-A +A

Samenwoning beëindigen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Bij een huwelijk hoort een huwelijksvermogenstelsel. De wet bepaalt wat eigen is en wat gemeenschappelijk is en hoe de verdeling plaatsvindt.  Maar welke regels bepalen het einde van een samenwoning zonder huwelijk?

Rechtsleer: A. Heyvaert, Het statuut van samenwoners in advocatenpraktijk, Burgerlijk recht nr 12 en 13.

voor een model van concubinaatsovereenkomst kan u dit ontvangen  door een mail te sturen naarelfri@elfri.be met vermelding van "voor ontvangst model GMOD2" u zal dan een voorafgaande storting van 50 euro in rekening gebracht worden.

 

Door samen te gaan wonen, hetgeen concubinaat wordt geheten, ontstaat geen automatische gemeenschap. Elke partner behoudt de eigen exclusieve eigendomsrechten over diens inboedel en goederen.

De samenlevende partijen kunnen evenwel nadrukkelijk bepaalde goederen in gemeenschappelijke eigendom kopen of gemeenschappelijk maken. Maar door de loutere samenleving ontstaat geen vermoeden van gemeenschap.

Bij het beëindigen van de samenleving neemt elke partij haar eigen goederen terug. Elke partij draagt hierbij de bewijslast van haar eigendomsrechten.

Indien geen van de partijen (bepaalde) eigendomsrechten kan bewijzen dan worden deze goederen geacht gemeenschappelijk te zijn. M.b.t. deze goederen dienen de partijen dan een vordering tot uitonverdeeldheid in te stellen. Deze vordering wordt ingeleid dmv een dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg. De rechter zal dan een notaris aanstellen met opdracht tot verdeling over te gaan.

Uit het enkel feit van het samenwonen ontstaan er in beginsel tussen de partners geen persoonlijke rechten noch plichten. Er is met andere woorden geen sprake van een juridisch erkende band.

Principieel bestaat er geen recht op wederzijdse hulp, geen samenwoningsverplichting, geen getrouwheidsverplichting, geen plicht tot het bijdragen in de kosten van de huishouding. Dit alles in tegenstelling tot het huwelijk waar een dergelijke verplichting wel bestaat.

In de praktijk zullen de twee partners meestal wel bijdragen in de lasten van de huishouding en deze bijdrage gaat gepaard met een gewetensplicht, die op zichzelf een natuurlijke verbintenis doet ontstaan. Maar dit betekent dan ook dat wanneer een partner vrijwillig geld investeert in een gemeenschappelijk huishouden hij erkent dat er een natuurlijke verbintenis op hem rust, waardoor hij dit geld niet meer kan terugvragen bij een eventuele breuk.

In tegenstelling met gehuwden en wettelijk samenwonenden hebben feitelijke samenwoners geen wettelijke regeling mbt hun eigendomsrechten. Elkeen blijft eigenaar van de goederen die hij bezit van voor de samenwoonst en van de goederen die hij zelf verwerft tijdens de samenwoonst.

Ook de bewijsvoering dient te gebeuren volgens de regels van het gemeen recht. Wanneer geen van beiden erin slaagt de exclusieve eigendom te bewijzen zal het goed geacht worden onverdeelde medeigendom te zijn.

Voor onroerende goederen wordt het bewijs geleverd door een authentieke akte die conform art. 1319 BW het volledig bewijs van de overeenkomst vervat.

De herkomst van de gelden is dus zonder belang om de eigendom van een onroerend goed vast te leggen. Wanneer één van de samenwonenden dus meer geld (of zelf al het geld) dan de andere heeft geïnvesteerd in de aanschaf of de terugbetaling van een onroerend goed verschaft hem dit geen rechten op het onroerend goed, anders dan deze die vermeld staan in de eigendomsakte.

Ook wanneer feitelijk samenwonenden een huis bouwen op grond van één van hen, zal de eigendom van de woonst toekomen aan de eigenaar van de grond, ingevolge het principe van natrekking.

Er kan wel een recht tot vergoeding bestaan aan de partner die aldus in en goed heeft geïnvesteerd. Een en ander is dan afhankelijk van de verbintenissen die partijen hierover zijn aangegaan. In bepaalde gevallen zal de rechtbank wel willen aannemen dat er quasi onmogelijkheid kan bestaan om bepaalde zaken te bewijzen, ondermeer gelet op de relationele band tussen samenwonenden. Wie samenwoont en het bed deelt, stelt niet voortdurend wederzijdse verbintenissen op. Daarom kan de rechtbank wel naar billijkheid een vergoeding toekennen, in afwezigheid van bewijsstukken.

Voor de beëindiging van het huurcontract bij het einde van de samenwoonst zie: de huur als (on)deelbare verbintenis

Bevoegde rechtbank tot het nemen van dringende en voorlopige maatregelen bij de beëindiging van het concubinaat:

Bij het beëindigen van een wettelijke samenwoning kan de vrederechter gedurende drie maanden dringende en voorlopige maatregelen gelasten. Hebben de partijen evenwel samengeleefd zonder wettelijk samenlevingscontract, dan heeft de vrederechter die bevoegdheid niet maar kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in de gevallen die hij spoedeisend acht, dringende maatregelen bevelen. (Arrond. rb. Gent 15/12/2003, T. Vred. 2006-511:

Overeenkomstig artikel 1479 B.W. kunnen de personen die wettelijk hebben samengewoond, gedurende drie maanden na de beëindiging van de wettelijke samenwoning de vrederechter verzoeken dringende en voorlopige maatregelen te gelasten.

Personen die evenwel feitelijk hebben samengewoond, kunnen dit niet doen. In zijn arrest van 23 januari 2002 (nr. 24/2002) oordeelde het Arbitragehof dat wanneer het geschil een gevolg is van de beëindiging van een feitelijke samenwoning, dit geschil niet onttrokken is aan de rechterlijke macht, maar dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg – in gevallen die hij spoedeisend acht – in die zaken bij voorraad uitspraak kan doen en dringende maatregelen kan bevelen.

Rechtsleer en Rechtspraak:

• zie Rb. Oudenaarde, 19/09/2005, RABG 2006/10, 774.

W. Vanoppen en V. Guffens in Overzicht van rechtspraak, Vermogensrechtelijke aspecten inzake concubinaat (1990-1999) in Echtscheidingsjournaal 2000, p. 40.

•• Hof van Beroep Gent, 25/11/2004 NJW 2005, 804.
Een auto waarvan het inschrijvingsbewijs op naam stond van de man maar betaald met geld van de vrouw werd toegewezen aan de man. De vrouw had de wagen reeds verkocht. Derhalve werd aan de man een vervangende vergoeding toegekend.

•• Hof van Beroep Antwerpen 09/02/2005 NJW 2006, 144, 509

2 personen hadden 16 jaar samengewoond. De inboedel die zich in de woning bevond werd beschouwd als onverdeelde eigendom, behoudens de goederen waarop een exclusief eigendomsrecht kon worden bewezen.

Ingevolge notariële akte behoorde het onroerende goed toe aan één van hen. De andere wierp voor de rechtbank op dat zij had bijgedragen tot de verwerving ervan en dus mede aanspraak kon maken op dit goed op grond van de theorie van de vermogensverschuiving zonder oorzaak. De opgeworpen theorie van de vermogensverschuiving zonder oorzaak werd verworpen.

