-A +A

aanvangstermijn redelijke termijn in tuchtzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Krachtens art. 6.1. E.V.R.M. heeft eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij wet is ingesteld.

Een tuchtprocedure die voor gevolg heeft of, volgens de nationale wet, tot gevolg kan hebben dat aan de betrokkene tijdelijk of definitief een burgerlijk recht wordt ontnomen, namelijk het recht om nog langer een beroep uit te oefenen dat geen openbaar ambt is, wordt voor de toepassing van voormeld art. 6.1., beschouwd als een procedure met als voorwerp het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van die bepaling.

De redelijke termijn begint een dergelijke procedure te lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene wordt beschuldigd.

Een persoon is beschuldigd wanneer hij in verdenking wordt gesteld wegens het plegen van een tuchtrechtelijk strafbaar feit of wanneer hij wegens enige daad van onderzoek onder de dreiging van een tuchtvervolging leeft en dit een ernstige weerslag heeft op zijn persoonlijke toestand.

Het staat aan de rechter te bepalen in welke mate die dreiging een dergelijke weerslag heeft voor de betrokkene.

zie Cass 13 maart 2008, R.W. 2009-2010, 956, lees dit arrest met het paswoord van RW via deze link

Link naar rechtspraak over tuchtrecht en termijn

 

Gerelateerd
Nog dit: 

Zie evenwel

Raad van State 16 februari 2012, sterk verkort in RW 2012-2013, 147, lees in pdf het integrale arrest of lees het hierna.

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
A R R E S T
nr. 218.063 van 16 februari 2012
in de zaak A. 201.902/IX-7424
In zake : H. M.
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de POLITIEZONE HEIST-OP-DEN-BERG
bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 26 september 2011, strekt tot de
schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de burgemeester van de gemeente Heist-op-den-Berg van 25 juli 2011 waarbij H. M. de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.

II. Verloop van de rechtspleging
2. […]

III. Feiten

3.1. De verzoeker is inspecteur in de politiezone Heist-op-den-Berg.

3.2. Voorafgaand aan de tuchtprocedure die tot de middels het onderhavige beroep bestreden beslissing heeft geleid, werden twee tuchtprocedures tegen de verzoeker gevoerd naar aanleiding van feiten die los staan van de feiten waarvoor de verzoeker tH. tuchtrechtelijk gesanctioneerd is. Bij beslissingen van 29 mei 2008 en 24 mei 2010 werd de verzoeker in deze tuchtdossiers telkens een blaam opgelegd.

Eind 2009 loopt er ook een procedure tot herplaatsing van de verzoeker. Deze procedure heeft evenmin te maken met de feiten die aanleiding gegeven hebben tot de hier bestreden tuchtsanctie. Uiteindelijk wordt de verzoeker door de korpschef overgeplaatst naar de milieucel van de lokale politie. Het is in het raam van deze procedure dat de verzoeker kennis krijgt van een brief van 18 december 2009 van de procureur des Konings te Mechelen waarin wordt meegedeeld dat naar aanleiding van inlichtingen bekomen op het parket gebleken is dat er vanwege de magistraten geen vertrouwen meer is in de verzoeker als lid van de recherche “onder meer wat zijn werkzaamheden als rechercheur betreft”.

3.3. Op 12 november 2009 heeft verzoekers korpschef een onderhoud met de procureur des Koning van Mechelen waarbij hij in kennis wordt gesteld van het feit dat ten laste van de verzoeker door het parket een dossier werd geopend met als referte ME T/365/2009. Er wordt geen verdere concrete informatie over de feiten verstrekt.

Met een schrijven van 13 november 2009 -door de verzoeker voor kennisname en ontvangst ondertekend op 16 november 2009- stelt de korpschef de verzoeker in kennis van het bestaan van voormeld dossier bij het parket en deelt hij mee dat overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) de termijn van zes maanden inzake de kennisgeving van het inleidend verslag voor de feiten die het voorwerp uitmaken van het desbetreffende dossier, zal aanvangen op de dag dat hij door de gerechtelijke overheid in kennis wordt gesteld dat een gerechtelijke eindbeslissing is genomen, dat het dossier geseponeerd werd of dat de strafvordering is vervallen.

Vervolgens informeert de korpschef met brieven van 28 januari 2010, 13 april 2010 en 7 juni 2010 bij de procureur des Konings naar de stand van het onderzoek. De procureur des Konings antwoordt telkens dat het onderzoek nog niet werd afgesloten en dat de korpschef verder op de hoogte zal worden gehouden.

3.4. Bij brief van 1 juli 2010 van de procureur des Konings aan de burgemeester -de hogere tuchtoverheid van de verzoeker, toegekomen op 5 juli 2010, met referte ME T.365/2009, wordt de burgemeester ingelicht dat er op 20 mei 2010 lastens de verzoeker een gerechtelijk onderzoek bij de onderzoeksrechter is gevorderd en dat de verzoeker verdacht wordt van feiten die betrekking hebben op:

- aanranding van de eerbaarheid met geweld ten aanzien van minderjarigen jonger dan 16 j aar oud;
- aanranding van de eerbaarheid met geweld ten aanzien van een meerderjarige met misbruik van gezag;
- verkrachtingen op een bijzonder kwetsbaar persoon.

3.5. Op 6 juli 2010 beslist de korpschef om de verzoeker voorlopig
bij hoogdringendheid te schorsen voor een duur van maximum tien dagen.

3.6. Op 15 juli 2010 wordt deze beslissing door de burgemeester
bekrachtigd en wordt de verzoeker bij ordemaatregel een voorlopige schorsing opgelegd voor de duur van vier maanden zonder inhouding van wedde. De verzoeker heeft deze beslissing niet met een annulatieberoep bestreden.

3.7. Bij schrijven van 27 juli 2010 van de Procureur-generaal wordt
aan de burgemeester een kopie bezorgd van de brief van 22 juli 2010 van de procureur des Konings te Mechelen houdende de mededeling dat de verzoeker op 19 juli 2010 door de onderzoeksrechter in verdenking werd gesteld van aanrandingen van de eerbaarheid met geweld of bedreiging ten aanzien van minderjarigen jonger dan 16 jaar oud, van aanranding met geweld of bedreiging ten aanzien van een meerderjarige met misbruik van gezag en van verkrachtingen op een bijzonder kwetsbaar persoon, feiten die gesitueerd worden te Heist-op-den-Berg, in de periode van 1 september 1980 tot 1 oktober 2004, het laatste feit gepleegd zijnde in de maand september 2004.

3.8. Op 12 augustus 2010 vraagt de burgemeester de Procureur-generaal om toelating tot inzage en kopiename van het strafdossier.

3.9. Op 26 augustus 2010 beslist de burgemeester als hogere tuchtoverheid tot uitoefening van het evocatierecht in toepassing van artikel 18 van de tuchtwet. De verzoeker ondertekent deze beslissing op 30 augustus 2010 voor kennisneming en ontvangst.
3.10. Op 1 september 2010 vraagt de burgemeester opnieuw de Procureur-generaal om toelating tot inzage en kopiename van het strafdossier.

Bij brief van 21 september 2010 maakt de Procureur-generaal aan de burgemeester een kopie over van een deel van het strafdossier, met de vermelding dat de gegevens uit dit dossier enkel mogen worden aangewend in het raam van de tuchtprocedure.

3.11. Op 1 november 2010 beslist de burgemeester om de voorlopige schorsing van de verzoeker met vier maanden te verlengen, dit keer met een inhouding van 25% van de bruttowedde. Deze beslissing vermeldt als referte HTO 1/2010. De verzoeker heeft deze beslissing niet met een annulatieberoep aangevochten.

3.12. Na een vraag om te kunnen beschikken over eventuele nieuwe, bijkomende stukken van het strafdossier, wordt met een brief van 10 december 2010 door de Procureur-generaal een tweede deel van het strafdossier aan de burgemeester bezorgd, opnieuw met vermelding dat deze gegevens enkel mogen worden aangewend in het raam van de tuchtprocedure.

3.13. Op 26 december 2010 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op waarin zij tot het besluit komt dat feiten zoals vermeld in het verslag vaststaan, ze aan de verzoeker kunnen worden toegerekend en dat ze twee tuchtvergrijpen uitmaken, met name herhaaldelijk grensoverschrijdende gedragingen gesteld in de vorm van ongepast seksueel gedrag alsook het maken van een ernstige beroepsfout door in een dossier geen proces-verbaal op te stellen. De hogere tuchtoverheid formuleert vervolgens het voornemen om de verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen.
De verzoeker ondertekent dit verslag op 28 december 2010 voor kennisneming en ontvangst.

3.14. Op 31 januari 2011 wordt de verzoeker op zijn verzoek en met
bijstand van zijn verdedigers gehoord door de hogere tuchtoverheid. Hiervan wordt een proces-verbaal van verhoor opgesteld. Daaruit blijkt dat de verzoeker wenst dat drie bijkomende getuigen -oversten van de verzoeker- worden gehoord, met name zijn korpschef, de commissaris interne zaken en een hoofdinspecteur.

Op 2 februari 2011 wordt overgegaan tot een tegensprekelijk getuigenverhoor van de korpschef en de commissaris interne zaken. De burgemeester beslist tevens om de betrokken hoofdinspecteur niet te horen omdat deze in het strafdossier door de onderzoeksrechter werd gehoord en aangezien hij een gezin vormt met één van de personen die in het dossier als mogelijk slachtoffer wordt genoemd.

Op 9 februari 2011 hoort de hogere tuchtoverheid de verzoeker en zijn verdedigers opnieuw. De verzoeker legt daarna nog een aanvullend verweerschrift met bijlagen neer.

3.15. Op 10 februari 2011 vraagt de burgemeester aan de procureur des Konings om het door artikel 24 van de tuchtwet voorgeschreven advies.

3.16. Op 23 februari 2011 beslist de burgemeester om de voorlopige
schorsing van de verzoeker met inhouding van 25% van de bruttowedde met vier maanden te verlengen. De verzoeker heeft deze beslissing niet met een annulatieberoep bestreden.

3.17. Op 24 februari 2011 verstrekt de procureur des Konings het door artikel 24 van de tuchtwet voorgeschreven advies waarin zij zich volledig aansluit bij het voorstel van zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege.

