-A +A

Zwijgrecht geldt ook ten aanzien van onderzoeken uitgevoerd door ambtenaren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 29/11/2011
A.R.: 
P.11.0113.N

Het is niet strijdig met de artikelen 6.1 E.V.R.M. en 14.1 I.V.B.P.R. en met de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het zwijgrecht dat bepaalde personen de verrichtingen moeten ondergaan, bedoeld in artikel 6 Wet Grondstoffen Landbouw, dat onder meer de ambtenaren en beambten van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, aangeduid door de Minister die de Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft, de bevoegdheid geeft de overtreding van deze wet en van de ter uitvoering daarvan genomen besluiten op te sporen en vast te stellen en in dat kader fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, burelen, boten, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen, stations, wagons, voertuigen en de in open lucht gelegen bedrijven te betreden, monsters te nemen, zich alle inlichtingen, bescheiden en geïnformatiseerde dragers van gegevens te doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en over te gaan tot alle nuttige vaststellingen, eventueel met de medewerking van deskundigen, gekozen uit een lijst door de bevoegde Minister opgemaakt; het is evenmin daarmee strijdig dat ter gelegenheid van een dergelijke onderzoeksverrichting, een persoon vrijwillig een zelfs voor hem belastende verklaring aflegt, maar deze persoon heeft wel het recht te zwijgen wanneer hij van oordeel is dat hij bij het afleggen van een verklaring verplicht zou worden zichzelf te incrimineren

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Larcier
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.11.0113.N
I
1. J M A V, beklaagde en burgerlijke partij,
2. L U V,
beklaagde en burgerlijke partij,
eisers,

tegen
1. DE BRABANDER VOEDERS nv, met zetel te 8800 Roeselare, Kaaistraat 70,
burgerlijke partij,
2. MENGVOEDERS HUYS nv, met zetel te 8000 Brugge, Krakeleweg 38,
burgerlijke partij,
3. HUYS FRANCE sa, met zetel te 02830 Saint-Michel (Frankrijk), Z.A. De l'Aouette,
burgerlijke partij,
4. DERCO INTERNATIONAL nv, met zetel te 9890 Gavere, Stationsstraat 159,
burgerlijke partij,
5. DE BRABANDER WINGENE nv, met zetel te 8750 Wingene, Tieltsesteenweg 8,
burgerlijke partij,
6. BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Landbouw en Middenstand, met kantoor te 1000 Brussel, Maria Theresiastraat 1, en in de persoon van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, met kantoor te 1210 Brussel, Kunstlaan 7,
burgerlijke partij,
7. WULLAERT ACTIVITIES nv, met zetel te 8610 Kortemark, Ieperstraat 53,
burgerlijke partij,
8. BROEIERIJ DAVID nv, met zetel te 8700 Schuiferskapelle, Uitweg 3,
burgerlijke partij,
9. HENDRIX VOEDERS bv, met zetel te NL-5830 AE Boxmeer (Nederland), Veerstraat 38, P.0. Box 220,
burgerlijke partij,
10. HENDRIX nv, met zetel te 8770 Ingelmunster, Zuidkaai 6,
burgerlijke partij,
11. V G,
burgerlijke partij,
12. M D Z,
burgerlijke partij,
13. LAFAUT bvba, met zetel te 8980 Beselare, Klokhofstraat 13,
burgerlijke partij,
14. P L,
burgerlijke partij,
15. K L,
burgerlijke partij,
16. A L,
burgerlijke partij,
17. Koen DEJAEGHERE, wonende te 8900 Ieper (Boezinge), Hemelrijkstraat 6,
burgerlijke partij,
18. Daniël DEJAEGHERE, wonende te 8920 Langemark (Poelkapelle), Stroombeekstraat 7,
burgerlijke partij,
19. BERKENHOF nv, met zetel te 8800 Roeselare, Ieperstraat 542,
burgerlijke partij,
20. COUVOIR DE L'ETOILE sa, met zetel te 59122 Hondschoote (Frankrijk), Warmoesstraete 1703,
burgerlijke partij,
21. G W,
burgerlijke partij,
22. DE KROON - DE STROOPER nv, met zetel te 2330 Merksplas, Steenweg op Hoogstraten 141,
burgerlijke partij,
23. MOONEN nv, met zetel te 2382 Ravels (Poppel), Dorp 83,
burgerlijke partij,
24. FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN, openbare instelling, met kantoor te 1000 Brussel, W.T.C. III, Simon Bolivarlaan 30,
burgerlijke partij,
25. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van sociale zaken en volksgezondheid, met kantoor te 1020 Brussel, Kunstlaan 7,
burgerlijke partij,
26. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door zijn regering in de persoon van de minister die de landbouw onder zijn bevoegdheid heeft, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19,
burgerlijke partij,
27. CALLEWAERT nv, met zetel te 8850 Ardooie, Berlingmolenstraat 64,
burgerlijke partij,
28. F V A,
burgerlijke partij,
29. J S,
burgerlijke partij,
30. D V D K,
burgerlijke partij,
31. W V B,
burgerlijke partij,
32. L C,
burgerlijke partij,
33. K B,
burgerlijke partij,
34. S B,
burgerlijke partij,
35. J C,
burgerlijke partij,
36. D D D,
burgerlijke partij,
37. A D K,
burgerlijke partij,
38. KEURSLAGER-TRAITEUR DE LA RUELLE bvba, met zetel te 2930 Brasschaat, Bredabaan 786,
burgerlijke partij,
39. R D P, wonende te 2390 Malle, Antwerpsesteenweg 222,
burgerlijke partij,
40. D&S PRODUCTS nv, met zetel te 2250 Olen, Sint-Maartensstraat 17,
burgerlijke partij,
41. DUERINCK bvba, met zetel te 2500 Lier, Leopoldplein 13,
burgerlijke partij,
42. F F,
burgerlijke partij,
43. H G,
burgerlijke partij,
44. K H,
burgerlijke partij,
45. J K,
burgerlijke partij,
46. F H,
burgerlijke partij,
47. K H,
burgerlijke partij,
48. G K,
burgerlijke partij,
49. F L,
burgerlijke partij,
50. D M,
burgerlijke partij,
51. J M,
burgerlijke partij,
52. A N,
burgerlijke partij,
53. L P,
burgerlijke partij,
54. W T,
burgerlijke partij,
55. G S,
burgerlijke partij,
56. E S,
burgerlijke partij,
57. P R,
burgerlijke partij,
58. G P,
burgerlijke partij,
59. A P,
burgerlijke partij,
60. J V N,
burgerlijke partij,
61. M V,
burgerlijke partij,
62. M V,
burgerlijke partij,
63. J V,
burgerlijke partij,
64. G V E,
burgerlijke partij,
65. VAN DER WEKEN bvba, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Statiestraat 53,
burgerlijke partij,
66. K V D P,
burgerlijke partij,
67. R V,
burgerlijke partij,
68. D V,
burgerlijke partij,
69. S D V,
burgerlijke partij,
70. G A,
burgerlijke partij,
71. VIVIUM nv, met zetel te 2018 Antwerpen 1, Desguinlei 92,
burgerlijke partij,
72. G C,
burgerlijke partij,
73. A V,
burgerlijke partij,
74. P T,
burgerlijke partij,
75. J V,
burgerlijke partij,
76. SUPER SERVICE WISKE nv, thans SPAR SUPERMARKT R&R, met zetel te 2260 Westerlo, Oeveldorp 13,
burgerlijke partij,
77. DORST nv, met zetel te 9800 Deinze, Kapellestraat 70,
burgerlijke partij,
78. VERSELE-LAGA nv, met zetel te 9800 Deinze, Kapellestraat 70,
burgerlijke partij,
79. RIJDENDE KIP nv, met zetel te 2580 Putte, Leuvensebaan 204,
burgerlijke partij,
80. ARAG nv, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 306,
burgerlijke partij,
81. J V,
burgerlijke partij,
82. J T,
beklaagde en burgerlijke partij,
83. J T,
beklaagde en burgerlijke partij,
84. FOGRA sprl, thans PROTELUX sprl, met zetel te 6880 Bertrix, rue de Grand-Enclos, Nevraumont 36,
burgerlijke partij,
85. INCOPACK nv, met zetel te 3650 Dilsen-Stokkem, Siemenslaan 21,
burgerlijke partij,
86. INCOROCK nv, met zetel te 3650 Dilsen-Stokkem, Siemenslaan 21,
burgerlijke partij,
87. SYNDICAT NATIONAL DES INDUSTRIES DE LA NUTRITION ANIMALE, afgekort S.N.I.A., met zetel te F-75007 Parijs (Frankrijk), Boulevard Latour-Maubourg 41bis,
burgerlijke partij,
verweerders.
II
1. J T, reeds vermeld,
beklaagde en burgerlijke partij,
2. J T, reeds vermeld,
beklaagde en burgerlijke partij,
eisers,
beiden tegen
1. DE BRABANDER VOEDERS nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
2. MENGVOEDERS HUYS nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
3. HUYS FRANCE sa, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
4. DERCO INTERNATIONAL nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
5. DE BRABANDER WINGENE nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
6. BELGISCHE STAAT, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
7. WULLAERT ACTIVITIES nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
8. BROEIERIJ DAVID nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
9. HENDRIX VOEDERS bv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
10. HENDRIX nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
11. V G, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
12. M D Z, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
13. FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
14. BELGISCHE STAAT, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
15. VLAAMS GEWEST, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
16. CALLEWAERT nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
17. F V A, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
18. W V B, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
19. L C, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
20. K B, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
21. S B, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
22. J C, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
23. D D D, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
24. A D K, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
25. KEURSLAGER-TRAITEUR DE LA RUELLE bvba, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
26. R D P, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
27. D&S PRODUCTS nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
28. DUERINCK bvba, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
29. F F, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
30. H G, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
31. K H, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
32. J K, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
33. F H, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
34. K H, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
35. G K, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
36. F L, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
37. D M, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
38. J M, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
39. A N, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
40. L P, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
41. W T, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
42. G S, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
43. E S, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
44. P R, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
45. G P, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
46. A P, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
47. J V N, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
48. M V, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
49. M V, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
50. J V, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
51. G V E, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
52. VAN DER WEKEN bvba, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
53. K V D P, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
54. R V, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
55. D V, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
56. S D V, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
57. G A, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
58. VIVIUM nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
59. G C, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
60. A V, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
61. P T, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
62. J V, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
63. SUPER SERVICE WISKE nv, thans SPAR SUPERMARKT R&R, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
64. DORST nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
65. VERSELE-LAGA nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
66. RIJDENDE KIP nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
67. ARAG nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
68. J V, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
69. J V, reeds vermeld,
beklaagde en burgerlijke partij,
70. L V, reeds vermeld,
beklaagde en burgerlijke partij,
71. VERKEST nv, thans PROFAT nv, met zetel te 9800 Deinze, Grijsbulckstraat 48,
burgerlijke partij,
72. INCOPACK nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
73. INCOROCK nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
74. SYNDICAT NATIONAL DES INDUSTRIES DE LA NUTRITION ANIMALE, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
verweerders,
evenals de eiser II.1 J T tegen
1. DE KROON - DE STROOPER nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
2. MOONEN nv, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
verweerders.

III
VERKEST nv, reeds vermeld,
belanghebbende derde,
eiseres,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 december 2010.

De eisers I Jan Verkest en Lucien Verkest voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Zij voeren tevens in een aanvullende memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eisers II Jacques Thill en Jacqueline Thill voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiseres III nv Verkest voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 8 september 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. De eiser I.1 Jan Verkest is voor de hem ten laste gelegde feiten A.I.3 en B.I.3 vrijgesproken.

De eiser I.2 Lucien Verkest is voor de hem ten laste gelegde feiten A.I.3 en B.I.3 vrijgesproken.

De eiser II.1 Jacques Thill is voor het hem ten laste gelegde feit M vrijgesproken.

De eiseres II.2 Jacqueline Thill is voor het haar ten laste gelegde feit M vrijgesproken.

Hun cassatieberoep tegen die beslissingen is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. De eerste rechter heeft zijn beslissing over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de burgerlijke rechtsvorderingen evenals de beslissing over de toewijzing van de vermogensvoordelen in voortzetting gesteld.

De appelrechters verklaren de hogere beroepen van de eisers "niet ontvankelijk voor zover deze gericht zijn tegen de beslissing van de eerste rechter om de beoordeling nopens de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de burgerlijke vorderingen op vaste datum uit te stellen" omdat die beslissing een maatregel van inwendige orde betreft waartegen geen verzet of hoger beroep openstaat. Zij wijzen verder "de verbeurdverklaarde vermogensvoordelen toe aan de burgerlijke partijen voor zover en in de mate dat hun vordering zou worden gegrond verklaard."

Die beslissingen zijn geen eindbeslissingen noch doen zij uitspraak in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste aanvullend middel voor de eisers I en eerste middel voor de eiseres III

3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest stelt vast dat op 19 juni 2009 een rechtszitting plaatsvond waarop het openbaar ministerie werd gehoord en waarop ook de partijen, beklaagden zowel als burgerlijke partijen, in hun middelen van verdediging werden gehoord; het proces-verbaal van de rechtszitting van 19 juni 2009 vermeldt dat het hof van beroep alsdan was samengesteld uit de raadsheren Philippe Janssen als waarnemend voorzitter, Bart Meganck en Arsène Colpaert; het hof van beroep stelde vervolgens de zaak in voortzetting naar de rechtszitting van 26 november 2009; de kamer van het hof van beroep was op de rechtszittingen na 19 juni 2009 telkens samengesteld uit de raadsheren Philippe Janssen als waarnemend voorzitter, Bart Meganck en Alexander Allaert die ook het arrest hebben gewezen; gelet op de gewijzigde samenstelling van de correctionele kamer van het hof van beroep na de behandeling op de rechtszitting van 19 juni 2009 kon het debat enkel regelmatig worden voortgezet en het arrest door die gewijzigde zetel enkel regelmatig worden gewezen indien het debat volledig werd hervat; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het debat na de behandeling van de zaak op de rechtszitting van 19 juni 2009 volledig werd hernomen zodat het arrest dat werd gewezen door rechters van wie niet blijkt dat zij alle zittingen waarop de zaak werd behandeld, hebben bijgewoond, nietig is.

4. Artikel 779 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis enkel kan worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters en dat deze alle zittingen over de zaak bijgewoond moeten hebben, een en ander op straffe van nietigheid.

5. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 19 juni 2009 van het hof van beroep vermeldt dat de zetel met name was samengesteld uit "Philippe Janssen, raadsheer, wn. kamervoorzitter, Arsène Colpaert, raadsheer en Bart Meganck, raadsheer".

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 26 november 2009 alsook uit de processen-verbaal van alle daarop volgende rechtszittingen blijkt dat de zetel toen was samengesteld uit "Philippe Janssen, raadsheer, wnd. voorzitter, Bart Meganck, raadsheer en Alexander Allaert, raadsheer" die ook het arrest hebben uitgesproken.

6. Uit het arrest blijkt dat het hof van beroep:

- op de rechtszitting van 19 juni 2009 het openbaar ministerie en de partijen "hoorde";
- het openbaar ministerie op de rechtszitting van 26 november 2009 werd gehoord in zijn vordering en dat het hof van beroep op de rechtszittingen van 26 november 2009, 14 januari 2010, 29 april 2010, 30 april 2010 (voor- en namiddagzitting), 6 mei 2010, 7 mei 2010 (voor- en namiddagzitting), 20 mei 2010, 3 juni 2010 en 24 juni 2010 het openbaar ministerie, de op de pagina's 98 tot 108 van het arrest vermelde burgerlijke partijen, de eisers en de belanghebbende derde Jeanine Dhaenens heeft gehoord.

7. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 19 juni 2009 van het hof van beroep vermeldt verder dat:
- de eisers werden vertegenwoordigd in hun middelen van verdediging;
- de raadslieden van de eisers werden "uitgenodigd te concluderen tegen navolgende zitting" en de zaak in voortzetting werd gesteld naar de rechtszitting van donderdag 26 november 2009.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 26 november 2009 blijkt dat:

- het openbaar ministerie heeft gevorderd;
- de raadsman van de eisers I een conclusie heeft neergelegd waarover hij heeft meegedeeld dat dit enkel moest gezien worden "als een grievenschrift tegen het vonnis van de eerste rechter en dat later nog besluiten zullen worden neergelegd tijdens de pleidooien";
- voor de eisers II een stukkenbundel en voor de eiseres III een conclusie werd neergelegd;
- de zaak in voortzetting werd gesteld op de rechtszitting van 14 januari 2010 teneinde het openbaar ministerie toe te laten een conclusie neer te leggen;
- het hof van beroep standpunt innam om op die zitting de zaak vervolgens uit te stellen naar de rechtszitting van 28 april 2010 "om de zaak ten gronde te pleiten" en dat eveneens 29 april 2010, 6 mei 2010, 7 mei 2010 en 10 mei 2010 als rechtszittingen werden "voorzien ter behandeling van de zaak ten gronde".

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 14 januari 2010 blijkt dat het openbaar ministerie een conclusie heeft neergelegd en dat de zaak in voortzetting werd gesteld op de rechtszitting van 29 april 2010 "teneinde partijen te horen en niet enkel over de eventuele excepties maar ook ten gronde".

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 29 april 2010 blijkt dat het hof van beroep een vraag tot uitstel vanwege de eisers I verwierp onder meer op grond van de volgende motieven:

- "de zaak werd voor deze instantie, hof van beroep, ingeleid op 19 juni 2009 alwaar de behandeling werd uitgesteld naar de terechtzitting van 26 november 2009 teneinde de raadslieden van de [eisers] in staat te stellen om op deze laatste zitting conclusies op te maken";
- ter rechtszitting van 26 november 2009 werden conclusies neergelegd voor elk van de eisers;
- ter rechtszitting van 14 januari 2010 werd door het openbaar ministerie conclusies neergelegd en werd de zaak in voortzetting gesteld op de rechtszitting van 29 april 2010 om de partijen toe te laten hierop eventueel schriftelijk te repliceren;
- "geredelijk (mag) aangenomen worden dat alle partijen sedert de inleiding van de zaak op 19 juni 2009 voldoende tijd hadden om zich voor te bereiden op een mondelinge uiteenzetting van hun verweer en/of argumentatie".

Vervolgens verliet de raadsman van de eisers I de zaal en werd door het openbaar ministerie gevorderd.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 april 2010 (voormiddagzitting) blijkt dat de raadsman van de eisers I heeft verklaard geen verstek meer te laten en heeft gevraagd "wanneer er voor hem pleitduur kan worden voorzien" en dat de raadslieden van de eisers II stukken hebben neergelegd en hebben gepleit over de grond van de zaak en over de straftoemeting, waarna de zaak in voortzetting werd gesteld op de namiddagzitting van 30 april 2010.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van laatstvermelde datum blijkt dat het openbaar ministerie zijn repliekvordering gegeven heeft op de pleidooien voor de eisers II en heeft gevorderd ten aanzien van de eisers I gelet op het feit dat het verstek voor deze laatsten werd gelicht, dat de raadsman van de eiseres III voor deze laatste heeft gepleit en dat de zaak in voortzetting werd gesteld op de rechtszitting van 6 mei 2010 "om het woord te geven aan de verdediging van [de eisers I]".