•• Hof van beroep Antwerpen 05/412/2006 NJW 162 p414

Concubinaat schept geen vermoeden van onverdeeldheid of gemeenschap. Bij de beëindiging kan elke partner zijn goederen terugnemen mits bewijs van diens exclusief eigendomsrecht. Feitelijk samenwonenden kunnen zich niet beroepen op het bezit als titel van eigendom (art. 2279 lid 1 B.W.) gezien de feitelijke samenleving het bezit ondeugdelijk maakt. Wanneer een eigendomstitel bestaat op naam van één van de samenwonenden is de vraag naar de herkomst van het geld waarmee het goed gekocht werd irrelevant. Om te slagen in een vordering tot afgifte dient de persoon tegen wie de vordering wordt gesteld nog steeds in het bezit zijn van het goed waarvan de afgifte wordt gevorderd.

•• Vredegerecht Halle 23 juni 2008, NJW 196,136

Een koppel hadden jarenlang samengewoond in de eigendom van een van hen. De relatie loopt stuk en de eigenaren van de woning verlaat de woning. Kort hierop vordert hij te horen zijn een voorrecht dat de achtergebleven partner in zijn woning een aldaar verblijft zonder recht noch titel.

De vrederechter staat deze vordering toe, stelt vast dat het gebruik van de ex partner inderdaad een gebruik is zonder recht noch titel en gaat niet in al het verweer van de ex partner die stelt dat de eigenaars misbruik maakt van zijn rechts door langs gerechtelijke weg terug het genot te eisen van de leefruimte die hij zelf vrijwillig verlaten heeft.

Daarentegen stelt de vrederechter dat de weigering van de ex partner om de eigenaar van het onroerend goed terug de beschikking te geven over zijn eigengoed, een fout begaat die aanleiding kan geven tot schadevergoeding.

Conform de billijkheid staat de vrederechter aan de ex partner een termijn toe om de woning te verlaten maar weigert om een onbepaalde termijn te voorzien tot wanneer deze een sociale woning heeft gevonden. De vrederechter oordeelt dat een periode van zes en een halve maand na de dagvaarding redelijk is, periode waarna de eigenaar de ex partner uit de woning zal kunnen drijven.

 

 

 

 

•• rechtbank Leuven 17 januari 2006, RABG 2007/11,741,  met noot. Wanneer een van de samenwonenden een lening aangaat op zijn eigennaam en hierna de ontleende gelden ter beschikking stelt aan de andere samenwonende, kan deze bij de beëindiging van het concubinaat deze gelden niet terugvorderen  (behoudens andersluidende schriftelijke overeenkomst), zelfs niet wanneer er beweerd wordt dat de lening werd aangegaan bij loutere naam lening. De overhandiging van een geldsom bewijst niet het bestaan van een leningsovereenkomst (zie Cass. 14 november 1985, A. C., 1985, 86,359). ook een verrijking zonder oorzaak kan niet worden ingeroepen gezien de betaling gebeurde uit vrije wil in het kader van het samenleven.

•• rechtbank Leuven 21 februari 2006, en RABG 2007/11 pagina 744, met noot. Overeenkomsten strekken partijen tot wet ook in het kader van een concubinaat. Tussen concubinerenden zijn de gewone regels van het bewijs toepasselijk. Wanneer een van de samenwonenden zich verbindt om een bepaalde som aan een andere samenwonenden te betalen, dan strekt deze overeenkomst de partijen tot wet. Hij die zich in het kader van een concubinaat verbond tot een dergelijke betaling kan zich nadien niet onttrekken aan deze verplichting door louter te stellen dat de vordering ontoelaatbaar zou zijn omdat zij betaling inhoudt van een bedrag dat bedoeld was om de concubinaat relatie te bestendigen en/of te herstellen. Deze loutere bewering maakt geen bewijs uit. Hij die de ongeoorloofde feiten van de oorzaak van een vordering aangevoerd moet het bewijs daarvan leveren.

•• Vred. Roeselare, 21/10/2005, RW 2005-2006, 577en tijdschrift van de vrederechters, 2007, 89 over de (on)mogelijkheid tot verzegeling  (van een bankkluis) ten aanzien van wettelijk samenwonenden en gehuwden, zonder voorafgaande (echtscheidings)procedure of beëindiging van de samenwoonsten over de eigendomsvermoedens bij de samenwonenden.

•• Concubinaat en recht op onderhoudsgeld bij einde? Hof van Beroep te Antwerpen, 1 februari 2006, RW 2007- 2008, 1816 met noot, "De natuurlijke verbintenis: enkele (discussie)punten toegelicht". De gewezen band van samenwoning die tussen partijen jarenlang heeft bestaan en de morele plicht van bijstand verantwoorden deze stelling. Aangenomen mag worden dat een samenwonende, die gedurende jaren tijdens de duur van de relatie in het onderhoud van zijn economisch zwakkere partner voorzag, een natuurlijke verbintenis heeft om over de grenzen van het samenleven deze zwakkere partner ook voor de toekomst een zekere bijstand te verschaffen.
 

Woninghuur meervoudige huurders- wat bij relatiebreuk?

Wanneer 2 samenwonenden samen een huurcontract aangaan, is de verhuurder ten aanzien van hen beiden verbonden. Deze samenwonenden of meervoudige huurders hebben ten aanzien van elkaar de verbintenis om elkaar het rustig genot van de woning te verschaffen. Dit wederkerig genot kan worden verstoord door het louter feit van de relationele breuk tussen de huurders. De ene huurder kan dan ten aanzien van de andere huurder bij de Vrederechter een vordering tot uithuiszetting instellen op grond van de huurwet. De Vrederechter zal de woning aan de ene of de andere toewijzen op grond van een belangenafweging.
 

Zie Vred. Leuven 2° kanton, 15/07/2003., T.Vred. 2006/5-6, 239.
VREDEGERECHT
Zie Vred. van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem zetel OUDENAARDE
Rolnummer : 05A813 02-02-2006 voor tekst vonnis klik hier

• Vredegerecht en Westerlo, 11 december 2006, tijdschrift van de vrederechters, 2007,354

Feitelijk samenwonenden die vrijwillig gelden investeren in de gemeenschappelijke huishouding doen dit in uitvoering van een natuurlijke verbintenis waarbij deze gelden niet kunnen teruggevorderd worden bij de relatiebreuk. De vordering ten opzichte van een samenwoners strekkende tot terugbetaling van het verschil tussen de respectievelijke bijdragen in de lasten van de huishouding gedurende de samenwoning kan derhalve niet worden toegekend. Bij het beantwoorden van de vraag wie de geblokkeerde huurwaarborg verwerft, zal de titularis ervan te kwestie is de bankrekening doorslaggevend zijn.

Wanneer deze geblokkeerde huurwaarborg op de naam van beiden staat, zal de huurwaarborg als een onverdeeldheid dienen aanzien, met recht op de helft voor elk der partijen.

 

Een praktijkgeval

een persoon woonde feitelijk samen met zijn vriendin en raakte met haar in onmin. In het huurcontract was hij met uitsluiting van zijn vriendin huurder. Zijn vriendin weigerde de woning te verlaten. Hoe kreeg hij haar uit de woning?

Art. 215, §2 en art. 1477 §2 B.W voorzien dat gehuwden een wettelijk onverdeeld huurrecht hebben.

