-A +A

Samenloop contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Samenloop tussen contractuele en extracontractuele of aquiliaanse aansprakelijkheid

Het belang van de keuze of de samenloop zelve tussen de 2 aansprakelijkheidssystemen heeft belang voor de aard en het bestaan van de tekortkoming, de bekwaamheid, de omvang van de schadevergoeding en de verjaringstermijn.

Traditionele visie: Een contractpartij kan wegens een fout die bij de uitvoering van de overeenkomst begaan werd, slechts buitencontractueel aansprakelijk worden gesteld, wanneer de haar ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt die vreemd is aan de contractuele verbintenis, maar die daarentegen een fout uitmaakt aan de algemene zorgvuldigheidsnorm, en wanneer het bovendien die extracontractuele fout is, de enige fout is, (anders dan de slechte uitvoering van de overeenkomst) die de schade heeft veroorzaakt. (Cass. 7/12/73, Cass. 23/05/1997, Cass. 01/06/2001, AJT 2001-2002,358, met noot en Cass. 21/06/2002). korter: fout en schade moeten vreemd zijn aan het contract.

Recente visie: (Cass. 29/09/2006, NJW 153, 946 met noot en RABG 2007/19, 1256) De contractant kan slechts quasi-delictueel aansprakelijk worden gesteld wanneer de hem ten laste gelegde fout een tekotkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsplicht. De fout moet dus niet langer totaal vreemd zijn aan het contract. Zoals voorheen wordt wel nog steeds vereist dat de fout andere dan aan de slechte uitvoering van het contract te wijten schade heeft veroorzaakt. Er is dus een versoepeling mbt het foutcriterium, maar niet mbt de causaliteit. Sommige rechtsleer meent echter dat de versoepeling ook geldt ten aanzien van de causaliteit en verdedigt de stelling dat de buitencontractuele aansprakelijkheid mogelijk is wanneer fout en schade niet louter contractueel zijn. 

Dit cassatiearrest wordt verder ontleed in de bijdrage van Hubert Bocken in NJW 169,722: "Samenloop contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid".

Traditioneel werd gesteld dat een buitencontractuele vordering uitgesloten zodra er een contractuele fout is.

Indien de schade evenwel zowel van contractuele aard als buiten contractuele aard is is er cumul mogelijk tussen de contractuele en buiten contractuele vordering (Stuwadoorsarrest van 7 december 1973).

Door het arrest van 29 september 2006 van het Hof van Cassatie zou een dubbele kwalificatie op het niveau van de fout geen beletsel uitmaken voor een contractuele vordering maar zou dit wel uitgesloten zijn wanneer de schade contractueel is

Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat er schade ontstaat in de zin van artikel 1383 of 1383 Burgerlijk Wetboek behoudens wanneer blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet op het reglement, de te verrichten uitgaven of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegenen die zich ertoe verbonden heeft. Zie Cass. 18 september 2007, NJW 169,749, Cass. 19 februari 2001, A.C. 2001,324 en RW 2001-2002,238 en Cass. 9 januari 2006 NJW 2007.

Een publiekrechtelijk reglement dat de rechtsverhoudingen regelt tussen (bijvoorbeeld een elektriciteitsproducent en de afnemer) verhindert niet dat de afnemer zich beroept op de buiten contractuele aansprakelijkheid van de verdeler, ook al wordt deze buitencontractuele aansprakelijkheid in een reglement uitgesloten. Zie Cass. 27 november 2006, NJW 174 pagina 28 met noot.

De principiële onmogelijkheid voor contractspartijen om zich in het raam van hun contractuele verhouding op de regels van de buiten-contractuele aansprakelijkheid te beroepen vloeit voort uit de onderstelling dat contractspartijen hun contractuele rechtsverhouding en een in dit raam begane wanprestatie, behoudens andersluidend beding, uitsluitend door de regels van de contractuele aansprakelijkheid willen laten beheersen;
deze onderstelling ontbreekt in geval de rechtsverhouding, de verlening van een openbare dienst betreft, derhalve niet van contractuele maar van reglementaire aard is en beheerst wordt door een publiekrechtelijk reglement; behoudens andersluidend beding, sluit een tekortkoming begaan in het raam van dit reglement, buiten-contractuele aansprakelijkheid niet uit (1). (1) Cass., 23 mei 1997, AR C.95.0053.N, nr 236; Cass., 21 juni 2002, AR C.00.0097.N, nr 375.

uittreksel uit de tekst van het arrest:

