-A +A

Zwijgrecht van verdachte bij handhaving van de voorlopige hechtenis

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 11/03/2014
A.R.: 
P.14.0377.N

Een verdachte heeft zwijgrecht en mag de hem verweten feiten ontkennen. Een voorlopige hechtenis kan niet worden verantwoord op de enkele grond dat de verdachte ontkent schuldig te zijn of weigert mee te werken met de met het onderzoek belaste overheden.

De omstandigheid dat een verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept en weigert mee te werken met de met het onderzoek belaste overheden, kan niettemin gevolgen hebben voor de wijze waarop het onderzoek moet worden gevoerd en de duur ervan. De rechter mag met die impact rekening houden bij de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis.

De duur van de voorlopige hechtenis heeft een invloed op de motiveringsverplichting van de handhavingsbeslissing, daar gronden die aanvankelijk afdoende leken door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen; daaruit vloeit evenwel niet voort dat de rechter bij de beoordeling van het recidivegevaar, het collusiegevaar en de redenen van openbare veiligheid geen acht meer zou mogen slaan op de ernstige aanwijzingen van schuld

ij de beoordeling van de redelijkheid van de duur van de voorlopige hechtenis kan de rechter rekening houden met het gevaar voor recidive; hij kan dit recidivegevaar ook afleiden uit strafrechtelijke antecedenten die niet vergelijkbaar zijn met de feiten waarvoor de verdachte in voorlopige hechtenis werd geplaatst

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/14
Pagina: 
932
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Openbaar Ministerie / P.S.)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 februari 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5, 3. EVRM en de artikelen 23, 4° en 30, § 4 voorlopige hechteniswet, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest dat eisers voorlopige hechtenis handhaaft schendt artikel 5, 3. EVRM en is niet wettig gemotiveerd; hoe langer de voorhechtenis duurt, hoe minder kan worden gesteund op de ernstige aanwijzingen van schuld en hoe dwingender de andere gronden die de voorhechtenis verantwoorden, dienen te zijn; in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot artikel 5, 3. EVRM zijn het recidivegevaar, het collusiegevaar en de redenen van openbare veiligheid, waarop het arrest steunt om eisers voorhechtenis te handhaven, niet meer relevant en voldoende om zijn voorhechtenis van meer dan 2 jaar nog te verantwoorden; met betrekking tot het recidivegevaar is aan te stippen dat eisers antecedenten niet vergelijkbaar zijn met de feiten waarvoor hij thans in voorlopige hechtenis is; het collusiegevaar wordt niet concreet aangeduid en het wordt enkel gekoppeld aan de ernstige aanwijzingen van schuld; bovendien is het onderzoek reeds in een eindfase; de redenen van openbare veiligheid verwijzen naar de ernstige aanwijzingen van schuld en de ernst van de telastlegging kan als dusdanig een lange periode van detentie niet rechtvaardigen.

2. Artikel 5, 3. EVRM bepaalt: “Eenieder die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid c) van dit artikel moet onmiddellijk voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene in rechte.”

Uit die bepaling, welke beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld.

3. Of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Die beoordeling mag niet abstract of algemeen gebeuren, maar moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak.

4. De duur van de voorlopige hechtenis heeft een invloed op de motiveringsverplichting van de handhavingsbeslissing, daar gronden die aanvankelijk afdoende leken door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen. Daaruit vloeit evenwel niet voort dat de rechter bij de beoordeling van het recidivegevaar, het collusiegevaar en de redenen van openbare veiligheid geen acht meer zou mogen slaan op de ernstige aanwijzingen van schuld.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. De appelrechters gronden hun beslissing tot handhaving van eisers voorlopige hechtenis niet enkel op de ernstige aanwijzingen van schuld of de ernst van het hem verweten misdrijf, maar ook op de complexiteit van het onderzoek, de vele verdachten, het aanneembaar gemaakt internationaal karakter, de houding van de eiser, het recidivegevaar, het gevaar voor collusie en de redenen van openbare veiligheid.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

6. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de duur van de voorlopige hechtenis kan de rechter rekening houden met het gevaar voor recidive. Hij kan dit recidivegevaar ook afleiden uit strafrechtelijke antecedenten die niet vergelijkbaar zijn met de feiten waarvoor de verdachte in voorlopige hechtenis werd geplaatst.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. Ook indien het gerechtelijk onderzoek naar een eindfase lijkt te evolueren, kan de rechter bij de beoordeling van de redelijkheid van de voorlopige hechtenis rekening houden met collusiegevaar.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. De appelrechters oordelen dat er collusiegevaar is. Zij wijzen daarbij op het gegeven dat er ernstige aanwijzingen van schuld zijn dat de eiser als tussenpersoon fungeerde tussen de opdrachtgever en de uitvoerders waarover in de huidige stand van het onderzoek geen volstrekte duidelijkheid is en er derhalve moet worden vermeden dat de eiser zowel met de opdrachtgever als met de nog niet geïdentificeerde mede-uitvoerders of andere tussenpersonen afspraken zou maken of op andere wijze het onderzoek zou beïnvloeden. In de vordering van de procureur-generaal, waarvan de appelrechters de redenen overnemen, wordt gedetailleerd ingegaan op de ernstige aanwijzingen voor de verbanden tussen de eiser, de opdrachtgever en de uitvoerders. Daarbij werd gewezen op het communiceren met briefjes en de wijze waarop de eiser met mede-inverdenkinggestelden contacten wilde leggen. Aldus geven de appelrechters niet abstract of algemeen, maar wel concreet aan waarin het door hen weerhouden collusiegevaar bestaat.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

9. Met eigen redenen en met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal, vermelden de appelrechters op concrete wijze de ernstige aanwijzingen van schuld, het recidivegevaar, het collusiegevaar en de redenen van openbare veiligheid die de handhaving van eisers voorlopige hechtenis noodzakelijk maken. Aldus omkleden zij hun beslissing regelmatig met redenen en verantwoorden zij die naar recht.

