-A +A

Rijverbod

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Bijkomende straf in het verkeersrecht.

wettelijke basis (art. 38 Wegverkeerswet)

In een aantal gevallen verplicht in andere facultatief, l

Meestal tijdelijk. In uitzonderlijke omstandigheden levenslang

De intrekking door de rechter kan soms  voorafgegaan worden door een voorlopige intrekking vanwege het parket.


Modaliteiten:

rijverbod effectief, met uitstel en de opschorting van de uitspraak. Ook mogelijkheid tot beperkte intrekking voor bepaalde categorieën van voertuigen of beperkte intrekking vb. tijdens het weekend. 

over de preventieve afgifte van het rijbewijs, zie de rechtsleer, met name de bijdrage: "het Leuvense parket waakt over uw veiligheid in het verkeer, maar hij waakt erover uw fundamentele rechten?" In het rechtskundig weekblad 2006-2007, 1622

wettelijke bepalingen: uittreksel uit de wegverkeerswet

 HOOFDSTUK VI. - VERVAL VAN HET RECHT TOT STUREN.

AFDELING I. - VERVAL UITGESPROKEN ALS STRAF.

Art. 38. <W 1990-07-18/37, art. 18, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1994, zie KB 1994-11-21/33, art. 3> § 1. De rechter kan het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreken :
(1° indien hij veroordeelt wegens overtreding van de artikelen 34, 37, 37bis, § 1er, (...) of 62bis;) <W 2003-02-07/38, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004> <W 2005-07-20/52, art. 10, 1°, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
2° indien hij veroordeelt wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader en de veroordeling wordt uitgesproken wegens doding of verwonding;
3° (indien hij veroordeelt wegens een van de overtredingen van de tweede of de derde graad, zoals bedoeld in artikel 29, § 1;) <W 2005-07-20/52, art. 10, 2°, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
(3°bis indien hij veroordeelt wegens het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid bepaald in de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten, op basis van artikel 29,§ 3, wanneer :
- de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur en hoogstens 40 kilometer per uur overschreden wordt, of :
- de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 20 kilometer per uur en hoogstens 30 kilometer per uur overschreden wordt in een bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, erf of woonerf.) <W 2005-07-20/52, art. 10, 3°, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
4° indien hij veroordeelt wegens enige overtreding van deze wet en van de reglementen uitgevaardigd ter uitvoering ervan en de schuldige binnen het jaar vóór de overtreding driemaal hieromtrent werd veroordeeld;
(5° indien hij veroordeelt wegens overtreding (van de artikelen 30, § 1 of 33, § 1);) <W 2003-02-07/38, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004> <W 2005-07-20/52, art. 10, 4°, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
De vervallenverklaringen uitgesproken krachtens deze paragraaf bedragen ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar; zij kunnen evenwel uitgesproken worden voor een periode van meer dan vijf jaar of voorgoed indien de schuldige binnen de drie jaar vóór de overtredingen bedoeld in 1° en 5°, veroordeeld is wegens een van deze overtredingen.
(§ 2. Indien de rechter tegelijkertijd veroordeelt wegens een overtreding van artikel (419) van het Strafwetboek en wegens een overtreding van de artikelen (29, § 1 en § 3), 34, § 2, 35 of 37bis, § 1, van deze gecoördineerde wetten, zal het verval van het recht tot sturen worden uitgesproken voor een duur van ten minste 3 maanden. <W 2005-07-20/52, art. 10, 5°, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
Het herstel in het recht tot sturen is afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.
Indien hij tegelijkertijd veroordeelt wegens een overtreding van artikel (419) van het Strafwetboek en wegens een overtreding van de artikelen 36 of 37bis, § 2, van deze gecoördineerde wetten, zal het verval van het recht tot sturen worden uitgesproken voor een periode van ten minste 1 jaar. <W 2005-07-20/52, art. 10, 5°, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
Het herstel in het recht tot sturen is afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.
Indien hij tegelijkertijd veroordeelt wegens een overtreding van artikel (420) van het Strafwetboek en wegens een overtreding van de artikelen 36 of 37bis, § 2, van deze gecoördineerde wetten, zal het verval van het recht tot sturen worden uitgesproken voor een periode van ten minste 6 maanden. <W 2005-07-20/52, art. 10, 5°, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
Het herstel in het recht tot sturen is afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.) <W2003-02-07/38, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004>
§ 2bis. (De rechter kan lastens iedere bestuurder houder van een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, bevelen dat het effectief verval enkel wordt uitgevoerd :
- van vrijdag om 20 uur tot zondag om 20 uur;
- van 20 uur op de vooravond van een feestdag tot 20 uur op die feestdag.) <W 2005-07-20/52, art. 10, 6°, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
§ 3. De rechter kan het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor een of meer van de hiernavermelde (examens enonderzoeken) : <W 2003-02-07/38, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004>
1° een theoretisch (examen); <W 2003-02-07/38, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004>
2° een praktisch (examen); <W 2003-02-07/38, art. 19, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>
3° een geneeskundig onderzoek;
4° een psychologisch onderzoek;
(5° specifieke scholingen bepaald door de Koning.) <W 2003-02-07/38, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004>
De onderzoeken bedoeld in deze paragraaf zijn niet van toepassing op de houders van een buitelands rijbewijs die niet voldoen aan de door de Koning bepaalde voorwaarden om een Belgisch rijbewijs te kunnen verkrijgen.
(§ 4. De rechter moet het herstel in het recht tot sturen van de vervallenverklaarde uit hoofde van een veroordeling wegens overtreding vermeld in § 1, 1° van dit artikel, en die bovendien lijdt aan een lichaamsgebrek of een aandoening zoals bepaald door de Koning ter uitvoering van artikel 23, 3°, afhankelijk maken van het bewijs door de vervallenverklaarde dat hij dit lichaamsgebrek of deze aandoening niet meer vertoont.
Daartoe dient deze laatste een verzoek in bij een aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift voor het gerecht dat het verval heeft uitgesproken. Tegen de uitspraak van dit gerecht staat geen hoger beroep open.
Wordt het verzoek afgewezen dan kan geen nieuw verzoek worden ingediend vóór een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum der afwijzing, is verstreken.) <W 1999-03-16/34, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 09-04-1999>
(In geval van overtreding van de artikelen (30, § 1, 3°), 35, 36 of 37bis, § 2, moet het herstel in het recht tot sturen afhankelijk worden gemaakt van het slagen voor de onderzoeken bedoeld in § 3, 3° en 4°.) <W 2003-02-07/38, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004> <W 2005-07-20/52, art. 10, 7°, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
§ 5. De rechter moet het verval van het recht tot sturen uitspreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B.
Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 38, § 1, 2°, in geval van een verkeersongeval met enkel lichtgewonden.
Het eerste lid is niet van toepassing op de overtredingen van de tweede graad, zoals bedoeld in artikel 29, § 1.(deze paragraaf 5 werd ingevoegd bij wet van 21 april 2007 en is van toepassing vanaf 1 september 2007. (commentaar op §5 zie T. Pol 2007, 128).