Beoordeling
Eerste onderdeel
1. De eiseres voert aan dat de appelrechters, die de rechtsverhouding tussen haar en de tweede en derde verweerders kwalificeren als van reglementaire aard, inzonderheid artikel 28 van het Vlaamse Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000 schenden, nu uit deze bepaling voortvloeit dat de Vlaamse decreetgever de rechtsverhouding tussen de elektriciteitsverdeler en haar afnemers kwalificeert als van contractuele aard.
2. Het vermelde Elektriciteitsdecreet was niet in werking op het ogenblik dat het onderhavige schadegeval zich heeft voorgedaan op 19 februari 1997.
3. Het onderdeel dat schending aanvoert van het Vlaams Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000 dat op deze zaak niet van toepassing is en waarvan de appelrechters geen toepassing maken, is in zoverre niet ontvankelijk.
4. In zoverre het onderdeel voorts nog schending aanvoert van de artikelen 1142, 1149, 1152, 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van het Vlaams Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, mitsdien niet ontvankelijk.
Tweede onderdeel
5. De principiële onmogelijkheid voor contractspartijen om zich in het raam van hun contractuele verhouding op de regels van de buiten-contractuele aansprakelijkheid te beroepen vloeit voort uit de onderstelling dat contractspartijen hun contractuele rechtsverhouding en een in dit raam begane wanprestatie, behoudens andersluidend beding, uitsluitend door de regels van de contractuele aansprakelijkheid willen laten beheersen.
6. Deze onderstelling ontbreekt in geval de rechtsverhouding, zoals te dezen, de verlening van een openbare dienst betreft, derhalve niet van contractuele maar van reglementaire aard is en beheerst wordt door een publiekrechtelijk reglement.
7. Behoudens andersluidend beding, sluit een tekortkoming begaan in het raam van dit reglement, buiten-contractuele aansprakelijkheid niet uit.
8. Het onderdeel dat er van uitgaat dat "de vaststelling dat de rechtsverhouding tussen een elektriciteitsverdeler en haar afnemers van reglementaire aard is, geen afbreuk (doet) aan de onmogelijkheid artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek toe te passen", faalt naar recht.
9. In zoverre het onderdeel verder aanvoert dat de appelrechters door anderszins te oordelen ook de verbindende kracht van het "reglement voor de aftakking, de ter beschikkingstelling en de afname van elektriciteit in laagspanning" miskennen en zodoende artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schenden, is het niet ontvankelijk, aangezien deze bepaling niet van toepassing is op een rechtsverhouding die, zoals te dezen, niet van contractuele maar van reglementaire aard is.
Derde onderdeel
10. De appelrechters oordelen dat de eiseres volgens het bedoelde reglement diende in te staan voor een goede en veilige werking van de aftakking en voorts dat het reglement de toepassing van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek niet uitsluit.
Zodoende verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer.
11. Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van 1035,47 euro jegens de eisende partij en op de som van 167,47 euro jegens de verwerende partij sub 1.

• Hof Antwerpen 16 oktober 2006, R.W. 2009-2010, 961

Bij coëxistentie (en niet van samenloop), dient onderzocht te worden of een partij, naast haar eventuele contractuele aansprakelijkheid jegens haar opdrachtgever, daarnaast ook door een derde kan worden aangesproken op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid (art. 1382-1383 B.W.).

Overige rechtspraak:

• rechtbank eerste aanleg turnhout 4 februari 2007 publicatie juridat

De principiële onmogelijkheid voor contractspartijen om zich in het raam van hun contractuele verhouding op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid te beroepen, vloeit voort uit  de onderstelling dat contractspartijen hun contractuele rechtsverhouding en een in dit raam begane  wanprestatie, behoudens andersluidend beding, uitsluitend door de regels van de contractuele  aansprakelijkheid willen laten beheersen (Cass., 27 november 2006, RABG, 2007, 1257).

Daaruit volgt dat het feit dat de fout contractueel is, niet het vorderen op buitencontractuele grondslag belet, maar dat de schade wel andere dan aan de slechte uitvoering van de  overeenkomst te wijten schade moet zijn opdat een buitencontractuele vordering zou kunnen  worden gesteld (Phang, L., “Over de rechtsverhouding tussen elektriciteitsmaatschappijen en hun  afnemers en het samenloopverbod in deze verhouding” (noot onder Cass., 29 september 2006 en Cass., 27 november 2006), RABG, 2007, 1272-1273; Van Oevelen, A., “De samenloop van  contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid: een koerswijziging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie” (noot onder Cass., 29 september 2006), R.W., 2006-07, 1720-1721).

Opdat sprake zou zijn van andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade, mag de schade niet het gevolg zijn van de slechte uitvoering van de overeenkomst en mag de oorzaak van de schade niet te vinden zijn in een contractuele wanprestatie. De fout die de oorzaak van de schade was, mag niet contractueel zijn. Het loutere feit dat sprake is van indirecte schade, doet daaraan geen afbreuk (Bocken, H., “Samenloop contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid. Verfijners, verdwijners en het arrest van het Hof van Cassatie van 29 september
2006”, NjW, 2007, 728-730).

• Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 8e Burgerlijke Kamer – 12 mei 2014, RW 2014-2015, 472

De rechtbank oordeelde hierboven dat er tussen partijen een contractuele relatie bestond, te kwalificeren als een overeenkomst van bruikleen.

Het was tijdens de contractuele relatie tussen partijen dat de schadeverwekkende gebeurtenis voorviel, en de schadelijder (eiser) is de contractpartij van verweerder in de bruikleenovereenkomst.

Gelet op deze elementen zijn de voorwaarden aanwezig opdat er sprake zou kunnen zijn van samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid indien, zoals eiser beweert, verweerder eveneens een aquiliaanse fout beging (B. Dubuisson, “Le concours des responsabilités contractuelle et extracontractuelle, ultime tentative de conciliation” in I. Boone, I. Claeys en L. Lavrysen, Liber Amicorum Hubert Bocken, Brugge, die Keure, 2009, 67).

Traditioneel oordeelde het Hof van Cassatie dat een contractpartij wegens een bij de uitvoering van de overeenkomst begane fout slechts extracontractueel aansprakelijk kan worden gesteld indien de haar ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet aan de contractuele verbintenis, maar aan de algemene zorgvuldigheidsplicht, en wanneer die fout andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade heeft veroorzaakt.

Thans oordeelt het Hof van Cassatie dat een contractpartij wegens een bij de uitvoering van de overeenkomst begane fout alleen extracontractueel (quasi-delictueel) aansprakelijk kan worden gesteld indien de haar ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis, maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsplicht, en indien deze fout andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade heeft veroorzaakt (Cass. 29 september 2006, RW 2006-07, 1717, NJW 2006, 946). De rechter die vaststelt dat er een contractuele band bestaat tussen partijen, mag de vordering niet toekennen op quasi-delictuele grond, zonder de gevolgen van een mogelijke samenloop te onderzoeken (zelfde arrest).