Uit de processen-verbaal van de rechtszittingen van 6 mei 2010 en 7 mei 2010 (voor- en namiddagzitting) blijkt dat de raadsman van de eisers I heeft gepleit en op laatstvermelde rechtszitting een conclusie en een stukkenbundel heeft neergelegd.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 20 mei 2010 blijkt dat de raadsman van de eisers I een conclusie inzake het horen van getuigen heeft neergelegd en dagvaardingen tot het horen van twee getuigen heeft toegelicht, dat het openbaar ministerie hierover werd gehoord, het hof van beroep de beslissing daarover bij de beoordeling ten gronde heeft gevoegd en dat de raadsman van de eisers I heeft gepleit.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 3 juni 2010 blijkt dat het openbaar ministerie het woord heeft gevraagd aangaande de vraag van de raadslieden van de eisers I en de eiseres III om voorlegging van overtuigingsstukken ter rechtszitting, de rechtszitting werd geschorst teneinde de partijen toe te laten het navolgend proces-verbaal nr. 5356/2010 van 1 juni 2010 in te zien en teneinde het openbaar ministerie toe te laten de door de raadsman van de eisers I gevraagde stalen te laten overbrengen, en deze laatste voor de eisers I heeft gepleit.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 24 juni 2010 blijkt ten slotte dat de raadsman van de eisers I conclusies en een stukkenbundel heeft neergelegd en dat de raadslieden van de eisers II een syntheseconclusie en een stukkenbundel hebben neergelegd waarna het debat gesloten werd verklaard.

8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat, ongeacht de gebruikte bewoordingen, eensdeels op de rechtszitting van 19 juni 2009 de partijen uitsluitend gehoord werden over het verdere verloop van de rechtspleging, te weten het bepalen van de data waarop door de partijen zou worden gevorderd of verweer worden gevoerd en eventuele conclusies zouden worden neergelegd, en anderdeels dat vanaf 26 november 2009, datum vanaf dewelke de zaak in haar geheel onafgebroken werd behandeld door de nieuw samengestelde zetel die ook het arrest heeft gewezen, het openbaar ministerie heeft gevorderd, de burgerlijke partijen en de beklaagden werden gehoord, zich hebben verdedigd en conclusies hebben genomen, en de zaak in beraad werd genomen.

Hieruit blijkt dat de zaak volledig werd behandeld door de rechters die het arrest hebben gewezen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Eerste middel voor de eisers I

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: de appelrechters weigeren ten onrechte de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, terwijl vaststaat dat de eisers I tijdens hun vrijheidsberoving op 1 en 2 juni 1999 zelfincriminerende verklaringen hebben afgelegd zonder dat zij zich konden laten bijstaan door een advocaat.

10. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een beklaagde, tijdens zijn vrijheidsberoving, van zelfincriminerende verklaringen zonder bijstand van een advocaat, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs.

Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

Voor de feitenrechter kan de beklaagde of de beschuldigde met de bijstand van een advocaat alle verklaringen die hij nodig acht, afleggen en zijn eerder afgelegde verklaringen verduidelijken, vervolledigen of intrekken. Het staat de feitenrechter om, in het licht van het geheel van het proces, na te gaan of de bewijswaarde van alle hem voorgelegde gegevens aangetast is door het enkele feit dat bepaalde verklaringen tijdens het onderzoek afgelegd werden zonder de bijstand van een advocaat en, in voorkomend geval, te beslissen tot de niet-toelaatbaarheid of de uitsluiting van deze bewijsmiddelen.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: zelfs indien de onmogelijkheid van bijstand van een advocaat vanaf het eerste verhoor niet automatisch het hele strafproces zou aantasten, dan nog is het recht op een eerlijk proces van de betrokkene op onherstelbare wijze aangetast wanneer hij tijdens dat verhoor verklaringen aflegde die op enige wijze ter ondersteuning van de veroordeling gebruikt worden; het arrest sluit niet uit dat de met schending van artikel

6 EVRM verkregen verklaringen niet op enige wijze impact hebben gehad op die andere bewijselementen, waarnaar het arrest verwijst; aldus oordeelt het ten onrechte dat het recht op een eerlijk proces kon worden hersteld door het weren van de zelfincriminerende verklaringen, afgelegd zonder bijstand van een raadsman.

12. Het arrest oordeelt:

- "Het past [...] na te gaan in welke mate de bewijslevering van de telastleggingen ten aanzien van [de eisers I] enkel zou gesteund zijn op de verklaringen die zij in de eerste vierentwintig uren van hun vrijheidsbeneming hebben afgelegd." (p. 135)
- "De bewijslevering, voor zover de telastleggingen bewezen zijn en zoals hierna besproken, vindt haar oorsprong [...] niet in de verhoren van [de eisers I] tijdens de eerste vierentwintig uren van hun vrijheidsbeneming. Anders dan de beklaagden voorhouden, dienen dan ook geen andere elementen van het strafdossier geweerd te worden als aangetast door de verklaringen afgelegd tijdens de eerste vierentwintig uren van vrijheidsbeneming van [de eisers I]." (p. 143)
- "De beklaagden hebben zich verweerd over alle gegevens van het strafdossier, met inbegrip van al hun eigen verklaringen. Volgens de beklaagden is de gehele bewijslevering een gevolg van de verklaringen die in strijd met [artikel] 6.3.c EVRM werden afgelegd, wat door het hof (van beroep) niet wordt bijgetreden. De heropening van de debatten om de partijen standpunt te laten innemen over de doorwerking van de geweerde verklaringen, zoals de beklaagden in ondergeschikte orde opwerpen, is in het kader van vrijwaring van het recht van verdediging dan ook geenszins vereist. Uit de bespreking van de telastleggingen hierna, zal blijken dat de geweerde verklaringen geïsoleerd blijven en geen verdere doorwerking op de bewijslevering hebben." (p. 144)
- "Op 29 december 1999 verklaarde [de eiser I.1 Jan Verkest] dat geen enkele veevoederfabrikant zuiver technisch vet geleverd kreeg. De veevoerderfabrikanten kregen ofwel een levering van enkel dierlijk vet, ofwel een mengeling van technisch en dierlijk vet in een verhouding van 1/3 tegen 2/3.

Het hof (van beroep) merkt terloops op dat deze verklaring geenszins een gevolg is van de door het hof (van beroep) uitgesloten verklaringen tijdens de eerste vierentwintig uren van vrijheidsbeneming van [de eisers I]. De verklaring van [de eiser I.1 Jan Verkest] op 29 december 1999 geschiedde op voorlegging van elementen verkregen uit de boekhouding van [de eiseres III nv Verkest], nl. o.m. lijsten van leveranciers, de uitgaande facturen, en was niet geënt op de verklaringen van [de eisers I] op 1 en 2 juni 1999. Op 29 december 1999 hadden [de eisers I] reeds alle mogelijkheden gehad om advocaten te raadplegen en hun verdediging degelijk voor te bereiden, inclusief de voorbereiding van verhoren, wat ook effectief geschiedde. Door dit verhoor, buiten aanwezigheid van zijn advocaat doch met volle vrijheid van komen en gaan en voldoende ingelicht over zijn recht op zwijgen, werd het recht op een eerlijk proces van [de eiser I.1 Jan Verkest] helemaal niet aangetast." (p. 174-175)

- "Filip Demeyer bevestigde deze verklaring op 4 juni 1999 ten aanzien van de onderzoeksrechter. Het betreft een eigen vaststelling van Demeyer; zijn ver¬klaring is dus geen gevolg van de geweerde verklaringen van [de eisers I]." (p. 193)

Aldus onderzoeken de appelrechters wel degelijk de invloed van de uitgesloten verklaringen op de andere bewijselementen en beslissen zij dat de geweerde verklaringen geen impact hebben gehad op de weerhouden bewijselementen.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

13. Op grond van die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat te dezen de miskenning van het recht op bijstand van een raadsman bij de voormelde verhoren afdoende wordt hersteld door het weren van de op die wijze afgelegde zelfincriminerende verklaringen.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

14. Voor het overige komt het onderdeel geheel op tegen het onaantastbare oordeel in feite van de appelrechters dat de geweerde verklaringen geïsoleerd blijven of vereist het een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR en artikel 149 Grondwet, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: het is niet duidelijk of het arrest beslist tot herstelbaarheid van de aantasting van eisers' recht op een eerlijk proces omdat het bewijs niet alleen door de litigieuze verklaringen maar ook door andere elementen wordt geleverd, dan wel of het hiertoe beslist omdat die andere bewijselementen niet door de litigieuze verklaringen werden beïnvloed; bijgevolg is het arrest aangetast door een dubbelzinnigheid in zijn motieven.

16. Met de in het antwoord op het tweede onderdeel van dit middel weergegeven redenen oordeelt het arrest op ondubbelzinnige wijze dat de andere bewijselementen niet door de litigieuze verklaringen werden beïnvloed.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het zelfstandig verweer van de eisers I dat hun recht op een eerlijk proces werd miskend doordat zij ook tijdens de bij hen uitgevoerde huiszoekingen niet de mogelijkheid hadden om zich te laten bijstaan door een advocaat.

18. Eisers' aanvoering voor de appelrechters dat zij ook tijdens de huiszoeking geen bijstand hadden van hun advocaat was geen zelfstandig middel maar enkel een argument ter ondersteuning van hun verweer dat zij tijdens het verder onderzoek geen bijstand hadden van hun raadsman.

19. Het arrest oordeelt:

- "Het past vanuit deze overwegingen na te gaan in welke mate de bewijslevering van de telastleggingen ten aanzien van [de eisers I] enkel zou gesteund zijn op de verklaringen die zij in de eerste vierentwintig uren van hun vrijheidsbeneming hebben afgelegd. [...] Hierbij dient te worden vastgesteld dat in het geheel van de verdere strafprocedure voor elk van deze beklaagden de tussenkomst van hun advocaten volle effectiviteit heeft gekend, zodat [...] de afwezigheid van een advocaat tijdens de eerste vierentwintig uren van vrijheidsbeneming en bij latere verhoren door onderzoeksrechter of politie de eerlijke procesvoering, in haar geheel beschouwd, geenszins heeft aangetast." (p. 135-136)
- "Overigens blijkt uit de dossiergegevens voldoende, zoals reeds gesteld, dat de beklaagden in de loop van het verder strafonderzoek, na de eerste 24 uren vrijheidsbeneming, wel ten volle konden genieten van de bijstand van hun advocaten. [...] Het (hof van beroep) heeft zelf voorzien in rechtsherstel voor de aantasting van de rechten voorzien in (artikel) 6.3.c EVRM." (p. 144)

20. Met die redenen beantwoordt het arrest het bedoelde verweer.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers II, te weten de medebeklaagden Thill, dat hun recht op een eerlijk proces eveneens werd miskend doordat zij geen bijstand konden genieten van een raadsman tijdens hun initiële verhoren door de onderzoeksrechter op 7 en 8 juni 1999 en tijdens het verhoor op 21 juni 1999 toen de eiser II.1 Jacques Thill van zijn vrijheid was beroofd; dit verweer had ook belang voor de eisers I vermits het arrest de bewezenverklaring van de telastleggingen C en D lastens de eisers I steunt op de kwestieuze verklaringen van de medebeklaagden Thill; een eventuele wering van de desbetreffende verhoren van de eisers II uit het strafdossier zou de verdediging van de eisers I hebben beïnvloed.

22. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter in strafzaken niet alleen te antwoorden op het door de individuele partijen zelf in conclusie voorgedragen verweer, maar ook op de conclusie van een medebeklaagde, wanneer daarin een verweer wordt aangevoerd dat ook dienstig is voor het oordeel over de strafvordering tegen een andere beklaagde, op voorwaarde dat deze laatste een effectief belang kan hebben bij dit antwoord.

23. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren.

Deze rechten gelden in personam. Een derde kan zich niet beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen, afgelegd lastens hem door een verdachte of beklaagde die voor hem slechts een getuige is.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

24. Zelfs wanneer het verweer van de eisers II gegrond zou zijn bevonden en tot het weren uit het debat van hun verklaringen zou moeten geleid hebben, zou het niet-toelaatbaar verklaren van deze verklaringen enkel betrekking hebben op de eisers II, wegens de miskenning van hun persoonlijk recht op een eerlijk proces en recht van verdediging.

Het bedoelde verweer van de eisers II kan, ook al ware het gegrond, niet leiden tot het weren van de verklaringen die zij zonder bijstand van een advocaat aflegden voor de onderzoeksrechter, ten aanzien van de eisers I.

Het onderdeel is in zoverre bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Tweede middel voor de eisers I

Eerste onderdeel

25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, van het zwijgrecht en van het recht van verdediging: wordt de betrokkene ondervraagd over een feit dat strafbaar is, terwijl hij gewezen wordt op de rechten vermeld in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en dus ook op zijn zwijgrecht, terwijl de ondervragende ambtenaar de bevoegdheid heeft om misdrijven op te sporen en vast te stellen, dan moet de betrokkene geacht worden voorwerp te zijn van "vervolging" en geniet hij de waarborgen van artikel 6 EVRM, waaronder het recht op bijstand van een advocaat; uit de vaststellingen van het arrest kan niet anders dan worden afgeleid dat de ambtenaren van het Ministerie van Middenstand en Landbouw al tijdens het verhoor van de eiser I.1 Jan Verkest op 26 maart 1999 en dus a fortiori tijdens het verhoor van 30 maart 1999, de eisers I verdachten van strafbare feiten, al was het maar van valsheden in de voorgelegde boeken en het verstrekken van onjuiste inlichtingen; toch stelt het arrest dat de eisers I tijdens het zogenaamd administratief onderzoek nog niet verdacht werden van enig strafbaar feit, zij niet verhoord werden als verdachten en er nog geen sprake was van enige strafvervolging, zodat de tijdens dat onderzoek afgenomen verhoren niet onderworpen waren aan de waarborgen van artikel 6 EVRM; het arrest steunt aldus op een totaal onmogelijke gevolgtrekking en geeft aan het begrip "vervolging" een veel te enge draagwijdte.

26. Artikel 6 EVRM dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, waartoe ook het recht op bijstand van een advocaat en het zwijgrecht behoren, waarborgt, is slechts van toepassing op rechtsplegingen die het vaststellen van burgerlijke rechten of verplichtingen of het bepalen van de gegrondheid van een ingestelde strafvordering tot voorwerp heeft of op eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd.

Hieruit volgt dat het recht op bijstand van een advocaat en het zwijgrecht in al zijn aspecten en de daarbij afgeleide rechten waaronder de cautieplicht, slechts gelden vanaf de aanvangsfase van de strafvervolging maar niet voor louter administratieve onderzoeken waarbij de verhoorde persoon niet verdacht wordt van een misdrijf of niet onder de dreiging van een strafvervolging leeft, maar die er louter op gericht zijn materiële vaststellingen te doen met het oog op de naleving van de desbetreffende reglementering.

De enkele voorlezing van de rechten omschreven in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering vóór dit verhoor, maakt van een louter administratief onderzoek geen strafonderzoek.

27. Of er al dan niet sprake is van een strafvervolging is een feitenkwestie.
In zoverre het onderdeel opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter, is het niet ontvankelijk.

28. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

29. De appelrechters stellen vast dat:

- naar aanleiding van problemen op enkele bedrijven met moederdieren, broeierijen en mestkippen met symptomen die wezen op buikwaterzucht, de ambtenaren van het Ministerie van Middenstand en Landbouw op 24, 26 en 30 maart 1999 een controle uitvoerden bij de gemeenschappelijke leverancier van veevoeders, de eiseres III nv Verkest, in het kader van de naleving van de wet van 11 juli 1969 betreffende de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt (hierna: Wet Grondstoffen Landbouw);
- dergelijke controle ook kan gebeuren los van enig vermoeden van een strafbaar feit;
- de controleaanvraag geen melding maakte van dergelijk vermoeden;
- het controleonderzoek erop gericht was de herkomst van de met dioxine besmette vetten te achterhalen om zo verdere besmetting van veevoeders te voorkomen en de volksgezondheid te vrijwaren;
- er op het ogenblik van het controleonderzoek geen enkel vermoeden of aanwijzing was dat de eisers I strafbare feiten hadden gepleegd of op enigerlei wijze verantwoordelijk waren voor de aanwezigheid van dioxines in het veevoeder;
- zelfs het voorlopig verslag van 24 april 1999 van dokter Destickere het vermoeden oppert "dat het hier gaat om een zuiver accidenteel voorval";
- de eisers I op 30 maart 1999 samen verhoord werden, wat de administratieve, niet-strafrechtelijke aard van het onderzoek beklemtoont;
- de eisers I, als zij verkozen te spreken in het kader van het administratief onderzoek, in beginsel gehouden waren tot het verstrekken van juiste inlichtingen;
- het feit dat de eiser I.1 Jan Verkest op 26 maart 1999 onjuiste inlichtingen verstrekte, een incident uitmaakte van het controleonderzoek, maar niet het voorwerp ervan was.

Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat er van 24 tot 30 maart 1999 geen sprake was van een strafvervolging.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door vast te stellen, enerzijds, dat de eisers I tijdens het administratief onderzoek niet werden verhoord op verdenking van strafbare feiten waarvoor zij uiteindelijk terechtstonden en, anderzijds, dat zij tijdens hun herverhoren van 26 en 30 maart 1999 verhoord werden over mogelijke valsheden of onjuiste inlichtingen, zijnde de strafbare feiten waarvoor de eisers I vervolgd en uiteindelijk ook veroordeeld werden, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.

31. Het is niet tegenstrijdig vast te stellen, eensdeels, dat de eisers I in de loop van het administratief onderzoek uitgevoerd op 24, 26 en 30 maart 1999, op geen enkele wijze werden verhoord "op verdenking" van één van de telastleggingen waarvoor zij later terechtstonden, noch "op verdenking" van enig ander misdrijf en, anderdeels, dat de eiser I.1 tijdens zijn herverhoren van 26 en 30 maart 1999, in het kader van het administratief controleonderzoek naar de herkomst van de door de eiseres III aan de voedingsindustrie geleverde vetten, verhoord werd over "mogelijke valsheden of onjuiste inlichtingen", zijnde "een incident van het controleonderzoek, maar niet het voorwerp ervan".

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

32. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: het zwijgrecht van de ondervraagde gaat gepaard met een cautieplicht in hoofde van de ondervragende instantie; ter verantwoording van de wettigheid van de verhoren van de eisers I op 24, 26 en 30 maart 1999 door de ambtenaar van het Ministerie van Landbouw, oordeelt het arrest onder meer dat de eisers I op hun zwijgrecht werden gewezen en de cautieplicht bijgevolg was nageleefd; vermits de enkele mededeling van de rechten van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering niet voldoet aan de cautieplicht als waarborg van het zwijgrecht, vervat in de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR, kon het arrest niet op wettige wijze steunen op de naleving van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering om tot de wettigheid van de administratieve verhoren van de eisers I op 24, 26 en 30 maart 1999 te besluiten.

33. Volgens de in het antwoord op het eerste onderdeel van dit middel vermelde vaststellingen van het arrest waren de eisers I op 24, 26 en 30 maart 1999 geen verdachten en maakten de onderzoeksverrichtingen, uitgevoerd op die data door de ambtenaren van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, slechts deel uit van een administratief onderzoek waarvoor de waarborgen van artikel 6 EVRM, waaronder het zwijgrecht en de cautieplicht, niet gelden.

Het onderdeel dat gericht is tegen overtollige redenen, is niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 8, § 1, 9°, Wet Grondstoffen Landbouw, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het zwijgrecht: het zwijgrecht van de eisers I was inefficiënt vermits zij ingevolge artikel 8, § 1, 9°, Wet Grondstoffen Landbouw, strafbaar waren zowel wanneer zij weigerden inlichtingen te geven als wanneer zij verkeerde inlichtingen gaven; het feit dat de eisers I gewezen werden op de rechten, vermeld in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, mededeling die niet voldoet aan de cautieplicht als waarborg van het zwijgrecht, doet hieraan geen afbreuk.

35. Artikel 8, § 1, 9°, Wet Grondstoffen Landbouw stelt strafbaar "hij die zich verzet tegen bezoeken, inspecties, inbeslagnemingen, controles, monsternemingen of verzoeken om inlichtingen of documenten door de in artikel 6 van deze wet bepaalde overheidspersonen of die, wetens, onjuiste inlichtingen of documenten verstrekt."

De bepaling van artikel 8, § 1, 9°, Wet Grondstoffen Landbouw houdt weliswaar een medewerkingsplicht voor de gecontroleerde in, maar verplicht hem niet een zelfincriminerende verklaring af te leggen.