Art. 39. Indien ingevolge samenloop van misdrijven de bij deze gecoördineerde wetten bepaalde vrijheidsstraffen en geldboeten niet uitgesproken worden, is dit nochtans wel het geval voor het verval van het recht tot sturen onder de voorwaarden als bepaald in deze wetten.

Art. 40. Elk verval dat als straf is uitgesproken, gaat in de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan.

Art. 41. <W 2003-02-07/38, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004> In de gevallen waarin de rechter in toepassing van deze wet een verval van het recht tot sturen uitspreekt, moet hij, indien hij gebruik wenst te maken van artikel 8, § 1 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie een effectief gedeelte opleggen van minimum acht dagen.

AFDELING II. - VERVAL UITGESPROKEN WEGENS (LICHAMELIJKE OF GEESTELIJKE ONGESCHIKTHEID). <W 2005-07-20/52, art. 11, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>

Art. 42. Verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer, naar aanleiding van een veroordeling wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk (of geestelijk ) ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een (motorvoertuig); in dat geval wordt het verval uitgesproken, hetzij voorgoed, hetzij voor een termijn gelijk aan de waarschijnlijke duur van de ongeschiktheid al naargelang deze blijvend of voorlopig blijkt te zijn. <W 1990-07-18/37, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1992 (KB 1991-07-18/43, art. 48)> <W 2005-07-20/52, art. 11, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>

Art. 43. Het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke (of geestelijke) ongeschiktheid van de bestuurder gaat in bij de uitspraak van de beslissing wanneer deze op tegenspraak is gewezen en bij de betekening wanneer zij bij verstek is gewezen, niettegenstaande voorziening. <W 2005-07-20/52, art. 11, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>

Art. 44. (Zie NOTA op het einde van het artikel.) Hij die wegens lichamelijke (of geestelijke) ongeschiktheid van het recht tot sturen vervallen is verklaard, kan na twee jaar om opheffing van het verval verzoeken indien aan zijn ongeschiktheid een einde is gekomen. Het verzoek wordt ingediend bij een aan het openbaar ministerie gerichte (verzoekschrift) voor het gerecht dat de maatregel van verval heeft uitgesproken. Tegen de uitspraak van dit gerecht staat geen hoger beroep open. <W 1999-03-16/34, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 09-04-1999> <W 2005-07-20/52, art. 11, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
Wordt het verzoek afgewezen, dan kan geen nieuw verzoek worden ingediend voor een termijn van twee jaar, te rekenen van de datum der afwijzing, is verstreken.
(NOTA : een wijziging, waarvan de inwerkingtredingdatum niet vastgesteld is, geeft de volgende vorm aan artikel 44: "Art. 44. <W 1990-07-18/37, art. 21, 008; Inwerkingtreding : onbepaald> Hij die wegens lichamelijke ongeschiktheid van het recht tot sturen vervallen is verklaard, kan, indien aan zijn ongeschiktheid een einde is gekomen, van dit verval ontheven worden volgens de nadere regels door de Koning bepaald.")