3. De rechtbank herinnert eraan dat het Hof van Cassatie niets afdeed aan de formulering van het tweede vereiste om een buitencontractuele aansprakelijkheid aan te nemen. De rechtbank sluit zich aan bij de zienswijze in de rechtsleer dat, in weerwil van de versoepeling in de formulering van de eerste voorwaarde (een fout die “niet alleen” een tekortkoming uitmaakt aan de contractuele verbintenis, “maar ook” aan de algemene zorgvuldigheidsverplichting, het samenloopverbod overeind blijft indien het tweede element niet aanwezig is, namelijk dat de fout andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade heeft veroorzaakt (A. Van Oevelen, “De samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid: een koerswijziging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie” (noot onder Cass. 29 september 2006), RW 2006-07, 1718; H. Vandenberghe, “Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 2000-2008”, TPR 2011, nr. 261; I. Boone, “Samenloop contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid verfijnd” (noot onder Cass. 29 september 2006), NJW 2006, 946; A. Van Oevelen, “Enkele actuele knelpunten in het verbintenissenrecht”, RW 2011-12, 55, waar de auteur wijst op het cassatiearrest van 27 november 2006 waarin het Hof de principiële onmogelijkheid voor contractpartijen om zich in het raam van hun contractuele verhouding op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid te beroepen, vooropstelt; zie ook: Pol. Gent 15 oktober 2012, RW 2012-13, 1111).

4. De schade die eiser wenst vergoed te zien op basis van verweerders beweerde burgerlijke aansprakelijkheid, namelijk de schade aan zijn voertuig ten gevolge van het ongeval waarin verweerder met het voertuig betrokken was, is dezelfde schade als die welke voortvloeit uit de omstandigheid dat verweerder ten gevolge van het ongeval niet voldoet aan zijn contractuele verplichting als bruiklener het voertuig in dezelfde goede staat terug te geven (tweede hierboven beschreven voorwaarde).

De rechtbank komt tot de conclusie dat de vordering niet op extracontractuele basis kan worden toegekend.

C. Conclusie

1. De conclusie is dat de vordering van eiser een vordering op basis van contractuele aansprakelijkheid is.

Verweerder had een contractuele restitutieplicht. Aan die restitutieplicht voldeed hij niet. Hij gaf het voertuig niet in behoorlijke staat terug. Zijn contractuele aansprakelijkheid staat vast, zonder dat eiser zijn fout of verantwoordelijkheid voor het ongeval als zodanig moet bewijzen.

Net als in de overeenkomst van bewaargeving is ook in de bruikleen de verplichting tot bewaring een inspanningsverbintenis, maar is de verplichting tot teruggave (restitutieplicht) een resultaatsverbintenis; het is aan de lener (verweerder) om te bewijzen dat de schade aan het in bruikleen gegeven voertuig niet te wijten is aan zijn fout (B. Tilleman, Beginselen van Belgisch Privaatrecht, X, Overeenkomsten, Deel 2, Bijzondere overeenkomsten, C, Bruikleen, bewaargeving en sekwester, Antwerpen, Story-Scientia, 2000, nr. 1166).

Dat bewijs levert verweerder niet. Verweerder bewijst evenmin toeval of overmacht als ongevalsoorzaak, zodat ook in dat opzicht aan zijn (contractuele) aansprakelijkheid geen afbreuk wordt gedaan (Brussel 6 januari 1981, RW 1981-82, 1492). Toeval of overmacht is immers de plotse gebeurtenis die zich zo onverhoeds voordoet dat zij ontsnapt aan de menselijke wil. Verweerder beperkt zich ertoe lukraak van toeval of overmacht gewag te maken, maar geeft geen enkel element aan waarop dat zou kunnen gebaseerd zijn.

2. En al evenmin preciseert en/of bewijst verweerder een concrete fout van eiser die mee bepalend zou geweest zijn voor het ontstaan van de schade....

 

Rechtsleer: 

• Overzicht rechtspraak Samenloop en Co-existentie. Contractuele en Delictuele Aansprakelijkheid TPR 2011-2, 349

• Quasi-delictuele aansprakelijkheid en overeenkomsten, Herbots J.H., TPR 1980, 1055 te raadplegen via deze link op TPR online open acces

• Samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Pels Rycken L.D, TPR 1980, 1101, .te raadplegen via deze link op TPR online open acces

Nog dit: 

Politierechtbank te Gent, 8e Burgerlijke Kamer – 15 oktober 2012, RW 2012-2013, 1111

M.B. t/ NV A.I. en NV A.C.I.

...

Voorwerp van het geding

De vordering wordt thans alleen verdergezet tegen de vrijwillig tussenkomende partij.

Uit het tussenvonnis blijkt dat eiser de veroordeling vraagt van die partij als aansprakelijkheidsverzekeraar van de NV I., tot een schadevergoeding van 1.612,39 euro, vermeerderd met de interest.

Eiser zet in de dagvaarding uiteen dat zijn voertuig op 8 januari 2009 schade leed in de ondergrondse parking aan het Zuid te Gent, die door verweersters verzekerde wordt uitgebaat. Meer bepaald geven borden een vrije hoogte in de parking van 2 meter aan, maar voert eiser aan dat hij tijdens een parkeermanoeuvre op min 1 met de bovenkant van het voertuig in contact kwam met een rookwerend gordijn dat lager hing dan 2 meter.

De aansprakelijkheidsvordering werd gebaseerd op art. 1382-83 BW (aquiliaanse foutaansprakelijkheid op basis van fout en/of onzorgvuldigheid) en op art. 1384, eerste lid BW (kwalitatieve aansprakelijkheid van de NV I. als bewaarder van een gebrekkige zaak).

