2013 om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op een bijkomende onderzoekshandeling, nl. dat een getuige werd opgeroepen teneinde hem onder eed te horen op de terechtzitting van 29 maart 2013. Hetzelfde gold volgens de appelrechters voor de beslissing van de politierechtbank op de terechtzitting van 29 maart 2013 om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op een onderzoek door een deskundige-geneesheer en de oproeping van de opstellers van het aanvankelijk proces-verbaal om hen als getuigen onder eed te horen op de terechtzitting van 24 mei 2013.

Verder werd de verjaring van de strafvordering volgens de appelrechters geschorst ten gevolge van het bevel van de rechtbank zetelend in hoger beroep van 24 december 2013 waarbij met toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering(1) de persoonlijke verschijning van de eiser werd bevolen met het oog op de terechtzitting van 15 januari 2014, een bevel dat op die datum werd herhaald met het oog op de terechtzitting van 29 januari 2014 gelet op het niet-rechtsgeldig ter kennis brengen van het bevel van 24 december 2013 aan de eiser, en dat op 29 januari 2014, gelet op het niet-verschijnen van de eiser ondanks het feit dat het bevel hem rechtsgeldig werd betekend, werd gevolgd door een bevel tot medebrenging van de eiser voor de terechtzitting van 12 februari 2014. De rechters in beroep besloten op deze basis dat de verjaringstermijn was geschorst van 22 februari 2013 tot en met 23 mei 2013 en van 24 december 2013 tot en met 11 februari 2014 en dat bijgevolg de verjaring van de strafvordering nog niet was ingetreden.

Tegen deze beslissing stelde de eiser cassatieberoep in op 10 april 2014.

2. Tot staving van zijn voorziening ontwikkelt de eiser één middel, bestaande uit drie onderdelen. In het middel wordt de schending aangevoerd van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 68 Wegverkeerswet.

Artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering luidt: "De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. In dat geval is de verjaring geschorst vanaf de dag waarop het vonnisgerecht beslist om de zaak uit te stellen tot op de dag voor de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing van de verjaring evenwel langer dan een jaar mag duren."

Artikel 68 Wegverkeerswet bepaalt: "De strafvordering die het gevolg is van een overtreding van deze wet alsmede van de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten, verjaart door verloop van een jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan; deze termijn bedraagt evenwel drie jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan voor overtredingen van artikel 30, §1 en §3, 33, 34, §2, 35 en 37bis, §1, 1° en 4° tot 6°."

3. In het eerste onderdeel voert de eiser aan dat aangezien de verjaring loopt in het voordeel van de beklaagde, deze schorsingsgrond strikt moet worden geïnterpreteerd, in de zin dat het moet gaan om een uitstel met het oog op het daadwerkelijk uitvoeren van een of meer concrete onderzoekshandelingen. Het bevel tot persoonlijke verschijning en het bevel tot medebrenging met toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering zijn volgens de eiser geen bijkomende onderzoekshandeling in de zin van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en aan het uitstel dat met het oog daarop werd verleend kan volgens de eiser dan ook geen schorsende werking worden toegekend. Deze maatregelen strekken er enkel toe om de aanwezigheid van de beklaagde op de terechtzitting te bewerkstelligen en dragen op zich geen bijkomende onderzoekshandeling in zich. In het bestreden vonnis wordt, aldus de eiser, dan ook ten onrechte besloten dat de strafvordering opzichtens de eiser op het ogenblik van de uitspraak nog niet door verjaring was vervallen.

4. Het vierde lid van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering werd ingevoerd door de Wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie(2).

De wetgever voerde deze bepaling in op aanbeveling van de parlementaire onderzoekscommissie naar de grote fiscale fraudedossiers(3) en wilde op die manier een antwoord bieden op potentiële misbruiken van de mogelijkheid om om bijkomende onderzoekshandelingen te verzoeken(4). De tekst van artikel 24, vierde lid Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is echter niet tot deze situatie beperkt en behelst ook de situatie waarin de vonnisrechter ambtshalve bijkomende onderzoekshandelingen beveelt(5).

5. In de rechtsleer wordt het bevel tot persoonlijke verschijning op basis van artikel 185, §2, eerste lid, (alsook artikel 152) Wetboek van Strafvordering gekwalificeerd als een onderzoeksmaatregel die door de vonnisrechter kan worden bevolen(6). Daden van onderzoek zijn, volgens de rechtspraak van het Hof, alle daden die door een bevoegd persoon worden gesteld en die ertoe strekken gegevens te verzamelen om het dossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen (of bewijzen te verzamelen)(7) en de zaak in staat van wijzen te brengen(8). De rechter oordeelt op onaantastbare wijze over de noodzakelijkheid, de raadzaamheid en de gepastheid van de bijkomende onderzoeksmaatregel(9).

