-A +A

revindicatievordering en rechtsplegingsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
   

Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding bij de revindicatievordering wordt bepaald door de waarde van de gerevindiceerde goederen.

De kosten worden ten laste gelegd van de beslagene. zie veroordeling tot de kosten lastens de beslagene.

 

Rechtspraak:

• Burgerlijke Rechtbank te Gent, Beslagrechter – 27 mei 2008, RW 2008-2009, 1654

De S. t/ B. en G.

1. De vordering van de eiser had de revindicatie van enkele goederen tot voorwerp.

Het K.B. van 26 oktober 2007 maakt voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding een onderscheid tussen «geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen» (art. 2) en «geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen» (art. 3).

Voor wat betreft het bedrag van de «in geld waardeerbare vorderingen», verwijst art. 2 van het K.B. naar de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W.

Dit K.B. omschrijft niet het begrip «in geld waardeerbare vordering». Uit de verwijzing naar de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. moet evenwel worden afgeleid dat «een in geld waardeerbare vordering» moet worden gelijkgesteld met een vordering die een geldsom tot voorwerp heeft.

Een vordering tot revindicatie van goederen is niet een dergelijke vordering en de waarde van die vordering is niet bepaald (vgl. art. 592 Ger. W.).

De rechtsplegingsvergoeding in een geschil betreffende de revindicatie van goederen wordt bijgevolg bepaald door art. 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 (in die zin: J.-Fr. Van Drooghenbroek en B. De Coninck, «La loi du 21 avril 2007 sur la répétibilité des frais et honoraires d‘avocat», J.T. 2008, p. 41, nr. 13 en voetnoot 41).

Het basisbedrag bedraagt 1.200 euro, het minimumbedrag 75 euro en het maximumbedrag 10.000 euro.

2. Het nieuwe art. 1022, derde lid, Ger. W. bepaalt dat de rechter op verzoek van één van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, ofwel de vergoeding kan verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met:

– de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

– de complexiteit van de zaak;

– de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

– het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

3. De eerste verweerder vraagt de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro.

De eiser wijst op de beperkte waarde van de gerevindiceerde goederen, op zijn financiële toestand en op de context van zijn vordering tot revindicatie: hij revindiceerde goederen die bij zijn halfzus in beslag werden genomen.

De rechtbank stelt vast dat de gerevindiceerde goederen blijkens de voorgelegde stukken werden aangekocht in 2002-2003 voor (276,40 euro + 79,90 euro + 200 euro + 1.050 euro + 371,43 euro =) 1.977,73 euro in totaal.

Over zijn financiële toestand legt de eiser geen gegevens voor.

4. Het criterium van het «kennelijk onredelijk karakter van de situatie» werd door de wetgever niet verder toegelicht. De criteria die art. 1022, derde lid, Ger. W. vermeldt, gaan terug op het advies van de Hoge Raad voor de Justitie. De Hoge Raad voor de Justitie vermeldde de eerste drie criteria als mogelijke criteria voor de beoordeling van het «kennelijk onredelijk karakter van de situatie» (advies goedgekeurd door de algemene vergadering op 25 januari 2006, p. 18). De wetgever heeft evenwel naast die drie criteria, die hij overnam, het criterium van het «kennelijk onredelijk karakter van de situatie» behouden, zodat dit laatste criterium een autonome invulling kan krijgen. In het amendement dat aan de grondslag ligt van het nieuwe art. 1022 Ger. W. werd beklemtoond dat het hier gaat over een «fundamentele waarborg inzake de toegang tot het gerecht» en dat «de rechter (...) met name in staat (moet) zijn om de gevolgen van de verhaalbaarheid te kunnen aanpassen indien dat zou kunnen leiden tot situaties die duidelijk onrechtvaardig zijn voor de personen die zich in moeilijke financiële situaties bevinden» (Parl. St. Senaat, 2006-07, nr. 3- 1686/4, p. 4) (zie hierover ook: J.-F. Van Drooghenbroek en B. De Coninck, o.c., J.T. 2008, p. 45, nr. 31).

Bij de toepassing van de regels inzake verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat is vanuit het oogpunt van de toegang tot de rechter niet alleen het belang van de winnende procespartij in het geding, maar ook het belang van de verliezende procespartij.

Het recht op toegang tot de rechter komt immers niet alleen in het gedrang wanneer een in het gelijk gestelde partij de kosten die verbonden zijn aan het geschil niet kan verhalen, maar eveneens wanneer een partij ervoor terugschrikt zijn aanspraak gerechtelijk af te dwingen wegens het risico om bij afwijzing van zijn vordering ook een aanzienlijke vergoeding voor de kosten van de tegenpartij te moeten betalen.

5. De rechtbank stelt vast dat, hoewel een revindicatievordering niet «een in geld waardeerbare vordering» is, de reële inzet van de revindicatievordering nochtans wel wordt bepaald door de (onbepaalde) waarde van de goederen die het voorwerp van zo‘n vordering uitmaken.

De regel van art. 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 houdt daarmee geen rekening.

Vanuit het oogpunt van de toegang tot het gerecht kan dit leiden tot een kennelijk onredelijke situatie wanneer het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de gerevindiceerde goederen benadert.

Ermee rekening houdend dat de gerevindiceerde goederen in 2002-2003 werden aangekocht voor een bedrag van nog geen 2.000 euro, bepaalt de rechtbank het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding op 600 euro.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de revindicatievordering geen complexe zaak was en dat de vordering werd ingesteld op een ogenblik waarop de rechtsplegingsvergoeding op een aanzienlijk lager bedrag was bepaald, zodat de in het ongelijk gestelde eiser in elk geval geconfronteerd werd met een onvoorzienbare verzwaring van het proces(kosten)risico.
 

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.