Artikel 6 Wet Grondstoffen Landbouw, zoals van toepassing op het ogenblik van de thans beoordeelde feiten, geeft onder meer de ambtenaren en beambten van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, aangeduid door de Minister die de Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft, de bevoegdheid overtreding van deze wet en van de ter uitvoering daarvan genomen besluiten op te sporen en vast te stellen en in dat kader fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, burelen, boten, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen, stations, wagons, voertuigen en de in open lucht gelegen bedrijven te betreden, monsters te nemen, zich alle inlichtingen, bescheiden en geïnformatiseerde dragers van gegevens te doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en over te gaan tot alle nuttige vaststellingen, eventueel met de medewerking van deskundigen, gekozen uit een lijst door de bevoegde Minister opgemaakt.

Het is niet strijdig met de geciteerde verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen dat bepaalde personen deze verrichtingen moeten ondergaan.

Het is evenmin daarmee strijdig dat ter gelegenheid van een dergelijke onderzoeksverrichting, een persoon vrijwillig een zelfs voor hem belastende verklaring aflegt. Hij heeft evenwel het recht te zwijgen wanneer hij van oordeel is dat hij bij het afleggen van een verklaring verplicht zou worden zichzelf te incrimineren.

Het onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Vijfde onderdeel

36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: het recht op een eerlijk proces is onherstelbaar aangetast wanneer de belastende verklaringen, afgelegd tijdens het administratief onderzoek, aan de oorsprong liggen van de eigenlijke strafvordering of wanneer zij een impact hebben gehad op de verdere bewijsgaring of nog, wanneer zij rechtstreeks als bewijs van de ten laste gelegde feiten in aanmerking worden genomen, ook al vormt dit niet het enige in aanmerking genomen bewijs; de vaststellingen van het arrest tonen aan, eensdeels, dat de eisers I geen andere keuze hadden dan zichzelf te incrimineren bij hun administratief verhoor en, anderdeels, dat de toen afgelegde belastende verklaringen werden gebruikt bij de bewijslevering lastens de eisers I; daaruit vloeit noodzakelijk voort dat, zelfs indien het administratief onderzoek op zich niet door een miskenning van het recht op een eerlijk proces zou zijn aangetast, dit wel het geval is voor de daarop volgende strafvervolging.

37. De bepaling van artikel 8, § 1, 9°, Wet Grondstoffen Landbouw houdt weliswaar een medewerkingsplicht voor de gecontroleerde in maar verplicht hem niet een zelfincriminerende verklaring af te leggen.

Het onderdeel dat uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde middel van de eisers I en tweede middel van de eiseres III

38. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op de aanvoering van de eisers I dat bij de bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen rekening dient gehouden te worden met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en het daarin vervatte proportionaliteitsbeginsel en meer bepaald dat in de concrete omstandigheden van de zaak de verbeurdverklaring van bruto vermogensvoordelen of van de volledige som van de facturen de proportionaliteitstoets niet kon doorstaan.

39. De appelrechters oordelen dat als beginsel kan gesteld worden dat de volledige omzet die de eiseres III nv Verkest behaalde door de vermenging van technisch vet in de leveringen aan de veevoederbedrijven die volledig dierlijk vet verwachtten, een wederrechtelijk vermogensvoordeel uitmaakt en dat zij bij de begroting van de vermogensvoordelen niet gehouden zijn de kosten die verbonden zijn aan de verwezenlijking van de misdrijven in rekening te brengen.

Aldus beantwoorden de appelrechters eisers' verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel van de eisers I

40. Het middel voert schending aan van artikel 43bis, derde lid, Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: de toewijzing van de verbeurdverklaarde zaken aan de burgerlijke partij die een wijze van herstel in natura uitmaakt van de door die burgerlijke partij geleden schade, heeft een vergoedend karakter; nadat het arrest vaststelt dat de eerste rechter de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de burgerlijke vorderingen heeft aangehouden, beslist het ten onrechte tot toewijzing van de verbeurdverklaarde zaken aan de burgerlijke partijen onder de voorwaarde dat hun burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond zal worden verklaard; aldus miskent het arrest het burgerrechtelijk karakter van de in artikel 43bis, derde lid, Strafwetboek voorziene toewijzing.

41. Het middel komt alleen op tegen beslissingen waartegen de cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn en heeft zelf geen betrekking op de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen.

Het middel behoeft geen antwoord.

Eerste middel van de eisers II

42. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR en artikel 149 Grondwet: het arrest steunt zijn beslissing op doorslaggevende wijze op de verklaringen van de eiser II.1 Jacques Thill, afgelegd op 21 juni 1999 aan de onderzoeksrechter nadat hij op 20 juni 1999 van zijn vrijheid was beroofd en voorafgaand aan het verlenen van het bevel tot aanhouding zonder bijstand van een advocaat; het gaat echter niet na of deze verklaringen al dan niet werden afgelegd in omstandigheden verenigbaar met artikel 6, in het bijzonder artikel 6.3.c EVRM, en beantwoordt het verweer uit de syntheseconclusie van de eisers II niet dat de verklaringen, afgelegd zonder bijstand van een advocaat, als bewijs dienden uitgesloten en uit de debatten geweerd te worden; in zoverre het arrest, in antwoord op het door de eisers I gevoerde verweer, beslist dat het ontbreken van bijstand van een raadsman tijdens de eerste 24 uur van vrijheidsbeneming, elke verdere eerlijke behandeling van de zaak in beginsel niet onmogelijk maakt gezien het geheel van waarborgen voortvloeiend uit bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en de Voorlopige Hechteniswet, is de beslissing niet naar recht verantwoord.

43. Met het geheel van redenen die het arrest dienaangaande bevat (p. 132-135), zetten de appelrechters de algemene principes uiteen in antwoord op het "Salduzverweer" van de eisers I. Zij dienden die beginselen niet te herhalen als antwoord op het verweer van de eisers II.

44. Het arrest stelt verder vast dat:

- uit de brief die de eiser II.1 Jacques Thill op 31 maart 1999 schreef aan de verantwoordelijken van de containerparken naar aanleiding van de kippensterfte in die periode, blijkt dat hij zelfs vóór de verzending van deze brief wel degelijk kennis had van het feit dat het door de firma Fogra geleverde vet bestemd was voor dierlijke voeding;
- in acht genomen de reële, concrete handelsrelatie tussen de firma Fogra en de eiseres III nv Verkest, de door de eisers II voorgehouden onwetendheid over de bestemming van het vet voor onder meer dierlijke voeding op een kunstmatige, niet realistische scheiding van de bedrijvigheden van beide firma's steunt;
- gelet op de langdurige handelsrelatie tussen de firma Fogra en de eiseres III nv Verkest die de enige afnemer van de firma Fogra was, en de verstrengeling tussen beide firma's, het standpunt van de eisers II dat zij terzake onwetend waren, niet ernstig houdbaar is;
- Christophe Nelisse als onderhoudsman in de firma Fogra verklaarde dat hij een paar keer lekken in het thermisch circuit had vastgesteld waarbij in het totaal twintig liter thermische olie was verloren gegaan die zich vermengde met het vet;
- vetsmelter Genatzy verklaarde dat het wel gebeurde dat vaten gevuld met afvalolie bedekt werden met gestold vet, maar toch werden geledigd in de smeltkuip, waarbij het onmogelijk was om de aanwezigheid van deze olie onder het vast vet te ontdekken en er dan sprake was van een "ongeval".

Uit deze vaststellingen volgt dat de appelrechters hun oordeel dat de eisers II wisten dat het door hun firma Fogra geleverde vet bestemd was voor dierlijke voeding, stoelen op redenen die zelf niet steunen op de verklaring van de eiser II.1, afgelegd aan de onderzoeksrechter zonder bijstand van een advocaat.

De appelrechters geven aldus te kennen dat de verklaring die door de eiser II.1 zonder bijstand van een advocaat werd afgelegd voor de onderzoeksrechter, op zich niet doorslaggevend is voor de schuldigverklaring van de eisers II, maar nog bevestigd diende te worden door de andere elementen waarnaar zij verwijzen.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters deze verklaringen op doorslaggevende wijze gebruiken om de eisers II te veroordelen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

45. Vermits de appelrechters de veroordeling van de eisers II niet op doorslaggevende wijze steunen op de verklaring van de eiser II.1, afgelegd aan de onderzoeksrechter tijdens zijn vrijheidsberoving zonder mogelijke bijstand van een advocaat, dienden zij bijgevolg niet meer verder te antwoorden op het daardoor doelloos geworden verweer, geput uit de Salduz-leer.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eisers II

Eerste onderdeel

46. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, 14 en 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het verweermiddel van de eisers II dat de wettelijke bepalingen waarop hun strafrechtelijke veroordeling steunt, niet voldoen aan het legaliteitsbeginsel in strafzaken, meer bepaald wat betreft de definitie van "grondstoffen" en "stoffen bestemd voor dierlijke voeding"; minstens is het arrest niet naar recht verantwoord; het arrest antwoordt evenmin op het verzoek van de eisers II om desbetreffend twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof en motiveert niet waarom deze vragen niet dienen te worden gesteld.

47. In antwoord op het verweer van de eisers I bespreekt het arrest (p. 145-151 en 154-155) op uitvoerige wijze de begrippen "grondstoffen" en "stoffen bestemd voor dierlijke voeding". Zij dienden dit zelfde antwoord niet opnieuw te herhalen bij de beoordeling van het verweer van de eisers II.

Tevens oordeelt het arrest dat op het verzoek prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof niet moet worden ingegaan, vermits er klaarblijkelijk geen schending is van de ingeroepen regels.

Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eisers II en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

48. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 71 Strafwetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel krachtens welk de onoverwinnelijke dwaling omtrent het recht een rechtvaardigingsgrond uitmaakt: het arrest laat na te antwoorden op het verweer van de eisers II volgens hetwelk zij op onoverkomelijke wijze dwaalden omtrent de strafbaarstelling van de gedraging; op grond van de vaststelling dat de eisers II kennis hadden van het feit dat het door hen geleverde vet door de eiseres III nv Verkest bestemd was voor diervoeder, kon het arrest niet wettig afleiden dat de eisers II niet onoverkomelijk dwaalden omtrent de strafbaarstelling van de hen verweten gedraging.

49. Het arrest (p. 145-151, 154-155 en 209-211) beantwoordt het bedoelde verweer van de eisers II over de dwaling als schulduitsluitingsgrond en verantwoordt met die redenen zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede aanvullend middel voor de eisers I

50. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter: raadsheer Bart Meganck had als lid van de redactie van een juridisch tijdschrift standpunt ingenomen over de "Salduzproblematiek"; hij verklaarde op 17 september 2010 dat er geen reden was om zich te onthouden van de beoordeling van huidige zaak waarin die problematiek ook aan de orde was; eisers' verzoek tot wraking van raadsheer Bart Meganck werd bij arrest van het Hof van 15 oktober 2010 verworpen; vermits het thans bestreden arrest aan de waarborgen van artikel 6.1 EVRM onderhevig is en de eisers I de waarborg van subjectieve onpartijdigheid in hoofde van één van de magistraten niet vervuld achten, leggen zij in het kader van de beoordeling van de wettigheid van het arrest de grief, geput uit de miskenning van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, aan het Hof als cassatierechter voor.

51. Het middel dat geen andere elementen aanvoert dan deze waarop het wrakingsverzoek was gesteund, is niet gericht tegen het bestreden arrest maar komt in werkelijkheid op tegen het arrest van het Hof van 15 oktober 2010 waarbij het door de eisers I ingediende verzoek tot wraking van raadsheer Bart Meganck werd afgewezen.

Het middel is niet ontvankelijk.

Derde aanvullend middel voor de eisers I

Eerste onderdeel

52. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat uit de appelconclusies van de eisers I blijkt dat hun verweer betrekking heeft op de door weglating van het specifiek bijzonder opzet verbeterde telastleggingen, miskent het arrest de bewijskracht van de appelconclusies van de eisers I.

53. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers I, zoals in het onderdeel wordt aangegeven, in appelconclusies aanvoerden dat zij op geen enkel ogenblik hebben gehandeld "met het bedrieglijk opzet om ten aanzien van het Ministerie van Landbouw en de klanten-veevoederfabrikanten te kunnen staande houden dat enkel dierlijke vetten aan de veevoederfabrikanten werden geleverd".

De appelrechters heromschrijven de telastleggingen van valsheid in geschriften en gebruik ervan (telastleggingen A.I.1, A.I.2, A.I.3, A.II, B.I.1, B.I.2, B.I.3, C, D, E, F, G.I.1 en I.II) door de weglating van de precisering "met het bedrieglijk opzet om ten aanzien van het Ministerie van Landbouw en de klanten-veevoederfabrikanten te kunnen staande houden dat enkel dierlijke vetten aan de veevoederfabrikanten werden geleverd".

54. Door te oordelen dat "het verweer van de [eisers I] betrekking (heeft) op de aldus verbeterde telastleggingen, zoals ook blijkt uit de conclusies" geven de appelrechters van de appelconclusies van de eisers I een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

55. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, evenals miskenning van het recht van verdediging: het arrest heromschrijft de telastleggingen A.I.1, A.I.2, A.I.3, A.II, B.I.1, B.I.2, B.I.3, C, D, E, F, G.I.I en I.II zonder de eisers I hiervan te verwittigen.

56. In appelconclusies hebben de eisers I aangevoerd dat zij niet gehandeld hebben met "het bedrieglijk opzet om ten aanzien van het Ministerie van Landbouw en de klanten-veevoederfabrikanten te kunnen staande houden dat enkel dierlijke vetten aan de veevoederfabrikanten werden geleverd". Aldus hebben zij zich verdedigd op de afwezigheid van dat bijzonder opzet. Bijgevolg dienden de appelrechters hen niet te verwittigen van een heromschrijving van de telastleggingen zonder dat bijzonder opzet.

Het onderdeel kan niet aangenomen worden.

Derde onderdeel

57. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en artikel 14.1 IVBPR: door het weglaten zonder tegenspraak van het specifiek bijzonder opzet om terug te vallen op de loutere omschrijving van artikel 196 Strafwetboek, schendt het arrest artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en artikel 14.1 IVBPR die vereisen dat een beklaagde in bijzonderheden in een taal die hij begrijpt, wordt verwittigd van de feiten die hem ten laste worden gelegd.

58. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel tevergeefs aangevoerde onwettigheid.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

59. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 816,09 euro waarvan op het cassatieberoep I en II telkens 273,03 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep III 240,03 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 29 november 2011 uitgesproken 

PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE

P.11.0113.N

Conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger:

1. Deze zaak is een uitloper van de dioxine-crisis van 1999.

Begin 1999 kwam aan het licht dat door de (eiseres III) met dioxines gecontamineerd dierlijk vet aan veevoederfabrikanten werd geleverd. De eiseres III was als vetsmelter de exclusieve afnemer van de totale vetproductie van het bedrijf F., waarvan de eisers II zaakvoerder en vennoot waren. Deze vetproductie bestond uit vetten uit dierlijk afval (de zogenaamde "dierlijke vetten" of "witte Thill") en uit vetten gewonnen uit gehergroepeerde frituurvetten (de zogenaamde "technische vetten" of "bruine Thill").

Tussen de eiseres III en de firma F. bestond een verregaande samenwerking op het vlak van de administratie en boekhouding: alle facturen, financiële stukken, leveringsbonnen op naam van F. werden op het secretariaat van de eiseres III opgesteld. Het transport van de vetten gebeurde volledig in opdracht en voor rekening van de eiseres III.

De eiser I.1 werd vervolgd wegens feiten van:

- valsheid in geschriften (telastleggingen A, C, E, F en H),

- gebruik van valse stukken (telastleggingen B, D, G en I),

- bedrog in koopwaar (telastlegging L),

- verstrekken van onjuiste inlichtingen (telastlegging N),

- verkoop van verboden grondstoffen bij inbreuk op de wet van 11 juli 1969 (telastleggingen Q en S),

- verkoop van grondstoffen zonder de vereiste toelating bij inbreuk op de wet van 11 juli 1969 (telastlegging R),

- het niet-verwijderen van afvalstoffen bij inbreuk op het decreet van 2 juli 1981 (telastlegging U).

De eiser I.2 werd vervolgd wegens feiten van:

- valsheid in geschriften (telastleggingen A, C en H),

- gebruik van valse stukken (telastleggingen B, D en I),

- bedrog in koopwaar (telastlegging L),

- verstrekken van onjuiste inlichtingen bij inbreuk op de wet van 11 juli 1969 (telastlegging O),

- verkoop van verboden grondstoffen bij inbreuk op de wet van 11 juli 1969 (telastleggingen Q en S),

- verkoop van grondstoffen zonder de vereiste toelating bij inbreuk op de wet van 11 juli 1969 (telastlegging R),

- het niet-verwijderen van afvalstoffen bij inbreuk op het decreet van 2 juli 1981 (telastlegging U).

De eisers II werden in deze strafprocedure vervolgd wegens:

- het bedriegen van de eiseres III bij de verkoop van technisch vet (zogenaamde "bruine Thill") nu geen zuiver technisch vet werd geleverd (telastlegging M)

- het leveren van een grondstof bestemd voor dierlijke voeding die niet gezond, deugdelijk en van de gebruikelijke handelskwaliteit was of die een gevaar was voor de gezondheid van mens of dier (telastlegging T), m.n. technisch vet verontreinigd met thermische olie uit het verwarmingscircuit (telastlegging T.I) en met PCB's en dioxines (telastelegging T.II).

De eiseres III werd gedagvaard als belanghebbende derde teneinde haar verdediging te horen voordragen omtrent de vordering van het openbaar ministerie tot bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen.

Op 23 maart 1999 werd door ambtenaren van het Ministerie van Landbouw een onderzoek opgestart naar de oorzaak van de dioxinevergiftiging, waarvan de resultaten op 12 april 1999 aan het Openbaar Ministerie werden overgemaakt, wat uiteindelijk leidde tot een opsporingsonderzoek, gevolgd door een gerechtelijk onderzoek lastens de eisers.

De eisers I werden onder aanhoudingsmandaat geplaatst in juni 1999, en er werden verschillende onderzoeksverrichtingen uitgevoerd, waaronder verhoren en huiszoekingen.

Bij vonnis van 2 februari 2009 besliste de correctionele rechtbank te Gent, op strafgebied, tot ontslag van rechtsvervolging van de eiser I.1 voor een feit van valsheid en gebruik van valse stukken (telastleggingen A.I.3 en B.I.3) en voor het verstrekken van onjuiste inlichtingen (telastlegging N) en tot ontslag van rechtsvervolging van de eiser I.2 voor dezelfde feiten van valsheid (telastleggingen A.I.3 en B.I.3) en voor het verstrekken van onjuiste inlichtingen (telastlegging O).

Voor alle andere feiten werden de eisers I veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twee jaar, met uitstel, tot een geldboete van 9.915,74 euro (na toepassing van de opdeciemen), tot de vaste vergoeding en tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds.

Bovendien werd ten aanzien van de eisers I ook een bijzondere verbeurdverklaring uitgesproken van 3.513.388,77 euro , als vermogensvoordeel uit het misdrijf van bedrog in de koopwaar (telastlegging L).

Op burgerlijk gebied werden de burgerlijke belangen aangehouden, met inbegrip van de beslissing over de toewijzing van de verbeurd verklaarde zaken aan de burgerlijke partijen.

Tegen dit vonnis stelden zowel de eisers I als het openbaar ministerie hoger beroep in.

Bij arrest van 10 december 2010 vernietigde het hof van beroep te Gent het eerste vonnis en deed het opnieuw uitspraak, met eenparigheid van stemmen. Het hof verbeterde eerst een reeks tenlasteleggingen en besliste (bij toepassing van de Salduz-rechtspraak) om de verhoren van 1 en 2 juni 1999 van beide eisers I door de toenmalige rijkswacht en door de onderzoeksrechter uit het debat te weren. Het hof van beroep besliste tot ontslag van strafvervolging van beide eisers I voor de telastleggingen A.I.3 en B.I.3, doch veroordeelde hen voor alle andere feiten.