In geval van ernstige echtelijke moeilijkheden is de vrederechter bevoegd om de rechten op de huur door een van hen te laten uitoefenen in toepassing van art. 221-223 B.W. door een van de partijen afzonderlijke woonst in die woning toe te kennen en de andere een verontrustingsverbod.
Personen die samenwonen en een wettelijk samenlevingscontract hebben afgesloten kunnen deze regels naar analogie toepassen.

Maar wat zijn de rechten van het merendeel van de samenwonenden die geen samenlevingscontract hebben afgesloten, de zogenaamd feitelijk samenwonenden. Kunnen deze ook op de Vrederechter beroep doen om hun samenleving te laten beëindigen en de enen partij de toegang te laten verbieden tot de woning die samen hebben bewoond.
Een onderscheid dient gemaakt te worden tussen de situatie waarbij de samenwonenden al dan niet samen het huurcontract ondertekenden als huurder.

In het geval waarbij het huurcontract slechts door één van hen werd ondertekend is de situatie eenvoudig.
Daar waar in de hypothese dat bij het ontstaan van een concubinaatsrelatie of nadien één der partners intrekt bij de andere partner die een woning huurt, is het zo dat degene die de huurovereenkomst niet heeft ondertekend, niet als medehuurder kan worden beschouwd en dus gewoonweg uit de woning kan gezet, desnoods op grond van een vordering tot uitdrijving wegens bezetting zonder recht of titel.

Een gans ander geval doet zich voor wanneer het huurcontract door beide feitelijk samenlevenden werd ondertekend. Dit impliceert dat er een contractuele medehuur is van beide partners, op basis waarvan elke partner over een onderscheiden en persoonlijk recht op de bezetting en het genot van het gehele goed samen met zijn medehuurder bezit.

In geval van onenigheid tussen de feitelijk samenwonenden laat de contractuele medehuur niet toe dat de ene partner de definitieve uitdrijving van de andere uit de woonst kan vorderen.

Niettemin kan worden aangenomen dat er tussen feitelijk samenlevende partners een stilzwijgend akkoord bestaat om elkaar het rustige genot te verschaffen van de woonst.

Wanneer dit rustig genot verstoord wordt door een onenigheid tussen partijen kan de vrederechter derhalve op grond van de huurwetgeving optreden in toepassing van art. 1344 bis Gerechtelijk wetboek na een voorafgaande verplichte oproeping in verzoening. De Vrederechter zal dan dienen te oordelen aan wie van beide partijen hij het verdere rustig genot op de huurceel toekent en hierbij de fouten en tekortkoming in de verplichting tot het verschaffen van het rustig genot aan de andere partij in rekening kan brengen. Hiertoe kunnen alle bewijsmiddelen worden aangewend, waaronder schriftelijke verklaringen, brieven, e-mails, maar ook strafklachten. De Vrederechter kan ook rekening houden met de handelsactiviteit die door één van de pertners in de woning wordt uitgeoefend en de noodzaak voor deze handelaar dit goed te kunnen blijven betrekken.
Model van Verzoekschrift in toepassing van art. 1344bis Ger.W.
Aan de Vrederechter van ... (Vrederechter van de plaats van de huurwoning)
geeft met eerbied te kennen,
<<identiteit van de verzoekende partij en identiteit van haar advocaat>>
dat verzoekster huurde met ingang van <<<...>>> vanwege <<<identiteit van de verhuurder>>> een pand gelegen te <<<...>>> en dit samen met
<<identiteit van de tegenpartij>>
Sedert... deden zich ernstige moeilijkheden voor in de relatie tussen verzoekster en de voormelde persoon die met haar samenwoont waarbij deze aldus verzoekster verstoort in haar rustig genot van de huurceel.
Dat een en ander te wijten is aan de uitsluitende tekortkomingen van tegenpartij, immers <<<motivering>>>
Dat deze woning bovendien door verzoekende partij gebruikt wordt voor de uitoefening van een handelsactiviteit, met name… <<<specificatie>>>, dat aan deze handelslocatie een patrimoniale waarde kleeft, door het eraan verbonden cliënteel, dat een waarde heeft voor verzoekende partij, doch niet voor de op te roepen partij;
Dat medehuur tussen feitelijk samenwonenden een impliciet akkoord veronderstelt tussen de samenwonenden om onderling het rustig genot van het gehuurde goed te delen, verbintenis waartoe beiden tegenover mekaar gehouden zijn;
Dat ingevolgde de voormelde feiten de op te roepen partij ongetwijfeld ernstige inbreuken heeft begaan op deze voormelde verplichting en aldus de uitdrijving rechtvaardigen van de op te roepen partij uit het gehuurde goed;
Dat de op te roepen partij bij dit verzoekschrift reeds werd opgeroepen in verzoening voor uw zetel in toepassing van art. 732. Ger. W. en dat er geen verzoening kon worden bereikt;
Dat derhalve verzoekster de uitdrijving van de op te roepen partij kan vorderen en vordert;
Gelet op de aard van de vorderingen dienen de bepalingen van artikel 1344ter § 2 Ger. W, te
worden gerespecteerd, namelijk
"Wanneer de vordering aanhangig wordt gemaakt bij verzoekschrift of bij vrijwillige verschijning, zendt de griffier, behoudens verzet van de huurder zoals bepaald in § 4, na een termijn van vier dagen na de inschrijving op de algemene rol van de vordering tot uithuiszetting, via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen bij gewone brief, een afschrift van het verzoekschrift naar het Openbaar Centrum voor Maat¬schappelijk Welzijn van de verblijfplaats van de huurder."
Artikel 1344ter § 4 Ger. W. stipuleert:
"De huurder kan in het proces-verbaal van vrijwillig verschijning of bij de griffie binnen een termijn van twee dagen na de oproeping bij gerechtsbrief, of bij de gerechts¬deurwaarder binnen een termijn van twee dagen na de betekening, zijn verzet ken¬baar maken tegen de mededeling aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van het afschrift van de inleidende akte. Het verzoekschrift of de dagvaarding vermeldt de tekst van het vorig lid."
Gelet op het feit dat de onderhavige zaak geen lange debatten vereist, meent de verzoekster toepassing te kunnen maken van art. 735 Ger. W. De verzoekster verzet zich dan ook tegen een schriftelijke verschijning voor de verweerder overeenkomstig art. 729 Ger. W.