3.18. Op 25 februari 2011 formuleert de hogere tuchtoverheid het voorstel tot het opleggen van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege.
Deze beslissing wordt aan de verzoeker betekend respectievelijk op 25 en 28 februari 2011 en door hem voor ontvangst getekend op 28 februari 2011 en op 4 maart 2011.

3.19. Tegen deze beslissing dient de verzoeker op 3 maart 2011 een verzoek tot heroverweging bij de tuchtraad in. Voor de tuchtraad vinden vervolgens op 27 april 2011, 18 mei 2011 en 15 juni 2011 hoorzittingen plaats.

3.20. Op 30 juni 2011 beslist de burgemeester nogmaals om de voorlopige schorsing van de verzoeker met inhouding van 25% van de bruttowedde met vier maanden te verlengen. De verzoeker vecht ook deze beslissing niet aan.

3.21. Op 13 juli 2011 verstrekt de tuchtraad zijn definitief advies over het verzoek tot heroverweging. In dit advies oordeelt de tuchtraad dat de ten laste gelegde feiten zoals vermeld onder punt 5.3 van het advies bewezen gebleven zijn en aan de verzoeker kunnen worden toegerekend, dat enkel de eerste tenlastelegging -heromschreven als “als politieambtenaar, de waardigheid van zijn ambt op een volstrekt laakbare wijze in het gedrang te hebben gebracht door, binnen en buiten dienstverband in de periode 1980 tot 2008, herhaaldelijk grensoverschrijdende gedragingen te hebben gesteld in de vorm van ongepast seksueel gedrag op kinderen, jonge pubers en labiele jongvolwassenen”- een zeer zware tuchtinbreuk uitmaakt in de zin van artikel 3 van de tuchtwet en dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege dient te worden opgelegd.

3.22. Op 25 juli 2011 beslist de hogere tuchtoverheid om
overeenkomstig het advies van de tuchtraad aan de verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt aan de verzoeker ter kennis gebracht met aangetekende brieven van 26 juli 2011 en 27 juli 2011.

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

Exceptie van de verwerende partij
4. De verwerende partij werpt op dat het beroep laattijdig is indien het verzoekschrift niet uiterlijk op 26 september 2011 is ingediend.

Beoordeling

5. Volgens artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moeten de vernietigingsberoepen worden ingediend binnen zestig dagen nadat de bestreden beslissing of verordening werd bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad.

6. De beslissing waarbij de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege werd opgelegd, is hem op 27 juli 2011 ter kennis gebracht. De termijn om tegen deze beslissing een beroep in te dienen, verstreek voor de verzoeker derhalve op maandag 26 september 2011.

De verzoeker heeft zijn verzoekschrift tot nietigverklaring op 26 september 2011 ter post aangetekend naar de Raad van State verzonden. Het verzoekschrift is aldus binnen de voormelde beroepstermijn ingediend.

7. Na de ontvangst van het verzoekschrift heeft de griffie van de Raad van State met een aangetekende brief van 29 september 2011 de verzoeker erop gewezen dat overeenkomstig artikel 3bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 zijn verzoekschrift niet op de rol wordt ingeschreven aangezien het niet vergezeld gaat van het vereiste aantal voor eensluidend verklaarde afschriften, een afschrift van de bestreden beslissing en de inventarisstukken en is hem gevraagd om binnen de vijftien dagen na de ontvangst van het schrijven zijn verzoekschrift in overeenstemming te brengen.

De verzoeker heeft daarop binnen de voorgeschreven termijn zijn verzoekschrift vervolledigd. Overeenkomstig artikel 3bis, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 wordt een tijdig geregulariseerd verzoekschrift geacht te zijn ingediend op de datum van de eerste verzending ervan.

8. Het beroep is derhalve tijdig ingesteld.

V. Onderzoek van de vordering

9. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Ernst van de middelen

A. Eerste, tweede en derde middel Vooraf

10. In het eerste, tweede en derde middel is in essentie de rechtsvraag aan de orde of de tuchtprocedure al dan niet tijdig is opgestart. De middelen worden dan ook samen behandeld.

Standpunt van de partijen

11. In een eerste middel, ontleend aan de schending van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet, voert de verzoeker aan dat het weerhouden tuchtfeit meer dan zes maanden v66r de betekening van het inleidend verslag aan de tuchtoverheid bekend was zodat de tuchtvordering verjaard is.

De tuchtoverheid stelt ten onrechte dat zij pas op 5 juli 2010 met het schrijven van de procureur des Konings van 1 juli 2010 kennis van de feiten heeft gekregen.

De verzoeker wijst in er in dat verband op dat reeds in 2000 een tuchtonderzoek werd gevoerd, dat de feiten voorts blijken uit een schrijven van de procureur des Konings van 19 oktober 2001 waarin gesteld wordt dat “daarnaast [ ... ] door mijn ambt een vertrouwelijke informatie [werd] uitgevoerd naar aanleiding van geruchten, dat betrokkene zich in ruimere familiekring zou plichtig gemaakt hebben aan niet nader bepaalde zedenfeiten op minderjarigen”, dat in 2004 een proces-verbaal is opgesteld en dat de feiten ten slotte ook blijken uit het schrijven van de procureur des Konings van 18 december 2009 waarbij het vertrouwen in de verzoeker is opgezegd.

De verzoeker merkt hierbij nog op dat hij nooit in kennis gesteld is van het voornemen van de tuchtoverheid om geen toepassing te maken van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet. Er is hem ook nooit een kennisgeving in de zin van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet betekend zodat hij mocht uitgaan van een toepassing van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet en in ieder geval heeft hij nooit tegen de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kunnen protesteren.

In een tweede middel, ontleend aan de schending van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet en de zorgvuldigheidsplicht, voert de verzoeker aan dat nooit een kennisgeving in de zin van voormeld artikel 56, tweede lid, is gebeurd.

Hij stelt dat de tuchtoverheid, die kennis heeft van het tuchtfeit sedert 2000, 2004 en 18 december 2009 door geen dergelijke kennisgeving te doen aangeeft dat zij over een voldoende kennis van de feiten beschikt zodat zij geen toepassing hoeft te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Daardoor mag de verzoeker er ontegensprekelijk van uitgaan dat toepassing gemaakt werd van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet zodat de tuchtvordering verjaard is.

In een derde middel, ontleend aan de schending van het beginsel van de redelijke termijn en van het zorgvuldigheidsbeginsel, voert de verzoeker aan dat de tuchtvordering verjaard was op het ogenblik van het betekenen van het inleidend verslag nu de tuchtoverheid van het weerhouden tuchtfeit reeds meer dan zes maanden voordien kennis had genomen en dat minstens de redelijke termijn overschreden is nu er jaren verstreken zijn tussen de feiten en het opleggen van de tuchtstraf, terwijl artikel 56 van de tuchtwet het bestuur niet verplicht om met de tuchtvordering te wachten.

Bovendien heeft de tuchtoverheid vanaf 2004 geen enkel initiatief genomen om de tuchtprocedure op te starten, ook niet na het schrijven van de procureur des Konings van 18 december 2009 waarbij het vertrouwen in hoofde van de verzoeker werd opgezegd.

Niets stond de tuchtoverheid nochtans in de weg om zelf een kort administratief onderzoek te starten indien zij van oordeel zou zijn dat zij onvoldoende was geïnformeerd.

Ten slotte verwijst de verzoeker ook naar het arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009 inzake Darville ter staving van de aangevoerde schending van de redelijke termijn.

12. De verwerende partij antwoordt op het eerste middel dat geen van de elementen waar de verzoeker naar verwijst een bewijs inhoudt dat de tuchtoverheid over een voldoende kennis van het tuchtfeit beschikte die van aard was de verjaringstermijn van de tuchtvordering een aanvang te laten nemen: het onderzoek dat in 2000 werd gevoerd leverde geen concrete feiten op; de brief van de procureur des Koning van 19 oktober 2001 verwijst naar een dossier dat geseponeerd werd bij gebrek aan bewijs, de procureur wijst er zelfs op dat het mogelijks een gefingeerde klacht betreft en er wordt slechts melding gemaakt van “geruchten” van “niet nader bepaalde” zedenfeiten waarbij uitdrukkelijk vermeld wordt dat noch de aard, noch het tijdstip, noch de slachtoffers door het onderzoek aan het licht kwamen; het proces-verbaal uit 2004 maakt melding van een mogelijke schending van het beroepsgeheim in hoofde van de verzoeker wat niets van doen heeft met het tuchtfeit dat de verzoeker tH. ten laste is gelegd en ook de brief van de procureur des Konings van 18 december 2009 bevat geen concrete aanwijzingen van het ten laste gelegde tuchtfeit. Vereist wordt dat de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige bewijskrachtige gegevens beschikt, louter op basis van geruchten kan en mag geen tuchtprocedure worden gestart.

Het is pas vanaf 5 juli 2010 dat de tuchtoverheid over een voldoende kennis van de feiten beschikte om een tuchtprocedure te starten en pas op dat moment begon de verjaringstermijn van de tuchtvordering te lopen. Het inleidend verslag is dan ook wel degelijk tijdig betekend en de tuchtvordering is niet vervallen door verjaring. Ondergeschikt stelt de verwerende partij nog dat er van een verjaring van de tuchtvordering geen sprake kan zijn zolang er geen definitieve beslissing is over de strafzaak.

Nopens het tweede middel antwoordt de verwerende partij dat er geen wettelijke bepaling bestaat die de tuchtoverheid verplicht om de betrokkene een kennisgeving te versturen van de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. De opschorting van de verjaring in geval van een opsporingsonderzoek of strafvervolging volgt immers uit de wet zelf zonder dat daarover een beslissing door de tuchtoverheid genomen moet worden. Of er al dan niet een mededeling gebeurt is niet van invloed op de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet.