Na aanneming van de overschrijding van de redelijke termijn kregen beide eisers I een hoofdgevangenisstraf opgelegd van twee jaar, waarvan één jaar met uitstel, en een geldboete van 123.946,76 euro , en werden zij veroordeeld tot betaling van de vaste vergoeding, een bijdrage aan het Slachtofferfonds en drie vierden van de kosten van beide aanleggen.

Lastens elk van hen werd opnieuw een bijzondere verbeurdverklaring van 3.513.385,96 euro uitgesproken, als vermogensvoordeel uit het misdrijf van bedrog in de koopwaar. Tevens werd beslist tot toewijzing van het verbeurd verklaarde bedrag aan de burgerlijke partijen, voor zover hun burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond zal worden verklaard.

Bij hetzelfde arrest van 10 december 2010 werden de eisers II wegens de telastleggingen T.I en T.II elk veroordeeld tot een geldboete van 24.789,35 euro (na toepassing van de opdeciemen) EUR) terwijl voor elk van hen de bijzondere verbeurdverklaring werd uitgesproken van een bedrag van 59.042,47 euro als vermogensvoordelen uit de bewezen verklaarde misdrijven.

Zij werden vrijgesproken voor de telastlegging M.

Tegen het arrest van 10 december 2010 werd cassatieberoep aangetekend door de eisers I, de eisers II en de eiseres III.

De zaak werd ingeschreven op de algemene rol van het Hof op 18 januari 2011.

2. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissingen van vrijspraak van de eisers I voor de telastleggingen A.I.3 en B.I.3 en van de eisers II voor de telastlegging M zijn zij, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

De eerste rechter besliste op burgerlijk gebied de burgerlijke belangen aan te houden, met inbegrip van de beslissing over de toewijzing van de verbeurd verklaarde zaken aan de burgerlijke partijen.

De appelrechters beslissen tot de toewijzing van het verbeurd verklaarde bedrag aan de burgerlijke partijen, voor zover hun burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond zal worden verklaard. Dit is geen eindbeslissing, noch een beslissing waartegen, bij toepassing van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, onmiddellijk cassatieberoep openstaat.

De cassatieberoepen zijn in zoverre voorbarig en derhalve eveneens niet ontvankelijk.

4. De eisers I voeren in een memorie, neergelegd op 18 maart 2011 vier middelen aan, waarbij het eerste en het tweede middel uiteenvallen in vijf onderdelen.

In een aanvullende memorie, eveneens neergelegd op 18 maart 2011 worden voor de eisers I nog drie bijkomende middelen aangevoerd waarvan het derde in drie onderdelen uiteenvalt.

De eisers II voeren in een memorie van 15 maart 2011, neergelegd op 16 maart 2011, twee middelen aan, waarvan het tweede uiteenvalt in twee onderdelen.

De eiseres III voert in een memorie, neergelegd op 18 maart 2011, twee middelen aan.

5. In hun eerste middel, dat gesteund is op de zogenaamde Salduz-rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, voeren de eisers I de schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM, van de artikelen 14.1 en 14.3.d IVBPR en van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, evenals de miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging

De eisers I verwijten de appelrechters met name hen te hebben schuldig verklaard aan de meeste van de hen ten laste gelegde feiten en hen hiervoor te hebben veroordeeld, na, in verband met de wettigheid van het onderzoek, te hebben vastgesteld dat de verhoren van eisers I door de toenmalige rijkswacht en de onderzoeksrechter op 1 en 2 juni 1999 onwettig zijn wegens de afwezigheid van bijstand van een advocaat, maar ondanks deze vaststelling toch te hebben geweigerd, als gevolg van die onwettigheid, de onontvankelijkheid van de strafvordering of minstens het ontslag van strafvervolging wegens gebrek aan bewijs uit te spreken.

De eisers I wijzen hierbij onder meer op de overwegingen 5.3.4 tot 5.3.5.8 van het bestreden arrest.

6. Het past hier wellicht eerst de zienswijze van het Hof op de Salduz-problematiek in herinnering te brengen.

Volgens het Hof houdt het recht op bijstand van een advocaat, gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde, zoals beschermd bij artikel 6.1. en 6.3 EVRM, beperken.

Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn dan ook in de regel geschaad wanneer een verdachte verklaringen aflegt tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat.

Volgens het Hof heeft deze omstandigheid nochtans niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte op eerlijke wijze te behandelen: wanneer de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter worden gebruikt, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard. Dit is overigens ook het geval wanneer de verdachte met kennis van zaken verzaakt aan de bijstand van een advocaat tijdens zijn verhoor.

Naar het oordeel van het Hof dient het feit dat de Belgische wetgeving niet voorziet in de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor door de politiediensten voorafgaand aan de vrijheidsberoving, te worden beoordeeld in het licht van het geheel der wettelijke waarborgen die diezelfde wetgeving de beklaagde of de beschuldigde biedt ter vrijwaring van zijn recht van verdediging en van zijn recht op een eerlijk proces.

Deze wettelijke waarborgen zijn de korte duur van de grondwettelijke termijn van de vrijheidsberoving, de vormvereisten die bij artikel 47bis Wetboek van Strafvordering voor het verhoor van de verdachte zijn opgelegd, de onmiddellijke overhandiging aan de verdachte, op het ogenblik van de betekening van het bevel tot aanhouding, van alle in de artikelen 16, §7, en 18, §2, Voorlopige Hechteniswet bedoelde stukken, het recht van de verdachte om daarop onmiddellijk vrij verkeer te hebben met zijn advocaat overeenkomstig artikel 20, §1 en §5, van de voormelde wet, de inzage van het dossier alvorens voor het onderzoeksgerecht te verschijnen, zoals dat in artikel 21, §3, is geregeld, alsook de rechten die met name in de artikelen 61ter, 61quater, 61quinquies, 127, 135, 136 en 235bis Wetboek van Strafvordering zijn bedoeld, de inzage van het dossier en het vrij verkeer van de beklaagde of de beschuldigde met zijn advocaat tijdens de procedure voor de feitenrechter. Deze wettelijke waarborgen kunnen in hun geheel daadwerkelijke en passende remedies zijn op de afwezigheid van bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor. Zij laten de beklaagde of de beschuldigde immers toe zijn recht van verdediging over het hele verloop van het strafproces ten volle uit te oefenen en waarborgen zijn recht op een eerlijk proces.

De aanvoering dat het gebrek aan bijstand van een advocaat tijdens een politieverhoor voorafgaand aan de vrijheidsberoving en tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter het recht van verdediging en recht op een eerlijk proces steeds en in elk geval onherstelbaar aantast, faalt volgens het Hof naar recht.

Wel staat het de rechter aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de afwezigheid van bijstand van een advocaat bij een verhoor door de politie of de onderzoeksrechter het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de verdachte en latere beklaagde onherstelbaar heeft aangetast.

Het Hof besliste meermaals in dezelfde zin(1).

7. In het eerste onderdeel voeren de eisers I aan dat krachtens de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR eenieder recht heeft op een eerlijk proces, wat inhoudt dat degene die vervolgd wordt wegens een strafbaar feit onder meer zwijgrecht heeft, dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te incrimineren en, meer algemeen, dat hij het recht heeft zich te verdedigen.

De eisers I preciseren dat de artikelen 6.3.c EVRM en 14.3.d IVBPR, tot waarborg van dat recht, bepalen dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, recht heeft om zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman van zijn keuze en dat dit recht op bijstand van een advocaat geldt vanaf het eerste verhoor van degene die verdacht wordt van bepaalde strafbare feiten en a fortiori wanneer hij op dat ogenblik van zijn vrijheid is beroofd.

Een schending van de artikelen 6.3.c EVRM en 14.3.d IVBPR houdt, volgens de eisers I, dus in principe een schending in van de artikelen 6.1 van het EVRM en 14.1 IVBPR: wanneer de betrokkene niet vanaf het begin van zijn vrijheidsberoving in de mogelijkheid werd gesteld om zich bij zijn verhoor te laten bijstaan door een advocaat, is het volledige strafproces aangetast en moet de strafvordering onontvankelijk worden verklaard.

De eisers I wijzen erop dat het bestreden arrest vaststelt dat zij op 1 juni 1999 door de toenmalige rijkswacht en op 2 juni 1999 door de onderzoeksrechter werden verhoord zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, terwijl zij van hun vrijheid waren beroofd en dat de appelrechters ook aannemen dat de verklaringen die de eisers I tijdens die verhoren hebben afgelegd hun recht op een eerlijk proces hebben geschaad.

Volgens de eisers I beslist het arrest onterecht dat die schending niet tot de onontvankelijkheid van de strafvordering kan leiden en dat deze schending herstelbaar is en ook hersteld wordt door de betrokken verklaringen uit het strafdossier te weren.

De eisers I besluiten dat door te weigeren de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, terwijl vaststaat dat zij, tijdens hun vrijheidsberoving, op 1 en 2 juni 1999 zelfincriminerende verklaringen hebben afgelegd zonder dat zij zich konden laten bijstaan door een advocaat, het bestreden arrest de artikelen 6.1 en 6.3.c van het EVRM en de artikelen 14.1 en 14.3.d IVBPR schendt, en de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging miskent.

8. De stelling dat de onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen, tijdens hun vrijheidsberoving, van zelfbelastende verklaringen zonder bijstand van een advocaat, leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering kan, naar mijn oordeel, niet worden bijgetreden(2).

Hoewel uit bepaalde rechtspraak(3) van het Hof zou kunnen worden afgeleid dat de onrechtmatigheid van het bewijs moet worden gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, moet met R. DECLERCQ(4), Ph. TRAEST(5) en R. VERSTRAETEN(6) worden aangenomen dat het probleem van de onrechtmatigheid van de bewijsgaring of het probleem van de onmogelijkheid om het rechtmatig karakter van de bewijsvoering te controleren, geen invloed heeft op de ontvankelijkheid van de strafvordering: het eventuele onrechtmatig karakter van het bewijs of de onmogelijkheid om de rechtmatigheid ervan te controleren tast het bestaan of het verder bestaan van de strafvordering niet aan(7). Ook het Hof heeft dit meermaals gezegd(8).

De strafvordering ontstaat immers door het plegen van het misdrijf zelf en de wijze waarop de strafvordering naderhand wordt uitgeoefend heeft geen invloed op het (voort)bestaan van de strafvordering: de strafvordering is slechts niet-ontvankelijk is als de strafvordering (of het recht de strafvordering uit te oefenen) hetzij nooit heeft bestaan, hetzij niet bestaat tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan, hetzij niet meer bestaat, omdat de strafvordering vervallen is(9).

De rechtspraak(10) laat overigens toe dat de rechter het onrechtmatig verkregen bewijs en alles wat eruit is voortgevloeid, uitsluit of ontoelaatbaar verklaart, maar toch een veroordeling uitspreekt op grond van de resterende bewijselementen, die totaal onafhankelijk van het onrechtmatig bewijs werden verzameld.

ZELFS WANNEER DE RECHTER VASTSTELT DAT ALLE VOORHANDEN ZIJNDE BEWIJSELEMENTEN ONRECHTMATIG ZIJN OF DAT HET RECHTMATIG KARAKTER ERVAN NIET KAN GECONTROLEERD WORDEN, BIJ GEBREK AAN VOLDOENDE TOETSINGSGEGEVENS, MAG HIJ NIET DE NIET-ONTVANKELIJKHEID VAN DE STRAFVORDERING VASTSTELLEN: IN DAT GEVAL MOET HIJ, OMWILLE VAN HET WAARDELOZE(11) KARAKTER VAN HET BEWIJS, DE BEKLAAGDE VRIJSPREKEN.

Toegepast op de voorliggende zaak houdt deze rechtspraak in dat de gebeurlijke miskenning van het recht op bijstand van een advocaat bij het verhoor door de politiediensten of de onderzoeksrechter enkel kan leiden tot het uitsluiten van eventuele zelfbelastende verklaringen, afgelegd tijdens deze verhoren, als bewijselement(12), wat hier inderdaad gebeurd is, maar niet tot het vaststellen van de onontvankelijkheid van de strafvordering.

Het eerste onderdeel van het eerste middel, dat voorhoudt dat de appelrechters onterecht stellen dat de aangevoerde schending niet tot de onontvankelijkheid van de strafvordering kan leiden en dat zij onterecht oordelen dat deze schending herstelbaar is, faalt bijgevolg naar recht.

9. In het tweede onderdeel voeren de eisers I met verwijzing naar het Salduz-arrest aan dat, ook wanneer zou worden aangenomen dat de onmogelijkheid van bijstand van een advocaat vanaf het eerste verhoor niet automatisch het hele strafproces zou aantasten, het recht op een eerlijk proces van de betrokkene toch nog op onherstelbare wijze is aangetast wanneer hij tijdens dat verhoor belastende verklaringen aflegde die op enige wijze ter ondersteuning van zijn veroordeling gebruikt worden. Het volstaat volgens de eisers I dat de zonder de bijstand van een raadsman bekomen zelfincriminerende verklaringen op enige wijze hebben bijgedragen tot de bewijslevering of de verdere bewijsgaring op enige wijze hebben beïnvloed, zodat de enkele vaststelling dat het strafdossier nog andere bewijselementen bevat, zonder onderzoek van de invloed van de onwettig bekomen verklaringen op die andere bewijselementen, niet kan volstaan om de schending van het recht op een eerlijk proces te herstellen door de litigieuze verklaringen uit het strafdossier te weren.

Volgens de eisers I sluit het bestreden arrest, met de loutere vaststellingen dat de bewijslevering ten aanzien van eisers I "niet enkel" op de verklaringen van 1 en 2 juni 1999 zijn gesteund, hierbij verwijzend naar de materiële vaststellingen en de verklaringen in het door de ambtenaren van het Ministerie van Landbouw gevoerde onderzoek, naar de materiële vaststellingen en verklaringen van anderen dan de eisers I in het gerechtelijk onderzoek en naar het feit dat de eisers I na de verhoren van 1 en 2 juni 1999 wel de kans hebben gehad om hun verdediging met bijstand van een advocaat voor te bereiden en dat de bewijslevering "haar oorsprong" niet vindt in de op 1 en 2 juni 1999 afgelegde verklaringen en dat de eisers I hoe dan ook na die verklaringen wel ten volle van de bijstand van een advocaat konden genieten, niet uit dat de met schending van artikel 6 EVRM bekomen litigieuze verklaringen niet op enige wijze impact hebben gehad op die andere bewijselementen, waarnaar het arrest verwijst.

Volgens de eisers I kon het bestreden arrest, zonder dergelijk onderzoek, niet op wettige wijze oordelen dat het recht van de eisers I op een eerlijk proces kon worden hersteld door de op 1 en 2 juni 1999 afgelegde belastende verklaringen uit het strafdossier te weren en schendt het bijgevolg de artikelen 6.1 en 6.3.c van het EVRM, de artikelen 14.1 en 14.3.d IVBPR, en miskent het de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging.

10. De appelrechters oordelen dat de bewijslevering haar oorsprong vindt in de bevindingen van het administratief onderzoek en niet in de verhoren van de eisers I.1 en I.2 afgelegd tijdens de eerste vierentwintig uren van hun vrijheidsbeneming, zodat, anders dan deze eisers voorhouden, dan ook geen andere elementen van het strafdossier geweerd dienen te worden als aangetast door deze verklaringen. Zij oordelen verder dat zij de stelling van de eisers I.1 en I.2, dat de gehele bewijslevering een gevolg is van de verklaringen die in strijd met artikel 6.3.c EVRM werden afgelegd, niet kunnen bijtreden en dat uit de daaropvolgende bespreking van de telastleggingen zal blijken dat de geweerde verklaringen geïsoleerd blijven en geen verdere doorwerking op de bewijslevering hadden.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel in feite van de appelrechters of in zoverre het van het Hof een onderzoek van feiten vereist, waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Uit deze vaststellingen blijkt bovendien dat de appelrechters wel degelijk onderzoeken of de litigieuze verklaringen op enige wijze impact hebben gehad op de andere bewijselementen waarnaar het arrest verwijst en dat zij oordelen dat dit niet het geval is.

In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters deze impact niet hebben onderzocht, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.

Door deze vaststellingen hebben de appelrechters hun beslissing dat "(h)et hof (...) de principiële aantasting van de rechten van de verdediging (herstelt) die schuilt in de belastende verklaringen van de (eisers I.1 en I.2) op 1 en 2 juni 1999, tijdens hun eerste vierentwintig uren van vrijheidsbeneming, door de verklaringen die zowel (de eisers I.1 als I.2) op 1 juni 1999 aflegden aan de politie als de voor elk van hen hierop volgende verklaringen op 2 juni 1999 ten aanzien van de onderzoeksrechter, telkens zonder bijstand van een advocaat, als bewijs uit te sluiten en uit het strafdossier te weren" naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

11. In het derde onderdeel van het eerste middel voeren de eisers een dubbelzinnigheid in de motivering aan: als antwoord op de vraag van de eisers I om de partijen in de gelegenheid te stellen standpunt in te nemen over de doorwerking van de geweerde verklaringen op de bewijslevering, overwegen de appelrechters dat "(..) de geweerde verklaringen geïsoleerd blijven en geen verdere doorwerking op de bewijslevering hebben".

Volgens de eisers I is het hierbij niet duidelijk of het bestreden arrest nu beslist tot herstelbaarheid van de aantasting van het recht op een eerlijk proces van de eisers I omdat het bewijs niet alleen door de litigieuze verklaringen maar ook door andere elementen wordt geleverd (in welk geval het arrest volgens de eisers I onwettig zou zijn om de redenen aangehaald in het tweede onderdeel) dan wel of het hiertoe beslist omdat die andere bewijselementen niet door de litigieuze verklaringen werden beïnvloed.

12. Een dubbelzinnige motivering houdt in dat de bekritiseerde redenen de beslissing in één lezing wettig en in een andere lezing onwettig maken.

De eisers I houden voor dat het bestreden arrest enkel wettig is wanneer de beslissing aldus gelezen wordt dat het recht op een eerlijk proces hersteld kan worden omdat de andere bewijselementen niet door de litigieuze verklaringen werden beïnvloed. De beslissing zou evenwel onwettig zijn indien het bestreden arrest zou beslissen dat het recht op een eerlijk proces hersteld kan worden omdat het bewijs niet alleen door de litigieuze verklaringen maar ook door andere elementen wordt geleverd, waarbij evenwel niet uitgesloten wordt dat de met schending van artikel 6 EVRM bekomen litigieuze verklaringen niet op enige wijze impact hebben gehad op die andere bewijselementen, zoals uiteengezet in het tweede onderdeel van het eerste middel.

Zoals hiervoor uiteengezet mist dit tweede onderdeel feitelijke grondslag, omdat het op een verkeerde lezing van het bestreden arrest berust.

De in het derde onderdeel aangevoerde dubbelzinnigheid steunt geheel op dezelfde verkeerde lezing.

Het bestreden arrest bevat de aangevoerde dubbelzinnigheid dan ook niet.

Het onderdeel mist derhalve feitelijke grondslag.

13. In het vierde onderdeel voeren de eisers I aan dat, ondanks het feit dat zij in beroepsbesluiten, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, hadden aangevoerd dat het recht op bijstand van een advocaat, vervat in artikel 6.3.c EVRM, niet alleen gewaarborgd moet worden tijdens het verhoor, maar ook bij andere onderzoeksdaden, waaronder de huiszoeking, het bestreden arrest nergens gewag maakt van dit verweer en op geen enkele wijze de wettigheid onderzoekt van de huiszoekingen in het licht van het recht op bijstand van een advocaat, zodat bij gebrek aan antwoord op dit zelfstandig verweer, het bestreden arrest niet regelmatig gemotiveerd is en bijgevolg artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet schendt.