OM DEZE REDENEN,
Behage het de Vrederechter,
de hoger vermelde verweerder per gerechtsbrief op te roepen om te verschijnen op een door u vast te stellen zitting;
de verweerder te veroordelen om het goed, gelegen te <<<…>>> ter vrije beschikking te stellen van de verzoekster en bij gebreke hier¬aan te voldoen binnen de 15 dagen (beter een maand) na de betekening van het te wijzen vonnis, verzoekster te machtigen de verweerder aldaar uit te drijven, door tussenkomst van de eerste daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder, zonodig met behulp van de openbare macht;
de verzoekster tevens te machtigen het domicilie van de op te roepen partij op voormeld adres te laten schrappen;
gelet op de aard van de vordering dienen de bepalingen van artikel 1344ter § 3 Ger.W. te worden gerespecteerd, namelijk:
"Wanneer de vordering aanhangig wordt gemaakt bij verzoekschrift of bij vrijwillige verschijning, zendt de griffier, behoudens verzet van de huurder zoals bepaald in § 4, na een termijn van vier dagen na de inschrijving op de algemene rol van de vordering tot uithuiszetting, via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen bij gewone brief, een afschrift van het verzoekschrift naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de verblijfplaats van de huurder."
Artikel 1344ter § 4 Ger. W. stipuleert:
"De huurder kan in het proces-verbaal van vrijwillig verschijning of bij de griffie binnen een termijn van twee dagen na de oproeping bij gerechtsbrief, of bij de gerechtsdeurwaarder binnen een termijn van twee dagen na de betekening, zijn verzet kenbaar maken tegen de mededeling aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van het afschrift van de inleidende akte. Het verzoek¬schrift of de dagvaarding vermeldt de tekst van het vorig lid."
te zeggen voor recht dat de verzoekster gerechtigd is in de rechten betreffende de huurwaarborg betaald voor het pand, zonder tussenkomst van de op te roepen partij;
de verzoekster akte te verlenen van het verzoek tot voorbehoud voor alle overige rechten;
het vonnis uitvoer te verklaren bij voorraad, gezien het instellen van een rechtsmiddel onherstelbare schade zou toebrengen aan verzoekster door de vertraging die ermee gepaard gaat en waarbij de toestand voor verzoekster momenteel onhoudbaar is <<<verdere motivering mbt de uitvoerbaarheid bij voorraad>>>
de op te roepen partij te veroordelen tot de kosten van het geding, die althans wat betreft deze aan de zijde van de verzoekster gevallen op heden belopen:
- rechtsplegingsvergoeding :
- rolrecht:

Aangehecht stuk: attest van woonst van de op te roepen partij
Eventueel aanvullende stavingsstukken.

Binnen welke termijn kan de uitdrijving worden gevorderd?
Zulk een uitzetting kan niet zomaar van de ene dag op de andere geschieden; alle omstandigheden in acht genomen moet een redelijke termijn om de woning te verlaten worden toegestaan.

Als redelijke termijn om te verhuizen dient een termijn van 1 maand in acht genomen worden.
Uitvoerbaarheid bij voorraad (niet vergeten)

Wanneer de eisende partij vergeet in haar verzoekschrift de uitvoerbaarheid bij voorraad te vragen, kan de vrederechter deze ook niet toestaan. Zelfs wanneer deze gevraagd wordt zal deze dienen gemotiveerd dienen te worden en kan de vrederechter deze uitvoerbaarheid weigeren. Indien een vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard, betekent dit dat er geen uitdrijving kan gebeuren zolang er geen uitspraak gedaan is over het gebeurlijk beroep of verzet (in geval van verstekvonnis) dat de tegenpartij kan instellen binnen de maand na de betekening van het vonnis. Hierdoor zou de zaak wel eens lang kunnen aanslepen...

En wat als de partij die de oproeping laat uitsturen deze verbergt aan de op te roepen partij?
Feitelijk samenwonenden die in onmin leven en de samenleving willen beëindigen leven ipso facto nog samen, waardoor de kans bestaat dat de verzoeker tracht de oproeping voor de vrederechter aan de andere partij verborgen te houden om aldus een veroordeling bij verstek te bekomen.
Indien de op te roepene hiervan kennis krijgt na de zitting maar voor het vonnis, kan hij een verzoek tot heropening van de debatten neerleggen. Dit zal wellicht worden afgewezen, gezien een versteklatende partij een dergelijk verzoek theoretisch gezien niet kan neerleggen, maar zorgt er toch voor dat de Vrederechter aldus op impliciete wijze kennis krijgt van de argumentatie van de op te te roepen persoon.



Rechtspraak:



VREDEGERECHT
van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem zetel OUDENAARDE
Rolnummer : 05A813
02-02-2006

VONNIS
INZAKE :L.B. c/ P.K. (verschijnt niet verwerende partij)
werd de eisende partij ter openbare terechtzitting van 5 januari tweeduizend en zes aanhoord waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op de terechtzitting van 2 februari tweeduizend en zes { art.770 Ger.W. ).
1) De vordering :
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 20 december 2005 in toepassing van art. 1344 bis Ger. W. vordert de eisende partij:

de veroordeling van de verwerende partij om het goed gelegen te Zwalm …, ter vrije beschikking te stelen van de eisende partij en bij gebreke hieraan te voldoen binnen de 24 uren na de betekening van het te wijzen vonnis, de eisende partij te machtigen de verwerende partij aldaar uit te drijven, door tussenkomst van de eerste daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder, zonodig met behulp van de openbare macht;

- de machtiging het domicilie van de verwerende partij
op voormeld adres te laten schrappen;

- te horen zeggen voor recht dat zij gerechtigd is in de
rechten betreffende de huurwaarborg betaald voor het
pand, zonder tussenkomst van de verwerende partij;

- akte te verlenen van het verzoek tot voorbehoud voor
alle overige rechten;

- de veroordeling van de verwerende partij tot de kosten
van het geding.

De eisende partij verwijst naar het feit dat sedert begin 2005 er zich ernstige moeilijkheden voordoen in de relatie met de verwerende partij. Er worden een aantal data opgegeven waarop aan de eisende partij slagen en verwondingen werden toegebracht door de verwerende partij, waarvoor klacht werd neergelegd.

De eisende partij stelt dat de medehuur van de woonst gelegen te 9630 Zwalm, <<<.>>> met de verwerende partij de onderlinge verbintenis impliceert om elkaar het rustig genot te respecteren.

De eisende partij is van oordeel dat de verwerende partij daarop diverse inbreuken heeft begaan en deze feiten verrechtvaardigen volgens haar de uitdrijving van de verwerende partij via gerechtelijke weg.

Een oproeping in verzoening op 20.12.2005 waarop beide partijen aanwezig waren, leverde geen minnelijke regeling op.

Op de zitting van 5.1.2006 was de verwerende partij versteklatend. De eisende partij vorderde verstekvonnis, hetgeen kan worden toegestaan.

Bij verzoekschrift in toepassing van art. 773 Ger. W. vordert de verwerende partij de heropening debatten en beroept zich op het feit dat hij slechts zeer recentelijk kennis kreeg van de procedure en de procedurestukken en er tevens een nieuw feit is, nl. de optie verhuur van een studio vanaf 1.3.2006.

2) Bespreking

2.1 Inzake het verzoek tot heropening van de debatten
Het gedane verzoek van de verwerende partij tot heropening van de debatten dient te worden afgewezen, nu enkel een verschijnende partij gedurende het beraad en zolang het vonnis niet is uitgesproken de heropening van de debatten kan vragen bij ontdekking van een nieuw feit of nieuw stuk van overwegend belang.

De verwerende partij was versteklatend, zodat het verzoek als onontvankelijk dient te worden beschouwd.

2.2 Het maken van verstek van verweerder impliceert een uitdrukking van een betwisting, wijl de rechter de middelen dient te onderzoeken, welke de verwerende partij had kunnen laten gelden, zelfs indien deze niet van openbare orde of dwingend recht zijn (Fettweis, Manuel, nr. 11).

Het moet als een grondbeginsel aanvaard worden dat de rechtsonderhorige het recht heeft te vertrouwen op de nauwgezette ambtsvervulling vanwege de rechtsmachten.