In het tussenvonnis stelde de rechtbank de vraag naar de mogelijk contractuele aard van de rechtsverhouding tussen eiser en de exploitant van de parking en naar de mogelijke implicatie daarvan op het vlak van de samenloop tussen de contractuele en de buitencontractuele aansprakelijkheid.

Het tussenvonnis heropende het debat om partijen de kans te bieden daardoor, en in voorkomend geval over alle implicaties daarvan voor de beoordeling van de vordering, hun standpunten te laten kennen.

Feitelijke gegevens

In stuk 1 van zijn dossier legt eiser zijn aangifte van het schadegeval aan zijn rechtsbijstandsverzekeraar voor met een toelichting door de verzekeringsmakelaar. De aangifte vermeldt: “Verzekerde raakte met de achterdeur van de lichte vracht tegen een te laag hangend rookwerend gordijn – zie verslag”. De feiten gebeurden op 8 januari rond 19 u. Achteraan de aangifte staat er een met de hand geschreven tekst waarin de genaamde H.S. (geïdentificeerd met gsm-nummer) ondertekent dat zij op het gegeven tijdstip eiser op de aangegeven plaats in de ondergrondse parking zag.

Het verslag waarvan sprake vermeldt dat eiser op het niveau –1 van de parking een leeg parkeervak tussen andere geparkeerde voertuigen vond (parkeervak W1/115). Eiser nam achterwaarts het parkeervak in en manoeuvreerde daarbij op beide spiegels. Hij hoorde een doffe inslag op de achterzijde van het voertuig en hield halt. Eiser stelde vast dat hij schade had opgelopen door een rookwerend gordijn dat verstevigd was door een overlangse metalen balk en lager dan 2 meter bleek te hangen. Eiser liet een voorbijganger bevestigen dat hij op de aangegeven plaats gezien werd.

Volgens eiser, die foto’s voegt bij het verslag, hing het rookwerend gordijn tussen 1,90 m en 1,95 m hoog en vertoonden verschillende soortgelijke gordijnen in de parking sporen van aanrijdingen. Ook daarvan worden foto’s bijgevoegd.

Fotomateriaal bewijst eveneens dat er aan de ingang van de parking een bord hangt dat een vrije hoogte van 2 meter aangeeft.

Eiser geeft aan dat het rookgordijn hangt tussen twee parkeerplaatsen, boven de witte grondlijn tussen de twee plaatsen (waarvan eveneens een foto voorligt).

De vrijwillig tussenkomende partij legt technische gegevens voor betreffende een voertuig Renault Trafic (type voertuig waarmee eiser volgens de ongevalsaangifte reed). De totale hoogte van de Renault Trafic wordt daarin aangegeven, maar verschilt naargelang het type van de bestelwagen.

De aard van de aansprakelijkheid

1. Het wordt niet betwist dat er tussen eiser en de NV I. een contractuele relatie bestond.

De NV I. baat een betalende parking uit, eiser betaalde een ticket om de parking te gebruiken.

Het was tijdens de contractuele relatie tussen partijen dat de schadeverwekkende gebeurtenis voorviel en de schadelijder (eiser) is de contractpartij van verweersters verzekerde. Aan de uitbater van een openbare parking komt het toe de veiligheid van de ruimte die hij als parking uitbaat, te garanderen (M. Dambre, “Dienstenprestaties: laveren tussen aanneming, bewaargeving en lastgeving” in P. Lecocq & C. Engels (eds.), Rechtskroniek voor de Vrede- en Politierechters 2010, in Dossiers Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters, 13, Brugge, die Keure, p. 147, nr. 87). Het ter beschikking stellen van een veilige ruimte maakt aldus deel uit van de contractuele verplichtingen van de uitbater van de parking.

Gelet op deze elementen zijn te dezen de voorwaarden aanwezig opdat er sprake zou kunnen zijn van samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid indien, zoals eiser beweert, verweersters verzekerde eveneens tekortkwam aan de algemene zorgvuldigheidsplicht (B. Dubuisson, “Le concours des responsabilités contractuelle et extracontractuelle, ultime tentative de conciliation” in Liber Amicorum Hubert Bocken, Brugge, die Keure, 2009, 67).

2. Traditioneel oordeelde het Hof van Cassatie dat een contractpartij wegens een bij de uitvoering van de overeenkomst begane fout slechts extracontractueel aansprakelijk kan worden gesteld indien de haar ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet aan de contractuele verbintenis, maar aan de algemene zorgvuldigheidsplicht, en wanneer die fout andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade heeft veroorzaakt. Thans oordeelt het Hof van Cassatie dat een contractpartij wegens een bij de uitvoering van de overeenkomst begane fout alleen extracontractueel aansprakelijk kan worden gesteld indien de haar ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis, maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsplicht, en indien deze fout andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade heeft veroorzaakt (Cass. 29 september 2006, RW 2006-07, 1717, noot A. Van Oevelen, NJW 2006, 946, noot I. Boone). De rechter die vaststelt dat er een contractuele band bestaat tussen partijen, mag de vordering niet toekennen op quasi-delictuele grond zonder de gevolgen van een mogelijke samenloop te onderzoeken (Cass. 29 september 2006, ibid.).

3. Na heropening van het debat beperkt eiser zich ertoe naar bovenstaande rechtspraak van het Hof van Cassatie te verwijzen, maar alleen naar het eerste gedeelte van het oordeel van het Hof dat spreekt van een fout die de tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis, maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsverplichting, maar eiser zegt niets over het vervolg van de overweging van het Hof dat als tweede voorwaarde voor een schade-eis op quasi-delictuele grond stelt dat de fout andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade heeft veroorzaakt. Impliciet houdt eisers standpunt een verwijzing in naar de strekking in de rechtsleer die in de cassatierechtspraak een verfijning van de voorwaarden voor buitencontractuele aansprakelijkheid ziet.