14. Het verweer dat het recht op bijstand van een advocaat, vervat in artikel 6.3.c, EVRM, niet alleen gewaarborgd moet worden tijdens het verhoor, maar ook bij de andere onderzoeksdaden, waaronder de huiszoeking, werd enkel aangevoerd als argument tot staving van het verweer dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging werden miskend.

De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter ook moet antwoorden op elk argument dat door de eisers tot staving van een middel wordt aangevoerd, maar dat zelf geen afzonderlijk middel vormt.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

Voorts blijkt uit de interpretatie die het EHRM geeft aan het recht op bijstand van een advocaat, niet dat dit recht ook geldt bij een huiszoeking.

Het onderdeel faalt in zoverre eveneens naar recht.

Het bestreden arrest oordeelt: "Het past vanuit deze overwegingen na te gaan in welke mate de bewijslevering van de telastleggingen ten aanzien van (eisers I.1 en I.2) enkel zou gesteund zijn op de verklaringen die zij in de eerste vierentwintig uren van hun vrijheidsbeneming hebben afgelegd. (...). Hierbij dient te worden vastgesteld dat in het geheel van de verdere strafprocedure voor elk van deze beklaagden de tussenkomst van hun advocaten volle effectiviteit heeft gekende, zodat door de afwezigheid van een advocaat tijdens de eerste vierentwintig uren van vrijheidsbeneming en bij latere verhoren door onderzoeksrechter of politie de eerlijke procesvoering, in haar geheel beschouwd, geenszins heeft aangetast." (p. 135-136 van het bestreden arrest) en voorts: "Overigens blijkt uit de dossiergegevens voldoende, zoals reeds gesteld, dat de beklaagden in de loop van het verder strafonderzoek, na de eerste 24 uren vrijheidsbeneming, wel ten volle konden genieten van de bijstand van hun advocaten. (...) Het (h)of heeft zelf voorzien in rechtsherstel voor de aantasting van de rechten voorzien in art. 6.3.c EVRM" (p. 144 van het bestreden arrest)

Met deze overwegingen beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer van de eisers I.1en I.2 dat zij, niet alleen bij hun verhoor, maar ook bij de andere onderzoeksdaden, (waaronder de huiszoeking) niet de mogelijkheid hadden om zich te laten bijstaan door een advocaat en dat om die reden hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging werd miskend.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

15. In het vijfde onderdeel voeren de eisers I aan dat, ondanks het feit dat de eisers II in hun syntheseconclusie neergelegd op 24 juni 2010 opgeworpen hadden dat ook hun recht op een eerlijk proces was geschonden doordat zij geen bijstand konden genieten van een advocaat tijdens hun initiële verhoren door de onderzoeksrechter op 7 en 8 juni 1999 en tijdens het verhoor op 21 juni 1999 toen de eiser II.1 van zijn vrijheid was beroofd, zodat de strafvordering lastens hen onontvankelijk diende te worden verklaard, minstens de kwestieuze verhoren als bewijs dienden te worden uitgesloten, het bestreden arrest op geen enkele wijze op dit verweer van de medebeklaagden eisers II antwoordt, hoewel dat verweer nochtans ook belang had voor de eisers I, nu het bestreden arrest de bewezenverklaring van de tenlasteleggingen C en D lastens de eisers I steunt op de kwestieuze verklaringen van medebeklaagden eisers II en een eventuele wering van de betreffende verhoren uit het strafdossier de verdediging van de eisers I dus zou hebben beïnvloed, zodat het bestreden arrest niet regelmatig is gemotiveerd en aldus artikel 149 van de Grondwet schendt.

16. Het artikel 149 van de Grondwet verplicht de rechter in strafzaken niet alleen te antwoorden op het door de individuele partijen zelf in conclusie voorgedragen verweer, de rechter moet daarenboven ook de conclusie van een medebeklaagde beantwoorden, wanneer daarin een verweer wordt aangevoerd dat ook dienstig is voor het oordeel over de strafvordering tegen een andere beklaagde(13).

De voorwaarde voor de verplichting voor de rechter om ook de conclusie van een andere partij, in casu van medebeklaagden (eisers II), te beantwoorden is dus dat de partij, die de rechter verwijt niet op deze conclusie geantwoord te hebben, een effectief belang heeft bij dit antwoord.

Hier lijkt dit evenwel geenszins het geval te zijn.

Het recht op de bijstand van een advocaat, voorzien in artikel 6.3.c EVRM zoals geïnterpreteerd door het EHRM, is rechtstreeks verbonden aan en gegrond op het zwijgrecht en op het gegeven dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren, maar dit recht geldt niet in het geval waarin een beklaagde belastende verklaringen aflegt ten aanzien van een derde. Het feit dat deze derde een medebeklaagde is doet daaraan geen afbreuk: een beklaagde die bij zijn verhoor ten aanzien van een medebeklaagde belastende verklaringen aflegt is ten aanzien van deze medebeklaagde immers enkel een getuige.

Zelfs indien het verweer van de eisers II, dat hun recht op een eerlijk proces was geschonden doordat de eiser II.1 geen bijstand kon genieten van een advocaat tijdens zijn initiële verhoren door de onderzoeksrechter op 7 en 8 juni 1999 en tijdens het verhoor op 21 juni 1999, toen de eiser II.1 van zijn vrijheid was beroofd, zodat de strafvordering lastens hen onontvankelijk diende te worden verklaard, minstens de kwestieuze verhoren als bewijs dienden te worden uitgesloten, gegrond zou bevonden zijn en bijgevolg tot het weren uit het debat van hun verklaringen zou (moeten) geleid hebben, zou dit geen enkel gevolg hebben voor de strafvordering in zoverre die betrekking heeft op de eisers I.1 en I.2.

Het weren van die verklaringen uit het debat zou immers slechts spelen ten opzichte van de eisers II wegens de miskenning van hun recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging.

Ten opzichte van de eisers I gelden deze verklaringen van de eiser II.1, zoals hiervoor uiteengezet, immers enkel als getuigenverklaringen, die zonder probleem kunnen aangewend worden in het kader van de strafvordering tegen de eisers I.

Anders gesteld: het weren van de verklaringen van de eiser II.1 wegens de (gebeurlijke) miskenning van zijn (eigen) zwijgrecht of van zijn recht zichzelf niet te incrimineren, speelt hier enkel in personam en heeft niet tot gevolg dat, omwille van die miskenning van het eigen recht op een eerlijk proces of het eigen recht van verdediging van de eiser II.1, dit ook een miskenning van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces van de eisers I zou opleveren (tenzij de litigieuze verklaringen ook om nog een andere reden, die zou spelen ten opzichte van alle partijen, uit het debat zou moeten worden geweerd, wat hier evenwel niet het geval is).

Nu het bedoelde verweer van de eisers II, ook al ware het gegrond bevonden, geen enkel effect zou sorteren ten opzichte van de eisers I, moet vastgesteld worden dat ook een gebrek aan antwoord op dit verweer op geen enkele wijze dienstig kan zijn voor de eisers I: het verweer van de eisers II kan immers nooit leiden tot het weren uit de debatten, ten aanzien van de eisers I, van de verklaringen die de eiser II.1 zonder bijstand van een advocaat aflegde voor de onderzoeksrechter.

Het onderdeel is bijgevolg, ten aanzien van de eisers I, niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang.

Zoals verder zal worden aangetoond (zie infra - randnummer 45), is het door de eisers I in het vijfde onderdeel van hun eerste middel bedoelde verweer van de eisers II overigens ook niet gegrond, omdat het bestreden arrest bij de veroordeling van de eisers II niet op doorslaggevende wijze steunt op de verklaringen die de eiser II.1 zonder de bijstand van zijn advocaat had afgelegd.

Volledigheidshalve weze er overigens ook opgemerkt dat het vijfde onderdeel van het eerste middel van de eisers I enkel betrekking heeft op de telastleggingen C en D en dat hun veroordeling wegens deze telastleggingen zelf ook niet op doorslaggevende wijze steunt op de litigieuze verklaringen die de eiser II.1 aflegde zonder de bijstand van zijn advocaat, zodat, zelfs wanneer er zou aangenomen worden dat de eisers I toch een hypothetisch belang zouden kunnen hebben gehad bij het antwoord op het verweer van de eisers II, dit antwoord wat de strafvordering tegen de eisers I betreft, geen enkel effect zou gehad hebben en niet tot cassatie zou hebben kunnen leiden. Op een dergelijk doelloos verweer dienden de appelrechters dan ook niet te antwoorden.

17. In hun tweede middel voeren de eisers I de schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM, van de artikelen 14.1 en 14.3.d IVBPR, van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, van artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 8, §1, 9° van de wet van 11 juli 1969 betreffende de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, evenals de miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging.

Het bestreden arrest verklaart de eisers I schuldig aan de meeste van de hen ten laste gelegde feiten, na in verband met de wettigheid van het onderzoek te hebben vastgesteld dat de verhoren die de ambtenaren van het Ministerie van Landbouw op 24, 26 en 30 maart 1999 afnamen niet onderworpen waren aan de waarborgen van artikel 6 EVRM en dus wettig zijn.

De eisers I wijzen hierbij onder meer op de overwegingen 5.3.5.2 tot 5.3.5.8 en 11.4 tot 11.8 van het bestreden arrest.

18. In het eerste onderdeel van het tweede middel voeren de eisers I aan dat krachtens de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR eenieder recht heeft op een eerlijk proces, wat inhoudt dat degene die vervolgd wordt wegens een strafbaar feit, zwijgrecht heeft, dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te incrimineren en, meer algemeen, dat hij het recht heeft zich te verdedigen, wat op zijn beurt de cautieplicht inhoudt in hoofde van de vervolgende instantie, die aldus de verplichting heeft om de betrokkene op zijn zwijgrecht te wijzen op een wijze die hem toelaat de draagwijdte van dit recht te begrijpen. Anderzijds wijzen de eisers I erop dat het recht op een eerlijk proces, bedoeld in de artikelen 6.3.c EVRM en 14.3.d IVBPR, ook inhoudt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft om zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman van zijn keuze.

Dit zwijgrecht en het recht op bijstand van een advocaat gelden van zodra er sprake is van "vervolging", wat impliceert dat de betrokkene verdacht wordt van één of meerdere strafbare feiten. Het zogenaamde administratief karakter van een onderzoek sluit het bestaan van dergelijke verdenking bij verhoor niet uit. Het strafrechtelijk aspect van een verhoor wordt afgeleid uit de concrete feitelijke omstandigheden waarin het verhoor plaatsvindt: wanneer een persoon ondervraagd wordt over een feit dat strafbaar is, terwijl hij gewezen wordt op zijn zwijgrecht en terwijl de ondervragende ambtenaar de bevoegdheid heeft om misdrijven op te sporen en vast te stellen, dan moet de betrokkene geacht worden voorwerp te zijn van "vervolging" en geniet hij de waarborgen van artikel 6 EVRM, waaronder het recht op bijstand van een advocaat.

Het bestreden arrest stelt volgens de eisers I vast dat de ambtenaar, die de eisers I op 24, 26 en 30 maart 1999 had verhoord in het kader van een onderzoek naar de herkomst van de dioxines, bevoegdheid had tot opsporing en vaststelling van inbreuken op de wet van 11 juli 1969 en het arrest stelt eveneens vast dat de eisers I tijdens het administratief onderzoek gewezen werden op de rechten vermeld in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en dus, volgens het arrest, ook op hun zwijgrecht.

Bovendien stelt het bestreden arrest vast dat tijdens het verhoor van 26 maart 1999, de eiser I.1 erop werd gewezen dat de agenda die hij toen voorlegde inhoudelijk niet overeenstemde met de agenda die hij op 24 maart 1999 had voorgelegd en dat hij daarop toegaf dat hij een nieuwe agenda had aangemaakt na de originele agenda te hebben gewijzigd.

Bij de beoordeling van het bewijs van de feiten gaat het arrest uitvoeriger in op dat verhoor van eiser I.1 op 26 maart 1999 en stelt het hieromtrent onder meer nog het volgende:

"Op de vraag waarom hij tijdens de controle op 26 maart 1999 een andere agenda vertoonde dan tijdens de controle op 24 maart 1999 en waarom in de originele agenda tanknummers veranderd werden, verklaarde (de eiser I.1): "In een paniekreactie heb ik willen aantonen dat het zuiver dierlijk vet was, dit door het wijzigen van tanknummers."

"Op 26 maart 1999 begaf inspecteur Vanhaecke zich opnieuw naar de (eiseres III), vergezeld van inspecteur Cobbaert, om de ontbrekende gegevens op te halen (...). De op 24 maart 1999 voorgelegde agenda werd opnieuw opgevraagd. Bij nazicht van de op dat ogenblik door (de eiser I.1) voorgelegde agenda blijken de erin genoteerde tanknummers niet overeen te stemmen met de nummers die de inspecteur op 24 maart 1999 had genoteerd (...). Op vraag van de inspecteurs erkende (de eiser I.1) dat hij een nieuwe agenda had aangemaakt na het controleonderzoek van 24 maart 1999 en dat hij de nummers in de originele agenda had gewijzigd (...)."

"(...) Op vraag van controleur Van Haecke gaf (de eiser I.1) toe sinds de controle op 24 maart 1999 een nieuwe agenda aangemaakt te hebben en de nummers in de originele agenda gewijzigd te hebben. Tevens gaf (de eiser I.1) toe in een andere agenda een permanente stock van de verschillende (inkomende) leveringen van dierlijk en technisch vet van derden bij te houden."

Uit het geheel van die vaststellingen kan, volgens de eisers I niet anders dan worden afgeleid dat de ambtenaren al tijdens het verhoor van de eiser I.1 op 26 maart 1999 en dus a fortiori tijdens het verhoor van 30 maart 1999, de eisers I verdachten van strafbare feiten, al was het maar van valsheden in de voorgelegde boeken en het verstrekken van onjuiste inlichtingen.

Dit wordt, volgens de eisers I, bovendien bevestigd waar het bestreden arrest in verband met het verhoor van 30 maart 1999 stelt: "Op 30 maart werd (de eiser I) door de controleur verhoord nopens het verstrekken van onjuiste inlichtingen." en waar het, bij de beoordeling ten gronde, overweegt: "Deze manipulaties leken in het bijzonder, en ironisch, aan het licht te komen op basis van de agenda's (...) en door de vervalsing van één van deze agenda's. Bij het administratief onderzoek door het Ministerie van Middenstand en Landbouw bij de (eiseres III) naar aanleiding van de problemen, bleek immers bij de tweede inspectie dat de vermeldingen in de agenda waarin de leveringen van de afnemers werd genoteerd, vervalst waren".

Volgens de eisers I stelt het bestreden arrest bijgevolg onterecht dat de eisers I tijdens het zogenaamd administratief onderzoek nog niet verdacht werden van enig strafbaar feit, dat zij niet verhoord werden als verdachten en dat er nog geen sprake was van enige strafvervolging, zodat de tijdens dat onderzoek afgenomen verhoren niet onderworpen waren aan de waarborgen van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR.

Door ondanks het geheel van de boven vermelde vaststellingen toch te besluiten dat dergelijk onderzoek een zuiver administratief karakter had waarbij de eisers I nog niet verdacht werden van enig strafbaar feit en dus nog geen voorwerp waren van "vervolging" zoals vereist voor de toepasselijkheid van artikel 6 EVRM, in het bijzonder van het zwijgrecht vervat in artikel 6.1 en van het recht op bijstand van een advocaat vervat in artikel 6.3.c EVRM, steunt het arrest op een totaal onmogelijke gevolgtrekking en geeft het aan het begrip "vervolging" een veel te enge draagwijdte, waardoor het de artikelen 6.1 en 6.3. c van het EVRM en 14.1 en 14.3.d IVBPR schendt en de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging schendt.

19. Het middel lijkt de vraag te stellen naar het toepassingsgebied van artikel 6 EVRM.

Dit toepassingsgebied wordt afgebakend door deze verdragsbepaling zelf, waarin wordt gesteld dat artikel 6 EVRM, dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, waartoe ook het zwijgrecht behoort, waarborgt, van toepassing is op alle rechtsplegingen die het vaststellen van burgerlijke rechten of verplichtingen of het bepalen van de gegrondheid van een ingestelde strafvordering tot voorwerp hebben of op eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd.

Daaruit volgt dat het recht op bijstand van een advocaat en het zwijgrecht slechts kunnen gelden vanaf het ogenblik dat er effectief reeds sprake is van een strafvervolging. Deze waarborgen gelden dus niet voor een zuiver administratief "fact-finding" onderzoek, waarbij de verhoorde persoon niet verdacht wordt van enig misdrijf of niet onder de dreiging van een strafvervolging leeft.

Men kan zich overigens met recht afvragen of het onderwerpen van dergelijke administratieve onderzoeken aan de waarborgen van artikel 6 EVRM wel verzoenbaar(14) kan zijn met het doel zelf van deze onderzoeken, met name het efficiënt controleren in het algemeen belang van de naleving van de specifieke reglementeringen inzake, bijvoorbeeld, volksgezondheid, voedselveiligheid of leefmilieu.

Zoals de eisers I zelf aangeven in het eerste onderdeel, wordt het strafrechtelijk aspect van een verhoor afgeleid uit de "concrete feitelijke omstandigheden waarin het verhoor plaatsvindt". Dit houdt in dat er een feitelijke beoordeling dient te gebeuren.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling in feite van de appelrechters dat de eisers I niet de hoedanigheid hadden van verdachte of inverdenkinggestelde of in zoverre dit nazicht een onderzoek van feiten zou vereisen, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het onderdeel niet ontvankelijk.

Het onderdeel voert voorts aan dat het bestreden arrest steunt op een totaal onmogelijke gevolgtrekking omdat het aan het begrip "vervolging" een veel te enge draagwijdte geeft. De eisers I verzoeken het Hof bijgevolg ook over te gaan tot een marginale toetsing, waarbij het Hof enkel kan nagaan of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

De appelrechters overwegen omtrent het door de ambtenaren van het toenmalig Ministerie van Middenstand en Landbouw, Inspectie-generaal Grondstoffen en Verwerkte Producten, tussen 24 maart 1999 en 30 maart 1999 gevoerde onderzoek:

-het betrof in casu zonder meer een administratief onderzoek (r.o. 5.3.5.2, derde paragraaf) naar de aard en de herkomst van de leveringen van dierlijk vet aan de mengvoederindustrie (r.o. 5.3.5.2, eerste paragraaf). Het feit dat door de controleur over haar controle een "proces-verbaal" werd opgesteld, dat het proces-verbaal uiteindelijk werd overgemaakt aan de procureur des Konings nu n.a.v. de controle inbreuken werden vastgesteld, dat de betrokkenen werden verhoord, dat de controleur het in haar proces-verbaal heeft over een "onderzoek naar aard en herkomst van de geleverde partijen vet aan de voederindustrie", noch dat de verhoorde personen werden ingelicht van de rechten zoals vervat in artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering, doen afbreuk aan deze vaststelling (r.o. 5.3.5.2, derde paragraaf).

- de uitgevoerde controle betrof geen onderzoek onder leiding en gezag van de bevoegde procureur des Konings (r.o. 5.3.5.2, derde paragraaf).

- naast de specifieke controlebevoegdheid van de ambtenaren van het toenmalig Ministerie van Middenstand en Landbouw, Inspectie-generaal Grondstoffen en Verwerkte Producten, beschikten deze ambtenaren krachtens artikel 6 van de wet van 11 juli 1969 ook over de bevoegdheid voor het opsporen en vaststellen van overtredingen op deze wet en op de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, maar dit staat eraan niet in de weg dat dit artikel ook betrekking heeft op het toezicht van de wet, los van enig vermoeden van een strafbaar feit (r.o. 5.3.5.2, tweede paragraaf)

- op dat ogenblik had de overheidsdienst enkel een vermoeden dat de dioxines die aanwezig waren in de veevoeders van de firma D., voortkwamen uit het door de (eiseres III) geleverde vet. Er was nog geen enkel vermoeden, laat staan enige aanwijzing, dat de (eisers I) ter zake strafbare feiten hadden gepleegd of op enige wijze (mede-) verantwoordelijk waren voor de aanwezigheid van dioxines in de veevoeders, door middel van de door hun firma geleverde vetten; de controleaanvraag maakte van dergelijk vermoeden dan ook geen melding. Er was enkel een sterk, niet strafrechtelijk gerelateerd, vermoeden dat de dioxines voortkwamen uit het vet van de (eiseres III) (r.o. 5.3.5.2, derde paragraaf).