De rechter die bij verstek van de gedaagde een zaak behandelt, dient uitspraak te doen op grond van de gegevens die aan zijn oordeel zijn onderworpen en kan of mag niet zonder meer de vordering inwilligen zonder de gegrondheid ervan na te gaan (o.a. Cass., 23.6.1995, Arr. Cass., 1995, 659).
2.3 Art. 215, §2 en art. 1477 §2 B.W. die een wettelijk onverdeeld huurrecht instellen in hoofde van beide echtgenoten resp. in hoofde van de beide wettelijk
samenwonenden, kunnen niet analogisch worden toegepast op feitelijk samenwonenden. Daar waar in de hypothese dat bij het ontstaan van een concubinaatsrelatie of nadien één der partners intrekt bij de andere partner die een woning huurt, is het zo dat degene die de huurovereenkomst niet heeft ondertekend, niet als medehuurder kan worden beschouwd.

In casu, stellen Wij vast dat de huurovereenkomst van 19.4.2000 door beide feitelijk samenlevenden werd ondertekend. Dit impliceert dat er een contractuele medehuur is van beide partners, op basis waarvan elke partner over een onderscheiden en persoonlijk recht op de bezetting en het genot van het gehele goed samen met zijn medehuurder bezit.

In geval van onenigheid tussen de feitelijk samenwonenden laat de contractuele medehuur niet toe dat de ene partner de definitieve uitdrijving van de andere uit de woonst kan vorderen.

Niettemin kan worden aangenomen dat er tussen feitelijk samenlevende partners een stilzwijgend akkoord bestaat om elkaar het rustige genot te verschaffen van de woonst. Uit de voorliggende stukken blijkt alvast dat de verwerende partij dit rustig genot verstoort, zodat deze niet-naleving gesanctioneerd kan worden met uitdrijving.

De voorliggende stukken tonen op voldoende wijze aan dat de verstandhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat samenleven niet langer houdbaar is en zulks eveneens de aantasting inhoudt van het rustig genot in hoofde van de eisende partij.

Op de vordering van de eisende partij kan worden ingegaan met dien verstande dat de ontruiming zou gebeuren binnen de 24 uur na betekening van huidig vonnis. Zulk een uitzetting kan niet zomaar van de ene dag op de andere geschieden; alle omstandigheden in acht genomen moet een redelijke termijn om de woning te verlaten worden toegestaan.

Nu in het inleidend verzoekschrift de voorlopige uitvoerbaarheid niet werd gevorderd en onderhavige beslissing niet van rechtswege uitvoerbaar is, kan het vonnis niet uitvoerbaar worden verklaard bij voorraad op gevaar af te statueren ultra petita.

OM DEZE REDENEN Wij, Vrederechter
Met inachtneming van de artikelen 2 , 3, 34 , 36 , 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken.

Rechtdoende bij verstek.
Verklaart de vordering ontvankelijk en in de hiernabepaalde mate gegrond.
De verwerende partij, P.K., te veroordelen de woning gelegen' te 9630 Zwalm aan de <<<.>>> te verlaten binnen de maand te rekenen vanaf de betekening van dit vonnis.
Machtigt de eisende partij, zo hieraan niet is voldaan, de verwerende partij te doen uitzetten, zonodig met de hulp van de openbare macht.
De eisende partij te machtigen het domicilie van de verwerende partij op voormeld adres te laten schrappen
Zeggen voor recht dat de eisende partij gerechtigd is in de rechten betreffende de huurwaarborg betaald voor het pand, zonder tussenkomst van de verwerende partij.
Verlenen akte aan de eisende partij van haar verzoek tot voorbehoud van alle overige rechten.
Veroordelen de verwerende partij tot de kosten van het geding.
Begroten de kosten van het geding als volgt:
- aan de zijde van de eisende partij op 35 EUR
rolrecht + 178,48 EUR rechtsplegingsvergoeding +
6,50 EUR attest van woonst.
- aan de zijde van de verwerende partij op nul EUR.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag twee februari tweeduizend en zes door Dirk De Groote, vrederechter van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem, zetel Oudenaarde , bijgestaan door Filip Baguet, e.a.adjunct-griffier.

•• Vred. Charleroi (2) 3 maart 2003, J.T. 2004, afl. 6125, 101.

Zelfs al is het ongehuwd samenwonen thans niet langer strijdig met de openbare orde, toch moet worden vastgesteld dat de 'acteurs' ervan elk het risico dragen dat inherent is aan de onzekerheid van hun staat. Zo bezit een samenwonende partner geen erfenisrechten op de nalatenschap van de andere.
Wanneer de levensgezellen niet de minste concrete maatregel hebben genomen om het recht op de voortzetting van een normaal bestaan door de andere te garanderen ingeval een van hen komt te overlijden (geen aankoop met beding van tontine of van verhoging van het vruchtgebruik, geen levenslang huurcontract, geen samenlevingscontract), kan het bestaan van een natuurlijke verplichting die wordt omgezet in een burgerlijke verplichting niet in aanmerking worden genomen.

Het rechtsmisbruik van de wettige erfgenaam die de onmiddellijke uitzetting van de langstlevende samenwonende partner en de betaling van een bezettingsvergoeding nastreeft, wordt afdoende bestraft door de billijke vermindering van zijn aanspraken.
 

• • Vred. oudenaarde-Kruishoutem (zetel oudenaarde)
7 juni 2007, RABG 2009/7, 163

.
Samenvatting

Het concubinaat houdt niet in dat de samenwonenden hun bezittingen onverdeeld maken of in een gemeenschap brengen. Op elk ogenblik van de samenwoonst en natuurlijk ook bij het einde van de samenwoonst hebben de (ex)-samenwonenden het recht op elk ogenblik, de goederen terug te nemen waarvan zij het exclusieve eigendomsrecht kunnen bewijzen.

Hierbij kunnen samenwonenden zich echter niet beroepen op het in artikel 2279, eerste lid B.W. bedoelde vermoeden dat het bezit geldt als eigendomstitel, nu het bezit van de goederen, gelet op de samenleving, ondeugdelijk want dubbelzinnig is.

Verder maakt het loutere feit dat de facturatie of de betaling op naam staat van een van beide samenwonenden geen doorslaggevend bewijs uit, zeker niet wanneer de feitelijke omstandigheden tegenstrijdig lijken. Voor die goederen waarvan het exclusieve eigendomsrecht, niet kan worden bewezen dient besloten tot een gemeenrechtelijke onverdeeldheid volgens de regels van art. 577-2 B.W..

De vordering tot vereffening-verdeling in toepassing van artikel 815, eerste lid Ger. W. behoort niet onder de bevoegdheid van de vrederechter maar onder die van de rechtbank van eerste aanleg.


Tekst van het vonnis

Het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stavingsstuken werden ingezien.

1. De vordering

Het volstaat dienaangaande te verwijzen naar het tussenvonnis d.d. 15 februari 2007 alwaar de vorderingen van de gedingvoerende partijen op uitvoerige wijze werden omschreven.

Bij tussenvonnis d.d. 15 februari 2007 werd de persoonlijke verschijning bevolen van de gedingvoerende partijen en diende de verwerende partij de rekeningafschriften van haar rekeningnummer over te leggen voor de jaren 2004, 2005 en 2006. op 20 maart 2007 greep de persoonlijke verschijning plaats. op de zitting van 10 mei 2007 werden de bundels neergelegd en de zaak in beraad genomen.

2. Bespreking

2.1. Inzake de exceptie van onbevoegdheid ratione materia

Daarover werd reeds gestatueerd in het tusenvonnis d.d. 15 februari 2007.