In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen.

Tweede onderdeel
10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5, 3. en 6 EVRM: het arrest motiveert de handhaving van eisers hechtenis op grond van de vaststelling dat hij niet zou meewerken aan het onderzoek wat strijdig is met artikel 6 EVRM; de eiser heeft het fundamentele recht om op grond van die bepaling zich op zijn zwijgrecht te beroepen en om niet mee te werken aan zijn incriminatie.

11. Een verdachte heeft zwijgrecht en mag de hem verweten feiten ontkennen. Een voorlopige hechtenis kan niet worden verantwoord op de enkele grond dat de verdachte ontkent schuldig te zijn of weigert mee te werken met de met het onderzoek belaste overheden.

12. De omstandigheid dat een verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept en weigert mee te werken met de met het onderzoek belaste overheden, kan niettemin gevolgen hebben voor de wijze waarop het onderzoek moet worden gevoerd en de duur ervan. De rechter mag met die impact rekening houden bij de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

13. Met de redenen dat “de houding van [de eiser] (…) niet van aard is het onderzoek te bespoedigen”, “de houding van [de eiser] die er de voorkeur aan geeft geen wezenlijke verklaring af te leggen - hetgeen zijn volledig recht is - (is) niet van aard (…) het onderzoek te bespoedigen”, “ondanks het mutisme waarin [de eiser] zich hult, de nationale gerechtelijke autoriteiten een bijzondere zorgvuldigheid aan de dag leggen teneinde in dit complexe dossier stelselmatig vooruitgang te boeken”, “[de inverdenkinggestelde], wat zijn goed recht is, blijft vasthouden aan zijn zwijgrecht, (wat) (…) immers niet van die aard (is) om het onderzoek (…) te bespoedigen” en “zijn houding tijdens het onderzoek”, gronden de appelrechters hun beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis niet op het gegeven dat de eiser zich op zijn zwijgrecht beroept en weigert mee te werken met de met het onderzoek belaste overheden, maar nemen zij slechts de gevolgen van de uitoefening van eisers rechten op het verloop en de duur van het onderzoek in aanmerking.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel
14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5, 3. EVRM en de artikelen 23, 4° en 30, § 4 voorlopige hechteniswet, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: de motivering door het arrest van het gevaar voor de openbare veiligheid, het recidivegevaar en het collusiegevaar is in quasi identieke bewoordingen gesteld als in de arresten van 24 april 2012, 7 augustus 2012, 5 februari 2013, 23 mei 2013, 22 augustus 2013 en 10 december 2013; artikel 5, 3. EVRM is geschonden door een steeds maar terugkerende motivering zonder dat wordt aangegeven waarom in een later stadium van de voorlopige hechtenis deze motieven nog steeds gelden.

15. De enkele omstandigheid dat de rechter de handhaving van de voorlopige hechtenis steunt op quasi dezelfde redenen als die op grond waarvan in een eerdere fase van de procedure de hechtenis van een verdachte werd gehandhaafd, levert geen schending op van de redelijke termijnvereiste van artikel 5, 3. EVRM, indien de rechter vaststelt dat de omstandigheden waarnaar die redenen verwijzen nog steeds bestaan.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

16. Met de redenen die het arrest bevat, geven de appelrechters aan dat het complexe karakter van de zaak, de vele verdachten, het aanneembaar gemaakt internationaal karakter van de zaak, de houding van de verdachte, het recidivegevaar, het collusiegevaar en de redenen van openbare veiligheid nog steeds actueel zijn. Aldus omkleden zij hun beslissing regelmatig met redenen en verantwoorden ze die naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel
17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5, 3. EVRM: het arrest grondt de verdere handhaving van de voorlopige hechtenis op de noodzaak voor het verder onderzoek, terwijl artikel 5, 3. EVRM, zoals het wordt uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, niet toelaat dit criterium te hanteren bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis.

18. Met de reden: “Overwegende dat dan ook de persoonlijkheid van [de eiser] en zijn specifieke rol bij de feiten, waartoe er aanwijzingen zijn, wel degelijk de noodwendigheid van een verdere aanhouding voor het verder onderzoek aantoont”, oordelen de appelrechters, gelet op de daarvoor vermelde redenen, niet dat het voortduren van eisers hechtenis noodzakelijk is voor het onderzoek, maar wel dat die hechtenis noodzakelijk is gelet op onder meer het in zijnen hoofde bestaande collusiegevaar en het gevaar voor recidive.

Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing
19. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 104,01 EUR.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 07/07/2017 - 14:36
Laatst aangepast op: vr, 07/07/2017 - 14:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.