4. De rechtbank herinnert eiser eraan dat het Hof van Cassatie niets afdeed aan de formulering van het tweede vereiste om een buitencontractuele aansprakelijkheid aan te nemen. De rechtbank sluit zich aan bij de zienswijze in de rechtsleer dat in weerwil van de versoepeling in de formulering van de eerste voorwaarde (een fout die “niet alleen” een tekortkoming uitmaakt aan de contractuele verbintenis, “maar ook” aan de algemene zorgvuldigheidsverplichting) het samenloopverbod overeind blijft indien het tweede element niet aanwezig is, namelijk dat de fout andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade heeft veroorzaakt (A. Van Oevelen, “De samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid: een koerswijziging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie” (noot onder Cass. 29 september 2006), RW 2006-07, 1718; H. Vandenberghe, “Overzicht van rechtspraak: aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (2000-2008)”, TPR 2011, nr. 261; I. Boone, “Samenloop contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid verfijnd” (noot onder Cass. 29 september 2006), NJW 2006, 946).

5. Het ter beschikking stellen van een veilige ruimte die eiser tegen goederenschade (beschadiging of verlies van zijn voertuig) zou behoeden, maakte deel uit van het contractuele voordeel dat eiser uit het betalen van een ticket voor de parking in kwestie haalde.

6. De schade die eiser op basis van art. 1384, eerste lid en art. 1382-83 BW wenst vergoed te zien, met name de schade aan zijn voertuig ten gevolge van de verder te beoordelen onveilige uitrusting van de parking, is dezelfde schade als degene die voortvloeit uit een mogelijke contractuele tekortkoming van verweersters verzekerde bij het ter beschikking stellen van een veilige ruimte (vgl. H. Vandenberghe, o.c., TPR 2011, p. 632 in fine, met verwijzingen aldaar).

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat de vordering op extracontractuele basis niet kan worden toegekend.

Heel specifiek inzake betaalparkings verwijst de rechtbank eiser nogmaals naar een arrest van het Hof van Beroep te Luik (Luik 12 april 1995, RGAR 1997, nr. 12737).

De aansprakelijkheid ten gronde

1. In zijn syntheseconclusie na heropening van het debat onder het punt “Algemeen besluitend” (p. 7) stelt eiser: “Ongeacht de kwalificatie van de vordering (contractuele of extracontractuele grondslag) is er een fout van de uitbater aan de orde”, waarna eiser tot de gegrondheid van de aansprakelijkheidsvordering besluit.

Er mag worden aangenomen dat eiser, wellicht subsidiair, zijn vordering ook op contractuele basis stelt.

2. De contractuele basis van de vordering heeft haar belang, onder meer op het vlak van het foutcriterium in de contractuele aansprakelijkheid en de mogelijke implicaties op het vlak van de bewijslast.

Partijen nemen wat dat betreft geen standpunt in.

3. Het komt de rechtbank toe aan de overeenkomst tussen partijen de juiste kwalificatie te geven.

De contractuele relaties tussen de uitbater van een (betalende) openbare parking en zijn klanten kunnen worden gekwalificeerd als een bezoldigde bewaargeving. Uit het verslag betreffende het gebeuren dat bij de uiteenzetting der feiten werd besproken, blijkt de aanwezigheid van een aangestelde van de NV I. in de parking, en de foto’s tonen de aanwezigheid van een slagboom aan de ingang. De klant mag derhalve aannemen dat zijn voertuig wordt bewaard, waaruit voortvloeit dat er op de exploitant een teruggaveplicht rust die een resultaatsverbinding is en die de verplichting inhoudt de veiligheid van de parkeerruimte te garanderen (M. Dambre, o.c., l.c.).

Aan de hand van concrete gegevens kan ook worden geoordeeld dat de overeenkomst geen bewaargeving maar een huurovereenkomst is (J. Herbots en C. Pauwels, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten”, TPR 1989, p. 1039, nr. 442).

Van deze kwalificatie hangt af of de overeenkomst een resultaats- dan wel een inspanningsverbintenis is, met de verschillen in de bewijslast van dien.

Zoals al gezegd, nemen partijen daarover geen standpunt in.

4. Het komt de rechtbank voor dat in beide hypotheses de aansprakelijkheid van de NV I. kan worden aangenomen.

Het verweer dat het rookwerende gordijn tussen twee parkeervakken hing, is niet dienend.

Bij eiser werd het vertrouwen gewekt dat er een vrije hoogte was van twee meter. De gehele ruimte die ingericht is voor de toegang en het vertrekken van voertuigen en de gehele ruimte voor het parkeren moeten veilig zijn. Eiser parkeerde achterwaarts in een parkeervak dat vrij was, tussen andere geparkeerde voertuigen. Het innemen van een dergelijke plaats vereist een manoeuvre en bijna nooit staat het voertuig recht voor het parkeervak dat het wil innemen. Bij de schuine beweging van het manoeuvre voor het innemen van het parkeervak is het normaal dat het achterste deel van het voertuig even over de streep komt die de parkeervakken scheidt. De exploitant van de parking had minstens voorzorgen moeten nemen om de rookwerende gordijnen doeltreffend onder de aandacht te brengen van de klanten die, zoals eiser, een parkeervak moesten innemen.

5. Uit niets blijkt dat eiser een exoneratiebeding, dat hem bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk ter kennis was gebracht, aanvaard zou hebben.
 


 

Hof van Beroep Gent 12 april 2012, NJW 2013/275

samenvatting

Een schimmelinfectie opgelopen tijdens een operatie valt onder contractuele aansprakelijkheid die ten deze niet werd weerhouden, bij gebreke aan contractuele fout.

