-A +A

Schijnerkenning

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Schijnerkenning van kinderen is het erkennen van kinderen met de loutere bedoeling verblijfsrechten te bekomen in België.

Modus operandi: De persoon zonder verbijfsrechten verwekt een kind, erkend het kind en verlaat hierna het kind en de andere ouder.

De wet van 19 september 2017 schept een juridisch kader om tegen deze schijnerkenningen op te treden.

zie ook X. Schijnerkenning van kinderen NJW 369, 690.

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 2 mei 2014, AR nr. C.13.0397.F, R.W. 2014-2015,1261

S.A. en M.B. t/ Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 8 april 2013.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

Art. 146bis BW bepaalt dat er geen huwelijk is wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.

Het huwelijk kan niet nietig worden verklaard indien de intentie van de echtgenoten, al was het maar in bijkomende orde, erop gericht was een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

Het arrest vermeldt dat de eiser vóór zijn huwelijk met de eiseres, na zijn aankomst in België, met haar heeft samengeleefd, dat de eisers in februari 2003 in het huwelijk zijn getreden, dat hun samenwoning in ieder geval tot april 2004 heeft voortgeduurd, terwijl eisers eerste echtgenote en kinderen in Turkije waren gebleven, en dat de scheiding van de partijen te wijten is aan het feit dat de eiseres niet langer verdroeg zorg te moeten dragen voor de vier kinderen uit het eerste huwelijk van de eiser, die in de lente van 2004 in België waren aangekomen.

Het arrest heeft uit die vermeldingen niet kunnen afleiden dat de intentie van de eiser er kennelijk niet op gericht was een duurzame levensgemeenschap met de eiseres tot stand te brengen, maar enkel een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen, zodat hun huwelijk nietig was.

Het onderdeel is gegrond.

...

• Hof van Beroep te Gent, 11e Kamer – 23 oktober 2014, RW 2014-2015, 1470


A.B. t/ Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent

...

I. Beroepen vonnis

Bij vonnis van 11 juli 2012 verklaart de vakantiekamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, op vordering van de procureur des Konings bij deze rechtbank, het huwelijk dat op 16 februari 2007 te Wielsbeke werd gesloten tussen W.V. en A.B. nietig, zodat het geen uitwerking heeft in België.

...

II. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 26 september 2012 stelt A.B. hoger beroep in.

...

2. Met zijn hoger beroep beoogt A.B. in essentie de afwijzing van de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring van het huwelijk.

De procureur-generaal neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

Ook W.V. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

III. Beoordeling

...

2. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge en (bijgevolg) dit hof zijn internationaal en materieel/territoriaal bevoegd om van de vordering tot nietigverklaring kennis te nemen (art. 1, a en 3.1, a van de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en tot intrekking van EG-verordening nr. 1347/2000 dan wel art. 42-43 WIPR; art. 624, 1o Ger.W.; S. Saroléa, “Commentaar bij art. 42 WIPR” in J. Erauw e.a., Het WIPR becommentarieerd, Antwerpen/Brussel, Intersentia/Bruylant, 2006, 230-231).

3. A.B. had/heeft de Servische nationaliteit en W.V. de Belgische nationaliteit.

Gelet op de verschillende nationaliteit van de partijen, rijst de vraag naar het toepasselijke recht. Het huwelijk behelst de staat van de personen, terwijl de wetgeving dienaangaande de openbare orde raakt.

Art. 46, eerste lid WIPR bepaalt dat, onder voorbehoud van art. 47, de voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk voor elke echtgenoot worden beheerst door het recht van de Staat waarvan hij bij de voltrekking de nationaliteit had.

Een internationaal huwelijk is geldig gesloten wanneer, wat de grondvoorwaarden betreft, beide echtgenoten voldoen aan hun nationale wet en, wat de vormvoorwaarden betreft, de lex locus regit actum wordt gevolgd.

Enkel de grondvoorwaarden van het huwelijk staan hier ter discussie. De nationale wet van ieder van de echtgenoten moet distributief worden toegepast, onder voorbehoud van de exceptie van de Belgische internationale openbare orde. In de respectieve toepasselijke wetgevingen moet normaliter worden nagegaan wat onder het toestemmingsvereiste wordt verstaan (J.-Y. Carlier, “Commentaar bij art. 46 WIPR” in J. Erauw e.a., Het WIPR becommentarieerd, Antwerpen/Brussel, Intersentia/Bruylant, 2006, 249).

Voorts is het Belgische proces- en bewijsrecht van toepassing.

4. Art. 146bis BW, ingevoerd bij wet van 4 mei 1999 (tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk) bepaalt dat er geen huwelijk (en derhalve wel een schijnhuwelijk) is wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet gericht is op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.