Op het derde middel antwoordt de verwerende partij dat in zoverre de verzoeker aanvoert dat de tuchtfeiten verjaard zijn, verwezen kan worden naar haar repliek op het eerste middel. Wat betreft de aangevoerde schending van de redelijke termijn stelt zij dat in de loutere omstandigheid dat er jaren verstreken zijn tussen de feiten en het opleggen van de tuchtstraf geen schending van de redelijke termijn onderkend kan worden nu in tuchtzaken de redelijke termijn pas begint te lopen op het ogenblik dat de tuchtoverheid voldoende kennis heeft van de tuchtfeiten. In dat verband herhaalt zij dat de tuchtoverheid geen voldoende kennis had van de tuchtfeiten in 2000, 2004 en 2009, dat op deze tijdstippen geen tuchtprocedure kon of moest opgestart worden en dat er toen evenmin een aanleiding tot een administratief onderzoek bestond. Van zodra de tuchtoverheid wel een voldoende nauwkeurige kennis van de tuchtfeiten had heeft zij niet getalmd en de tuchtprocedure binnen een relatief korte termijn afgehandeld. De verwijzing naar het arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009 inzake Darville doet niet ter zake nu de tuchtoverheid de strafrechtelijke procedure niet heeft afgewacht, maar van zodra zij over de nodigde gegevens beschikte de tuchtvervolging heeft opgestart. Bovendien heeft de verzoeker in de procedure voor de tuchtraad herhaaldelijk gepleit dat de tuchtoverheid de afloop van de strafrechtelijke procedure had moeten afwachten zodat hij niet op ontvankelijke wijze de schending van de redelijke termijn kan aanvoeren.

Beoordeling

13. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luidt:
“De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.

In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.”

14. De verzoeker voert in het eerste middel vooreerst aan dat de tuchtvordering verjaard is nu de tuchtoverheid meer dan zes maanden v66r de betekening van het inleidend verslag kennis had van het tuchtfeit. Hij haalt ter staving vier elementen -uit 2000, 2004 en 2009- aan waaruit die kennis in hoofde van de tuchtoverheid zou moeten blijken.

15. Had de overheid op één van die tijdstippen kennis van het tuchtfeit dan moest zij, overeenkomstig artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet, op straffe van verval van de tuchtvordering de verzoeker binnen de zes maanden het inleidend verslag betekend hebben.

Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Op die manier wordt vermeden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens een tuchtprocedure wordt aangevat. Het is ook pas dan dat de verjaringstermijn bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet ingaat.

16. Vooreerst verwijst de verzoeker naar een tuchtonderzoek uit 2000.

Uit het neergelegde administratief dossier kan evenwel met voldoende zekerheid worden afgeleid dat in 2000 geen tuchtonderzoek tegen de verzoeker werd gevoerd. Vooreerst is er de verklaring van DGA O. Libois dat in het archief van de DGA geen enkel spoor terug te vinden is van een dossier of een tuchtbeslissing op naam van de verzoeker en voorts is er ook de verklaring van DirCo J.-C. Gunst dat in de archieven van de CSD Mechelen geen spoor te vinden is van een tuchtonderzoek of een tuchtbeslissing maar dat in de archieven van de FGP Mechelen wel een aantal stukken uit een opsporingsonderzoek terug te vinden zijn. Hierbij worden dan twee verklaringen -van CP W. GO. en CP H. Lucas- bijgevoegd waaruit blijkt dat tegen de verzoeker een gerechtelijk onderzoek heeft gelopen dat zonder concreet resultaat is afgesloten, waarna het dossier naar het toenmalig korps van de verzoeker werd doorverwezen. CP W. GO. verklaart niets te weten over enig intern onderzoek of het eventueel resultaat daarvan. Uit de verklaring van CP H. Lucas lijkt afgeleid te moeten worden dat er wel degelijk een onderzoek werd gevoerd, maar dat dit geen resultaten heeft opgeleverd. Ten slotte is er ook nog de brief van 19 oktober 2001 waarin de procureur des Konings omtrent het mogelijks bestaan van een tuchtonderzoek expliciet stelt dat hem door P. G., die het dossier op het Rijkswachtdistrict behandelde, is meegedeeld dat bij gebrek aan nadere gegevens geen formeel tuchtonderzoek lastens H. M. zou worden geopend.

Uit deze gegevens lijkt te kunnen worden afgeleid dat in 2000 geen tuchtonderzoek tegen de verzoeker werd gevoerd en in ieder geval blijkt niet dat de tuchtoverheid op dat moment over voldoende bewijskrachtige gegevens beschikte waaruit een kennisname van de feiten, in de zin van artikel 56 van de tuchtwet kan worden afgeleid.

17. Vervolgens wijst de verzoeker naar de brief van de procureur des Konings van 19 oktober 2001, die op verzoekers vraag aan het dossier betreffende zijn herplaatsing werd toegevoegd. Deze brief luidt als volgt:

“In antwoord op uw mailbericht van 16 oktober 2001 kan ik u mededelen dat de heer H. M. wel degelijk het voorwerp heeft uitgemaakt van een strafonderzoek onder notitie ME.37.31.101238-99 ten gevolge van een klacht van een gehandicapte meerderjarige vrouw, wegens sexueel misbruik. Het dossier werd zonder gevolg geklasseerd wegens gebrek aan bewijs. Mogelijk betrof het zelfs een gefingeerde klacht om aandacht te krijgen.

Daarnaast werd door mijn ambt een vertrouwelijke informatie gevoerd (Not. ME.T 197-99) naar aanleiding van geruchten, dat betrokkene zich in zijn (ruimere?) familiekring zou plichtig gemaakt hebben aan niet nader bepaalde zedenfeiten met minderjarigen. Het onderzoek heeft de juiste aard, het tijdstip van de feiten noch de identiteit van de slachtoffers kunnen aantonen.

Om die reden werd betrokkene dan ook niet gehoord en was hij terzake zelfs onwetend over het bestaan van dit dossier. Afschriften van dit dossier werden wel aan zijn toenmalige tuchtoverheid overgemaakt. De heer P. G. , die dit dossier op het Rijkswachtdistrict behandelde, deelde mij destijds mede dat bij gebrek aan nadere gegevens geen formeel tuchtonderzoek lastens M. zou geopend worden. Op de sectievergadering van 12 oktober 01 voor de aanwijzing van uw rechercheteam heeft commissaris GO. mij wel medegedeeld dat hij omtrent deze feiten een gesprek heeft gehad met betrokkene, waarbij alles ontkend werd maar niettemin diende toegegeven dat een therapeutische begeleiding met betrekking tot zijn sexuele geaardheid gevolgd werd.

Mijn ambt verzet zich niet tegen de opname van de heer M. in het rechercheteam. Wel lijkt het mij aangewezen betrokkene het verbod op te leggen onderzoeken te verrichten met betrekking tot sexuele delicten.”

Uit deze brief kan allerminst worden afgeleid dat de tuchtoverheid op dat moment weet had van voldoende concrete gegevens waaruit een kennisname van het tuchtfeit zou moeten blijken. Er wordt immers slechts gesproken over een dossier dat bij gebrek aan bewijs geklasseerd werd en over een onderzoek op basis van geruchten dat noch de juiste aard, noch het tijdstip van de feiten; noch de identiteit van de slachtoffers heeft kunnen aantonen.

18. Vervolgens verwijst de verzoeker naar een proces-verbaal uit 2004.

Dit proces-verbaal gaat over een mogelijke schending van het beroepsgeheim in hoofde van de verzoeker en bevat geen enkele verwijzing naar het tuchtfeit dat in de bestreden beslissing aan de verzoeker ten laste wordt gelegd. Er kan derhalve Geenszins worden aangenomen dat de tuchtoverheid op grond ervan over een voldoende kennis met betrekking tot het tuchtfeit beschikte die van aard zou zijn de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet voorziene termijn van zes maanden te doen ingaan.

19. Ten slotte verwijst de verzoeker naar de brief van de procureur des Konings van 18 december 2009. Deze brief luidt:

“Naar aanleiding van bekomen inlichtingen op het parket alhier is gebleken dat er vanwege magistraten geen vertrouwen meer is in H. M., lid van de recherche, onder meer wat zijn werkzaamheden als rechercheur betreft.”

Ook deze brief bevat geen enkele verwijzing die in verband gebracht kan worden met het aan de verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp en houdt dan ook allerminst het bewijs in dat de tuchtoverheid op grond ervan over voldoende bewijskrachtige gegevens met betrekking tot het tuchtfeit beschikte.

20. Dit noopt tot het besluit dat de verzoeker niet aantoont dat het vermeende tuchtonderzoek uit 2000, het schrijven van de procureur des Konings van 19 oktober 2001, het proces-verbaal uit 2004 of het schrijven van de procureur des Konings van 18 december 2009 de door artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet voorgeschreven verjaringstermijn van zes maanden heeft doen ingaan.

21. Voorts voert de verzoeker in het eerste en tweede middel aan dat de tuchtoverheid in 2000-2001, 2004 en 2009 nooit een kennisgeving overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet heeft betekend; dat de tuchtoverheid aldus heeft aangegeven dat zij over voldoende informatie beschikte zodat zij geen toepassing moest maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet en dat hieruit kan worden afgeleid dat de tuchtoverheid artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet heeft toegepast zodat de tuchtvordering verjaard is.

Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid -maar niet de verplichting- om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. De opschorting van de verjaringstermijn volgt in dat geval uit de wet zelf, zonder dat de tuchtoverheid daarover een beslissing moet nemen. Of de tuchtoverheid al dan mededeelt dat zij gebruik maakt van artikel 56, tweede lid, heeft geen invloed op de toepassing ervan.

De verzoeker kan dan ook niet zinvol aanvoeren dat een kennisgeving van de toepassing van dat artikel moest gebeuren. Zoals hiervoor is vastgesteld gaat de verzoeker er bovendien ten onrechte van uit dat de tuchtoverheid op de door de verzoeker aangehaalde tijdstippen reeds kennis had van het tuchtfeit.

22. Het is pas met de brief van 1 juli 2010 van de procureur des Konings -door de tuchtoverheid ontvangen op 5 juli 2010- dat de tuchtoverheid voor het eerst wordt meegedeeld dat lastens de verzoeker een gerechtelijk onderzoek bij de onderzoeksrechter is gevorderd en van welke feiten de verzoeker wordt verdacht. Er kan genoegzaam worden aangenomen dat de tuchtoverheid pas op dat moment over een voldoende kennis van het tuchtfeit beschikte.

23. Naast de grieven die de verzoeker in zijn eerste en tweede middel heeft aangevoerd, voert de verzoeker in zijn derde middel ook nog de schending aan van het beginsel van de redelijke termijn. Hij betoogt vooreerst dat er jaren verstreken zijn tussen de feiten en het opleggen van de tuchtstraf.

De redelijke termijneis in tuchtzaken heeft evenwel slechts betrekking op het verloop van de tuchtprocedure, en niet op de ouderdom van de ten laste gelegde feiten. Dat er jaren verstreken zijn tussen het zich voordoen van de feiten en de uiteindelijk opgelegde tuchtsanctie kan dan ook niet in aanmerking genomen worden om te oordelen over de redelijke termijn.