2.2. Inzake de gegrondheid van de vordering

De eisende partij vordert de veroordeling van de verwerende partij om de hierna volgende roerende goederen af te geven onder verbeurte van een dwangsom van 12 EUR per dag vertraging vanaf de achtste werkdag na betekening van het tussen te komen vonnis: een kleuren-tv Philips, een Stein dvd homecinema en een salon Zermatt. De verwerende partij betwist de gestelde vordering en stelt dat zij enkel en alleen het exclusief eigendomsrecht heeft over voormelde roerende goederen.

2.2.1. De voorliggende betwisting is een schoolvoorbeeld van een veel voorkomende problematiek, nl. wanneer twee concubanten een einde stellen aan hun feitelijke samenwoning en daaromtrent niets contractueel is geregeld en beide partijen het exclusief eigendomsrecht claimen.

Bij gebrek aan andersluidende overeenkomst wordt de (vermogensrechtelijke) verhouding tussen concubanten immers beheerst door het gemeen recht en heeft deze zeker niet dezelfde gevolgen als het huwelijk, zodat de regelen van het huwelijksgoederenrecht niet van toepassing zijn.

Het staat vast en wordt niet betwist door de gedingvoerende partijen dat zij aanvankelijk hebben samengewoond bij de ouders van de eisende partij en later beiden zijn ingetrokken in een appartement, waar de verwerende partij op heden nog steeds verblijft. Dit samenwonen gaat dikwijls gepaard met een vermenging van de goederen en gezamenlijk bezit, zodat in de rechtsleer wordt aanvaard dat er een onverdeeld mede-eigendomsrecht tussen concubanten bestaat, beheerst door artikel 577-2 B.W. als geen van beiden zijn exclusieve eigendom kan bewijzen (zie J. Gerlo, Handboek voor familierecht, I, Personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2003, 273, nr. 680).

Anderzijds dient opgemerkt te worden dat het samenleven op zich geen vermoeden doet ontstaan van onverdeeldheid of gemeenschap tussen de partners. M.a.w., het betekent geenszins ipso facto dat de partijen de bedoeling hadden om persoonlijke goederen gemeen te maken of alles in gemeenschap te brengen.

Iedere partner heeft recht om bij het einde van het concubinaat zijn eigen goederen terug te vorderen, voor zover het exclusief eigendomsrecht wordt bewezen.

2.2.2. Inzake de kleuren-tv Philips en Stein dvd homecinema.

De facturen van beide toestellen spreken op naam van de heer Guy D., zijnde de vader van de eisende partij. De geding- voerende partijen zijn het erover eens dat dit te wijten is aan het feit dat gebruik werd gemaakt van de Makro-kaart van de vader van de eisende partij (zie proces-verbaal persoonlijke verschijning).

De eisende partij verklaarde tijdens de persoonlijke verschijning dat de betaling is gebeurd met geld dat hij had meegekregen van zijn vader en dat deze toestellen door hem persoonlijk in de Makro werden gekocht.

De verwerende partij verklaarde echter dat zij deze toestellen is gaan kopen in de Makro en de eisende partij haar heeft gevoerd. De versies zijn op dat vlak volkomen tegenstrijdig. Komt daarbij dat de verwerende partij verklaarde dat op dat ogenblik de relatie reeds was beëindigd, doch zij nog steeds als vrienden met mekaar omgingen (de aankoop dateert van 22 juni 2006).

Het komt zeer ongeloofwaardig over dat na de beëindiging van een feitelijke relatie nog aankopen zouden gebeurd zijn door middel van de klantenkaart van de vader van haar ex-partner die zij voordien de deur had gewezen.

De eisende partij betwist formeel het tijdstip van de beëindiging van de samenwoning, nu in het dagvaardingsexploot duidelijk wordt gezegd dat eind juni 2006 de relatie een einde had genomen, dus na de aankoop van de toestellen.

De verwerende partij stelt verder dat zij deze toestellen contant heeft betaald, doch daarvan wordt geen enkel bewijs geleverd. Zo beweert de verwerende partij wel dat zij enkele dagen voordien het geld heeft afgehaald van haar rekening, doch nazicht van de overgelegde
rekeningafschriften leert ons dat nergens in deze periode een afhaling is vast te stellen van 291,50 EUR en 101,60 EUR.

De afhaling op 16 juni 2006 van 190 EUR is geenszins als een sluitend bewijs te aanvaarden, nu vooreerst het betaald bedrag op 22 juni 2006 aanzienlijk hoger ligt en vervolgens dient opgemerkt te worden dat de verwerende partij regelmatig gelden ging afhalen van haar rekening.

De verwerende partij kan evenmin worden gevolgd waar zij zich beroept op het bezit van de toestellen teneinde het exclusief eigendomsrecht te bewijzen, nu men slechts van een bezit kan spreken in toepassing van artikel 2279 B.W. voor zover aan de voorwaarden is voldaan.

Feitelijk samenwonenden kunnen zich niet beroepen op het bezit van een goed om hun eigendomsaanspraken te bewijzen (art. 2279, lid 1 B.W.) nu in een feitelijke samenlevingsrelatie het bezit van de goederen die gezamenlijk worden gebruikt, noodzakelijk ondeugdelijk want dubbelzinnig is (zie ook Gent 9 april 1990, R.W. 1991-92, 1434).

Wij zijn van oordeel dat in geval van feitelijke samenwoning en bij gebreke aan bestaan van enige overeenkomst houdende de toebedeling van de roerende goederen enerzijds, en het feit dat reeds op 17 juli 2006 (kort na de feitelijke scheiding) een ingebrekestelling werd gericht aan de verwerende partij, die daarop nooit reageerde anderzijds, de verwerende partij zich niet kan beroepen op artikel 2279 B.W. Dat bovendien de facturen niet op naam staan van de verwerende partij.

Rekening houdend met deze bovenvermelde gegevens kan niet worden gesproken over een deugdelijk bezit in de zin van artikel 2279 B.W. noch over een bezit te goeder trouw. Nu de eisende partij wel slaagt in de opheffing van het vermoeden van artikel 2279 B.W., ontslaat dit de eisende partij niet van de plicht om zijn eigendomsrecht of eigendomstitel te bewijzen (zie Cass. 25 oktober 1991, Pas. 1992, I, 155).

De eisende partij stelt echter dat deze toestellen hem exclusief toehoren, omdat deze aan hem zijn geschonken door zijn vader.

De beweerde schenking waarover de eisende partij spreekt, kan moeilijk worden gevolgd nu uit stuk 3 van de eisende partij blijkt dat de vader deze toestellen heeft aangekocht op 22 juni 2006 en deze dan geschonken heeft aan zijn zoon Björn.

Gelet op de duidelijke tegenstrijdigheid tussen de verklaring van de eisende partij (zie proces-verbaal van persoonlijke verschijning), waarin hem zogezegd geld zou zijn geschonken waarmee de bewuste toestellen werden gekocht (schenking van geld), en de verklaring van de vader van de eisende partij, waarin de toestellen door de vader werden aangekocht en naderhand weggeschonken zouden zijn (schenking van de toestellen zelf), stellen wij vast dat noch de eisende partij noch de verwerende partij het exclusief eigendomsrecht bewijst over het televisietoestel Philips en de Stein dvd homecinema.

De vordering van de eisende partij is derhalve ongegrond alsmede de tegenvordering van de verwerende partij in ondergeschikte orde.