AFDELING III. - BEPALINGEN GEMEEN AAN DE VERVALLENVERKLARING VAN HET RECHT TOT STUREN.

Art. 45. <W 1990-07-18/37, art. 22, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1992 (KB 1991-07-18/43, art. 48)> De rechter kan het verval van het recht tot sturen beperken tot de categorieën van voertuigen die hij aangeeft overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26.
(Wanneer de overtreding met een motorvoertuig werd begaan, moet het verval ten minste betrekking hebben op de categorie van voertuigen waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot verval, werd begaan.) <W 2005-07-20/52, art. 12, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>

Art. 46. <W 1990-07-18/37, art. 23, 002; Inwerkingtreding : 01-10-1998> De Koning bepaalt de formaliteiten die moeten worden vervuld met betrekking tot de uitvoering van de vervallenverklaringen van het recht tot sturen.

Art. 47. <W 09-07-1976, art. 18> Hij die verval van het recht tot sturen heeft opgelopen na 25 mei 1965 en onderworpen werd aan een theoretisch, praktisch, geneeskundig of psychologisch onderzoek, mag, wanneer het verval geëindigd is, een voertuig van een der categorieën waarop de beslissing van vervallenverklaring slaat, slechts besturen mits hij met goed gevolg het opgelegd onderzoek heeft ondergaan.
De Koning bepaald de organisatie en de nadere regels van dit onderzoek en stelt het tarief vast van de ten bate van de Staat of van de erkende instellingen te heffen retributies om de kosten ervan te dekken.

Art. 48. <W 09-07-1976, art. 19> Met gevangenisstraf (van vijftien dagen tot een jaar) en met geldboete van 500 (euro) tot 2.000 (euro) of met een van die straffen alleen (en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of voorgoed), wordt gestraft, hij die : <W 2003-02-07/38, art. 21, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004>
1° (een motorvoertuig bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, spijts het tegen hem uitgesproken verval of de opschorting van het recht tot sturen opgelegd overeenkomstig artikel 24, § 3 en § 5.) <W 1990-07-18/37, art. 24, 2°, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
2° een motorvoertuig bestuurt van de categorie bedoeld in de beslissing van vervallenverklaring of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, zonder het voorgeschreven onderzoek met goed gevolg te hebben ondergaan.

Art. 49. <W 09-07-1976, art. 20> (Hij die wetens een motorvoertuig voor het besturen of voor de begeleiding met het oog op de scholing, toevertrouwt aan een persoon die van het recht tot sturen vervallen is verklaard, wordt gestraft met een geldboete van 100 (euro) tot 1 000 (euro).) <W 1990-07-18/37, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1992 (KB 1991-07-18/43, art. 48)> <W 2003-02-07/38, art. 22, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004>
Deze bepaling is niet van toepassing op het personeelslid van een erkende rijschool die een regelmatig ingeschreven leerling begeleidt die zich voorbereidt op het praktisch examen opgelegd krachtens de artikelen 23, 2°, of 38.

 



HOOFDSTUK IX. - (Alcoholopname : ademtest, ademanalyse en tijdelijk ((rijverbod.)) <W 1990-07-18/37, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1994, zie KB 1994-11-21/33, art. 3> <W 1999-03-16/34, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 09-04-1999>

Art. 59. <W 1990-07-18/37, art. 30, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1994, zie KB 1994-11-21/33> § 1. De officieren van gerechtelijke politie die hulpofficier zijn van de procureur des Konings (...), (het personeel van het operationeel kader van de federale en lokale politie) kunnen een ademtest opleggen die erin bestaat te blazen in een toestel dat het niveau van de alcoholopname in de uitgeademde alveolaire lucht aangeeft : <W 2005-07-20/52, art. 21, 1° en 2°, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
1° aan de vermoedelijke dader van een verkeersongeval of aan ieder die het mede heeft kunnen veroorzaken, zelfs indien hij het slachtoffer ervan is;
2° aan ieder die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing;
3° aan ieder die (op het punt staat) om op een openbare plaats een voertuig of een rijdier te besturen. <W 1999-03-16/34, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 09-04-1999>
§ 2. De overheidsagenten bedoeld in § 1 kunnen in dezelfde omstandigheden, zonder voorafgaande ademtest, een ademanalyse opleggen, die erin bestaat te blazen in een toestel dat de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht meet.
§ 3. Op verzoek van de in § 1, 1° en 2°, bedoelde personen aan wie een ademanalyse werd opgelegd, wordt onmiddellijk een tweede analyse uitgevoerd en, indien het verschil tussen deze twee resultaten meer bedraagt dan de door de Koning bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften, een derde analyse.
Indien het eventuele verschil tussen twee van deze resultaten niet meer bedraagt dan de hierboven bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften, wordt het laagste resultaat in aanmerking genomen.
Indien het verschil groter is, wordt de ademanalyse als niet uitgevoerd beschouwd.
§ 4. De toestellen gebruikt voor de ademtest en voor de ademanalyse moeten gehomologeerd zijn, op kosten van de fabrikanten, invoerders of verdelers die de homologatie aanvragen, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning die bovendien bijzondere gebruiksmodaliteiten van deze toestellen kan vaststellen.