24. Vervolgens meent de verzoeker dat de redelijke termijn geschonden is doordat de tuchtoverheid in 2004 en 2009 geen enkel initiatief genomen heeft om de tuchtprocedure op te starten, terwijl niets een eigen administratief onderzoek in de weg stond.

Zoals hiervoor is gesteld bevat noch het PV uit 2004, noch de brief van de procureur des Konings van 18 december 2009 enige concrete aanwijzing die in verband gebracht kan worden met het tuchtfeit dat tot de hier bestreden tuchtsanctie heeft geleid. De tuchtoverheid beschikte op de door de verzoeker aangehaalde tijdstippen derhalve niet over voldoende nauwkeurige bewijskrachtige gegevens met betrekking tot het tuchtfeit die zouden impliceren dat zij een eigen administratief onderzoek diende te voeren of in staat zou zijn de tuchtprocedure op te starten. Er kan haar dan ook niet worden tegengeworpen dat zij onredelijk lang gewacht heeft om de nodige initiatieven te ontwikkelen nu zijn van het tuchtfeit geen kennis had.
25. Ten slotte tracht de verzoeker de schending van het beginsel van de redelijke termijn te staven met een verwijzing naar het arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009 inzake Darville.

Overeenkomstig hetgeen de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in zijn arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009, inzake Darville, kan de tuchtoverheid op grond van artikel 56 van de tuchtwet de tuchtrechtelijke vervolging uitstellen tot na de afloop van de strafrechtelijke procedure maar moet zij hierbij oog hebben voor het beginsel van de redelijke termijn: zij mag de tuchtrechtelijke vervolging slechts uitstellen wanneer zij, met de onderzoeksmiddelen waarover zij beschikt, geen beoordeling kan geven van de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd. Zij mag een personeelslid dat een tuchtmaatregel riskeert niet te lang in onzekerheid laten over zijn lot. De verplichting om het dossier van het personeelslid met bekwame spoed te behandelen, verplicht de tuchtoverheid om het administratieve onderzoek zo grondig mogelijk te voeren; zij moet zich ervan vergewissen of het voor haar in redelijkheid onmogelijk is om uitspraak te doen voordat de strafrechter een definitieve beslissing heeft genomen.

Terecht voert de verwerende partij aan dat de verwijzing naar dit arrest naast de kwestie is vermits de tuchtoverheid te dezen de uitslag van de strafrechtelijke tuchtprocedure niet heeft afgewacht. In tegendeel heeft de tuchtoverheid, van zodra zij met de brief van 1 juli 2010 van de feiten in kennis is gesteld herhaaldelijk de toelating gevraagd om inzage en kopie te nemen van het strafdossier. Na deze toelating en het volledige dossier te hebben verkregen heeft de tuchtoverheid vrijwel onmiddellijk de tuchtprocedure ingeleid -dit alles is geschied binnen de zes maanden na de kennisneming van de feiten- en deze vervolgens geheel afgehandeld binnen een termijn van zeven maanden. In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de tuchtoverheid de tuchtprocedure onredelijk lang heeft uitgesteld of niet binnen een redelijke termijn heeft afgehandeld.

26. De drie middelen zijn in geen van hun onderdelen ernstig. B. Vierde middle

Standpunt van de partijen

27. De verzoeker voert de schending aan van artikel 28 van de tuchtwet, van de discretieplicht en de zorgvuldigheidsplicht doordat de hogere tuchtoverheid te pas en te onpas in de media gecommuniceerd heeft over zijn tuchtdossier. De verzoeker verwijst in dat verband naar “talloze krantenknipsels” waaruit blijkt dat de hogere tuchtoverheid aan de media gemeld heeft dat de verzoeker ontslagen zou worden en dit nog voor dat de verzoeker in de mogelijkheid was gesteld om zich te verdedigen. Uit deze handelwijze blijkt bovendien ook een vooringenomenheid in hoofde van de tuchtoverheid.

28. De verwerende partij antwoordt dat gezien de feiten, het onvermijdelijk is dat de burgemeester door de pers voor reacties is gecontacteerd, maar dat deze steeds uiterst sereen met het dossier is omgesprongen: hij heeft geen informatie uit het dossier naar de pers gelekt, hij heeft steeds geweigerd aan de pers te onthullen over wie het concreet ging en evenmin heeft hij de beslissingen die hij zou nemen op voorhand in de pers aangekondigd.

De verzoeker toont het tegendeel niet concreet aan en beperkt zich tot een vage, algemene bewering. Bovendien kan de beweerde schending van de discretieplicht niet tot een vernietiging van de tuchtstraf leiden nu de verzoeker niet aantoont hoe hij erdoor in zijn belangen is geschaad.

Beoordeling

29. Artikel 28 van de tuchtwet luidt als volgt:
“De tuchtoverheden alsmede de voorzitters, de bijzitters en de secretaris van de tuchtraad en hun plaatsvervangers mogen onder meer geen ruchtbaarheid geven aan de feiten en documenten waarvan zij in die hoedanigheid kennis hebben gekregen.”

30. Samen met de verwerende partij wordt vastgesteld dat de verzoeker niet aantoont hoe hij door een gebeurlijke schending van de door artikel 28 van de tuchtwet in hoofde van de tuchtoverheid voorgeschreven discretieplicht in zijn belangen is geraakt en al evenmin concretiseert welke informatie de burgemeester op ontoelaatbare wijze zou verspreid hebben, maar zich in tegendeel beperkt tot een algemene en vage bewering die hij geenszins staaft. Hoe dan ook blijkt uit de in het administratief dossier neergelegde persberichten geenszins dat de burgemeester op ongeoorloofde wijze over het tuchtdossier gecommuniceerd zou hebben.

31. Het middel is niet ernstig.

C. Vijfde middel

Standpunt van de partijen

32. De verzoeker voert de schending aan van artikel 7 van de tuchtwet en van de zorgvuldigheidsplicht doordat de tuchtoverheid, ofschoon zij kennis had van meerdere tuchtvergrijpen in hoofde van de verzoeker, verzuimd heeft om deze tuchtvergrijpen samen te behandelen en in tegendeel verschillende tuchtprocedures heeft gevoerd, die elk geresulteerd hebben in een onderscheiden tuchtstraf.

De verzoeker verduidelijkt dat de tuchtoverheid minstens op 19 (lees: 13) november 2009 kennis had van het tuchtfeit dat tot de tH. bestreden tuchtsanctie heeft geleid. Op 26 december 2010 werd in het tuchtdossier T1/2010 naar aanleiding van dit tuchtfeit een inleidend verslag opgesteld maar de tuchtoverheid had reeds op 19 april 2010 eveneens in een tuchtdossier T1/2010 een inleidend verslag aan de verzoeker betekend en hem op 24 mei 2010 de tuchtstraf van de blaam opgelegd. De tuchtoverheid diende de feiten binnen dezelfde tuchtprocedure te beoordelen en nu zij zulks heeft nagelaten en de verzoeker gestraft heeft met de tuchtstraf van de blaam kon zij hem met de bestreden beslissing niet nogmaals straffen.

33. De verwerende partij merkt op dat de beide tuchtdossiers waarvan sprake weliswaar een zelfde volgnummer kregen maar dat de prefix verschilt, te weten T1/2010 -het eerste dossier waar de gewone tuchtoverheid de verzoeker de blaam heeft opgelegd- en HTO1/2010 -het tweede tuchtdossier waarin de. bestreden beslissing is genomen, en dat de onderscheiden feiten dus niet in één tuchtdossier werden bijgehouden. Zij betwist dat de twee tuchtdossiers samen behandeld konden worden en wijst er op dat artikel 7 van de tuchtwet slechts kan worden toegepast wanneer de tuchtoverheid gelijktijdig verschillende feiten aan een personeelslid kan toerekenen, hetgeen te dezen niet het geval was.

De feiten waarvoor op 24 mei 2010 de tuchtstraf van de blaam werd opgelegd waren immers voldoende duidelijk waardoor de verjaringstermijn voorzien in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet liep en het betekenen van het inleidend verslag noodzakelijk was. De feiten die tot de bestreden beslissing hebben geleid waren voor of tijdens die eerste tuchtprocedure niet aan de tuchtoverheid bekend; weliswaar heeft de korpschef van de verzoeker op 13 november 2009 beslist om de verjaringstermijn te schorsen gelet op het bestaan van een strafonderzoek, maar dit impliceert niet dat de feiten al aan de tuchtoverheid bekend waren en dat de verjaringstermijn ervoor liep.

Beoordeling

34. Artikel 7 van de tuchtwet luidt:
“Wanneer aan een personeelslid meer dan één tuchtvergrijp wordt toegerekend, kan tegen dat personeelslid slechts één tuchtprocedure worden aangespannen die slechts aanleiding kan geven tot één enkele tuchtstraf.

Wanneer aan het personeelslid in de loop van een tuchtprocedure een nieuw tuchtvergrijp wordt toegerekend, wordt wegens dat tuchtvergrijp een nieuwe tuchtprocedure aangespannen, zonder dat de lopende procedure daardoor gestuit wordt.

In geval van samenhang wordt het nieuwe tuchtvergrijp evenwel behandeld tijdens de lopende procedure.”

35. Artikel 7 van de tuchtwet bevat een regeling voor de samenloop van tuchtvergrijpen: wanneer meerdere tuchtvergrijpen aan een politieambtenaar kunnen worden toegerekend, mag slechts één tuchtprocedure worden opgestart.

De toepassing van dit artikel is evenwel beperkt tot de gevallen waarin de tuchtoverheid een personeelslid meerdere tuchtfeiten daadwerkelijk kan toerekenen. Heeft het personeelslid meerdere tuchtfeiten gepleegd dan schendt de tuchtoverheid artikel 7 van de tuchtwet niet wanneer zij de tuchtvordering enkel en alleen inleidt voor de feiten die zij op dat moment aan het personeelslid kan toerekenen. In tegendeel zal zij deze handelwijze moeten toepassen wil zij een gebeurlijke verjaring van de toerekenbare tuchtfeiten voorkomen.

36. Zoals hiervoor gesteld heeft de tuchtoverheid pas op 5 juli 2010 een voldoende nauwkeurige kennis gekregen van de feiten die tot de hier bestreden tuchtsanctie hebben geleid. Het is dan ook pas vanaf dan dat het tuchtvergrijp aan de verzoeker “toegerekend” kon worden in de zin van artikel 7 van de tuchtwet.