- er werd nergens melding gemaakt van het feit dat de (eisers I) of de (eiseres III) vermoedelijk strafbare feiten hadden gepleegd, laat staan dat er sprake was van enige verdachtmaking of inverdenkingstelling terzake.

- (de eiser I.1) op 24 en 30 maart 1999, en (de eiser I.2) op 30 maart 1999, werden niet verhoord als verdachten in het kader van een lastens hen gevoerd strafrechtelijk onderzoek. Terecht merkt het openbaar ministerie op dat het volledige controle-onderzoek er toen op gericht was om de herkomst van de met dioxine besmette vetten te achterhalen om zo verdere besmetting van veevoeders te voorkomen en de volksgezondheid te vrijwaren; de wet beoogt duidelijk de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de verbruikers op het vlak van voedingsmiddelen. (r.o. 5.3.5.2, vierde paragraaf)

- De ambtenaren hadden in hun controlebevoegdheid uiteraard ook de bevoegdheid om de gecontroleerden te verhoren nopens hun bevindingen. Uit de gegevens van het strafdossier blijkt geenszins dat (de eisers I) op 24 maart 1999 en 30 maart 1999 verhoord werden als verdachten in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Integendeel blijkt dat de door hen in hun verhoren verstrekte toelichting volledig kaderde in het onderzoek van de ambtenaren naar de aard en de herkomst van de door de (eiseres III) aan de voederindustrie geleverde vetten (r.o. 5.3.5.2, vijfde paragraaf).

- op 30 maart 1999, nog steeds in het kader van het controle-onderzoek, werden (de eisers I) verhoord. (r.o. 5.3.5.2, negende paragraaf)

- (de eiser I.2) werd op 30 maart 1999 ook verhoord door de controleurs van het Ministerie van Middenstand en Landbouw. Dit verhoor werd uitgevoerd in aanwezigheid van (de eiser I.1), wat de administratieve, niet-strafrechtelijke aard van het onderzoek beklemtoont (r.o. 5.3.5.2, elfde paragraaf).

- Uit het verloop van de verhoren blijkt duidelijk dat (de eiser I.1) noch (de eiser I.2) op dat ogenblik als verdachten of "inverdenkinggestelden" werden gehoord. Zij hadden op dat ogenblik ook de mogelijkheid te zwijgen, doch gezien zij verkozen om te spreken waren zij gehouden tot het correct beantwoorden van de vragen van de inspectiediensten. In dat kader niet zwijgen maar spreken doch daarbij onjuiste informatie verstrekken, kan aanleiding geven tot strafrechtelijke vervolging wegens het wetens verstrekken van onjuiste inlichtingen of documenten (art. 8, §1, 9° van de wet van 11 juli 1969). Doch, dit is dan een incident van het controle-onderzoek en maakt er niet het eigenlijke voorwerp van uit (r.o. 5.3.5.2, twaalfde paragraaf).

- Een determinerend onderscheid van de huidige zaak met de zaak Saunders is dat in de zaak Saunders van bij de aanvang van de verhoren door de inspecteurs van de controlediensten, dus in de fase van het administratief onderzoek, er aanwijzingen waren dat er strafbare feiten waren gepleegd (...) en dat Saunders, binnen de inspectiediensten, al als mogelijke verdachte was aangeduid (...), voordat hij tot negen maal toe werd verhoord door de controlediensten (...); tijdens de controle werd hij dan ook de facto als (mogelijke) verdachte verhoord; dit was niet zo voor (de eisers I)(r.o. 5.3.5.3, eerste paragraaf).

- Het hof herhaalt dat toen (de eiser I.1) op 24 en 30 maart 1999 en (de eiser I.2) op 30 maart 1999 verhoord werden, er geen sprake was van enige strafvervolging, laat staan voor de nu te last gelegde feiten, niet tegen hen, noch tegen ander personen. Dat (de eisers I) in die periode niet als verdachten werden beschouwd, wordt onder meer geïllustreerd door het voorlopig verslag van dr. D., die in zijn voorlopig verslag van 24 april 1999 aan verzekeraar AGF-De Schelde stelt: "Uit zijn eerste bevindingen trekt de Heer C. (ingenieur van de inspectie-generaal Grondstoffen en verwerkte producten van het Ministerie van Middenstand en landbouw) zeer voorzichtig de conclusie dat hij een sterk vermoeden heeft dat het hier gaat om een zuiver accidenteel voorval, waarin in wezen de (eiser I.2) geen schuld zou treffen, vermits hij ook maar grondstoffen inhaalt en opkoopt.".

- Op geen enkel ogenblik tijdens de verhoren in het administratief onderzoek werd op (de eisers I) enige dwang uitgeoefend om toch te spreken; dit werd door de betrokkenen over deze verhoren en het concrete verloop ervan ook nooit voorgehouden; bovendien houdt de verwijzing naar art. 47bis Sv. in dat (de eisers I) wel werden gewezen op hun zwijgrecht, zodat de cautieplicht wel werd gerespecteerd, zonder dat dit met zich meebrengt dat het administratief onderzoek een strafrechtelijke aard kreeg; door voorlezing van de bepaling van art. 47bis Sv. wordt de ondervraagde er immers op gewezen dat alle verklaringen die hij in zijn nadeel aflegt, ook tegen hem kunnen worden gebruikt en hij aldus mag weigeren om tegen zichzelf belastende verklaringen af te leggen (r.o. 5.3.5.4)

- Waar het zwijgrecht in beginsel kan gelden vanaf het ogenblik dat een administratief onderzoek een beschuldigend karakter krijgt en de gecontroleerde personen aangemerkt kunnen worden als verdachten, waren (de eiser I.1) noch (de eiser I.2) in de periode van 24 tot en met 30 maart 1999 het voorwerp - zelfs niet informeel - van een strafvervolging in ruime zin. De processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie voor Middenstand en Landbouw vormen op zich geen beschuldiging. Het feit dat deze controlediensten met betrekking tot, in casu, de aard en herkomst van de leveringen van dierlijk vet aan de mengvoederindustrie controle verrichten en inlichtingen inwinnen, betekent nog niet dat de betrokkenen als verdachten dienen te worden aangemerkt. De vraag naar inlichtingen door de controlediensten van het Ministerie van Middenstand en Landbouw was ook niet gericht op het verkrijgen van inlichtingen om de vervolging van betrokkenen - en op dat moment evenmin van derden - mogelijk te maken (r.o. 5.3.5.6, eerste paragraaf ).

- (de eisers I) werden in loop van het administratief onderzoek uitgevoerd op 24, 26, en 30 maart 1999 op geen enkele wijze verhoord op verdenking van één van de telastleggingen waarvoor zij nu terecht staan, noch op verdenking van enig ander misdrijf. Nu (de eiser I.1) en (de eiser I.2) bij hun verhoren op respectievelijk 24 en 30 maart 1999 (eiser I.1) en 30 maart (eiser I.2) geen verdachten waren, zelfs niet in de ruime zin van het begrip, was de cautieplicht niet van toepassing (doch werd in concreto wel toegepast) en dienden zij ook niet voorafgaandelijk aan hun (eerste) verhoor de mogelijkheid tot toegang tot een advocaat te hebben. (De eisers I) bevonden zich in de periode van 24 tot en met 30 maart 1999 alleszins niet in de situatie dat men van hen inlichtingen wou bekomen, wetende dat zij mogelijk als verdachten aan bod zouden komen; er was trouwens nog geen sprake van een opsporingsonderzoek, laat staan een gerechtelijk onderzoek (r.o. 5.3.5.6, tweede paragraaf).

- Bij brief van 12 april 1999 heeft de ambtenaar van de Inspectie-generaal Grondstoffen en Verwerkte producten het proces-verbaal nr. 001/003/99 voor verder gevolg aan de procureur des Konings overgezonden (...). Uit de begeleidende brief blijkt duidelijk dat (de eisers I) voorheen nog niet als mogelijke verdachten werden aangemerkt. De brief verduidelijkt dat bij de (eiseres III) een onderzoek werd ingesteld naar de aard en de herkomst van de leveringen van dierlijk vet aan twee mengvoederfabrikanten. De brief stelt: "De rechtstreekse aanleiding hiervoor was de mededeling aan onze diensten te Brussel van problemen met pluimvee (o.a. sterfte) na het voederen van mengvoeder waarin dierlijk vet van de (eiseres III) verwerkt werd. Het onderzoek naar de gezondheidsproblemen is nog bezig. Er zijn sterke aanwijzingen dat de problemen te wijten zouden zijn aan verontreinigingen in het gebruikte dierlijke vet in deze voeders doch tot op heden zijn hiervoor nog geen sluitende bewijzen en werd nog geen oorzakelijk verband vastgesteld tussen de sterfte van de dieren en de samenstelling van het door (de eiseres III) geleverde vet.".

Op dezelfde datum, 12 april 1999, werd het proces-verbaal bij aangetekende brief aan de (eiseres III) toegezonden.

Pas bij vordering van 31 mei 1999 van de procureur des Konings te Gent werd het instellen van een gerechtelijk onderzoek gevorderd lastens (de eisers I) (r.o., 5.3.5.6, derde paragraaf)

- Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat de inspectiediensten (de eiser I.1) op geen enkel ogenblik onder druk hebben gezet of dwang op hem zouden hebben uitgeoefend: de ambtenaren stelden een vraag, nadat ze hem middels voorlezing van art. 47bis Sv. hadden gewezen op zijn zwijgrecht, en (de eiser I.1) verstrekte (onjuiste) inlichtingen, de ambtenaren vroegen documenten en (de eiser I.1) verstrekte (onjuiste) documenten, de ambtenaren wezen (de eiser I.1) op onjuistheden in de verstrekte documenten en inlichtingen en (de eiser I.1) erkende deze onjuistheden. De vraagstelling van de inspectiediensten was trouwens beperkt tot de aard en de herkomst van de geleverde vetten. De vaststelling dat onjuiste inlichtingen en documenten werden verstrekt noopte de inspectiediensten vanzelfsprekend tot het opstellen van proces-verbaal over dit feit: binnen de opsporingsbevoegdheid hen verleend door art. 6 van de wet van 11 juli 1969 stelden zij immers een overtreding van art. 8, §1, 9° van deze wet vast. Dit brengt echter niet met zich mee dat (de eiser I.1) met betrekking tot het voorwerp van het administratief onderzoek, het achterhalen van de aard en de herkomst van de door de (eiseres III) geleverde vetten in het kader van de pluimveevoederproblemen, op dat moment de hoedanigheid van verdachte verkreeg (r.o. 11.7).

- Gelet op het ontbreken van enige inverdenkingstelling of het verdenken van (de eiser I.1) inzake de administratief onderzochte feiten en de uitoefening van louter administratieve controlebevoegdheden, is het duidelijk dat de beklaagden ten onrechte de schending van de cautieplicht en het zwijgrecht inroepen. Een verdachte of inverdenkinggestelde heeft inderdaad het recht te zwijgen en zelfs te liegen, doch (de eiser I.1) had op 24 en 26 maart 1999 deze hoedanigheid niet; dat naderhand (de eiser I.1) toch verdachte en inverdenkinggestelde werd met betrekking tot telastleggingen die onder meer voortvloeien uit de gegevens bekomen in het kader van het administratief onderzoek doet geen afbreuk aan de vaststelling dat hij op 24 en 26 maart 1999 deze hoedanigheid niet had, noch werkt dit daar, retroactief, op terug. De inspectiediensten wisten hoegenaamd niet dat (de eiser I.1) door het verstrekken van de gevraagde inlichtingen en documenten zich verdacht kon maken; (de eiser I.1) zelf wist dit wel (r.o. 11.8).

De appelrechters trekken uit de door hen vastgestelde en hierboven aangehaalde feiten en omstandigheden geen gevolgen die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

Met de hiervoor aangehaalde redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat er in de periode van 24 tot 30 maart 1999 nog geen sprake was van enige strafvervolging, maar enkel van een louter administratief onderzoek, waarop artikel 6 EVRM niet van toepassing is, naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

20. In het tweede onderdeel voeren de eisers I een schending van artikel 149 Grondwet aan omdat het bestreden arrest aangetast is door een tegenstrijdigheid door, enerzijds, vast te stellen dat eisers tijdens het zogenaamde administratief onderzoek niet werden verhoord op verdenking van strafbare feiten waarvoor zij uiteindelijk terecht stonden en, anderzijds, vast te stellen dat zij tijdens hun herverhoren van 26 en 30 maart 1999 verhoord werden over mogelijke valsheden of onjuiste inlichtingen.

21. De aangevoerde tegenstrijdigheid lijkt mij niet te bestaan.

Het is immers niet tegenstrijdig enerzijds vast te stellen dat de eisers I in de loop van het administratief onderzoek uitgevoerd op 24, 26 en 30 maart 1999, op geen enkele wijze werden verhoord "op verdenking" van één van de telastleggingen waarvoor zij (later) terechtstonden, noch "op verdenking" van enig ander misdrijf en, anderzijds, vast te stellen dat de eiser I.1 tijdens zijn herverhoren van 26 en 30 maart 1999, in het kader van het administratief controle-onderzoek naar de herkomst van de door de eiseres III aan de voedingsindustrie geleverde vetten, verhoord werden over "mogelijke valsheden of onjuiste inlichtingen", zijnde "een incident van het controle-onderzoek, maar niet het voorwerp ervan".

Het onderdeel mist bijgevolg feitelijke grondslag.

22. In het derde onderdeel voeren de eisers I aan dat het recht op een eerlijk proces van artikel 6.1 EVRM, dat onder meer inhoudt dat degene die vervolgd wordt wegens een strafbaar feit zwijgrecht heeft, uiteraard impliceert dat dit zwijgrecht efficiënt moet zijn. Dit veronderstelt dat de betrokkene voorafgaand aan zijn ondervraging wordt geïnformeerd over zijn recht om te zwijgen, op een wijze die hem toelaat de draagwijdte van dit recht te begrijpen. Het zwijgrecht van de ondervraagde gaat dus gepaard met een cautieplicht in hoofde van de ondervragende instantie.

Volgens de eisers I wordt aan die cautieplicht niet voldaan door de betrokkene te wijzen op de rechten vermeld in artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering, in het bijzonder artikel 47bis, 1, c) van dat wetboek, dat bepaalt dat aan de ondervraagde persoon moet worden medegedeeld dat "zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt". Die algemene mededeling voldoet volgens de eisers I niet aan de kennisgeving van het zwijgrecht op een wijze die de ondervraagde toelaat de draagwijdte van zijn recht te begrijpen.

Het bestreden arrest oordeelt niet alleen dat het administratief onderzoek niet was onderworpen aan de waarborgen van artikel 6 EVRM, maar ook dat de eisers I op hun zwijgrecht werden gewezen en de cautieplicht bijgevolg was nageleefd doordat aan de eisers I voorlezing werd gegeven van artikel 47bis Sv.

Aangezien de enkele mededeling van de rechten van artikel 47bis Sv. niet voldoet aan de cautieplicht als waarborg van het zwijgrecht vervat in artikel 6.1 EVRM, kon het bestreden arrest, volgens de eisers I, niet op wettige wijze steunen op de naleving van artikel 47bis Sv. om tot de wettigheid van de administratieve verhoren van eisers op 24, 26 en 30 maart 1999 te besluiten en door dat toch te doen, schendt het bestreden arrest de artikelen 47bis van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR en miskent het de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging.

23. De appelrechters oordelen onder meer omtrent het administratief onderzoek dat:

- (de eiser I.1) op 24 en 30 maart 1999 en (de eiser I.2) op 30 maart 1999 niet werden verhoord als verdachten in het kader van een lastens hen gevoerd strafrechtelijk onderzoek, maar in een onderzoek van de ambtenaren naar de aard en de herkomst van de door de (eiseres III) aan de voederindustrie geleverde vetten (r.o. 5.3.5.2, vierde paragraaf)

- er een determinerend onderscheid was tussen de zaak van eisers I en de zaak Saunders omdat er tegen Saunders reeds in de fase van het administratief onderzoek aanwijzingen waren van het plegen van strafbare feiten, hij binnen de inspectiediensten als mogelijke verdachte was aangeduid en hij tijdens de controle de facto als (mogelijke) verdachte werd verhoord, wat niet het geval was voor de eisers I (r.o. 5.3.5.3).

- er (in de fase van het administratief onderzoek) geen sprake was van enige strafvervolging (r.o. 5.3.5.3)

- waar het zwijgrecht in beginsel kan gelden vanaf het ogenblik dat een administratief onderzoek een beschuldigend karakter krijgt en de gecontroleerde personen aangemerkt kunnen worden als verdachten, de (eisers I) in de periode van 24 tot en met 30 maart 1999 niet het voorwerp - zelfs niet informeel - (waren) van een strafvervolging in de ruime zin, zodat de cautieplicht en het recht op bijstand van een advocaat niet van toepassing was, aangezien er nog geen sprake was van een opsporingsonderzoek, laat staan een gerechtelijk onderzoek (r.o. 5.3.5.6).

- de verhoren tijdens het administratief onderzoek niet dienen getoetst te worden aan de zogenaamde Salduz-rechtspraak van het EHRM.

Met deze overwegingen geven de appelrechters te kennen, dat naar hun oordeel, het administratief onderzoek niet was onderworpen aan de waarborgen van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, die slechts gelden voor eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd. Bij het antwoord op het eerste onderdeel is gebleken dat de appelrechters deze beslissing naar recht hebben verantwoord.

Het onderdeel, dat opkomt tegen de vaststelling van de appelrechters dat "de verwijzing naar artikel 47bis Wetboek van Strafvordering (inhoudt) dat de eisers I wel werden gewezen op hun zwijgrecht, zodat de cautieplicht wel werd gerespecteerd", komt bijgevolg op tegen een overtollige reden.

Het onderdeel is derhalve, wegens gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

24. In het vierde onderdeel voeren de eisers I aan dat het recht op een eerlijk proces van artikel 6.1 EVRM, dat onder meer inhoudt dat degene die vervolgd wordt wegens een strafbaar feit zwijgrecht heeft, uiteraard impliceert dat dit zwijgrecht efficiënt moet zijn.

Dat is volgens de eisers I niet het geval wanneer de betrokkene bij zijn verhoor zou worden gewezen op zijn recht om te zwijgen, terwijl hij door te zwijgen zich schuldig zou maken aan een strafbaar feit, zoals dat hier het geval is, aangezien artikel 8, §1, 9° van de wet van 11 juli 1969 betreffende de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt strafbaar stelt "hij die zich verzet tegen bezoeken, inspecties, inbeslagnemingen, controles, monsternemingen of verzoeken om inlichtingen of documenten door de in artikel 6 van deze wet bepaalde overheidspersonen of die, wetens, onjuiste inlichtingen of documenten verstrekt".

Hieruit volgt dat, ook al werden eisers gewezen op de rechten vermeld in artikel 47bis Sv. en ook al zou hieronder het zwijgrecht zijn begrepen, hun zwijgrecht inefficiënt was nu zij strafbaar waren zowel wanneer zij weigerden inlichtingen te geven als wanneer zij verkeerde inlichtingen gaven.