Art. 60. <W 1990-07-18/37, art. 31, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1994, zie KB 1994-11-21/33, art. 3> § 1. Er wordt een ademanalyse verricht wanneer de ademtest een alcoholconcentratie van ten minste 0,22 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht aangeeft.
§ 2. Het besturen op een openbare plaats van een voertuig of een rijdier is verboden aan iedere persoon die een voertuig of een rijdier bestuurde, daartoe aanstalten maakte of een bestuurder begeleidde met het oog op de scholing, voor de duur van drie uren te rekenen vanaf de vaststelling :
1° wanneer de ademanalyse een alcoholconcentratie meet van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht;
2° wanneer de ademanalyse niet uitgevoerd kan worden en de ademtest een alcoholconcentratie van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht aangeeft.
§ 3. Het besturen op een openbare plaats van een voertuig of van een rijdier is verboden aan iedere persoon die een voertuig of een rijdier bestuurde, daartoe aanstalten maakte of een bestuurder begeleidde met het oog op de scholing, voor de duur van zes uren te rekenen vanaf de vaststelling :
1° wanneer de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet;
2° wanneer de ademanalyse niet uitgevoerd kan worden en de ademtest een alcoholconcentratie aangeeft van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht;
3° ingeval van weigering van de ademtest of van de ademanalyse;
§ 4. Wanneer, wegens een andere reden dan de weigering, noch de ademtest noch de ademanalyse kunnen worden uitgevoerd en de persoon die bestuurde, daartoe aanstalten maakte of een bestuurder begeleidde met het oog op de scholing, zich blijkbaar bevindt in de toestand bedoeld in artikel 34, § 2 of in de toestand bedoeld in artikel 35, dan is het hem verboden voor de duur van zes uren, te rekenen vanaf de vaststelling, op een openbare plaats een voertuig of een rijdier te besturen of een bestuurder te begeleiden met het oog op de scholing.
§ 5. Vooraleer aan de persoon wordt toegestaan opnieuw een voertuig of een rijdier op een openbare plaats te besturen of de bestuurder te begeleiden met het oog op de scholing, wordt hem, in de gevallen bedoeld onder de §§ 3 en 4, een nieuwe ademanalyse of ademtest opgelegd.
In het geval deze ademanalyse of ademtest een alcoholconcentratie meet van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht of in geval van weigering zich hieraan te onderwerpen, wordt het verbod tot sturen of tot begeleiden verlengd met een periode van zes uren, te rekenen vanaf de nieuwe ademanalyse of de ademtest of de weigering.
In het geval evenwel deze ademanalyse of ademtest een alcoholconcentratie meet van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht wordt het verbod tot sturen of begeleiden verlengd met een periode van drie uren, te rekenen vanaf de nieuwe ademanalyse of ademtest.
De artikelen 59, § 3 en 63 zijn niet van toepassing.
§ 6. De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de toepassing van andere wettelijke bepalingen betreffende de beteugeling van de openbare dronkenschap.
§ 7. De overheidsagenten bedoeld in artikel 59, § 1, zijn belast met de toepassing van dit artikel.

Art. 61. <W 09-06-1975, art. 9> <W 09-07-1976, art. 28> Ieder persoon aan wie het (rijverbod) bedoeld in artikel 60 is opgelegd, moet op verzoek van de politie (...) het rijbewijs, of het als zodanig geldend bewijs waarvan hij houder is, afgeven voor de duur van het verbod tot sturen. <W 1999-03-16/34, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 09-04-1999> <W 2005-07-20/52, art. 22, 014 ; ED : 31-03-2006>
Wanneer de afgifte niet dadelijk kan gebeuren of wanneer de persoon aan wie het verbod is opgelegd niet verplicht is houder te zijn van een rijbewijs of van een als zodanig geldend bewijs, wordt het voertuig of het rijdier dat hij bestuurde of daartoe aanstalten maakte, op zijn kosten en risico, ingehouden.
(Na het verstrijken van de in artikel 60 bedoelde termijn wordt het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs niet teruggegeven indien artikel 55 wordt toegepast.) <W 1990-07-18/37, art. 32, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1994, zie KB 1994-11-21/33, art. 3>