De omstandigheid dat de korpschef van de verzoeker op 13 november 2009 de verzoeker in kennis stelt dat overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet de termijn van zes maanden voor kennisgeving van het inleidend verslag voor de feiten die het voorwerp uitmaken van het gerechtelijk onderzoek zal aanvangen op de dag dat hij door de gerechtelijke overheid in kennis wordt gesteld van de gerechtelijke eindbeslissing, doet daar geen afbreuk aan. Deze kennisgeving impliceert immers niet dat de tuchtoverheid in staat was om de feiten aan de verzoeker toe te rekenen.

Op het ogenblik dat de tuchtoverheid in staat was om het tuchtfeit dat tot de tH. bestreden beslissing heeft geleid toe te rekenen aan de verzoeker was de eerste tuchtprocedure reeds afgerond. Zij kon en diende dan ook geen toepassing van artikel 7 van de tuchtwet maken.

37. Het middel is niet ernstig.

D. Zesde middle

Standpunt van de partijen

38. De verzoeker voert de schending aan van de rechten van de verdediging, de hoorplicht en de zorgvuldigheidsplicht doordat geen voorafgaand onderzoek overeenkomstig artikel 25 van de tuchtwet en artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de tuchtwet heeft plaatsgevonden. Het gebrek aan voorafgaand onderzoek heeft er toe geleid dat hij nooit verzachtende argumenten heeft kunnen aanvoeren.

39. Pas nadat het voorstel van zware tuchtstraf werd geformuleerd kon de verzoeker zijn argumenten naar voor brengen op hoorzitting, maar op dat moment was de mening van de tuchtoverheid al gevormd en was de schending van de rechten van de verdediging en van het algemeen beginsel van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter reeds een feit.

De tuchtoverheid brengt geen gerechtelijke eindbeslissing bij en dient dus zelf de feiten te bewijzen. De tuchtoverheid heeft zich dienaangaande louter gesteund op de strafbundel waaruit veel tegenstrijdigheid en twijfel blijkt en waaraan zij een eigen interpretatie geeft, zonder rekening te houden met de elementen à décharge. Bij gebrek aan voorafgaand onderzoek door de tuchtoverheid moet besloten worden dat de ten laste gelegde tuchtvergrijpen niet bewezen zijn.

39. De verwerende partij repliceert dat de tuchtwet de tuchtoverheid niet verplicht om een voorafgaand onderzoek te voeren en de mogelijkheid biedt de tuchtprocedure op basis van het strafdossier te voeren indien de feiten op grond daarvan de feiten bewezen kunnen worden verklaard en aan het personeelslid worden toegerekend. Zelfs indien een voorafgaand onderzoek zou zijn gevoerd is het middel niet ernstig nu de rechten van de verdediging slechts van toepassing zijn tijdens de tuchtprocedure zelf en ze gedurende de tuchtprocedure ook geëerbiedigd werden. Dat de tuchtoverheid bij aanvang van de tuchtprocedure vooringenomen zou zijn is een loutere bewering van de verzoeker die door niets wordt gestaafd.

Beoordeling

40. De verzoeker voert de schending aan van de rechten van de verdediging doordat voorafgaand aan de tuchtprocedure geen voorafgaand onderzoek is gevoerd. Uit het gebrek aan voorafgaand onderzoek concludeert de verzoeker ook dat de feiten niet bewezen zijn.

Terecht stelt de verwerende partij dat de tuchtwet de tuchtoverheid niet verplicht tot het voeren van een dergelijk voorafgaand onderzoek. Bovendien zijn de rechten van de verdediging slechts van toepassing tijdens de tuchtprocedure zelf, die pas een aanvang neemt bij het betekenen van het inleidend verslag.

De afwezigheid van een voorafgaand onderzoek impliceert voorts niet dat de feiten voor bewezen gehouden kunnen worden. De tuchtoverheid kan immers de tuchtprocedure voeren op basis van het strafdossier indien zij meent op grond daarvan de feiten bewezen te kunnen verklaren en aan het personeelslid te kunnen toerekenen.

41. Voorts voert de verzoeker aan dat hij pas op de hoorzitting naar aanleiding van het inleidend verslag zijn argumenten heeft kunnen laten gelden terwijl de tuchtoverheid zich op dat moment reeds een mening had gevormd, waardoor zijn rechten van verdediging en het recht op een onafhankelijk en onpartijdig rechter geschonden is.

Waar de verzoeker een mogelijke schending van het onpartijdigheidsbeginsel ontwaart in het feit dat hij zijn verdediging heeft moeten voeren voor een orgaan dat zich voordien reeds een oordeel had gevormd over de zaak, weze opgemerkt dat in deze de wettelijk voorgeschreven regel gevolgd werd en dat, gelet op die organisatie, in het feit dat de burgemeester eerst het inleidend verslag opmaakte om pas daarna de verzoeker te horen, geen structurele partijdigheid kan worden gezien. Dat de tuchtoverheid zich in het concrete geval van de verzoeker voor de hoorzitting een definitieve mening heeft gevormd waardoor zij niet onafhankelijk meer zou zijn is niet meer dan een loutere bewering waarvoor de verzoeker zelfs geen begin van bewijs aanbrengt.

42. Het middel is niet ernstig.

E. Zevende middle

Standpunt van de partijen

43. De verzoeker voert de schending aan van artikel 34 van de tuchtwet en artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de tuchtwet doordat de tuchtoverheid bepaalde stukken uit het tuchtdossier zou hebben weggelaten om op die manier te laten uitschijnen dat zij pas op 5 juli 2010 van de feiten kennis heeft genomen.

44. De verwerende partij werpt op dat het middel onduidelijk en derhalve onontvankelijk is. Voorts benadrukt zij dat zij het tuchtdossier objectief heeft samengesteld, geen relevante stukken heeft weggelaten en dat de verzoeker het tegendeel niet aantoont. Zelfs wanneer geoordeeld zou worden dat bepaalde stukken zich niet in het tuchtdossier bevinden kan dit niet tot de nietigheid van de bestreden beslissing leiden nu de verzoeker in zijn verzoekschrift heeft nagelaten om te verduidelijken hoe hij door het weglaten ervan in zijn belangen is geschaad.

Beoordeling

45. Noch daargelaten de vraag of de Raad van State bevoegd is om te oordelen dat de verwerende partij bepaalde stukken uit het tuchtdossier bewust heeft achtergehouden, moet in ieder geval worden vastgesteld dat de verzoeker niet aangeeft welke stukken zich precies niet in het tuchtdossier bevinden en hoe de afwezigheid ervan hem concreet in zijn belangen heeft geschaad.

46. Het middel is niet ernstig.

F. Achtste middle

Standpunt van de partijen

47. De verzoeker ontleent het middel aan de schending van artikel 36 van de tuchtwet, van de rechten van verdediging en van de zorgvuldigheidsplicht. Hij voert vooreerst aan dat het gebrek aan voorafgaand onderzoek ertoe geleid heeft dat hij niet in de mogelijkheid was om op een degelijke wijze zijn verweer te voeren en getuigen op te roepen. Voorts laat hij gelden dat door het lange stilzitten van de tuchtoverheid zijn rechten van verdediging geschonden zijn nu de kans bestaat dat getuigen door het tijdsverloop belangrijke gegevens à décharge niet meer kunnen aanhalen. Ten slotte voert hij aan dat hij nooit de kans heeft gekregen om geconfronteerd te worden met bepaalde personen die verklaringen hebben afgelegd.

48. In zoverre de verzoeker het ontbreken van een voorafgaand onderzoek en het lange stilzitten van de tuchtoverheid aanklaagt, verwijst de verwerende partij naar hetgeen zij hieromtrent in respectievelijk het zesde en het derde middel heeft gerepliceerd.

Wat de grief betreft die betrekking heeft op de weigering van een confrontatie tussen de verzoeker en de personen die belastende verklaringen hebben afgelegd, wijst de verwerende partij er op dat de verzoeker de tuchtoverheid nooit om een dergelijke confrontatie verzocht heeft, dat de tuchtoverheid hieromtrent nooit een weigeringsbeslissing heeft genomen en terecht geoordeeld heeft om met kennis van zaken over het tuchtdossier te kunnen beslissen zonder de slachtoffers aan een nieuw verhoor te onderwerpen nu zij over het strafdossier kon beschikken waarin de gelijkluidende en duidelijke verklaringen van de slachtoffers zijn opgenomen. De verzoeker had bovendien, hetzij in zijn schriftelijk verweer, hetzij tijdens de hoorzittingen voor de hogere tuchtoverheid, de mogelijkheid om die verklaringen tegen te spreken maar heeft zulks niet gedaan.

Beoordeling

49. In de mate de verzoeker het ontbreken van een voorafgaand onderzoek en het lange stilzitten van de tuchtoverheid aanklaagt, wordt verwezen naar hetgeen met betrekking tot deze grieven in de beoordeling van het zesde en het derde middel is uiteengezet en waaruit blijkt dat deze grieven niet ernstig zijn.

50. Voorts voert de verzoeker aan dat hij nooit de kans heeft gekregen om geconfronteerd te worden met “bepaalde personen die verklaringen hebben afgelegd”
.
Artikel 36 van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid om hetzij op eigen initiatief, hetzij op initiatief van het betrokken personeelslid, over te gaan tot het verhoor van de getuigen die zij met het oog op een zorgvuldige besluitvorming nuttig acht.

De verzoeker verduidelijkt niet met welke personen hem een confrontatie werd geweigerd. Nu de verzoeker het heeft over “personen die verklaringen hebben afgelegd” kan worden aangenomen dat de verzoeker doelt op de personen die verklaringen à charge hebben afgelegd. In dat verband moet worden vastgesteld dat de verzoeker blijkens het dossier geen enkel initiatief heeft genomen om de tuchtoverheid om een confrontatie te vragen met personen die verklaringen à charge hebben afgelegd en dat de tuchtoverheid derhalve nooit negatief een over een dergelijke vraag heeft beschikt zodat de verzoeker niet met goed gevolg de tuchtoverheid kan tegenwerpen hem een dergelijke confrontatie ontzegd te hebben.