2.2.3. Inzake de salon Zermatt.

De eisende partij verklaarde nogmaals ter gelegenheid van de persoonlijke verschijning dat deze salon samen met de verwerende partij werd aangekocht. Het voorschot (79 EUR) werd cash betaald door de eisende partij, terwijl het saldo werd betaald d.m.v. de bankkaart van de verwerende partij (610 EUR).

De verwerende partij bevestigt dat zij samen zijn geweest naar Weba, doch pas later een bestelling werd geplaatst door de eisende partij. Het is deze laatste die via de bankkaart van de verwerende partij het saldo heeft betaald.

De verwerende partij is echter van oordeel dat de salon haar exclusief toebehoort omdat zij integraal heeft ingestaan voor de betaling van de salon. Zo beweert de verwerende partij dat ook het voorschot van 79 EUR betaald werd door gelden die van haar afkomstig waren. De verwerende partij beweert dat zij 100 EUR heeft meegegeven aan de eisende partij en dat deze bij zijn thuiskomst het saldo heeft teruggegeven.

De verwerende partij bewijst deze stelling niet, nu vooreerst uit de rekeningafschriften nergens blijkt dat een afhaling is gebeurd van 100 EUR omstreeks de periode van 12 april 2006 (datum kasticket - datum bestelling).

Uit de voorgelegde afhaalbon (stuk 4 - verwerende partij) blijkt wel dat het bedrag van 610 EUR (saldoprijs voor salon) werd betaald via de bankkaart verbonden aan de rekening van de verwerende partij.

De vraag stelt zich of de oorsprong van de financiële middelen determinerend is om de aanspraken inzake het eigendomsrecht m.b.t. bepaalde roerende goederen te beslechten .

Er dient ter zake te worden opgemerkt dat, wat dit betreft, zich twee strekkingen hebben ontwikkeld in de rechtspraak en rechtsleer. ofwel dient de strekking van de rechtspraak te worden gevolgd die van mening is dat de oorsprong van de financiële middelen om een bepaald roerend goed te verwerven helemaal niet kan ingaan tegen op naam gestelde documenten van verkrijging, hetgeen betekent dat de herkomst van de gelden geen zakenrechtelijke aanspraken kan teweegbrengen, maar enkel in voorkomend geval wel obligatoire gevolgen (zie hierover P. Senaeve, Compendium van het personen- en familierecht, 2004, nr. 2107).

Wel kan de partner die eigenaar is van het goed dat hij geheel of gedeeltelijk gekocht heeft met penningen van de andere, terugbetaling verschuldigd zijn aan hem. Alles hangt uiteraard af van de basis waarop die gelden door de ene aan de andere ter beschikking werden gesteld (lening, schenking, verrijking zonder oorzaak?) (zie Rb. Tongeren 13 februari 1997, E.J. 1998, 142).
Ofwel wordt, in navolging van een aangroeiend gedeelte van de rechtspraak en rechtsleer, afstand genomen van deze tweedeling tussen het zakenrechtelijk en het obligatoir aspect, waarbij dan wordt aangenomen dat de financierende partner in de concubinaatsverhouding, wiens naam nochtans niet op de aankoopfactuur en andere relevante documenten voorkomt, ten overstaan van de andere partner toch over een zakenrechtelijke vordering op de desbetreffende goederen zelf beschikt in plaats van over louter obligatoire rechten. In deze laatste stelling betekent zulks niet dat het exclusief eigendomsrecht, tegen alle relevante andersluidende gegevens en documenten in, steeds moet worden erkend van degene die met eigen penningen de kwestieuze goederen volledig heeft betaald.

Het komt de feitenrechter immers nog steeds toe om, gelet op de concrete omstandigheden van het geschil, op soevereine wijze de bewijswaarde van de aangebrachte wijzigingen te beoordelen, en om hierbij de elementen die neigen naar het exclusief eigendomsrecht van de een of de andere partner af te wegen tegen andere gegevens die strekken naar mede-eigendom.

In casu blijkt uit de verklaringen van de gedingvoerende partijen dat zij in ieder geval “samen” iets hebben gedaan betreffende de aankoop van de salon.

De eisende partij verklaarde in conclusies als tijdens de persoonlijke verschijning expliciet de salon samen te hebben aangekocht, terwijl de verwerende partij tijdens de persoonlijke verschijning bevestigde dat zij samen zijn geweest naar Weba, doch pas later zijn overgegaan tot de bestelling.

Zij voegt eraan toe dat de koop-verkoopovereenkomst enkel op naam van de eisende partij is komen te staan, daar hij alleen deze salon is gaan bestellen omdat zij die dag moest werken. De verwerende partij gaf wel haar bankkaart mee voor de betaling.

Uit de verklaringen van de gedingvoerende partijen blijkt dat zij nog samen waren op het ogenblik dat daadwerkelijk werd overgegaan tot het afsluiten van
de koop-verkoopovereenkomst. Dat het dan ook volkomen logisch is en aanvaardbaar dat de verwerende partij haar bankkaart meegaf aan de eisende partij wanneer deze de salon ging afhalen en er ook niet op stond dat zijzelf aanwezig was bij de bestelling zelf.

Dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verwerende partij op geen enkel ogenblik heeft geprotesteerd dat alle documenten betreffende de salon uitsluitend op naam stonden van de eisende partij. Het feit dat er geen enkel spoor is terug te vinden van gelden afkomstig van de eisende partij op de rekening van de verwerende partij, sluit geenszins uit dat partijen daadwerkelijk de bedoeling hadden om deze salon gezamenlijk aan te kopen. Partijen waren samen op dat ogenblik en niets wijst erop dat de verwerende partij daadwerkelijk deze salon exclusief wou aankopen. De salon werd trouwens geleverd op het adres waar de gedingvoerende partijen samen verbleven en diende tot beider gebruik.

Uit de verklaring van de verwerende partij blijkt al evenmin dat zij een probleem had met het feit dat de eisende partij deze salon alleen ging bestellen, noch bewijst zij dat de eisende partij dit zou hebben gedaan voor haar rekening. In dat laatste geval hadden de facturen op naam moeten staan van de verwerende partij en is het zeer verwonderlijk dat – alle originele documenten waren in haar bezit – zij daaromtrent nooit enig protest heeft geformuleerd.

Uit de conclusies blijkt ook dat de gedingvoerende partijen anderhalf jaar hebben ingewoond bij de ouders van de eisende partijen, waarna, begin mei 2006, zij samen introkken op een appartement te oudenaarde, ... Er ligt geen enkel bewijs voor dat met gescheiden rekeningen werd gewerkt, noch werd een samenlevingsovereenkomst opgemaakt. Integendeel, in de conclusies van de verwerende partij wordt erkend dat beiden wel eens iets kochten (hetzij gezamenlijk, hetzij afzonderlijk).

Uit de persoonlijke verschijning is gebleken dat de salon samen werd aangekocht (voorafgaandelijk werd samen naar Weba gegaan), nu de bankkaart werd meegegeven louter en alleen met het oog op betaling (zie verklaring van de verwerende partij) doch niet met de bedoeling om exclusief en voor haar alleen de salon aan te kopen.