HOOFDSTUK IXbis. - <Ingevoegd bij W 1999-03-16/34, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 09-04-1999> Andere stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden: test en tijdelijk rijverbod

Art. 61bis. <Ingevoegd bij W 1999-03-16/34, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 09-04-1999> § 1. De in artikel 59, § 1 bedoelde overheidspersonen kunnen de test bepaald in § 2 van dit artikel opleggen:
1° aan de vermoedelijke dader van een verkeersongeval of aan ieder die het mede heeft kunnen veroorzaken, zelfs indien hij het slachtoffer ervan is;
2° aan ieder die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing;
3° aan ieder die op het punt staat om op een openbare plaats een voertuig of een rijdier te besturen.
§ 2. De test bedoeld in § 1 van dit artikel bestaat uit:
1° eerst het vaststellen, door middel van een gestandaardiseerde testbatterij, van uiterlijke tekenen van vermoeden van invloed van één van de stoffen hierna bepaald, op de rijvaardigheid, en,
2° vervolgens, in de veronderstelling dat de tests bedoeld in 1° de uiterlijke tekenen bevestigen, het afnemen van een urinemonster waarop een kwalitatieve immunoassay wordt uitgevoerd voor het vaststellen van de aanwezigheid in het organisme van minstens één van de hierna bepaalde stoffen; beneden het overeenstemmende gehalte wordt het resultaat van de immunoassay niet in aanmerking genomen:

Stof Gehalte (ng/ml)

THCCOOH 50

Amfetaminen, MDMA, MDEA, MBDB 1000

Morfine 300

Benzoylecgonine 300

De in artikel 59, § 1 bedoelde overheidspersonen treffen de nodige maatregelen inzake de materiële organisatie voor het afnemen van de test en de nodige voorzorgen inzake discretie en hygiëne zodanig dat het privéleven en de persoonlijke levenssfeer worden geëerbiedigd.
§ 3. Het verzamelen van de gegevens van de test moet zich beperken tot de gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de overtredingen van deze wet, die op een openbare plaats zijn begaan. Deze gegevens mogen slechts worden gebruikt voor gerechtelijke doeleinden in verband met de bestraffing van deze overtredingen.
§ 4. De kosten van de test zijn ten laste van de onderzochte persoon indien de overtreding bepaald in artikel 37bis, § 1, 1°, bewezen is.
De kosten voor de tussenkomst van een geneesheer zijn eveneens ten laste van de onderzochte persoon indien de weigering bedoeld in artikel 61ter, § 1, 3°, niet gewettigd is.

Art. 61ter. <Ingevoegd bij W 1999-03-16/34, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 09-04-1999> § 1. Het besturen op een openbare plaats van een voertuig of van een rijdier of het begeleiden met het oog op de scholing is verboden aan iedere persoon die een voertuig of een rijdier bestuurde, op het punt stond te besturen of een bestuurder begeleidde met het oog op de scholing, gedurende twaalf uur vanaf de vaststelling:
1° wanneer de test de aanwezigheid in het organisme aantoont van minstens één van de stoffen bepaald in artikel 61bis, § 2;
2° wanneer tijdens de test het urinemonster niet kan worden afgenomen of het immunoassay niet kan worden uitgevoerd en de gestandaardiseerde testbatterij bepaald in artikel 61bis, § 2, eerste lid, uiterlijke tekenen van vermoeden van invloed aantoont van één van de stoffen bepaald in hetzelfde artikel;
3° in geval van weigering van de test zonder wettige reden.
Indien de persoon een wettige reden voor de weigering aanvoert, vorderen de in artikel 59, § 1 bedoelde overheidspersonen een geneesheer om het ingeroepen motief te beoordelen. De inhoud van de wettige reden mag door de geneesheer niet worden onthuld als ze door het medisch geheim wordt gedekt.
Indien de persoon desondanks uiterlijke tekenen vertoont van vermoeden van invloed van één van de stoffen bepaald in artikel 61bis, § 2, 2°, op de rijvaardigheid, dan is het rijverbod van twaalf uur wel van toepassing.
§ 2. Vooraleer aan de persoon wordt toegestaan om opnieuw een voertuig of een rijdier op een openbare plaats te besturen of de bestuurder te begeleiden met het oog op de scholing, wordt hem een nieuwe test, bedoeld in artikel 61bis, § 1, opgelegd.
Het rijverbod wordt telkens hernieuwd voor een periode van zes uur wanneer de test de aanwezigheid in het organisme aantoont van één van de stoffen bepaald in artikel 61bis, § 2, of wanneer, in het geval van § 1, 2°, van dit artikel, uiterlijke tekenen worden vastgesteld van vermoeden van invloed van één van deze stoffen op de rijvaardigheid.
§ 3. De overheidspersonen bedoeld in artikel 59, § 1, zijn belast met de toepassing van dit artikel.