De verzoeker heeft tijdens de tuchtprocedure weliswaar gevraagd dat drie getuigen zouden worden gehoord en de tuchtoverheid is slechts gedeeltelijk op dat verzoek ingegaan nu zij het verhoor van één van de voorgestelde getuigen heeft geweigerd; het betreft evenwel geen getuigen die verklaringen à charge hebben afgelegd maar oversten van de verzoeker en daarenboven kan in de loutere omstandigheid dat door de tuchtoverheid niet werd ingegaan op een vraag tot confrontatie geen schending van de rechten van de verdediging worden onderkend nu artikel 36 van de tuchtwet voorziet in een discretionaire bevoegdheid in hoofde van de tuchtoverheid en de tuchtoverheid in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat een verhoor niet was aangewezen.

Het middel is niet ernstig.

G. Negende middel

Standpunt van de partijen
51. De verzoeker ontleent het middel aan de schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Hij voert aan dat de tuchtoverheid die de bestreden beslissing heeft opgelegd zich al eerder over zijn voorlopige schorsing heeft uitgesproken en in het kader daarvan heeft geoordeeld dat de verzoeker de feiten heeft gepleegd en dat ze ernstig zijn en aldus naar aanleiding van de tuchtprocedure deze instelling niet meer kan wijzigen zonder gezichtverlies te lijden en derhalve vooringenomen is.

Voorts stelt hij dat uit krantenknipsels duidelijk blijkt dat de hogere tuchtoverheid meer oog had voor het redden van het eigen imago dan om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid te bewaren.

53. De verwerende partij antwoordt dat het onpartijdigheidsbeginsel niet geschonden wordt door het feit dat de tuchtoverheid in dezelfde zaak reeds een preventieve schorsing heeft opgelegd aangezien dit een louter voorlopige ordemaatregel is. Voorts wijst zij er op dat uit de beslissingen tot preventieve schorsing Geenszins blijkt dat de tuchtoverheid de feiten op dat moment als vaststaand en bewezen beschouwde. Waar de verzoeker opmerkt dat de vooringenomenheid van de tuchtoverheid ook uit krantenartikels blijkt repliceert de verwerende partij dat de verzoeker nalaat te verduidelijken uit welke uitspraken dit zou moeten worden afgeleid en dat het middel in die mate dan ook onontvankelijk is.

Ten slotte wijst zij er nog op dat de verzoeker nagelaten heeft de wraking van de hogere tuchtoverheid op te werpen zodat het middel tH. niet meer voor de Raad van State kan worden aangevoerd.

Beoordeling

54. De loutere omstandigheid dat de tuchtoverheid in dezelfde zaak de verzoeker een ordemaatregel heeft opgelegd houdt op zich niet het bewijs van partijdigheid in. In de beslissingen over de preventieve schorsing van de verzoeker beperkt de tuchtoverheid zich tot de vaststelling dat er een gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd en dat de verzoeker voor die feiten in verdenking is gesteld. Zij doet geen enkele uitspraak over het bewijs van de feiten en de toerekening van het tuchtvergrijp. Dat zij de feiten waarvan de verzoeker in verdenking wordt gesteld als “ernstig” bestempelt, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissingen over de voorlopige schorsing geen standpunt heeft ingenomen over de schuld van de verzoeker.

De verzoeker toont niet aan waaruit zou blijken dat de tuchtoverheid door de ordemaatregel uit te spreken op een dusdanige manier een standpunt heeft ingenomen dat zij zonder gezichtsverlies te lijden na een later onderzoek van de feiten en de toerekening ervan aan de betrokkene hierover niet in volle vrijheid zou kunnen oordelen. De verzoeker maakt weliswaar melding van bepaalde “krantenknipsels” waaruit zou moeten blijken dat de tuchtoverheid meer oog had voor haar eigen imago dan voor het bewaren van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid, maar laat na aan te duiden welke uitspraken hij precies laakbaar vindt. Een dergelijke vage verwijzing vermag niet verzoekers stelling te onderbouwen.

55. Het middel is niet ernstig.

H. Tiende middle

Standpunt van de partijen

56. De verzoeker voert de schending aan van het beginsel “non bis in idem”. Hij laat gelden dat “bij beslissing genomen door de toenmalige tuchtoverheid waarvan weliswaar geen spoor meer terug te vinden is, [ ... ] er geoordeeld [werd] over de tuchtvervolging” en dat voormeld beginsel verhindert dat hij met de tH. bestreden tuchtstraf nogmaals voor dezelfde feiten wordt gestraft.

57. De verwerende partij repliceert in haar nota dat de verzoeker op geen enkel ogenblik voor dezelfde feiten reeds tuchtrechtelijk werd bestraft.

Beoordeling
58. De verzoeker stelt dat hij voor de feiten die tot de bestreden tuchtstraf hebben geleid reeds eerder tuchtrechtelijk is vervolgd en gestraft maar dat van die beslissing geen spoor meer terug te vinden is.

Vooreerst moet worden vastgesteld dat de verzoeker zelfs niet de minste inspanning levert om enigszins te verduidelijken over welke tuchtbeslissing hij het heeft. In de mate dat uit het gebruik van de term “toenmalige tuchtoverheid” afgeleid kan worden dat de verzoeker het heeft over de vermeende tuchtprocedure die in 2000-2001 tegen hem zou zijn gevoerd -waar hij in zijn eerste middel melding van maakt- kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middel waarin is vastgesteld dat er geen bewijzen zijn waaruit blijkt dat de toenmalige tuchtoverheid in 2000-2001 een tuchtprocedure tegen de verzoeker zou hebben gevoerd, laat staan dat hem een tuchtstraf zou zijn opgelegd.

59. Het middel is niet ernstig.

I. Elfde middle

Standpunt van de partijen

60. De verzoeker voert de schending aan van de omzendbrief COL 4/2003 van 20 mei 2003 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep, van het geheim van het strafonderzoek zoals omschreven in de artikelen 28quinquies en 57 van het Wetboek van Strafvordering, van de rechten van de verdediging, de zorgvuldigheidsplicht en van het vermoeden van onschuld doordat de Procureur des Konings de toelating heeft gegeven tot kopiename en verspreiding van het strafdossier, terwijl het op dat moment nog ter behandeling bij de onderzoeksrechter lag.

Dit heeft tot gevolg dat alle stukken uit het gerechtelijk strafonderzoek onrechtmatig verkregen bewijs zijn en aldus uit het tuchtdossier dienen te worden verwijderd, hetgeen impliceert dat er geen stukken meer terug te vinden zijn met betrekking tot de ten laste gelegde feiten waardoor deze niet langer als bewezen kunnen worden weerhouden.

De handelwijze van de tuchtoverheid vormt bovendien een ernstige schending van het vermoeden van onschuld en beknot verzoekers kansen op een fair gerechtelijk onderzoek en een eerlijk strafproces. Bovendien is zijn gerechtelijk dossier ettelijke malen gekopieerd en doorgegeven aan alle andere betrokkenen en waren alle andere tuchtzaken vervat in de kopie en is verzoekers privé-leven aldus te grabbel gegooid op de administratieve dienst en in de krant.

61. De verwerende partij antwoordt dat de stukken uit het strafdossier door de tuchtoverheid op volstrekt wettige wijze zijn verkregen. Indien de verzoeker van oordeel is dat zijn strafrechtelijke verdediging is geschaad moet hij dit opwerpen in het raam van de strafprocedure. Op de wettigheid van de tuchtprocedure heeft dit geen impact en van onrechtmatig verkregen bewijs kan derhalve geen sprake zijn.

Voorts betwist zij dat het strafdossier ettelijke malen gekopieerd en doorgegeven zou zijn. Zij benadrukt dat het dossier met de grootste discretie en uitsluitend in het raam van de tuchtprocedure is behandeld en dat enkel de overeenkomstig de tuchtwet voorgeschreven kopieën werden gemaakt.

Zij merkt op dat de verzoeker zich in dat verband beperkt tot een louter gratuite bewering zonder deze te staven en dat hetzelfde geldt voor de bewering dat in de kopie ook alle andere tuchtzaken waren vervat en dat het privéleven van de verzoeker te grabbel is gegooid op de administratieve dienst en in de krant. Zij beklemtoont dat de tuchtoverheid geen enkele informatie uit het strafdossier -zelfs niet de naam van de verzoeker- aan de pers heeft meegedeeld.

Beoordeling

62. Bij brieven van 21 september 2010 en 10 december 2010 heeft
de Procureur-generaal telkens een kopie van een deel van strafdossier aan de tuchtoverheid overgemaakt met de uitdrukkelijke toelating om deze stukken in de tuchtprocedure te gebruiken.

Aldus heeft de tuchtoverheid op een wettige wijze de stukken van het strafonderzoek verkregen en vermocht ze deze te gebruiken in haar tuchtonderzoek, dat los staat van het strafonderzoek. Er is dan ook geen sprake van een mogelijk onregelmatig verkregen bewijs, noch van een mogelijke schending van het vermoeden van onschuld of van een unfair tuchtproces.

Waar de verzoeker ten slotte ook nog aanvoert dat zijn gerechtelijk dossier ettelijke malen is gekopieerd en doorgegeven aan alle andere betrokkenen, dat alle andere tuchtzaken in de kopie waren vervat en dat zijn privéleven te grabbel is gegooid op de administratieve dienst en in de krant, wordt samen met de verwerende partij vastgesteld dat de verzoeker zich louter beperkt tot deze beweringen zonder ze concreet te staven. Bovendien wordt niet ingezien op welke wijze die incidenten een invloed zouden kunnen hebben op de regelmatigheid van de gevoerde tuchtprocedure.

63. Het middel is niet ernstig.

J. Twaalfde middel

Standpunt van de partijen

64. De verzoeker voert de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), van de rechten van verdediging en van de zorgvuldigheidsplicht. Hij stelt dat de tuchtoverheid niet over een gerechtelijke eindbeslissing beschikte en geen eigen administratief onderzoek heeft gevoerd en zich dus enkel baseert op de verklaringen die in het kader van het strafonderzoek werden afgelegd.

Deze verklaringen werden evenwel afgelegd zonder dat de verzoeker de kans kreeg om een beroep te doen op bijstand van een raadsman ofschoon dit recht gewaarborgd wordt door artikel 6, § 1 juncto artikel 6, § 3, c, van het EVRM. In het arrest Salduz t. Turkije heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) immers gewezen dat in principe onherstelbare schade wordt toegebracht aan de rechten van de verdediging indien incriminerende verklaringen die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder de aanwezigheid van een advocaat gebruikt worden voor een veroordeling. Op grond van die rechtspraak zijn belastende verklaringen die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder de bijstand van een advocaat als bewijs niet toelaatbaar en moeten ze worden uitgesloten wegens een onherstelbare schending van het recht van verdediging.