Hij gaat daarbij o.a. na welke maatregelen vereist zijn om de waarheid te achterhalen(10) en aldus een oordeel te kunnen vellen. Het bevelen van de persoonlijke verschijning van een partij kan in dat opzicht als een bijkomende onderzoeksmaatregel worden beschouwd, aangezien deze bv. kan worden aangewend wanneer het vonnisgerecht van mening is dat het noodzakelijk is om uit de mond van de partijen zelf nadere toelichting te krijgen in functie van de waarheidsvinding of de straftoemeting(11).

Het bevel tot persoonlijke verschijning strekt er aldus toe de nodige gegevens te verzamelen om het dossier samen te stellen/bewijzen te verzamelen en de zaak in staat van wijzen te brengen. Hetzelfde geldt voor het bevel tot medebrenging, dat wordt uitgevaardigd ten aanzien van de beklaagde op basis van artikel 185, §2, tweede lid, of 152, §2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Bijgevolg schorst het uitstel van de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht met het oog op de uitvoering van een bevel tot persoonlijke verschijning of medebrenging de verjaring van de strafvordering op basis van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

6. In het tweede onderdeel voert de eiser aan dat de bijkomende onderzoekshandeling met het oog waarop de behandeling van de zaak voor het vonnisgerecht werd uitgesteld op basis van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de verjaringstermijn niet schorst wanneer die door een onregelmatigheid of nietigheid is aangetast, aangezien een nietige of onregelmatige onderzoekshandeling geen enkel gevolg kan opleveren.

De rechtbank van eerste aanleg, zetelend in hoger beroep, stelde op de zitting van 24 december 2013 de behandeling van de zaak uit om een bevel tot persoonlijke verschijning conform artikel 152 Wetboek van Strafvordering aan de eiser te laten betekenen met dagvaarding om te verschijnen voor de zitting van 15 januari 2014.

Op de zitting van 15 januari 2014 stelde de rechtbank evenwel vast dat dit bevel tot persoonlijke verschijning niet regelmatig ter kennis was gebracht aan de eiser, waarna de rechtbank een nieuw bevel tot persoonlijke verschijning verleende en de zaak andermaal uitstelde om dit nieuwe bevel te laten betekenen aan de eiser met dagvaarding om te verschijnen voor de zitting van 29 januari 2014. Er kan, volgens de eiser, aldus geen schorsende werking worden gehecht aan de het uitstel tussen de zitting van 24 december 2013 en de zitting van 15 januari 2014.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, meer bepaald het zittingsblad van 24 december 2013 (stuk 6), blijkt dat de zaak werd uitgesteld met het oog op de bijkomende onderzoekshandelingen die werden gelast, o.a. de persoonlijke verschijning van de beklaagde overeenkomstig artikel 152 Wetboek van Strafvordering.

Op de zitting van 15 januari 2014 (stuk 7) stelde de rechtbank vast dat het bevel tot persoonlijke verschijning van de beklaagde niet rechtsgeldig ter kennis was gebracht aan de beklaagde, waarna de rechtbank opnieuw de persoonlijke verschijning bevolen heeft. Het feit dat het bevel tot persoonlijke verschijning van de beklaagde de eerste maal niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht van de eiser doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid en de schorsende werking van het door de rechtbank uitgevaardigde bevel tot persoonlijke verschijning.

Een onregelmatigheid bij de betekening kan immers niet leiden tot het ontzeggen van een schorsende werking aan het door de rechtbank uitgevaardigde bevel tot persoonlijke verschijning. Dit kan worden vergeleken met het feit dat wordt aangenomen dat een nietige dagvaarding wegens betekening aan een verkeerde woonplaats niet zorgt voor een stuiting van de verjaring, maar de vordering tot dagvaarding van het Openbaar Ministerie aan de deurwaarder voorafgaand aan de nietige dagvaarding wel een regelmatige stuitingsdaad uitmaakt(12).

Het Hof kwam tot dit besluit omdat die vordering uitgaat van de bevoegde overheid, tot doel heeft de zaak in staat van wijzen te brengen en op zichzelf een bijkomende onderzoekshandeling oplevert(13).

In casu levert het bevel tot persoonlijke verschijning aldus op zichzelf een bijkomende onderzoekshandeling op, waarvan de schorsende werking op de verjaring niet teniet wordt gedaan door een gebrek in de manier waarop het ter kennis werd gebracht van de eiser.