Tussen contractpartijen moet in de regel contractueel worden gevorderd en kan slechts aanvullend buitencontractueel worden gevorderd wanneer de schade vreemd is aan de uitvoering van de overeenkomst of er sprake is van een contractuele fout die ook een strafrechtelijk misdrijf uitmaakt. Het hof oordeelt dat er van misdrijf geen sprake kan zijn bij gebrek aan bewijs van een fout beging in oorzakelijk verband met de door de vrouw opgelopen schade.

De vrouw stelt tevens een buitencontractuele vordering in op grond van artikel 1384 lid 1 BW. Ook deze vordering werd afgewezen. De omstandigheid dat voor de toepassing van voormeld artikel geen bewijs van een fout, maar enkel van een gebrek in de zaak moet worden geleverd rechtvaardigt volgens het hof niet dat het samenloopverbod in casu wordt opgeheven.

Tekst arrest

Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, [ ... ]

appellant, [ ... ]

tegen

1. AZ Sint-JAN AV, [ ... ] eerste geïntimeerde,

2. Ethias N.V., [ ... ] tweede geïntimeerde, [ ... ] M.G.,

[ ... ]

Voorgaanden

Op 13 februari 1998 onderging M.G. een hartoperatie in het AZ Sint-Jan AV, in burgerlijke aansprakelijkheid verzekerd bij de nv Ethias.

Twee weken na de operatie werd ter hoogte van het litteken een schimmelinfectie opgemerkt te wijten aan de aanwezigheid van Aspergillus flavus in de operatiezaal.

In eerste aanleg werden twee expertises bevolen, één met betrekking tot de schadebepaling en één met betrekking tot de oorzaak van de schimmelinfectie.

Het college van deskundigen is tot het besluit gekomen dat:

Aspergillus ubiquitair is en aangebracht wordt via luchtstromen en water. Vermits niet elke operatie die plaatsgreep in de betrokken zalen infecties voor gevolg had, menen ze te mogen besluiten dat er geen systematische hygiënische problemen waren bij de gebruikte materialen en de lokalen. Er is geen overdracht van mens tot mens, zodat personeel als bron kan uitgesloten worden;

een dergelijk probleem zich overal kan voordoen. Men dient dit als een toevalligheid te beschouwen en als een onvermijdbaar incident.

De internationale aanbevolen antimicrobiële profylaxe bij dergelijke ingrepen is tegen bacteriën gericht en niet tegen schimmels.

Luchtbeheersing is belangrijk, maar niet volledig controleerbaar. De weerstand van de patiënt speelt ook een rol. Zelfs thuis kan men een dergelijke infectie oplopen;

niets liet vermoeden dat er zich een aspergillusprobleem aankondigde. Vermits het niet mogelijk was de aspergillushaard te ontdekken tijdens het uitvoerig monster nemen achteraf, was het niet mogelijk die op het ogenblik van de ingreep te ontdekken en zeker niet te voorkomen;

een (beroeps)fout noch nalatigheid kan weerhouden worden.

Na de expertise vorderde:

M.G. de solidaire, in solidum, minstens de ene bij gebreke van de andere veroordeling van het AZ Sint-Jan AV en de nv Ethias tot het betalen van de som van€ 43.190,44, meer rente vanaf 6 november 2008 tot de dag van uiteindelijke betaling en meer de kosten; de LCM als gesubrogeerde in de rechten van M.G. de solidaire, in solidum, minstens de ene bij gebreke van de andere veroordeling van het AZ Sint - Jan A V en de nv Ethias tot het betalen van de som van € 43.598,76, meer rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 12 augustus 1998 tot de dag van uiteindelijke betaling en meer de kosten.

Zij steunen hun vordering op art. 1384, eerste lid BW en de contractuele aansprakelijkheid van het ziekenhuis.

De eerste rechter heeft wat betreft art. 1384, eerste lid BW geoordeeld dat:

- het niet bewezen is dat het operatiekwartier of het daarin aanwezig materiaal sporen bevatte van Aspergillus flavus;

- de lucht een res nullius is en niet als een gebrekkige zaak kan worden beschouwd

- de lucht en het operatiekwartier niet als één geheel kunnen worden beschouwd; schimmels op zich evenmin gebrekkig zijn.

De aansprakelijkheid van het ziekenhuis als bewaarder van een gebrekkige zaak is dan ook niet betrokken.

De eerste rechter heeft evenmin een contractuele fout weerhouden. Op het ziekenhuis rust een middelenverbintenis en geen resultaatsverbintenis. Uit niets blijkt dat zij de aanwezigheid van de schimmel vóór de operatie had kunnen voorkomen of ontdekken.

De LCM kan zich met het bestreden vonnis niet verzoenen.

Zij meent dat het niet is omdat de lucht een res nullius is dat het niet voor bewaring vatbaar zou zijn, bijvoorbeeld wanneer deze deel uitmaakt van een bepaalde ruimte. De lucht in het operatiekwartier is vatbaar voor bewaking en het ziekenhuis is als bewaarder van de operatiezaal aansprakelijk wanneer het operatiekwartier een gebrek vertoont omwille van het feit dat de lucht aanwezig in deze ruimte sporen van aspergillus flavus bevat.

Daarnaast stelt zij dat ook de contractuele aansprakelijkheid van het ziekenhuis betrokken is. Het gebruik van veilige zaken bij de uitvoering van een medische ingreep is een resultaatsverbintenis en geen middelenverbintenis.

Zij vraagt dan ook de integrale toekenning van haar oorspronkelijke vordering.

Bij conclusie neergelegd ter griffie op 6 mei 2010 heeft M.G. incidenteel hoger beroep aangetekend.