Ook conform de Belgische bewijsuitsluitingsleer moet het bewijs worden uitgesloten wanneer het gebruik ervan een schending van het recht op een eerlijk proces zou opleveren. Nu de verzoeker tijdens het strafonderzoek zonder bijstand van een advocaat werd verhoord dienen al zijn verklaringen alsook alle later afgelegde verklaringen uit het dossier te worden geweerd, hetgeen er toe leidt dat de tuchtoverheid de feiten niet meer kan bewijzen.

65. De verwerende partij antwoordt dat de Raad van State reeds herhaaldelijk heeft geoordeeld de waarborgen vervat in artikel 6 EVRM in beginsel niet van toepassing zijn op procedures voor organen van het actief bestuur en dat een onregelmatigheid bij de afwikkeling van de strafprocedure slechts de tuchtprocedure onregelmatig maakt wanneer de verzoeker aantoont dat hij wegens die onregelmatigheid zijn rechten in de tuchtzaak niet naar behoren heeft kunnen verdedigen. Te dezen levert de verzoeker dit bewijs niet; in tegendeel heeft hij zijn rechten van verdediging ten volle kunnen uitoefenen.

Daarenboven is het bewijs van de tuchtfeiten niet uitsluitend gesteund op verzoekers eigen verklaringen maar ook en vooral op de verklaringen van de slachtoffers zodat, zelfs wanneer abstractie gemaakt zou moeten worden van de verklaringen van de verzoeker, het Geenszins zo is dat de tuchtfeiten niet bewezen zouden zijn.

Voorts merkt zij op dat het Hof van Cassatie inmiddels in een aantal arresten over de Salduz-rechtspraak geoordeeld heeft dat het gebruik van verklaringen afgelegd tijdens een verhoor waarbij het recht op bijstand van een advocaat niet werd gehonoreerd het eerlijk karakter van het proces niet in de weg staat indien de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs worden gebruikt, er kennelijk geen misbruik of dwang werd aangewend en de verdachte zich tijdens het verhoor niet in kwetsbare positie bevond, dan wel dat aan de gebeurlijke kwetsbare positie op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd.

In het geval van de verzoeker moet in dat verband worden vastgesteld dat zijn verklaringen geen doorslaggevend bewijs vormen nu de feiten in hoofdzaak worden bewezen door de verklaringen van de slachtoffers, dat uit niets blijkt -en de verzoeker beweert zulks ook niet- dat misbruik of dwang werd gebruikt om de door hem afgelegde verklaringen te bekomen -de verzoeker werd verhoord door een magistraat wat voldoende garanties inhoudt op afwezigheid van dwang en misbruik- en dat de verzoeker zich ook niet in kwetsbare positie bevond nu hij op geen enkel ogenblik onder voorlopige hechtenis werd geplaatst.

Daarenboven had de verzoeker, nadat hij kennis had gekregen van de huiszoeking in zijn privéwoonst, ruimschoots de tijd om een raadsman te raadplegen alvorens zijn eerste verhoor plaats vond. Dat eerste verhoor vond overigens plaats tegenover de onderzoeksrechter en niet tegenover de politie.
Zelfs wanneer de Salduz-rechtspraak een invloed zou hebben op de tuchtprocedure moet derhalve worden vastgesteld dat verzoekers recht op een eerlijk strafproces niet in het gedrang werd gebracht.

Beoordeling

66. De waarborgen vervat in artikel 6 EVRM, zijn in beginsel niet van toepassing op procedures voor organen van het actief bestuur. Voorts stelt de Raad van State vast dat de verzoeker verwijst naar een onregelmatigheid begaan bij de afwikkeling van de strafprocedure. Indien dergelijke onregelmatigheid mogelijks de strafprocedure kan vitiëren, dan betekent dit nog niet dat zij ook de tuchtprocedure waarin het strafdossier wordt gebruikt, onregelmatig maakt. Dat zal enkel het geval zijn wanneer de verzoeker aantoont dat hij, wegens die onregelmatigheid, zijn rechten in de tuchtzaak niet naar behoren heeft kunnen verdedigen.

Dienaangaande wordt vastgesteld dat de verzoeker gedurende de volledige tuchtprocedure steeds de mogelijkheid heeft gehad om de door hem zonder de bijstand van zijn advocaat afgelegde verklaringen uit te leggen, te preciseren, te verbeteren, zelfs tegen te spreken en te verklaren dat ze onder dwang zouden zijn afgelegd. De verzoeker heeft deze mogelijkheid niet benut, laat staan dat hij ten aanzien van de tuchtoverheid het bewijs geleverd zou hebben dat de omstandigheid dat hij in afwezigheid van zijn advocaat verklaringen heeft afgelegd hem in zijn rechten binnen de tuchtprocedure heeft geschaad. Ook in de onderhavige procedure voor de Raad van State toont de verzoeker zulks niet aan.

67. Het middel is niet ernstig.

K. Dertiende middle

Standpunt van de partijen

68. De verzoeker voert de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht doordat de hogere tuchtoverheid zich steunt op feiten die niet bewezen zijn. Hij stelt dat nu hij de feiten ontkent, de tuchtoverheid zich niet uitsluitend kan steunen op de klacht van één persoon of op een versie van de feiten vernomen uit de tweede hand.

De tuchtoverheid steunt zich ten onrechte twijfelachtige klachten van jaren geleden en heeft geen onderzoeksmaatregelen bevolen zoals het horen van rechtstreekse getuigen en/of collega’s van de verzoeker. Evenmin is de verzoeker zelf gehoord, noch kreeg hij de mogelijkheid om een confrontatie aan te gaan.

69. De verwerende partij antwoordt dat de tuchtfeiten terecht bewezen werden verklaard en verwijst in dat verband naar de tekst van de bestreden beslissing waarin het advies van de tuchtraad dienaangaande is overgenomen.

Waar de verzoeker de schending van de zorgvuldigheidsplicht aanvoert doordat geen rechtstreekse getuigen werden gehoord merkt de verwerende partij op dat de tuchtoverheid terecht heeft geoordeeld om met kennis van zaken over het tuchtdossier te kunnen beslissen zonder de slachtoffers aan een nieuw verhoor te onderwerpen nu zij over het strafdossier kon beschikken waarin de gelijkluidende en duidelijke verklaringen van de slachtoffers zijn opgenomen.

De verzoeker had bovendien, hetzij in zijn schriftelijk verweer, hetzij tijdens de hoorzittingen voor de hogere tuchtoverheid, de mogelijkheid om die verklaringen tegen te spreken maar heeft zulks niet gedaan.

Waar de verzoeker de schending van de zorgvuldigheidsplicht aanvoert doordat hem een confrontatie werd geweigerd, antwoordt de verwerende partij dat de verzoeker de tuchtoverheid nooit om een dergelijke confrontatie heeft verzocht, dat de tuchtoverheid hieromtrent nooit een weigeringsbeslissing heeft genomen en dat deze grief bovendien onontvankelijk is nu deze niet voor de tuchtoverheid is opgeworpen. Wat het horen van de verzoeker zelf betreft merkt de verwerende partij op dat de verzoeker wel degelijk door de tuchtoverheid werd gehoord en zij verwijst in dat verband naar de processen-verbaal van de hoorzittingen.

Beoordeling

70. De verzoeker voert vooreerst aan dat de zorgvuldigheidsplicht is geschonden doordat de hogere tuchtoverheid zich steunt op feiten die niet bewezen zijn. De hogere tuchtoverheid kan, nu de verzoeker de feiten ontkent, zich voor het bewijs van de feiten niet beperken tot de verklaring van één getuige.

De Raad van State herinnert er aan dat wanneer hij als annulatierechter zijn wettigheidscontrole ten aanzien van bestuurshandelingen uitoefent, hij niet zelf de ware toedracht van de feiten vaststelt, maar enkel onderzoekt of de overheid met de gegevens waarover zij beschikte, in redelijkheid tot de door haar gedane vaststelling van de feiten is kunnen komen.

Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de tuchtoverheid in de bestreden beslissing van oordeel is dat de feiten van seksueel getint grensoverschrijdend gedrag in hun geheel moeten worden beschouwd nu zij het gevolg zijn van een voortdurende geestelijke ingesteldheid van de verzoeker die, gedurende de hele periode als hij daartoe de gelegenheid kreeg, misbruik maakte van personen van het andere geslacht die kwetsbaar en hulpeloos waren of dat leken te zijn.

Vervolgens neemt de tuchtoverheid aan dat tien van de veertien ten laste gelegde feiten bewezen zijn en dit op grond van de grote gelijkluidendheid van de verklaringen van de slachtoffers. Gelet op de stukken uit het administratief dossier is het Geenszins onzorgvuldig of onredelijk dat de tuchtoverheid oordeelt dat de tien feiten op grond van de gelijkluidende verklaringen van de slachtoffers als één samenhangend en bewezen geheel moeten worden beschouwd.

De verzoeker stelt bovendien ten onrechte dat hij de voor bewezen gehouden feiten heeft betwist nu zijn ontkenningen betrekking hebben op details zoals dingen die hij gezegd heeft of dat het zijn bedoeling niet was.
71. Voorts voert de verzoeker aan dat de tuchtoverheid onzorgvuldig heeft gehandeld door hem een confrontatie met de getuigen te weigeren en deze niet te verhoren.

Dit is in wezen een herhaling van wat de verzoeker in zijn achtste middel heeft aangevoerd zodat naar de beoordeling ervan verwezen kan worden om te besluiten dat het middel in die mate niet ernstig is.

72. Ten slotte voert de verzoeker de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht doordat hij zelf niet werd gehoord.

In dat verband moet worden vastgesteld dat de verzoeker gedurende de tuchtprocedure wel degelijk werd gehoord op de tijdstippen waarop de tuchtwet in zulks voorziet.

73. Het middel is in geen van zijn onderdelen ernstig.

L. Veertiende middle

Standpunt van de partijen

74. De verzoeker voert de schending aan van het redelijkheids-, het evenredigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de hogere tuchtoverheid -die in het voorstel van zware tuchtstraf het ontslag van ambtswege had voorgesteld-, nadat vast is komen te staan dat het overgrote deel van de feiten strafrechtelijk verjaard zijn en hij nooit genoegzaam is gehoord, zonder enige bijkomende motivering nog steeds dezelfde tuchtstraf oplegt.