Trouwens, het feit dat de ene partner middelen heeft aangewend van de andere partner kan meerdere grondslagen hebben, zoals bv. een schenking, lening, gebruik van huishoudelijke gelden e.d.ook wanneer derhalve aanvaard wordt dat de verwerende partij na de beëindiging van de concubinaatsverhouding tussen partijen, over een zakenrechtelijke vordering met betrekking tot dit roerend goed beschikte, moet bij de afweging van de verschillende eigendomsaanwijzende factoren geoordeeld worden dat de salon geacht moet worden in onverdeeld mede-eigendomsrecht te zijn tussen de gedingvoerende partijen.

2.2.4. Nu op grond van bovenvermelde overwegingen vaststaat dat noch de eisende partij noch de verwerende partij hun exclusief eigendomsrecht kunnen bewijzen, worden die goederen geacht in onverdeeldheid te zijn tussen hen. Met betrekking tot die goederen kan dan ook geen afgifte worden bevolen doch wel een vereffening-verdeling.

Elk van de concubanten kan op ieder ogenblik de scheiding en deling van de goederen ervan vorderen (art. 815, eerste lid B.W.). De betrokken goederen moeten dan verdeeld worden bij helften, in zoverre dit mogelijk is, dan wel dient de ene partner aan de andere partner een opleg te betalen ten belope van de helft van de waarde ervan. Dit behoort echter niet tot onze bevoegdheid.

2.2.5. Inzake de kost voor de neergelegde rekeninguittreksels.
Bij conclusies neergelegd ter griffie op 17 januari 2007 vorderde de eisende partij de overlegging van de uittreksels van de bankrekening die op naam stond van de verwerende partij in het kader van de bewijsvoering.

De verwerende partij heeft deze rekeningafschriften overgelegd, doch diende daarvoor een bedrag van 326,88 EUR te betalen.
De rekeningafschriften werden door beide gedingvoerende partijen aangewend ter ondersteuning van hun stelling en waren ook voor ons verhelderend teneinde de gestelde vorderingen te kunnen beoordelen. In die gegeven omstandigheden zijn wij van oordeel dat deze kosten bij helften dienen te worden verdeeld. Deze kosten dienen wel als een gerechtskost te worden beschouwd.

2.2.6. Inzake de gerechtskosten.
In toepassing van artikel 1017 Ger. W. wordt bij ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt, en de kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt.
Dat een partij die niet omtrent enig geschilpunt in het ongelijk werd gesteld, krachtens artikel 1017 Ger. W. niet tot een gedeelte van de kosten kan veroordeeld worden (Cass. 26 september 1983, Pas. 1984, I, 72).
Dat anderzijds een partij die op een rechtsvordering slechts gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, in de regel, niet in alle kosten mag worden veroordeeld (Cass. 25 juni 1992, R.W. 1993-94, 164).
Dat het aangewezen is om, gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk, de kosten van het geding tussen partijen te verdelen zoals hierna bepaald.

OM DEZE REDENEN, Wij, Vrederechter,
Met inachtneming van de artikelen 2, 3, 30, 34, 36, 37 en 41 van de wet van

15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken.
Rechtdoende op tegenspraak.
Verklaart de hoofd- en tegenvordering ontvankelijk, doch wijst deze beide af als ongegrond.
Veroordeelt de eisende partij als de verwerende partij elk tot de helft van de kosten van het geding.
Begroot de kosten van het geding als volgt:
- aan de zijde van de eisende partij op 35 EUR dagvaarding en rolrecht +
182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding + 60,73 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding;
- aan de zijde van de verwerende partij op 182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding + 60,73 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding + 326,88 EUR kosten rekeningafschriften.
Laat de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toe, zonder borgstelling.


Wanneer het standpunt wordt verdedigd dat feitelijk samenwonende partners zich niet kunnen beroepen op de bepalingen inzake dringende en voorlopige maatregelen voor wettelijke samenwonende partners (artikel 1479 BW) en echtgenoten (artikelen 221-223 BW) is zulks volgens het Grondwettelijk Hof niet strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Artikel 1479, derde lid BW belet niet dat feitelijke samenwonende partners toegang zouden hebben tot de rechter.
De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg heeft op grond van artikel 584, eerste lid Ger.W. in de gevallen die hij spoedeisend acht de bevoegdheid om bij voorraad uitspraak te doen in alle zaken.

Hij kan op grond van deze bepaling dringende 74 Zie o.m. EHRM, Marckx v. Belgium, 1979; EHRM, Johnston and others v. Ireland, 1986; EHRM, X., Y. and Z. v. United Kingdom, 1997. 75 Arbitragehof 24 maart 2004, nr. 54/2004, NJW 2004, 594-595, noot I. VERVOORT; T.Not. 2006, 135; Rev.trim.dr.fam. 2004, 713. 27 maatregelen bevelen voor feitelijk samenwonende partners na de beëindiging van de samenwoning wanneer er sprake is van hoogdringendheid.

Het Hof van Beroep te Brussel diende te oordelen in een zaak waarin de vrouw de gezinswoning was ontvlucht en de man weigerde haar de goederen terug te geven. In dit geval stelde hetn hof een sekwester aan met als opdracht de goederen in bezit te nemen en te overhandigen aan de vrouw.

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg is bevoegd de uithuiszetting van één van de feitelijk samenlevende partners bevelen.
De rechtbank van eerste aanleg in Brussel in kortgeding diende te oordelen over een verspilzuchtige man, die daar bovenop nog een zelfmoordpoging ondernam

De vrouw verhuisde de vrouw met de gemeenschappelijke kinderen tijdelijk naar Spanje.
Maar toen ze terugkeerde was de man niet gekalmeerd, doch bleek dat samenleven met hem onmogelijk was geworden.


De voorzitter oordeelde dat er sprake was van hoogdringendheid en beval de man de woning te verlaten. De vrouw werd het recht verleend om alleen in de gezamenlijke woning te verblijven, weliswaar tegen het betalen van een vergoeding

De voorzitter kan ook maatregelen bevelen met betrekking tot de gezinswoning van de feitelijk samenwonende partners, tot zelfs een voorlopige uithuiszetting van één van de partners bevelen.. DE vraag stelt zich of de Voorzitter hier oordeelt ten gronde op basis van zijn algemene beoegdheid, dan wel in afwachting van de behandeling ten gronde, terwijl de vredererechter bij gehuwden een uithuiszetting ten gronde beveelt.


Principieel is de voorzitter ook slechts bevoegd in spoedeisende gevallen die er niet is wanneer de situatie (zoals meestal reeds maanden aansleept).


Indien de huur slechts door één van de feitelijk samenwonenden werd aangegaan kan de andere worden buitengezet, desnoods middels een vordering wegens bezetting zonder recht noch titel.


Bronverwijzingen:

Feitelijk Samenwonenden vrederechter onbevoegd”, Juristenkrant 2002, afl. 43, 16; K. VERSTRAETE, “Beëindiging buitenhuwelijkse samenwoning”, zie supra noot 35, 570, nr. 10. 28
Arbitragehof 23 januari 2002, nr. 24/2002, Div.Act. 2002, 91; Rev.trim.dr.fam. 2002, afl. 4, 710; JLMB 2004, afl. 5, 184. 77 Brussel 4 februari 2005, NJW 2005, 635, noot GV. 78 KG Rb. Brussel 16 september 2004, Div.Act. 2005, 79. 79 KG Rb. Brussel 16 september 2004, Div.Act. 2005, 79. 80 G. VERSCHELDEN, “Dringende en voorlopige maatregelen feitelijk samenwonenden

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 14:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.