Art. 61quater. <Ingevoegd bij W 1999-03-16/34, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 09-04-1999> Iedere persoon aan wie een rijverbod, bedoeld in artikel 61ter, is opgelegd, moet op verzoek van de politie (...) het rijbewijs, of het als zodanig geldend bewijs waarvan hij houder is, afgeven voor de duur van het rijverbod. <W 2005-07-20/52, art. 23, 014 ; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
Wanneer de afgifte niet dadelijk kan gebeuren of wanneer de persoon aan wie het verbod is opgelegd niet verplicht is houder te zijn van een rijbewijs of van een als zodanig geldend bewijs, wordt het voertuig of het rijdier dat hij bestuurde of op het punt stond te besturen, op zijn kosten en risico, ingehouden.
Na het verstrijken van de verbodstermijn wordt het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs niet teruggegeven indien artikel 55 wordt toegepast.

 

Nog dit: 

Grondwettelijk Hof, 27/03/2014, Leemte in de wet, RW 2014-2015, 140.

Rijden zonder rijbewijs na onmiddellijke intrekking en na verlenging van de intrekking: 

Tekst arrest:

Arrest nr. 52/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 8 maart 2013 heeft de Correctionele Rechtbank te Dendermonde de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schenden de bepalingen van art. 30, § 3 van het KB van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, zoals ingevoegd bij de wet van 7 februari 2003, art. 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 6 EVRM, in die zin geïnterpreteerd dat enkel de onmiddellijke intrekking door het openbaar ministerie bevolen met toepassing van art. 55 van het KB van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer strafbaar wordt gesteld, maar niet de onmiddellijke intrekking verlengd door de politierechtbank met toepassing van art. 55bis van het KB van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer?”.

...

In rechte

...

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op art. 30, § 3 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij KB van 16 maart 1968 (hierna: Wegverkeerswet), dat bepaalt:

“Met gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en met geldboete van 200 euro tot 2.000 euro of met een van die straffen alleen, en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of voorgoed, wordt gestraft hij die een motorvoertuig bestuurt terwijl zijn rijbewijs of het als zodanig geldende bewijs dat vereist is voor het besturen van dat voertuig met toepassing van artikel 55 onmiddellijk is ingetrokken”.

B.1.2. Het Hof wordt ondervraagd over de verenigbaarheid met art. 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 6 EVRM, van art. 30, § 3 van de Wegverkeerswet, indien die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij het rijden zonder rijbewijs bestraft wanneer het rijbewijs onmiddellijk is ingetrokken overeenkomstig art. 55 van de Wegverkeerswet, maar niet wanneer de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs is verlengd overeenkomstig art. 55bis van die wet.

...

B.3.1. Art. 55 van de Wegverkeerswet bepaalt:

“Het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs kan onmiddellijk ingetrokken worden:

1o in de gevallen bedoeld in de artikelen 60, §§ 3 en 4 en 61ter, § 1;

2o indien de bestuurder de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken;

3o indien het verkeersongeval, dat klaarblijkelijk aan een zware fout van de bestuurder te wijten is, aan een ander ernstige verwondingen of de dood heeft veroorzaakt;

4o indien de bestuurder of de persoon die hem begeleidt met het oog op de scholing, vervallen is verklaard van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van de categorie van het voertuig dat hij gebruikt;

5o indien de bestuurder een van de speciaal door de Koning aangewezen overtredingen bedoeld in artikel 29 van de tweede, derde of vierde graad heeft begaan of indien de bestuurder de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 20 kilometer per uur heeft overschreden binnen een bebouwde kom, zone 30, schoolomgeving, woonerf of erf of indien de bestuurder de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden;

6o indien de bestuurder een overtreding heeft begaan van artikel 62bis.

“Indien de bestuurder, in de gevallen bedoeld onder 1o of 4o, begeleid wordt met het oog op de scholing, kan het rijbewijs waarvan de begeleider houder is, onmiddellijk ingetrokken worden.

“Onmiddellijke intrekking wordt bevolen door de procureur des Konings. Onmiddellijke intrekking kan echter alleen door de procureur-generaal bij het hof van beroep worden gelast indien de feiten tot de bevoegdheid van dit hof behoren

“De bestuurder of de persoon die begeleidt, bedoeld in de bepalingen van het eerste lid, 1o of in het tweede lid, is gehouden zijn rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs in te leveren op verzoek van de politie, na vordering van het openbaar ministerie dat de intrekking heeft bevolen. Doet hij dit niet, dan mag dit openbaar ministerie het in beslag nemen van het document bevelen.