75. De verwerende partij sluit zich aan bij de motivering van de strafmaat zoals de tuchtraad die in zijn advies heeft opgenomen en door de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing werd overgenomen. Zij merkt voorts nog op dat het evenredigheidsbeginsel slechts geschonden is wanneer voor feiten een straf wordt opgelegd waarvan het ondenkbaar is dat enige tuchtoverheid ze door die feiten zou opleggen.

Beoordeling

76. De tuchtoverheid beoordeelt discretionair de zwaarte van de tuchtstraf die zij wenst op te leggen. De Raad van State kan enkel een tuchtstraf vernietigen wanneer deze kennelijk in wanverhouding staat tot de bewezen feiten.

77. In de bestreden beslissing heeft de hogere tuchtoverheid zich voor wat betreft de motivering van de strafmaat aangesloten bij de motivering zoals de tuchtraad die in zijn advies heeft opgenomen.

De bestreden beslissing bevat op het vlak van de strafmaat aldus een uitgebreide motivering: de hogere tuchtoverheid heeft uitdrukkelijk uiteengezet waarom zij van oordeel is dat de verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd moet worden. Gezien de omstandigheden van de zaak kan de keuze voor die tuchtstraf Geenszins als kennelijk onredelijk worden beschouwd.

78. Dat de feiten mogelijks strafrechtelijk verjaard zijn, doet hieraan geen afbreuk. De tuchtoverheid heeft de feiten een eigen -niet strafrechtelijke- kwalificatie heeft gegeven, met name “herhaaldelijke grensoverschrijdende gedragingen gesteld in de vorm van ongepast seksueel gedrag”. Dat de tuchtoverheid vervolgens op grond van een eigen motivering tot de conclusie komt dat deze gedragingen een verder functioneren van de verzoeker binnen het politiekorps onmogelijk maakt, is niet kennelijk onredelijk.
De omstandigheid dat de verzoeker niet genoegzaam werd gehoord vermag niet tot de conclusie te leiden het evenredigheidsbeginsel geschonden is. Daarenboven is reeds bij de beoordeling van het vorige middel vastgesteld dat de verzoeker wel degelijk op de gepaste tijdstippen door de tuchtoverheid werd gehoord.

79. Het middel is niet ernstig.

M. Vijftiende middle

Standpunt van de partijen

80. De verzoeker voert de schending aan van de strafrechtelijke verjaringstermijn en van de zorgvuldigheidsplicht doordat bij de hem opgelegde tuchtsanctie geen rekening gehouden wordt met de omstandigheid dat alle hem ten laste gelegde zedendelicten ondertussen strafrechtelijk verjaard zijn.

81. De verwerende partij antwoordt dat de strafrechtelijke verjaring van de feiten niet relevant is nu de verzoeker met de bestreden tuchtsanctie niet gestraft wordt voor het plegen van misdrijven maar voor “herhaaldelijke grensoverschrijdende gedragingen in de vorm van ongepast seksueel gedrag”. De strafrechtelijke verjaringstermijn kent een ander aanvangspunt dan de tuchtrechtelijke verjaringstermijn en dat de feiten mogelijks strafrechtelijk verjaard zijn impliceert dan ook niet dat ze tuchtrechtelijk verjaard zijn.

Beoordeling

82. Terecht merkt de verwerende partij op dat de verzoeker met de bestreden beslissing niet gestraft wordt voor zedendelicten maar voor “herhaaldelijke grensoverschrijdende gedragingen in de vorm van ongepast seksueel gedrag”, zonder dat hiermee een uitspraak wordt gedaan over de strafrechtelijke kwalificatie ervan. De omstandigheid dat de feiten -of een deel ervan- mogelijks strafrechtelijk verjaard kunnen zijn, staat er niet aan in de weg dat de tuchtoverheid kan oordelen dat die feiten “in strijd [zijn] met de waardigheid van het ambt en het vertrouwen dat de overheid naar de buitenwereld toe moet uitstralen” en dat “ze van aard [zijn] om het vertrouwen in het politiekorps zwaar aan te tasten”, en de feiten vervolgens als een tuchtvergrijp te kwalificeert. Dat de feiten mogelijks strafrechtelijk verjaard kan enkel in de strafrechtelijke procedure gevolgen hebben maar leidt niet tot de nietigheid van de bestreden tuchtbeslissing.

83. Het middel is niet ernstig.

N. Zestiende middle

Standpunt van de partijen

84. De verzoeker voert de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de formele motiveringswet), van de materiële motiveringsplicht en van artikel 38sexies van de tuchtwet waarin wordt bepaald dat de beslissingen en de voorstellen van beslissing van de hogere tuchtoverheid formeel moeten worden gemotiveerd.

Hij betoogt dat, nu één van de zwaarste tuchtstraffen wordt opgelegd, er in een zeer nauwkeurige en precieze motivering dient voorzien te worden.

De bestreden beslissing steunt evenwel slechts op de algemene mening van de hogere tuchtoverheid dat de verzoeker zich van dergelijke gedragingen moet onthouden, waarbij de hogere tuchtoverheid argumenten blijft aanhalen die door het onderzoek onderuit zijn gehaald en bovendien niet antwoordt op de argumentatie van de verzoeker.

Voorts wordt ook niet gemotiveerd waarom dezelfde tuchtstraf behouden moet blijven ook al wordt de hoofdmoot van de feiten als niet bewezen beschouwd, noch waarom niet wordt ingegaan op verzoekers vraag om te worden gehoord en om te worden geconfronteerd met de getuigen en al evenmin waarom zo lang gewacht werd om een tuchtstraf op te leggen.

85. De verwerende partij antwoordt dat wel degelijk voldaan is aan de formele motiveringsplicht nu in de bestreden beslissing het bewezen zijn van de feiten, de kwalificatie ervan als tuchtfeiten, de toerekenbaarheid ervan evenals de strafmaat aan bod komt.
Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat verzoekers verweer in aanmerking werd genomen. De grieven die de verzoeker aanvoert zijn naast de kwestie: de feiten die de verzoeker ten laste worden gelegd zijn

Geenszins door het onderzoek onderuit gehaald, er is wel degelijk geantwoord op de argumentatie van de verzoeker -getuige hiervan het voorstel van zware tuchtstraf, het advies van de tuchtraad en de bestreden beslissing-, de hoofdmoot van de feiten kan wel degelijk als bewezen worden beschouwd -enkel de tweede tenlastelegging met name het niet opstellen van een proces-verbaal werd niet als tuchtfeit weerhouden maar dit is Geenszins de hoofdmoot van het tuchtdossier-, de verzoeker is wel degelijk gehoord en hij heeft nooit om een confrontatie gevraagd zodat deze ook nooit werd geweigerd. Ten slotte is er niet lang gewacht om de verzoeker een tuchtstraf op te leggen nu de tuchtoverheid van zodra zij kennis kreeg van de concrete feiten meteen het nodige heeft gedaan en de tuchtprocedure binnen een relatief korte en alleszins binnen een redelijke termijn heeft afgehandeld.

Beoordeling

86. In tuchtzaken moet de tot uitdrukking gebrachte motivering de bestuurde duidelijk maken welke feiten het bestuur in aanmerking heeft genomen, waarom die feiten, indien zulks niet duidelijk is, een inbreuk op de tucht uitmaken en waarom zij de uiteindelijk opgelegde tuchtstraf rechtvaardigen.

De formele motiveringsplicht vereist evenwel niet dat verzoeker in de bestreden beslissing op elk van zijn grieven en argumenten een antwoord moet kunnen terugvinden. Het volstaat dat de bestuurde er de redenen in kan terugvinden die de beslissing verantwoorden en die hem kunnen doen begrijpen waarom zijn argumenten niet konden overtuigen. De bestuurde moet alzo kunnen inschatten of het zinvol is tegen de beslissing op te komen met de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen.

De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

87. De bestreden beslissing geeft duidelijk aan voor welke feiten de verzoeker wordt gestraft, waarom deze feiten als tuchtrechtelijk laakbaar worden beschouwd en waarom de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.

Het is derhalve geenszins zo dat de tuchtstraf slechts algemeen gebaseerd wordt op de mening van de tuchtoverheid dat een politieambtenaar zich moet onthouden van zulke gedragingen. Voorts wordt niet ingezien -en de verzoeker verduidelijkt dit ook niet- welke argumenten de hogere tuchtoverheid blijft aanhalen die door het onderzoek onderuit zijn gehaald.

Dat de hogere tuchtoverheid niet antwoordt op de argumenten van de verzoeker is onjuist nu de tuchtoverheid zich in de bestreden beslissing bij het advies van de tuchtraad, waarin deze argumenten werden weerlegd, heeft aangesloten. De verzoeker gaat er ten onrechte van uit dat de tuchtoverheid expliciet moet motiveren waarom zij het ontslag van ambtswege als tuchtstraf handhaaft terwijl “de hoofdmoot” van de feiten als niet bewezen moet worden beschouwd.

De tuchtstraf moet gemotiveerd worden op grond van de feiten die wel voor bewezen kunnen gehouden worden en zoals hiervoor is uiteengezet heeft de hogere tuchtoverheid dit gedaan en daarbij niet kennelijk onredelijk geoordeeld. Nu blijkt dat de verzoeker wel degelijk op de door de tuchtwet voorziene tijdstippen is gehoord, moet evident niet worden gemotiveerd waarom hij niet zou zijn gehoord.

Hetzelfde geldt voor wat betreft verzoekers vraag om geconfronteerd te worden, nu is vastgesteld dat er nooit een dergelijke vraag door de verzoeker aan de hogere tuchtoverheid werd gericht. Ten slotte is ook vastgesteld dat niet onredelijk lang gewacht werd om de verzoeker een tuchtsanctie op te leggen en in die omstandigheden is geen bijzondere motivering meer vereist om het tijdstip van de beslissing te verantwoorden.

88. Het middel is niet ernstig

89. Geen van de door de verzoeker aangevoerde middelen zijn ernstig. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 februari 2012, door de Raad van State, IXe kamer,
 

0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 31/01/2010 - 23:38
Laatst aangepast op: do, 18/09/2014 - 20:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.