Ondanks de verwijzing in het arrest naar voormelde strafbepaling uit de wet van 11 juli 1969 oordeelt het bestreden arrest dat eisers tijdens het zogenaamde administratief onderzoek de mogelijkheid hadden om te zwijgen en dat de ambtenaar hen op de rechten van artikel 47bis Sv. en dus, volgens het arrest, ook op hun zwijgrecht had gewezen.

Hieruit leidt het arrest ten onrechte af dat het recht op een eerlijk proces, en meer bepaald het zwijgrecht van de eisers I in de eigenlijke strafvervolging, niet werd aangetast door de aanwezigheid van de stukken van het administratief onderzoek.

Door aldus te oordelen, miskent het bestreden arrest volgens de eisers I de draagwijdte van artikel 8, §1, 9° van de wet van 11 juli 1969 betreffende de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt en de vereiste van efficiëntie van het zwijgrecht vervat in de waarborg van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR en schendt het bijgevolg de voormelde wets- en verdragsbepalingen en miskent het eveneens de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging.

25. Artikel 8, §1, 9° Wet Landbouwgrondstoffen stelt strafbaar: "hij die zich verzet tegen bezoeken, inspecties, inbeslagnemingen, controles,monsternemingen of verzoeken om inlichtingen of documenten door de in artikel 6 van deze wet bepaalde overheidspersonen of die, wetens, onjuiste inlichtingen of documenten verstrekt".

Uit het antwoord op het eerste en het derde onderdeel volgt reeds dat de waarborgen van artikel 6 EVRM, hierinbegrepen het zwijgrecht, niet toepasselijk zijn op zuiver administratieve onderzoeken, waarbij de verhoorde persoon niet verdacht wordt van een misdrijf of niet onder de dreiging van een strafvervolging leeft en dat de appelrechters hun beslissing dienaangaande naar recht hebben verantwoord.

De omstandigheid dat het zwijgrecht van artikel 6 EVRM, zoals dat geïnterpreteerd wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, als dusdanig, in al zijn aspecten en met de daarmee verbonden afgeleide rechten, daaronder begrepen de cautieplicht, niet van toepassing is op dergelijke onderzoeken, betekent evenwel niet dat het woord "verzet" in artikel 8, §1, 9° Wet Landbouwgrondstoffen zo zou kunnen geïnterpreteerd worden dat het zou inhouden dat degene die in het kader van een dergelijk louter administratief "fact-finding" onderzoek, zoals bedoeld in deze wet, een verzoek om inlichtingen ontvangt en gevraagd wordt een verklaring af te leggen, niet zou mogen zwijgen wanneer hij van oordeel is dat hij het risico loopt dat hij bij het antwoorden op de gevraagde inlichtingen verplicht zou worden zichzelf te incrimineren. Bij het afwegen van dit risico kan de verhoorde persoon uiteraard ook rekening houden met de mogelijkheid dat de in het kader van dit administratief onderzoek gedane zelfbelastende verklaringen eventueel zouden kunnen gebruikt worden in een latere strafvervolging.

Het woord "verzet" houdt immers veel meer in dan een louter passieve houding die er zou in bestaan ervoor te opteren te zwijgen: het woord "verzet" kan enkel begrepen worden als een meer actieve tussenkomst die bestaat in een houding van verweer, verhindering of weerstand. Het gebruik van het woord "verzet" toont bijgevolg aan dat artikel 8, §1, 9°, Wet Landbouwgrondstoffen enkel een actieve tegenkanting tegen de uitoefening door de bevoegde ambtenaren of overheidspersonen van hun wettelijke opdracht of het verstrekken van onjuiste inlichtingen of documenten wil bestraffen, maar niet de loutere keuze van de verhoorde persoon om te zwijgen, wanneer hij meent dat hij bij het afleggen van verklaringen niet anders kan doen dan zichzelf belasten.

De ondervraagde kan dus verkiezen te zwijgen om niet gedwongen te worden zelfbelastende verklaringen af te leggen, maar wanneer hij ervoor opteert om toch te antwoorden op het verzoek om inlichtingen is hij verplicht om de correcte informatie te geven, op gevaar af het risico te lopen vervolgd en gestraft te worden wegens het verstrekken van onjuiste inlichtingen of documenten.

Het onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

26. In het vijfde onderdeel voeren de eisers I aan dat, zelfs indien de waarborgen van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR niet toepasselijk zouden zijn op het zogenaamde administratief onderzoek, dit dan nog niet belet dat het gebruik van de tijdens dat onderzoek afgelegde zelfincriminerende verklaringen in de daarop volgende strafprocedure het recht op een eerlijk proces van de betrokkene kan aantasten, wat het geval is wanneer de betrokkene ertoe gebracht wordt om zelfincriminerende verklaringen af te leggen omdat een wettelijke bepaling het weigeren om de gevraagde inlichtingen te verstrekken strafbaar stelt.

Volgens de eisers I doet de enkele omstandigheid dat de ambtenaar de betrokkene vooraf zou hebben verwittigd van zijn zwijgrecht hieraan geen afbreuk, vermits een zwijgrecht terwijl de wet een weigering om aan het onderzoek mee te werken strafbaar stelt, immers elke efficiëntie mist.

Het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR is, volgens de eisers I, onherstelbaar aangetast wanneer de in die omstandigheden afgelegde zelfincriminerende verklaringen gebruikt worden ter ondersteuning van een veroordeling, wat het geval is wanneer de belastende verklaringen afgelegd tijdens het administratief onderzoek aan de oorsprong liggen van de eigenlijke strafvordering of wanneer zij een impact hebben gehad op de verdere bewijsgaring of nog, wanneer zij rechtstreeks als bewijs van de ten laste gelegde feiten in aanmerking worden genomen, ook al vormt dit niet het enige in aanmerking genomen bewijs.

Het staat vast dat artikel 8, §1, 9° van de wet van 11 juli 1969 betreffende de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt strafbaar stelt "hij die zich verzet tegen bezoeken, inspecties, inbeslagnemingen, controles, monsternemingen of verzoeken om inlichtingen of documenten door de in artikel 6 van deze wet bepaalde overheidspersonen of die, wetens, onjuiste inlichtingen of documenten verstrekt".

Tevens stelt het bestreden arrest vast dat "de bewijslevering (...) haar oorsprong vindt in de bevindingen van het administratief onderzoek". Daarnaast stelt het arrest ook vast dat "(...) het bewijs niet enkel op de gegevens van het administratief onderzoek steunt, doch ook op de gegevens bekomen tijdens het gerechtelijk onderzoek (...)".

Uit die vaststellingen, die aantonen dat de eisers I geen andere keuze hadden dan zich bij hun administratief verhoor zelf te incrimineren enerzijds en dat de toen afgelegde belastende verklaringen werden gebruikt bij de bewijslevering lastens de eisers I anderzijds, vloeit noodzakelijk voort dat, zelfs indien het administratief onderzoek op zich niet door een schending van het recht op een eerlijk proces zou zijn aangetast, dit wel het geval is voor de daarop volgende strafvervolging.

Door er anders over te oordelen en om die reden te weigeren de strafvordering onontvankelijk of ongegrond te verklaren, schendt het bestreden arrest volgens de eisers I bijgevolg artikel 6.1 van het EVRM en artikel 14.1 IVBPR en miskent het de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging.

27. Het vijfde onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs in het vierde onderdeel aangevoerde onwettigheid.

Het onderdeel is derhalve niet ontvankelijk.

28. In hun derde middel voeren de eisers I de schending aan van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

In hun appelconclusies hadden de eisers I aangevoerd dat bij de bijzondere verbeurdverklaring rekening dient gehouden met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM en het daarin vervatte proportionaliteitsbeginsel. Meer bepaald hadden zij aangevoerd dat, in de concrete omstandigheden van de zaak, de verbeurdverklaring van bruto vermogensvoordelen of van de volledige som van de facturen de proportionaliteitstoets niet kon doorstaan.

Het bestreden arrest stelt weliswaar dat in beginsel "de volledige omzet" die de eiseres III behaalde door de vermenging van technisch vet in de leveringen aan de veevoederbedrijven een wederrechtelijk vermogensvoordeel uitmaakt en dat bij de begroting van de vermogensvoordelen het hof niet gehouden is de "kosten die verbonden zijn aan de verwezenlijking van de misdrijven" in rekening te brengen, maar die motieven noch enig ander motief houden volgens de eisers I een antwoord in op de grief gesteund op artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM en de daarin vervatte proportionaliteitsvereiste, zodat het bestreden arrest volgens de eisers I niet regelmatig is gemotiveerd en bijgevolg artikel 149 van de Grondwet schendt.

Eiseres III voert hetzelfde verweer in haar tweede middel.

29. De appelrechters overwegen met betrekking tot de begroting van de verbeurd te verklaren vermogensvoordelen:

"(de eisers I) wordt in deze zaak onder meer bedrog in de koopwaar te last gelegd. In strijd met de mondelinge en schriftelijke overeenkomsten met de veevoederfabricanten, hebben (de eisers I), zoals hiervoor overwogen, aan deze klanten mengelingen van dierlijke en technische vetten verkocht in een periode van 1 januari 1998 tot en met 31 mei 1999. Hieruit hebben zij een illegaal vermogensvoordeel bekomen.

Als niet dienstig voor de begroting van het genoten vermogensvoordeel voeren (de eisers I) aan dat de (eiseres III) bij de bepaling van de gefactureerde prijs rekening hield met de fractie technisch vet die werd toegevoegd. Deze bewering van de (eisers I) die enerzijds geen steun vindt in de dossiergegevens en door hen op geen andere wijze wordt aangetoond, bevestigt anderzijds dat het toevoegen van technisch vet een prijsverschil in hun voordeel opleverde en met de gepleegde en bewezen bevonden misdrijven dus een vermogensvoordeel werd bekomen.

Het staat vast dat in de door de (eiseres III) geleverde vetten zich geen technische vetten mochten bevinden. Aldus kan in beginsel gesteld worden dat de volledige omzet die de (eiseres III) behaalde door de vermenging van technisch vet in de leveringen aan de veevoederbedrijven, die volledig dierlijk vet verwachtten, een wederrechtelijk vermogensvoordeel uitmaakt, die de (eisers I) zoals hierna bepaald ten gunste kwam. De beklaagden mogen niet in het bezit blijven van de vermogensvoordelen die zij uit de misdrijven haalden, zodat de bijzondere verbeurdverklaring ervan moet worden toegepast om dit voordeel teniet te doen.

Hoewel het hof voor de raming van de vermogensvoordelen in beginsel niet gebonden is aan de begroting van het openbaar ministerie voor een bedrag van euro 7.026.771,93 als totaal wederrechtelijk vermogensvoordeel, treedt het hof deze begroting nochtans bij en maakt deze tot de zijne. De berekening door het openbaar ministerie is gebaseerd op enerzijds voor 1998 een overzicht verstrekt door (de eiser I.1) aan de inspecteur en anderzijds voor 1999 een overzicht van de opgeslagen vetten en houdt rekening met een correctie in het voordeel van de (eisers I). Het hof is bij de begroting van de vermogensvoordelen niet gehouden de kosten die verbonden zijn aan de verwezenlijking van de misdrijven in rekening te brengen."

Met het geheel van deze redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer van de eisers I, dat in de concrete omstandigheden van de zaak, de verbeurdverklaring van bruto vermogensvoordelen of van de volledige som van de facturen de proportionaliteitstoets niet kon doorstaan.

Het middel mist feitelijke grondslag.

30. In hun vierde middel voeren de eisers I de schending aan van artikel 43bis, derde lid, van het Strafwetboek en van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek

Na de eisers I schuldig te hebben verklaard aan de meeste van de hen ten laste gelegde feiten en hen een straf te hebben opgelegd en na lastens elk van hen een bedrag van 3.513.385,96 euro verbeurd te hebben verklaard (als vermogensvoordelen in totaal begroot op 7.026.771,93 euro ), beslist het bestreden arrest tot toewijzing van de verbeurd verklaarde vermogensvoordelen aan de burgerlijke partijen "voor zover en in de mate dat hun vordering zou worden gegrond verklaard"

Krachtens artikel 43bis, derde lid, van het Strafwetboek worden de verbeurd verklaarde zaken aan de burgerlijke partij toegewezen wanneer zij aan de burgerlijke partij toebehoren of wanneer zij goederen en waarden vormen die de veroordeelde in de plaats gesteld heeft van de zaken die toebehoren aan de burgerlijke partij of wanneer zij het equivalent van zulke zaken vormen.

Terwijl de verbeurdverklaring een straf is, heeft de toewijzing van de verbeurd verklaarde zaken aan de burgerlijke partij een vergoedend karakter. Zij vormt een wijze van herstel in natura van de door de burgerlijke partij geleden schade.

Hieruit volgt volgens de eisers I dat de toewijzing van de verbeurd verklaarde zaken niet aan de strafvordering, maar wel aan de burgerlijke vordering is verbonden. Het hof van beroep kon bijgevolg de verbeurd verklaard zaken niet aan de burgerlijke partijen toewijzen alvorens hun burgerlijke vordering op haar ontvankelijkheid en gegrondheid werd onderzocht door de eerste rechter, die die behandeling had uitgesteld.

Hoewel het bestreden arrest vaststelt dat de eerste rechter "de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de burgerlijke vorderingen heeft aangehouden", beslist het arrest volgens de eisers I onterecht tot de toewijzing van de verbeurd verklaarde zaken aan de burgerlijke partijen, weliswaar onder de voorwaarde dat hun burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond zal worden verklaard en door aldus te beslissen, miskent het bestreden arrest, steeds volgens de eisers I, het burgerrechtelijk karakter van de in artikel 43bis, derde lid, van het Strafwetboek voorziene toewijzing van de verbeurd verklaarde zaken aan de burgerlijke partij en schendt het bijgevolg voormeld artikel 43bis, derde lid, Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

31. Zoals hiervoor uiteengezet (zie supra - randnummer 2) is de beslissing waartegen het middel gericht is geen eindbeslissing, noch een beslissing waartegen onmiddellijk cassatieberoep openstaat, zodat de cassatieberoepen, in zoverre zij tegen die beslissing gericht zijn, voorbarig en dus niet ontvankelijk zijn.

Het middel, dat zelf geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen, dient niet meer beantwoord te worden.

32. Overigens en zuiver volledigheidshalve, zelfs wanneer de cassatieberoepen als ontvankelijk zouden beschouwd worden, dan nog zou het middel geen doel treffen.

In de eerste plaats wijzen de appelrechters de verbeurd verklaarde vermogensvoordelen enkel toe aan de burgerlijke partijen "voor zover en in de mate dat hun vordering zou worden gegrond verklaard".

In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest de verbeurd verklaarde zaken effectief toewijst aan de burgerlijke partijen (alvorens hun burgerlijke vordering op haar ontvankelijkheid en gegrondheid werd onderzocht door de eerste rechter, die de behandeling van dit vraagstuk had uitgesteld,) berust op een onjuiste lezing van het arrest.

Het middel zou in zoverre feitelijke grondslag missen.

Bovendien dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat de verbeurdverklaring een rechterlijke beslissing is die het eigendomsrecht over bepaalde zaken die verband houden met het misdrijf of vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, aan de veroordeelde ontneemt. Dit eigendomsrecht wordt in principe aan de Staat toegekend, maar kan in sommige door de wet voorziene gevallen aan de burgerlijke partij of zelfs aan een derde worden toegekend.

Aangezien de veroordeelde tegen wie een verbeurdverklaring van bepaalde zaken wordt uitgesproken, in elk geval, - en ongeacht aan wie het eigendomsrecht uiteindelijk zal worden toegekend -, alle rechten op die verbeurd verklaarde zaken verliest, heeft hij er geen enkel belang bij op te komen tegen de beslissing waarbij de appelrechters de verbeurd verklaarde vermogensvoordelen toewijzen aan de burgerlijke partijen "voor zover en in de mate dat hun vordering zou worden gegrond verklaard".

Het middel zou in zoverre niet ontvankelijk zijn bij gebrek aan belang.

33. In een vijfde middel (eerste middel van de aanvullende memorie) voeren de eisers I de schending aan van de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR en van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, evenals de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Eiseres III voert hetzelfde middel als eerste middel aan.

Volgens de eisers I en eiseres III is, wanneer het rechtscollege niet is samengesteld uit dezelfde rechters die ook de vroegere terechtzittingen hebben bijgewoond waarop de zaak werd behandeld, de beslissing alleen dan regelmatig gewezen, wanneer het debat voor dat rechtscollege volledig wordt hervat.

Volgens de eisers I en eiseres III was het rechtscollege, bij de openbare terechtzitting van 19 juni 2009, waarop zowel het openbaar ministerie als de beklaagden en de burgerlijke partijen werden gehoord, anders samengesteld dan op de latere terechtzittingen en werd, ondanks deze gewijzigde samenstelling, het debat niet volledig hernomen, wat een schending van de aangehaalde verdrags- en wetsbepalingen oplevert evenals een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

34. Artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

"Het vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid."

Aan de gebeurlijke nietigheid als gevolg van een behandeling door een gewijzigde zetelsamenstelling kan worden geremedieerd door de debatten ab initio te hernemen voor de nieuwe zetel.

Het Hof heeft dienaangaande herhaaldelijk beslist dat het feit dat de debatten ab initio voor een anders samengesteld rechtscollege zijn hernomen, niet uitdrukkelijk behoeft te worden vermeld, maar kan blijken uit de stukken van de rechtspleging(15).

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt:

- dat de zetelsamenstelling vanaf de terechtzitting van 26 november 2009 tot aan de uiteindelijke uitspraak op 10 december 2010 steeds dezelfde is geweest, maar verschilt van de zetelsamenstelling op de terechtzitting van 19 juni 2009, waarop het hof van beroep de zaak in voortzetting stelde naar de eerder genoemde terechtzitting van 26 november 2009.

- dat op de terechtzitting van 19 juni 2009 verschillende beklaagden werden "vertegenwoordigd" in hun middelen van verdediging.

- dat het hof van beroep op de openbare terechtzittingen van 26 november 2009 (namiddagzitting), 14 januari 2010 (namiddagzitting), 29 april 2010 (namiddagzitting), 30 april 2010 (voormiddagzitting), 30 april 2010 (namiddagzitting), 6 mei 2010 (namiddagzitting), 7 mei 2010 (voormiddagzitting), 7 mei 2010 (namiddagzitting), 20 mei 2010 (namiddagzitting), 3 juni 2010 (namiddagzitting) en 24 juni 2010 (namiddagzitting voor het sluiten van de debatten) het openbaar ministerie, de burgerlijke partijen en de beklaagden heeft gehoord.

- dat op de openbare terechtzitting van 26 november 2009 (namiddagzitting) het openbaar ministerie heeft gevorderd, dat voor de eisers I een conclusie werd neergelegd waarvan door hun raadsman ter zitting werd meegedeeld dat dit enkel moet gezien worden als een grievenschrift tegen het vonnis van de eerste rechter en dat later nog conclusies zouden worden neergelegd tijdens de pleidooien, dat tevens voor de eiseres III een conclusie werd neergelegd en voor de eisers II een stukkenbundel, dat de zaak in voortzetting werd gesteld op de openbare terechtzitting van 14 januari 2010 en dat het hof van beroep op die zitting de zaak uitstelde naar de terechtzitting van 28 april 2010 om de zaak ten gronde te pleiten en dat eveneens vrijdag 29 april 2010, donderdagnamiddag 6 mei 2010, vrijdag 7 mei 2010 en donderdagnamiddag 10 mei 2010 werden voorzien ter behandeling van de zaak ten gronde.

- dat op de openbare terechtzitting van 14 januari 2010 (namiddagzitting) het openbaar ministerie een conclusie heeft neergelegd en dat de zaak in voortzetting werd gesteld op de terechtzitting van 29 april 2010 teneinde partijen te horen en niet enkel over de eventuele excepties maar ook ten gronde.