“De politie deelt aan de betrokkene mede welk openbaar ministerie de intrekking van het rijbewijs heeft bevolen”.

B.3.2. Art. 55bis van dezelfde wet bepaalt:

Ҥ 1. De procureur des Konings kan een beschikking tot verlenging van de intrekking met ten hoogste drie maanden vorderen voor de politierechtbank.

“Tussen de datum van de dagvaarding en de datum van verschijning moet een termijn van ten minste zeven dagen gelaten worden.

“Artikel 146, tweede en derde lid van het Wetboek van Strafvordering is van toepassing.

“Onverminderd de wettelijke bepalingen bevat de dagvaarding tevens een opgave van de feiten die de gedaagde in die stand van het onderzoek ten laste worden gelegd.

Ҥ 2. De politierechtbank doet uitspraak in openbare terechtzitting binnen vijftien dagen na de beslissing tot intrekking door het openbaar ministerie.

“De beschikking tot verlenging van de intrekking vermeldt nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de feiten die de gedaagde in die stand van het onderzoek ten laste worden gelegd en de redenen waarom de rechter de intrekking door de procureur des Konings verlengt.

“De beslissing over de kosten wordt aangehouden teneinde er over te beslissen overeenkomstig artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering.

“Tegen deze beschikking tot verlenging van de intrekking is enkel verzet mogelijk overeenkomstig artikel 187, eerste tot vierde lid van het Wetboek van Strafvordering.

“Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot intrekking niet.

Ҥ 3. De politierechter belast met de behandeling ten gronde, is niet gebonden door de omschrijving van de feiten zoals weerhouden naar aanleiding van de aflevering van de beschikking tot verlenging van de intrekking.

“§ 4. In afwijking van § 1 kan de procureur des Konings of, bij delegatie, een officier van gerechtelijke politie, op het ogenblik van de intrekking, de dader van de overtreding oproepen om te verschijnen voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank binnen een termijn van vijftien dagen.

“Hij stelt hem in kennis van de beslissing een beschikking tot verlenging van de intrekking te vorderen, geeft een opgave van de feiten die hem ten laste worden gelegd alsook de plaats, de dag en het uur van de zitting van de politierechtbank en deelt hem mede dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen.

“Deze kennisgeving en mededeling worden in een proces-verbaal vermeld, waarvan hem onmiddellijk een kopie wordt overhandigd.

“Deze kennisgeving geldt als dagvaarding om voor de politierechtbank te verschijnen.

Ҥ 5. De procureur des Konings kan ten laste van de dader van de overtreding een beschikking tot hernieuwing van de verlenging met ten hoogste drie maanden vorderen bij de politierechtbank.

“Hij dagvaardt de betrokkene overeenkomstig § 1 ten laatste vijftien dagen vóór het verstrijken van de termijn van de aanvankelijke beschikking.

“§ 6. De politierechtbank doet in openbare terechtzitting uitspraak overeenkomstig §§ 2 en 3 vóór het verstrijken van de aanvankelijke beschikking tot verlenging.

“§ 7. In afwijking van § 6 en op voorwaarde dat de procureur des Konings voor diezelfde zitting ten gronde heeft gedagvaard, kan de politierechtbank onmiddellijk kennis nemen van de grond van de zaak”.

B.4. Art. 55 van de Wegverkeerswet beoogt de gevallen van onmiddellijke intrekking van het rijbewijs door het openbaar ministerie voor een maximumduur van vijftien dagen, terwijl art. 55bis van dezelfde wet de verlenging toelaat van een dergelijke maatregel door de politierechter gedurende twee bijkomende periodes van ten hoogste drie maanden.

B.5. Op grond van art. 55 van de Wegverkeerswet kan het openbaar ministerie onmiddellijk het rijbewijs intrekken van, onder meer, bestuurders die een zware verkeersovertreding begaan, bestuurders die rijden onder invloed van alcohol of andere stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden, bestuurders die door een zware fout een verkeersongeval teweegbrengen dat aan een ander ernstige verwondingen of zelfs de dood veroorzaakt, en bestuurders die de opsporing en de vaststelling van overtredingen tegenwerken.

Volgens de parlementaire voorbereiding van het voormelde art. 55 strekt de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs ertoe de verkeersveiligheid te bevorderen. De wetgever was van oordeel dat “de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs [...] ertoe [zou] bijdragen de gevaarlijke bestuurders, in afwachting dat er een rechterlijke beslissing getroffen wordt, uit het verkeer te verwijderen en [...] de bestuurders tot het nakomen van de reglementen [zou] aanzetten” (Parl.St. Senaat 1962-63, nr. 68, p. 9; Parl.St. Kamer 1989-90, nr. 1062/7, p. 65).