Bij de beoordeling of het huwelijk een schijnhuwelijk is, moet a priori worden nagegaan of de partijen een duurzame levensgemeenschap beogen (S. D’Hondt, “Commentaar bij art. 146bis BW” in Comm.Pers. 2000, 6-9, nr. 5; S. Lefebvre, “Schijnhuwelijken”, NjW 2007, p. 818, nr. 2). Ontbreekt bij één van de echtgenoten de intentie om duurzaam met de andere samen te leven, dan kan tot een schijnhuwelijk worden besloten wanneer het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel samenhangt met andere motieven. Het gebruik van de term “enkel” in voormelde wetsbepaling wijst op een exclusiviteit die niet slaat op de motieven voor het aangaan van een schijnhuwelijk, maar die de uitsluiting van de intentie om een duurzame levensgemeenschap te vormen beklemtoont (G. Verschelden, Handboek Belgisch familierecht, Brugge, die Keure, 2010, p. 419, nr. 996). Zodra vaststaat dat de intentie van (minstens één van) de echtgenoten niet is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, gaat het om een schijnhuwelijk.

Wie het schijnkarakter van een huwelijk inroept, moet duidelijke indicaties hebben dat het huwelijk kennelijk niet is gericht op het vormen van een duurzame levensgemeenschap. In de regel kan de beweerde simulatie slechts blijken uit een geheel van omstandigheden. Het gebeurlijk illegale verblijf in België is slechts een element in de beoordeling, omdat het legale verblijf als zodanig geen voorwaarde voor een geldig huwelijk uitmaakt en het recht om te huwen niet is verbonden aan de verblijfstoestand van de betrokken partijen. Willen de echtgenoten een duurzame levensgemeenschap tot stand brengen, terwijl zij ook een verblijfsrechtelijk voordeel nastreven, dan gaat het niet om een schijnhuwelijk (G. Verschelden, Handboek Belgisch familierecht, Brugge, die Keure, 2010, p. 419-420, nr. 998).

Na de voltrekking van een schijnhuwelijk kan iedere belanghebbende, met inbegrip van het openbaar ministerie, de nietigverklaring ervan vorderen. De feitenrechter die op die vordering ingaat en zodoende het huwelijk nietig verklaart wegens simulatie, en dit op basis van regelmatig verzamelde en voorgelegde bewijsstukken, schendt noch art. 8 of 12 EVRM noch art. 23 BUPO: het recht om te huwen moet inderdaad slechts worden gewaarborgd als het om een werkelijk huwelijk gaat, terwijl er in geval van een schijnhuwelijk geen sprake is van een gezinsleven.

Bij een schijnhuwelijk geldt de sanctie van de absolute nietigheid van het huwelijk. Deze nietigheid kan niet worden gedekt. Er moet worden gelet op het voornemen van de echtgenoten op de dag van het huwelijk. Uit het optreden van moeilijkheden tussen de echtgenoten achteraf kan niet worden afgeleid dat zij niet werkelijk het voornemen hadden om zich bij de instelling van het huwelijk aan te sluiten. Dit neemt echter niet weg dat de rechter, bij zijn beoordeling van de toestemming tot het sluiten van het huwelijk, ook rekening kan houden met een geheel van gebeurtenissen rond de huwelijkssluiting, meer bepaald alles wat eraan voorafging, maar ook alle latere gebeurtenisen die een licht kunnen werpen op de werkelijke intentie(s) van de partijen op het ogenblik van de huwelijkssluiting (G. Verschelden e.a., “Overzicht van rechtspraak (2007-2011): Familierecht”, TPR 2012, p. 1667, nr. 242).

Het bewijs van een schijnhuwelijk kan worden geleverd door alle middelen van recht, en dus ook door vermoedens. Wanneer sprake is van precieze en samenhangende vermoedens die veinzing van één van de echtgenoten aantonen, kan de nietigheid van het huwelijk met zekerheid worden uitgesproken. Het betreft een feitenkwestie, zodat elke zaak in concreto moet worden beoordeeld. Het komt erop aan dat de feitenrechter een geheel van omstandigheden aanduidt die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aantonen dat het gesloten huwelijk is afgewend van zijn normale intentie en dat de partijen of één van hen op het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk nooit de bedoeling hebben gehad om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen. Aangezien deze intentie nagenoeg nooit met volstrekte zekerheid kan worden achterhaald, moeten de aangevoerde (bewijs)middelen van de eiser tot nietigverklaring een decisief karakter hebben, zodat een eenduidig en niet tegengesproken vermoeden ontstaat. Blijft twijfel bestaan over de intentie(s) van (één van) de betrokken partijen, dan kan de nietigverklaring niet worden uitgesproken (G. Verschelden e.a., “Overzicht van rechtspraak (2007-2011): Familierecht”, TPR 2012, p. 1667-1668, nr. 242).