Zij is wat de aansprakelijkheid van het ziekenhuis betreft dezelfde mening toegedaan als haar ziekenfonds en vraagt dat het bestreden vonnis wordt teniet gedaan en het AZ Sint-Jan AV en de nv Ethias solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke van zouden worden veroordeeld tot het betalen van de som van € 43.199,44, meer vergoedende en de gerechtelijke rente vanaf 6 november 2008, waarbij de voorgaande intresten reeds tot die datum werden berekend en in het totaal opgeteld.

Het AZ Sint-Jan AV en de nv Ethias stellen dat gelet op het samenloopverbod

M.G. en de LCM geen vordering kunnen instellen op grond van art. 1384, eerste lid BW. Tussen M.G. en het AZ Sint-Jan AV bestaat een contractuele relatie en de schade zou te wijten zijn aan een contractuele tekortkoming. Samenloop is enkel mogelijk wanneer er sprake is van een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf, wat niet het geval is voor de aansprakelijkheid van de bewaarder van een gebrekkige zaak.

Verder stellen zij dat de lucht een onlichamelijk goed is dat geen onderdeel kan uitmaken van een samengesteld goed en bijgevolg niet vatbaar is voor bewaring. Ook komt de contractuele aansprakelijkheid van het ziekenhuis niet in het gedrang. Gelet op de problematiek van de ziekenhuisinfecties is het onaannemelijk dat een ziekenhuis zich terzake tot een bepaald resultaat zou hebben willen verbinden.

In haar laatste conclusie heeft de LCM haar vordering aangepast in die zin dat zij in ondergeschikte orde vraagt dat voor zover het verlies van een kans op genezing zou worden weerhouden, een bepaald percentage zou worden toegekend van de door haar gevorderde schadevergoeding.

Het AZ Sint-Jan AV en de nv Ethias zijn van oordeel dat deze in ondergeschikte orde gestelde vordering een nieuwe vordering betreft, die niet voor het eerst in graad van beroep kan worden gesteld en die bovendien verjaard is.

Het AZ Sint-Jan AV en de nv Ethias betwisten in ondergeschikte orde ook op cijfermatig vlak de vordering van M.G.

Beoordeling

[ ... ]

a. aansprakelijkheid van het AZ Sint-Jan AV op grond van art. 1384, eerste lid BW

Zowel M.G. als de LCM zijn van oordeel dat tussen M.G. en het AZ Sint-Jan AV een overeenkomst met betrekking tot haar behandeling is tot stand gekomen. Niettegenstaande deze contractuele band vorderen zij de veroordeling van het AZ Sint-Jan AV en haar verzekeraar, de nv Ethias, op grond van art. 1384, eerste lid BW tot het vergoeden van de door hen geleden schade.

Het samenloopverbod staat er onder meer aan in de weg dat een extra contractuele vordering wordt ingesteld op basis van een contractuele fout die niet tevens een strafrechtelijk misdrijf uitmaakt, wanneer zoals in casu de schade niet vreemd is aan de uitvoering van de overeenkomst. Het misdrijf waarnaar M.G. en de LCM op impliciete wijze verwijzen, betreft het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen, gesanctioneerd door de 418 Sw.

Er is echter maar sprake van een misdrijf voor zover het AZ Sint-Jan AV een fout zou hebben begaan in oorzakelijk verband met de bij M.G. opgetreden complicaties. Dergelijke fout, die zou toelaten een vordering in te stellen op grond van art. 1382 BW, wordt niet bewezen. De toepassing van art. 1384, eerste lid BW vereist niet dat het bewijs van een fout wordt geleverd.

Enkel het bestaan van het gebrek van de zaak - gesteund op een vermoeden van fout, duidelijk te onderscheiden van een bewezen fout -, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide moet worden aangetoond. Voor zover aan de toepassingsvoorwaarden van art. 1384, eerste lid BW zou zijn voldaan, moet vastgesteld worden dat er geen sprake is van een misdrijf, zodat een extracontractuele vordering, gelet op de tussen M.G. en het AZ Sint-Jan AV bestaande contractuele verhouding, uitgesloten is (zie en vgl. T. Vansweevelt, De civielrechtelijke aansprakelijkheid van de geneesheer en het ziekenhuis, Maklu, 1992, 1088).

b. contractuele aansprakelijkheid

Zoals uit het rapport van de deskundigen blijkt, werd vanaf de eindjaren 1990 in de westerse wereld meer en meer aandacht besteed aan ziekenhuishygiëne, dit ter voorkoming van voornamelijk bacteriële, maar ook schimmelinfecties. De deskundigen hebben vastgesteld dat hét operatiekwartier beantwoordde aan de op het ogenblik van het optreden van de infectie gestelde normen en meer bepaald wat betreft:

- het concept van het operatiekwartier;

 

- Hepa-gefilterde lucht;

- hogere luchtdruk in de operatiezaal; de in het ziekenhuis gehanteerde "basisprincipes ter preventie van ziekenhuisinfecties in het OP-kwartier";

- de beschreven, maar niet meer controleerbare, schoonmaakprocedure;

- het onderhoud van de luchtbeheersingskanalen;

- aantal luchtverversingen.

In het kader van de toen aan de gang zijnde verbouwingswerken werden speciale eisen gesteld aan de aannemers met betrekking tot stofwering. Dit werd gecontroleerd aan de hand van de bestelbonnen.

Uit het feit dat niet elke operatie die plaatsgreep in de betrokken operatiezaal infecties voor gevolg heeft gehad, hebben de deskundigen afgeleid dat er geen systematische hygiënische problemen waren bij de gebruikte materialen en de lokalen.

Zij komen tot het besluit dat de opgetreden infectie niet te wijten is aan een fout van het ziekenhuis.