Dat niet elke mogelijke onregelmatigheid zou leiden tot het ontzeggen aan de betrokken handeling van enige invloed op het verloop van de verjaringstermijn, blijkt overigens ook uit de beslissing van het Hof dat het feit dat een inverdenkingstelling met vertraging gebeurde, geen afbreuk doet aan het verjaring stuitende karakter van de inverdenkingstelling van een medeverdachte als daad van onderzoek(14).

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

8. In het derde onderdeel voert de eiser aan dat het uitstel op de zitting van 15 januari 2014 werd verleend naar aanleiding van een bevel tot persoonlijke verschijning dat diende om te remediëren aan de onregelmatige uitvoering van het bevel tot persoonlijke verschijning van 24 december 2013. In die zin is, volgens de eiser, het uitstel op de zitting van 15 januari 2014 geen uitstel met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen, maar enkel een uitstel teneinde te remediëren aan een onregelmatige uitvoering van een eerder reeds bevolen bijkomende onderzoekshandeling.

9. Op grond van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt de verjaring van de strafvordering telkens geschorst als de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. Uit geen enkele bepaling volgt dat de vonnisrechter slechts één maal een bepaalde bijkomende onderzoekshandeling kan bevelen; niets stond er aldus aan in de weg dat de rechtbank tweemaal (waarbij de eerste maal het bevel niet correct werd uitgevoerd) ten aanzien van dezelfde persoon een bevel tot persoonlijke verschijning kon uitvaardigen.

Het onderdeel faalt naar recht.

10. Zelfs indien men, zoals het onderdeel, er vanuit zou gaan dat het uitstel op de zitting van 15 januari 2014 geen uitstel was met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen maar enkel wilde remediëren aan een eerder reeds bevolen onderzoekshandeling, kan het onderdeel niet worden aangenomen. Artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt immers dat "de verjaring geschorst is vanaf de dag waarop het vonnisgerecht beslist om de zaak uit te stellen tot op de dag voor de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing van de verjaring evenwel langer dan een jaar mag duren".

Voor het hervatten van de verjaringstermijn is aldus (behoudens het geval een periode langer dan een jaar zou verstrijken) vereist dat de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat. Het "hervatten" van de zaak veronderstelt dat het bijkomend onderzoek werd uitgevoerd en de zaak aldus daadwerkelijk opnieuw in behandeling kan worden genomen.

Gebeurt dit niet, dan is er geen sprake van "hervatting". Daarbij wordt in de rechtsleer het voorbeeld aangehaald van een deskundigenonderzoek dat werd bevolen waarna de zaak op vaste datum werd uitgesteld en waarbij het verslag nog niet klaar is, zodat ze opnieuw moet worden vastgesteld(15). In dergelijke benadering zou aldus te dezen op de zitting van 15 januari 2014 slechts zijn vastgesteld dat de behandeling van de zaak nog niet kon worden hervat en zou de verjaringstermijn evenzeer geschorst zijn tijdens de in het onderdeel geviseerde periode van 15 tot 29 januari 2014.

11. Het arrest nr. 83/2015 van het Grondwettelijk Hof van 11 juni 2015 waarbij artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie, zoals het is gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie (wat leidde tot de huidige tekst van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering) wordt vernietigd maar enkel in die mate dat het tot gevolg heeft de verjaring van de strafvordering te schorsen wanneer, in het kader van de regeling van de rechtspleging, de onderzoeksrechter of de kamer van inbeschuldigingstelling beslissen dat bijkomende onderzoekshandelingen moeten worden verricht, wanneer de raadkamer, in het kader van de regeling van de rechtspleging, de rechtspleging niet kan regelen ingevolge een door de burgerlijke partij overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, §3, van het Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek en wanneer het vonnisgerecht de behandeling van de zaak uitstelt met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen, is te dezen niet relevant, nu het Grondwettelijk Hof de gevolgen van de vernietigde bepaling tot de inwerkingtreding van een nieuwe wetsbepaling en uiterlijk tot 31 december 2016 handhaaft.

12. Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

13. Conclusie: verwerping.
____________________
(1) In de bestreden beslissing is door een verschrijving sprake van het "Strafwetboek".
(2) BS 31 januari 2013.
(3) Verslag namens de onderzoekscommissie naar de grote fiscale fraude-dossiers, Parl.St. Kamer 2008-09, nr. 52-0034/004, p. 240.
(4) MvT, Parl.St. Kamer 2011-12, nr. 53-2430/001, 6-7.
(5) F. KONING, "La loi du 14 janvier 2013: une nouvelle cause de la prescription en cas de devoirs d'enquête", JT 2013, (253) 258; R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, "Recente ontwikkelingen: de nieuwe strafprocesrechtelijke regels van de wetten houdende ‘diverse bepalingen betreffende Justitie' en de evolutie van de rechtspraak inzake Salduz, Antigoon en de motiveringsplicht", in F. VERBRUGGEN, B. SPRIET en R. VERSTRAETEN (eds.), Straf- en strafprocesrecht - Themis 2012-2013, Brugge, die Keure, 2013, (155) 175.
(6) G. MAES, "Onderzoeksdaden - Het verzoek bijkomende onderzoeksdaden te verrichten", Comm.Strafr., 37, nr. 100; M. ROZIE, "De onderzoeksbevoegdheden van het vonnisgerecht", in P. TRAEST en A. DE NAUW (eds.), Wie is er bang van het strafrecht?, Gent, Mys & Breesch, 1998, 248-249, nr. 617; A. VANDEPLAS, "Bevel tot persoonlijke verschijning", Comm.Strafr., 2, nr. 2.
(7) Cass. 10 december 2013, AR P.13.0691.N, AC 2013, nr. 669 met concl. van eerste advocaat-generaal DUINSLAEGER; Cass. 20 juli 1976, AC 1976, 1231.
(8) Cass. 10 december 2013, AR P.13.0691.N, AC 2013, nr. 669 met concl. van eerste advocaat-generaal DUINSLAEGER; Cass. 3 april 2007, AR P.06.1586.N, AC 2007, nr. 165; Cass. 28 maart 2006, AR P.05.1705.N, AC 2006, nr. 178. Cass. 20 juli 1976, AC 1976, 1231. Amendementen die stelden dat de verjaring enkel zal geschorst zijn in het geval de partijen om de aanvullende onderzoekshandelingen verzoeken werd verworpen (Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 53-2430/005, 7 en 10; Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-1887/3, 6 en 12).
(9) Cass. 17 december 2002, AR P.02.0027.N, AC 2002, nr. 675; Cass. 29 april 2003, AR P.02.1461.N, AC 2003, nr. 269.
(10) Noot proc.-gen. DUMON bij Cass. 11 april 1978, AC 1978, 919.
(11) M. ROZIE, "De onderzoeksbevoegdheden van het vonnisgerecht", in P. TRAEST en A. DE NAUW (eds.), Wie is er bang van het strafrecht?, Gent, Mys & Breesch, 1998, 249, nr. 617; P. TRAEST, Commentaar onder artikel 185 Sv., in M. DE BUSSCHER, J. MEESE, D. VAN DER KELEN en J. VERBIST (eds.), Wet en duiding Strafprocesrecht 2013, Brussel, Larcier, 2013, 333, nr. 7; A. VANDEPLAS, "Bevel tot persoonlijke verschijning", Comm.Strafr., 1-2, nr. 1.
(12) R. VERSTRAETEN, "Verjaring: algemene regeling", in F. VERBRUGGEN en R. VERSTRAETEN (eds.), De verjaring van de strafvordering voor rechtspractici, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2005, (19) 38, voetnoot 133.
(13) Cf. Cass. 26 april 1978, AC 1978, 995 en R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 133, nr. 250. Zie ook het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de opdracht van de onderzoeksrechter en de uitvoering ervan (Cass. 18 maart 1963, Pas. 1963, 784) en het kantschrift van het Openbaar Ministerie en het proces-verbaal dat opgesteld wordt ter uitvoering van de opdracht uit dit kantschrift (R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 130-131, nr. 247).
(14) Cass. 31 oktober 2006, AR P.06.0779.N, AC 2006, nr. 528 en NC 2007, 371.
(15) R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, "Recente ontwikkelingen: de nieuwe strafprocesrechtelijke regels van de wetten houdende ‘diverse bepalingen betreffende Justitie' en de evolutie van de rechtspraak inzake Salduz, Antigoon en de motiveringsplicht", in F. VERBRUGGEN, B. SPRIET en R. VERSTRAETEN (eds.), Straf- en strafprocesrecht - Themis 2012-2013, Brugge, die Keure, 2013, (155) 175 (m.b.t. de huidige versie van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; R. VERSTRAETEN, "Verjaring: algemene regeling", in F. VERBRUGGEN en R. VERSTRAETEN (eds.), De verjaring van de strafvordering voor rechtspractici, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2005, (19) 47, nr. 46 (m.b.t. hetzelfde begrip in een vroegere versie van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering). Zie ook F. KONING, "La loi du 14 janvier 2013: une nouvelle cause de la prescription en cas de devoirs d'enquête", JT 2013, (253) 258.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: di, 31/10/2017 - 20:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.