B.6.1. Art. 55bis van de Wegverkeerswet, ingevoegd bij art. 16 van de wet van 20 juli 2005 “tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer”, is aangenomen om tegemoet te komen aan het arrest nr. 154/2004 van 22 september 2004, waarbij het Hof art. 25 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid heeft vernietigd.

B.6.2. Die bepaling vindt haar oorsprong in het amendement nr. 73 bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, dat heeft geleid tot het aannemen van de voormelde wet van 20 juli 2005.

Dat amendement werd als volgt verantwoord:

“De noodzaak van een verlenging van de intrekking kan zich opdringen. Het blijkt niet noodzakelijk de verschillende toepassingsgevallen in de wet op te sommen; met het oog op een uniforme toepassing is het wel aangewezen dat de minister van Justitie richtlijnen uitvaardigt, nadat hij het advies van het college van procureurs-generaal heeft ingewonnen.

“De zinsnede “zetelend in strafzaken” of “zetelend in strafrechtelijke zaken” is verwarrend. De politierechter neemt slechts een veiligheidsmaatregel en doet, wat de feiten betreft, slechts uitspraak te voorlopigen titel.

“Gelet op de korte tijdspanne waarbinnen de politierechter een beslissing dient te nemen, is de procedure bij dagvaarding de enige procedure die aan de gedaagde de nodige waarborgen biedt inzake rechtszekerheid en rechten van verdediging.

“Een dagvaardingstermijn van zeven dagen blijkt voldoende, aangezien de debatten in casu zich beperken tot de noodzaak van een dergelijke beveiligingsmaatregel en geen betrekking heeft [lees: hebben] op de strafmaat of de burgerrechtelijke aansprakelijkheid.

“Terecht werd niet voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep; het lijkt daarentegen wel aangewezen een mogelijkheid van verzet te voorzien. Het is immers nooit uitgesloten dat de dagvaarding de gedaagde niet heeft bereikt of dat de gedaagde niet ter terechtzitting kon aanwezig zijn ingevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

“Anderzijds is het aangewezen de toepasselijkheid van artikel 146, al. 3 van het Wetboek van Strafvordering te voorzien voor gevallen waarin het verder onderzoek van de eerstvolgende dagen ernstige aanwijzingen heeft opgeleverd dat een dergelijke verlenging zich opdringt.

“In elk geval dient de rechter te motiveren waarom hij een verlenging van de intrekking noodzakelijk acht.

“De opname in artikel 55bis in ontwerp van de verplichting plaats, dag en uur van de zitting en het recht op een advocaat te vermelden, is overbodig, aangezien deze verplichting elders in het Wetboek van Strafvordering en het Gerechtelijk Wetboek op meer uitvoerige wijze geregeld is; daarentegen is wel belangrijk te vermelden dat de feiten omschreven worden, zoals ze zich op dat ogenblik van de stand van het onderzoek laten omschrijven. Het is immers niet uitgesloten dat verder onderzoek (bv. de bloedanalyse) of het later overlijden van een verkeersslachtoffer een herkwalificatie van de feiten noodzakelijk maakt” (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-1428/013, p. 3 en 4).

B.6.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2005 blijkt dat de maatregel die erin bestaat een intrekking van het rijbewijs te verlengen, ertoe strekt bestuurders uit het verkeer te verwijderen die, na het verstrijken van de termijn van de aanvankelijke intrekking van het rijbewijs, voor zichzelf of voor andere weggebruikers een zodanig gevaar blijven vormen dat het noodzakelijk is op te treden zonder te moeten wachten op een eventuele jurisdictionele beslissing ten gronde.

B.7. Aangezien art. 55 en 55bis van de Wegverkeerswet voortspruiten uit dezelfde doelstelling die erin bestaat de gevaarlijke bestuurders uit het verkeer te verwijderen, waarbij de in art. 55bis beoogde maatregel bovendien in het verlengde ligt van de maatregel beoogd in art. 55, is het niet verantwoord dat het rijden zonder rijbewijs wanneer dat onmiddellijk is ingetrokken door het openbaar ministerie, bij de in het geding zijnde bepaling strafrechtelijk wordt bestraft, maar dat het rijden zonder rijbewijs tijdens de periode gedurende welke de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs door de politierechter is verlengd, strafrechtelijk niet wordt bestraft.

B.8. Die discriminatie vindt haar oorsprong echter niet in de in het geding zijnde bepaling, maar in een leemte in de wetgeving, die, overeenkomstig het wettigheidsbeginsel in strafzaken, alleen de wetgever kan verhelpen.

De toetsing van de in het geding zijnde bepaling aan de in B.1.2 vermelde verdragsbepaling zou niet tot een ruimere vaststelling van ongrondwettigheid kunnen leiden.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: vr, 03/11/2017 - 08:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.