In de mate dat het AZ Sint-Jan AV wat het vermijden van de door M.G. opgelopen infectie een inspanningsverbintenis betreft, stelt het hof vast, aan de hand van het rapport van de deskundigen, dat het AZ Sint-Jan AV al het mogelijke heeft gedaan, rekening houdende met de op dat ogenblik van toepassing zijnde richtlijnen, om de infectie te vermijden, en zij haar contractuele verplichtingen is nagekomen.

M.G. en de LCM zijn echter van oordeel dat wat betreft het voorkomen van een infectie met de schimmel Aspergillus flavus, op het AZ Sint-Jan AV een resultaatsverbintenis rust. Dit wordt terecht door het AZ Sint-Jan AV en haar verzekeraar betwist.

De deskundigen hebben de karakteristieken van Aspergillus flavus als volgt beschreven:

- het is een sporenvormende schimmel die overal ter wereld voorkomt;

- hij wordt door de lucht op een relatief grote afstand aangevoerd;

- vochtvlekken en water in het algemeen kunnen de schimmel tot ontwikkeling laten komen;

- er is geen overdracht van mens tot mens;

- een dergelijk probleem kan zich overal, zelfs thuis, voordoen.

Deze karakteristieken leiden ertoe dat besmettingen met deze schimmel niet absoluut kunnen worden uitgesloten en dat een enkelvoudig geval niet kan toelaten te veronderstellen dat er ergens problemen zijn (zie rapport deskundigen). Na de vaststelling dat er meerdere infecties zijn opgetreden, heeft men de ventilatiekanalen en de zalen gereinigd en ontsmet. Er werden nadien nog steeds positieve kweken gevonden, zodat men genoodzaakt was de operatiezalen te sluiten en nog meer doorgedreven te reinigen en te ontsmetten. Men heeft uiteindelijk het aantal schimmels per kubieke meter kunnen doen dalen, zonder ooit de besmettingshaard te hebben ontdekt. Uit de literatuur blijkt dat slechts in 30% van de gevallen ziekenhuisinfecties te vermijden vallen (zie en vgl. W. Dijkhoff, Ziekenhuisinfecties: de (h)aard van het beestje? Een actuele stand op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht met rechtsvergelijkende kanttekeningen, T.Gez., 2005-2006, 278). Met een dergelijke beperkte vermijdingsgraad kan niet aangenomen worden dat een ziekenhuis wat het vermijden van dergelijke infecties betreft, een resultaatsverbintenis op zich zou nemen.

Dit geldt meer specifiek ook voor de door M.G. opgelopen infectie. Vermits de aanvoer via de lucht van de Aspergillus flavus niet absoluut uit te sluiten valt, ook niet wanneer het ziekenhuis alle mogelijke maatregen treft om dit te vermijden, kan niet aangenomen worden dat het ziekenhuis bij het afsluiten van de overeenkomst met M.G. de bedoeling heeft gehad haar te garanderen dat zij in het operatiekwartier niet met deze schimmel zou worden besmet.

Het AZ Sint-Jan AV heeft zich niet tot een dergelijk resultaat verbonden, zodat het louter feit dat M.G. met deze schimmel werd besmet, niet betekent dat het ziekenhuis contractueel aansprakelijk zou zijn voor deze besmetting.

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

[ ... ]

Bevestigt het bestreden vonnis.

[ ... ]

Kritische Noot onder dit arrest in het NJW 2013/275, 78 S. Guillams. bewijs van een fout vereist opdat het samenloopverbod tussen contractuele en bultencontractuele aansprakelijkheid ingevolge een misdrijf kan worden opgeheven

Rechtsleer:

• T. Vansweevelt en G. Weyts, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 108-109

• H. Bocken, Samenloop contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid, verfijners en verdwijners in het arrest van het Hof van Cassatie van 29 september 2006, NJW 2007/722, 725-726

 

Aanvullende rechtspraak:

Cass. 29/09/2006, AR C030502N, juridat

Samenvatting

De contractant kan slechts quasi-delictueel aansprakelijk worden gesteld indien de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsplicht die op hem rust en indien deze fout andere dan aan de slechte uitvoering te wijten schade heeft veroorzaakt (1). (1) Zie Cass., 21 juni 2002, AR C.00.0093.F, nr 375.

Tekst arrest

Nr. C.03.0502.N

TIERCE FRANCO BELGE, naamloze vennootschap, met zetel te 4000 Luik, boulevard d'Avroy 87,

eiseres,

tegen

1. D.L.,

verweerder,

2. V.M.,

verweerster,

tot bindendverklaring opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift vijf middelen aan.

Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

1. De contractant die zich door zijn werknemer laat vervangen voor de uitvoering van een contractuele verplichting is zelf contractueel aansprakelijk voor de schade die de uitvoerder veroorzaakt. Hij kan slechts quasi-delictueel aansprakelijk worden gesteld indien de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsplicht die op hem rust en indien deze fout andere dan aan de slechte uitvoering te wijten schade heeft veroorzaakt.

2. De appelrechters oordelen dat er een contractuele verhouding bestond tussen de filiaalhoudster werknemer van de eiseres en de verweerder, dat tussen de eiseres en de verweerder het contract niet kon worden gehonoreerd door de fout begaan door de verweerster in de uitvoering van de overeenkomst. Zij geven aldus te kennen dat tussen de eiseres en de verweerder een contractuele band bestond en kennen de vordering van de eiseres toe op quasi-delictuele grond zonder de gevolgen van een mogelijke samenloop te onderzoeken.

6. Zij schenden aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen, met uitzondering van de motiveringsplicht.

7. Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen.

De kosten zijn begroot op de som van 779,74 euro jegens de eisende partij en op de som van 162,09 euro jegens de verwerende partij sub 2.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 29 september 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: do, 16/02/2017 - 14:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.