5. Gelet op (1) de diverse elementen die de eerste rechter evalueert en vervolgens samenvat (...) en (2) de diverse (grotendeels overlappende) elementen die de procureur-generaal omstandig duidt in zijn conclusie, is ook het hof van oordeel dat afdoende is aangetoond dat de intentie van A.B. en W.V. bij hun huwelijk op 16 februari 2007 kennelijk niet was gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap. Het geheel van omstandigheden leert dat het gesloten huwelijk manifest is afgewend van zijn normale intentie en dat de partijen op het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk nooit de bedoeling hebben gehad om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

Aldus:

– was de verblijfssituatie van A.B. ten tijde van het huwelijk bijzonder precair, terwijl alle gevoerde procedures op niets uitliepen;

– sloten A.B. en W.V. medio 2006 een samenlevingscontract, waarna zij op basis van juridisch advies in het huwelijk traden (op 16 februari 2007) teneinde de verblijfssituatie van A.B. te optimaliseren (in de eerste plaats door middel van een zogeheten “F kaart”, d.i. een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, geldig voor de periode vanaf 17 februari 2009 tot 17 februari 2014);

– werd het huwelijk derhalve aangegaan omdat A.B. vreesde te worden teruggestuurd naar Kosovo, vanwaar hij afkomstig is;

– leefden A.B. en W.V. niet daadwerkelijk/duurzaam samen als gehuwden, terwijl A.B. manifest ondermaats bijdroeg in de gezinslasten en allerminst de gebeurlijk penibele financiële situatie van W.V. verhielp;

– bleken A.B. en W.V. ook bijzonder weinig over elkaars familie te weten;

– huwde A.B. naar plaatselijke culturele/religieuze normen met een Kosovaarse vrouw (...), en dit tijdens een daartoe medio 2007 geplande afreis naar Kosovo, naar verluidt om een terminaal zieke zus te bezoeken en tegelijk onder dwang van de moslimtraditie te huwen;

– onderhield A.B., anders dan hij wil voorspiegelen, mede gelet op zijn beweerde homoseksuele geaardheid, wel degelijk seksuele betrekkingen met zijn plaatselijke echtgenote, terwijl hij ook een kind verwekte;

– heeft A.B. een en ander verzwegen voor W.V., terwijl hij bovendien gelden doorstortte naar zijn vrouw en kind te Kosovo;

– zijn A.B. en W.V., na een eerdere feitelijke scheiding, vanaf einde 2008 ingeschreven op andere adressen, om uiteindelijk einde 2009 uit de echt te scheiden.

6. In voormelde omstandigheden heeft de eerste rechter terecht besloten tot een schijnhuwelijk, om het nietig te verklaren ex tunc, aangezien, bij gebrek aan (bewezen) goede trouw aan de zijde van A.B. en W.V., geen putatief huwelijk kan worden aangenomen (art. 201 BW).

De erkenning door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het huwelijk staat een latere vordering van het openbaar ministerie tot nietigverklaring van dit huwelijk niet in de weg.

Een en ander raakt de openbare orde, zodat de toetsing aan het Servische recht (waarover de partijen overigens niet reppen) niet meer nodig is, omdat deze toetsing niet tot een ander besluit zou kunnen leiden.

Het hoger beroep kan niet slagen.

...

• Antwerpen 25 juni 2014, RW 2014-15, 507, 2018, 4-5, 96

Rechtsleer:

• De bestrijding van de frauduleuze erkenningen. Commentaar bij de wet van 19 september 2017. Deel I. Civielrechtelijke aspecten , T. Fam.

Inhoud:

I. Inleiding en situering 96
II. De afschaffing van de mogelijkheid van een erkenning bij  notariële akte 98
III. De territoriale bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand 100
IV. De erkenningsaangifte en de akte van aangifte van de erkenning 101
A. Situering 101
B. De erkenningsaangifte 101
C. De aangifte van erkenning vóór de geboorte van het kind 105
D. De akte van aangifte van erkenning 106
E. De weigering tot het opmaken van de akte van aangifte van erkenning 107
F. Het verhaal tegen de weigering de akte van aangifte van erkenning op te maken 108
V. Definitie van de frauduleuze erkenning 109
VI. De akte van erkenning 110
A. Het opmaken van de akte van erkenning 110
B. De weigering tot het opmaken van een akte van erkenning 110
C. Mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot onderzoek naar het ouderschap 116
D. De nietigverklaring van de frauduleuze erkenning 119
VII. Nieuw artikel 330/1 BW als voorrangsregel 121
A. Voor een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand verrichte erkenningen 121
B. Erkenning in de Belgische rechtsorde van in het buitenland verrichte erkenningen 121
C. Vordering tot nietigverklaring van een in het buitenland verrichte erkenning van een kind 122
VIII. Wijzigingen in het Consulair Wetboek 122
IX. Inwerkingtreding en overgangsrecht 124
A. Inwerkingtreding 124
B. Overgangsrecht 124
X. Beknopte evaluatie 124

• An Sofie Matthys, Jarih Werbrouck,De bestrijding van de frauduleuze erkenningen. Commentaar bij de wet van 19 september 2017.
Deel II. Strafrechtelijke aspecten, T. Fam. 2018/4-5, 126
Inhoud:

I. Inleiding en situering 126
II. Normatief kader 126
III. De strafrechtelijke aspecten doorgelicht 127
A. Het begrip ‘frauduleuze erkenning’ 127
B. De nieuwe bevoegdheden voor de betrokken actoren 130
C. De nieuwe strafbaarstellingen 132
D. En wat met het kind? 132
E. Van de hak op de tak – werd voor de juiste piste gekozen? 133
IV. Besluit 133

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 12/12/2017 - 15:44
Laatst aangepast op: di, 05/06/2018 - 21:40

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.