- dat op de openbare terechtzitting van 29 april 2010 (namiddagzitting) het hof van beroep een vraag tot uitstel verwierp op grond, onder meer, van het feit dat op de terechtzitting van 26 november 2009 conclusies werden neergelegd voor elk van de eisers, dat het openbaar ministerie op die terechtzitting vorderde en de zaak in voortzetting werd gesteld op de terechtzitting van 30 april 2010, onder meer, om het woord te geven aan de verdediging van de eisers II.

- dat op de openbare terechtzitting van 30 april 2010 (voormiddagzitting) de raadsman van de eisers II stukken heeft neergelegd en heeft gepleit over de straftoemeting en dat de zaak in voortzetting werd gesteld op de openbare terechtzitting van 30 april 2010 (namiddagzitting).

- dat op de openbare terechtzitting van 30 april 2010 (namiddagzitting) het openbaar ministerie zijn repliekvordering gegeven heeft op de pleidooien voor de eisers II en heeft gevorderd ten aanzien van de eisers I, gelet op het feit dat het verstek voor deze laatsten werd gelicht, dat de raadsman van eiseres III voor deze laatste heeft gepleit en dat de zaak in voortzetting werd gesteld op de openbare terechtzitting van 6 mei 2010 om het woord te geven aan de verdediging van de eisers I.

- dat op de openbare terechtzittingen van 6 mei 2010 (namiddagzitting), 7 mei 2010 (voormiddagzitting) en 7 mei 2010 (namiddagzitting) de raadsman van de eisers I heeft gepleit en op laatstvermelde zitting ook een conclusie en een stukkenbundel neerlegde.

- dat op de openbare terechtzitting van 20 mei 2010 de raadsman van de eisers I een conclusie inzake het horen van getuigen heeft neergelegd en dagvaardingen tot het horen van twee getuigen toelichtte, het openbaar ministerie werd gehoord omtrent het horen van getuigen en het hof van beroep de beslissing over het verzoek tot het horen van getuigen bij de beoordeling ten gronde voegde en de raadsman van de eisers I heeft gepleit.

- dat op de openbare terechtzitting van 3 juni 2010 (namiddagzitting) het openbaar ministerie het woord vroeg aangaande de vraag van de raadslieden van de eisers I en eiseres III tot voorlegging van overtuigingsstukken ter zitting, de zitting werd geschorst teneinde de partijen toe te laten een navolgend proces-verbaal nr. 5356/2010 van 1 juni 2010 in te zien, de zitting nogmaals werd geschorst teneinde het openbaar ministerie toe te laten de door de verdediging van de eisers I gevraagde stalen te laten overbrengen, en dat de raadsman van de eisers I voor hen heeft gepleit.

- dat op de openbare terechtzitting van 24 juni 2010 de raadsman van de eisers I conclusies en een stukkenbundel heeft neergelegd en de raadslieden van de eisers II een syntheseconclusie en een stukkenbundel hebben neergelegd waarna de debatten voor gesloten werden verklaard.

Uit deze vaststellingen blijkt dan ook dat vanaf de openbare terechtzitting van 26 november 2009 en gedurende de daarop volgende openbare terechtzittingen het hof van beroep in zijn nieuwe samenstelling het openbaar ministerie heeft gehoord in zijn vorderingen, de beklaagden herhaaldelijk conclusies en stukken hebben neergelegd, de beklaagden werden gehoord en zich hebben verdedigd, en de zaak ten slotte in beraad werd genomen, waaruit volgt dat het gehele debat ab initio voor de nieuw samengestelde zetel van het hof van beroep werd hernomen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

35. In hun zesde middel (tweede middel van de aanvullende memorie) voeren de eisers I de schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en 14.1 IVBPR en van artikel 828, 1° Gerechtelijk Wetboek evenals de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid van de rechter.

Wat de aangevoerde Salduz-exceptie betreft, stelt het bestreden arrest met betrekking tot de op 1 en 2 juni 1999 door de eisers I afgelegde belastende verklaringen aan de politie en aan de onderzoeksrechter, terwijl zij van hun vrijheid waren beroofd, weliswaar vast dat zij werden afgenomen zonder bijstand van een raadsman en dat zij in de actuele stand van de rechtspraak van Straatsburg een aantasting inhielden van het recht van verdediging van de eisers I, maar de appelrechters beslissen navolgend dat die schending voldoende wordt hersteld door deze verhoren uit het strafdossier te weren. Het bestreden arrest beslist aldus na te hebben vastgesteld dat dergelijk verhoor zonder de bijstand van een raadsman waarbij belastende verklaringen werden afgelegd niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering kan leiden en evenmin automatisch tot een onherstelbare miskenning van het recht op een eerlijk proces leidt. Het arrest stelt dat het volstaat dat de desbetreffende processen-verbaal uit het strafdossier worden geweerd nu de bewijslevering van de ten laste gelegde feiten niet op die verklaringen alleen zijn gesteund en zij niet aan de oorsprong liggen van de vervolging van de eisers I of geen verdere doorwerking op de bewijslevering hebben.

De eisers I voeren hieromtrent aan dat de rechter onpartijdig moet zijn en dat een rechter desgevallend op grond van artikel 828, 1° Gerechtelijk Wetboek, wegens gewettigde verdenking kan worden gewraakt.

De eisers dienden op 14 september 2010 een verzoek tot wraking in van één van de raadsheren die deel uitmaakte van de zetel, omdat deze raadsheer, die uitspraak diende te doen over de Salduz-problematiek, reeds eerder een commentaarstuk schreef bij een cassatie-arrest dat over deze problematiek uitspraak deed, zodat hij

niet meer als onafhankelijk of onpartijdig kon worden aanzien. Bij arrest van 15 oktober 2010 werd dit verzoek door het Hof van Cassatie verworpen en de raadsheer, waarvan om de wraking werd verzocht, bleef deel uitmaken van de zetel.

De eisers I voeren aan dat hun "gewettigde twijfel", dat de opvattingen van deze raadsheer inzake de Salduz-problematiek zouden doorwerken in hun berechting en dat deze raadsheer niet meer de vereiste onpartijdigheid kon bieden, onverkort blijft bestaan. Zij vragen dat het Hof, ditmaal als cassatierechter, bij het nazicht van de wettigheid van het bestreden arrest, opnieuw diezelfde grief zou onderzoeken.

36. In zoverre het middel gericht is tegen de verwerping door het Hof van Cassatie bij arrest van 15 oktober 2010 van het door eisers I ingediende verzoek tot wraking van raadsheer M., is het niet gericht tegen het bestreden arrest.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Voor het overige oordeelde het Hof, in het kader van de in het middel bedoelde wrakingsprocedure, in zijn arrest van 15 oktober 2010(16), waarbij het verzoek tot wraking verworpen werd:

"Het innemen door een rechter van een bepaald standpunt over een juridisch twistpunt door middel van wetenschappelijke publicaties of in het kader van de activiteiten binnen een redactie van een juridisch tijdschrift, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat de rechter daardoor ongeschikt wordt om kennis te nemen van een geschil waar dat rechtspunt aan de orde is.

Dit is evenmin het geval wanneer (hij) hierbij afkeuring of bijval doet blijken voor een bepaald standpunt, op voorwaarde dat dit gebeurt met de gematigdheid en genuanceerdheid die het optreden van een magistraat steeds dient te kenmerken.

Uit de overgelegde elementen blijkt niet dat raadsheer M. bij de voorbereiding van een wetenschappelijk publicatie en in de gedachtenwisseling hierover binnen de redactie de grens heeft overschreden waardoor zijn geschiktheid om op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in het gedrang komt.

(...)

Het publiceren van een wetenschappelijke bijdrage over een rechtspunt kan niet beschouwd worden als het schrijven over een geschil in de zin van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek".

Deze redenen blijven actueel en onverkort geldig bij het beantwoorden van het zesde middel van de eisers I (tweede middel van de aanvullende memorie).

Overigens oordeelde het Hof in een arrest van 17 december 2002 dat geen partijdigheid kan worden afgeleid uit het enkel feit dat leden van het Hof van Cassatie reeds uitspraak hebben gedaan in een ander geschil met gelijkaardige rechtsvragen, zelfs al is de eiser dezelfde(17).

Op grond van een zelfde redenering kan hier gesteld worden dat geen partijdigheid kan worden afgeleid uit het loutere feit dat een lid van een rechtscollege, dat uitspraak doet over een verweer geput uit de Salduz-rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, eerder in een juridisch wetenschappelijk tijdschrift een commentaarstuk publiceerde omtrent een arrest van het Hof van Cassatie betreffende diezelfde problematiek, op voorwaarde dat de stellingname in deze publicatie gebeurde met de gematigdheid en genuanceerdheid die het optreden van een magistraat steeds dient te kenmerken.

Dat aan deze vereiste van gematigdheid en genuanceerdheid was voldaan blijkt overigens uit de door de eisers I zelf in het middel vermelde precisering dat betrokken raadsheer het bewuste cassatiearrest als "pragmatisch" en "wars van iedere juridische wereldvreemdheid" kwalificeerde, maar tegelijkertijd de vraag stelde "of het standpunt (van het Hof van Cassatie) finaal houdbaar zal zijn voor het EHRM (...)".

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

37. In het zevende middel (derde middel van de aanvullende memorie) voeren de eisers I de schending aan van de artikelen 6 EVRM en 14.1 IVBPR en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, evenals de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

38. In het eerste onderdeel van dit middel voeren de eisers I aan dat de appelrechters de telastleggingen van valsheid in geschrifte en van gebruik van valse stukken heromschrijven door de weglating van het specifieke bijzonder opzet "met het bedrieglijk oogmerk om ten aanzien van het Ministerie van Landbouw en de klanten-veevoederfabrikanten te kunnen staande houden dat enkel dierlijke vetten aan de veevoederfabirkanten werden geleverd" en daarbij preciseren "dat het verweer van de (eisers I) betrekking (heeft) op de aldus verbeterde telastleggingen, zoals ook blijkt uit de conclusies", terwijl de eisers I in conclusie enkel aanvoerden dat zij op geen enkel ogenblik hebben gehandeld met het bedrieglijk opzet om ten aanzien van het Ministerie van Landbouw en de klanten-veevoederfabrikanten te kunnen staande houden dat enkel dierlijke vetten werden geleverd en zij nooit of nergens verweer hebben gevoerd aangaande de door het hof van beroep heromschreven telastleggingen: daardoor schrijven de appelrechters aan de conclusies iets toe wat er niet instaat en schenden zij de bewijskracht ervan.

39. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers I, zoals in het onderdeel wordt aangegeven, in beroepsbesluiten aanvoerden dat zij op geen enkel ogenblik hebben gehandeld "met het bedrieglijk opzet om ten aanzien van het Ministerie van Landbouw en de klanten-veevoederfabrikanten te kunnen staande houden dat enkel dierlijke vetten aan de veevoederfabrikanten werden geleverd".

De appelrechters heromschrijven de telastleggingen van valsheid in geschriften en gebruik ervan (telastleggingen A.I.1, A.I.2, A.I.3, A.II, B.I.1, B.I.2, B.I.3, C, D, E, F, G.I.1 en I.II) door de weglating van de precisering "met het bedrieglijk opzet om ten aanzien van het Ministerie van Landbouw en de klanten-veevoederfabrikanten te kunnen staande houden dat enkel dierlijke vetten aan de veevoederfabrikanten werden geleverd".

Door te oordelen dat "het verweer van de (eisers I) betrekking (heeft) op de aldus verbeterde telastleggingen, zoals ook blijkt uit de conclusies" geven de appelrechters van de conclusies van de eisers I geen uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

40. In het tweede onderdeel van dit zevende middel (derde middel van de aanvullende memorie) voeren de eisers I aan dat niet blijkt dat het hof van beroep hen mondeling of schriftelijk van deze heromschrijving heeft verwittigd, zodat zij niet de mogelijkheid hadden om over deze heromschrijving verweer te voeren en hun recht van verdediging uit te oefenen, wat een schending van de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR oplevert, evenals een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

41. De bedoeling waarmee men een valsheid in geschrifte pleegt of van een valse akte of een vals stuk gebruik maakt, heeft geen invloed heeft op het voor deze misdrijven vereiste bedrieglijk opzet: wanneer een verdachte naar de correctionele rechtbank verwezen wordt wegens een bepaalde valsheid of gebruik, is deze verwijzing niet beperkt tot een bepaalde bedoeling van de dader en is de rechtbank dan ook geadieerd van het feit wat ook de bedoeling van de dader is(18).

Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat de appelrechters de bedoelde telastleggingen heromschrijven door de loutere weglating van de specifieke bedoeling van de eisers I, faalt naar recht.

42. In het derde onderdeel van dit middel voeren de eisers I aan dat het recht van verdediging vereist dat een beklaagde in bijzonderheden en in een taal die hij begrijpt, wordt verwittigd van de feiten die hem worden ten laste gelegd.

Volgens de eisers I beantwoordde het bijzonder opzet dat aanvankelijk in de akte van aanhangigmaking was opgenomen, aan deze vereiste, in tegenstelling tot de omschrijving van de telastlegging die uiteindelijk door de appelrechters werd weerhouden: de eisers I werden op geen enkel ogenblik verwittigd van de weglating van het in de akte van aanhangigmaking gespecifieerde en in het gerechtelijk onderzoek onderzochte bijzonder opzet. Door de omschrijving van het specifiek bijzonder opzet zonder tegenspraak en zonder verwittiging weg te laten om terug te vallen op de loutere omschrijving van artikel 196 Wetboek van Strafvordering, miskent het bestreden arrest de artikelen 6.1 en 6.3a EVRM en artikel 14.1 IVBPR.

43. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel tevergeefs aangevoerde onwettigheid.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

44. In hun eerste middel voeren de eisers II de schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3 EVRM, van de artikelen 14.1 en 14.3.d IVBPR en van artikel 149 van de Grondwet.

Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet zijn elk vonnis en arrest met redenen omkleed en is de rechter derhalve verplicht te antwoorden op de precieze, relevante middelen die partijen op regelmatige wijze in besluiten aanvoeren ter staving van hun eis of verweer.

Artikel 6 EVRM waarborgt het recht op een eerlijk proces. Overeenkomstig artikel 6.1 EVRM heeft eenieder, bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak en overeenkomstig artikel 6.3 EVRM, heeft eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, ten minste de volgende rechten: (...) c. zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van de rechtspraak dit eist.

Deze rechten worden eveneens gewaarborgd door artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR.

Het recht op bijstand van een advocaat, gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken en zelfs in dat geval mag een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1. en 6.3 EVRM beperken.

Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad wanneer een verdachte verklaringen aflegt tijdens een politieverhoor of tijdens een verhoor door de onderzoeksrechter zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat.

De systematische weigering van het recht op bijstand van een advocaat bij het politionele verhoor of bij het eerste verhoor door de onderzoeksrechter in het kader van de wet op de voorlopige hechtenis (artikel 16, §2 van deze wet) volstaat, gelet op de bijzonder kwetsbare positie waarin de verdachte zich op dat moment bevindt, om te besluiten tot een schending van artikel 6 EVRM. Verder onderzoek naar het bestaan van andere waarborgen die zouden remediëren aan die beperking, zijn dan ook niet dienstig.

Opdat het recht op een eerlijk proces, voorzien in artikel 6.1 EVRM, voldoende concreet en effectief zou zijn moet er in het algemeen voorzien worden in de toegang tot een advocaat vanaf het eerste verhoor van een verdachte door de politie en de onderzoeksrechter, tenzij aangetoond kan worden dat er, in het licht van de bijzondere omstandigheden eigen aan de zaak, dwingende redenen bestaan om dit recht te beperken.

Maar zelfs indien er dwingende redenen ten uitzonderlijken titel deze weigering van toegang tot een advocaat kunnen rechtvaardigen, mag deze beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan moge zijn, niet onrechtmatig afbreuk doen aan het recht van de beklaagde voortvloeiend uit artikel 6 EVRM.

Indien belastende verklaringen afgelegd tijdens een politioneel verhoor of tijdens een eerste verhoor door de onderzoeksrechter zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, gebruikt worden om de betrokkene te veroordelen, is er in principe schending van de rechten van verdediging.

In geval van beperking van het recht op bijstand van een advocaat dient, in elk geval afzonderlijk aan de hand van de concrete gegevens van de zaak, te worden nagegaan of de beperking van het recht gerechtvaardigd is en, in voorkomend geval, of deze beperking, in het licht van het geheel van de procedure, de betrokkene al dan niet een eerlijk proces heeft ontzegd.

Indien de verdachte verklaringen aflegt tijdens een verhoor door de onderzoeksrechter zonder mogelijkheid van bijstand door een advocaat zal de rechter slechts kunnen beslissen dat het eerlijk karakter van het proces gevrijwaard is indien de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter gebruikt worden, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd.

In hun syntheseconclusie voor het hof van beroep zetten eisers II uiteen dat de eerste rechters hun veroordelende beslissing onder meer stoelen op hun initiële verklaringen van 7 en 8 juni 1999 ten aanzien van de onderzoekers en hun verklaringen van 21 juni 1999 aan de onderzoeksrechter en dat volgens de eerste rechters uit deze verklaringen blijkt dat eisers II gedurende de geïncrimineerde periode zouden geweten hebben dat het technische vet "bruine Thill" zonder meer gebruikt werd voor het vervaardigen van veevoeders.

Eisers II stelden dat de verklaring van eiser II.1 aan de onderzoeksrechter op 21 juni 1999, waarop de eerste rechters en ook de appelrechters hun veroordelende beslissing stoelen, werd afgelegd op een moment (21 juni 1999 omstreeks 13u24) waarop hij reeds sinds de dag voordien van zijn vrijheid was beroofd en vastgehouden werd in de politiecellen, zodat hij op dat moment volledig van de kaart was door de indrukwekkende omstandigheden en niet de reflex had aan de onderzoeksrechter verduidelijking te vragen met betrekking tot de gestelde vragen. Tengevolge van het feit dat hij de Nederlandse taal niet machtig is en diende bijgestaan te worden door een tolk en hij een slapeloze nacht in de politiecel had doorgebracht, bevond hij zich in een bijzonder kwetsbare en gedestabiliseerde positie.

Met verwijzing naar de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in verband met artikel 6.3 EVRM stelden eisers II dat indien deze verklaringen, afgelegd zonder de bijstand van een advocaat, als belastend zouden geïnterpreteerd worden, deze verklaringen niet als bewijs konden dienen.

Eisers II verzochten derhalve, voor zover de strafvordering door deze vaststellingen al niet onontvankelijk is geworden, de verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat als bewijs uit te sluiten en uit de debatten te weren.

Volgens de eisers II steunt het hof van beroep zijn beslissing op doorslaggevende wijze op de verklaringen door de eiser II.1 afgelegd op 21 juni 1999 aan de onderzoeksrechter (nadat hij op 20 juni 1999 van zijn vrijheid was beroofd en voorafgaand aan het verlenen van het bevel tot aanhouding), zonder bijstand van een advocaat.

Dat de verklaringen die door (eiser II.1) aan de onderzoeksrechter werden afgelegd door het hof van beroep als doorslaggevend bewijs worden gebruikt, blijkt volgens de eisers II uit het feit dat de appelrechters beslissen dat:

-de (eisers II) wisten dat het door hun firma F. geleverde vet bestemd was voor dierlijke voeding, daar (de eiser II.1) aan de onderzoeksrechter verklaarde "Ik denk dat het gebruikt wordt voor het vervaardigen van veevoeders", dit is de verklaring die de eiser II.1 op 21 juni 1999 aan de onderzoeksrechter aflegde zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat,

-het vet vervuild was en eisers II hiervan op de hoogte waren, nu (de eiser II.1) zelf aan de onderzoeksrechter verklaarde "wanneer er een lek is van thermische olie ruikt men dat zeer vlug en dan wordt de installatie onmiddellijk toegedraaid. De olie die in het vet is vrijgekomen wordt tezamen met de rest verkocht maar het gaat zeker niet om grote hoeveelheden.", dit is de verklaring die (de eiser II.1) op 21 juni 1999 aan de onderzoeksrechter aflegde zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat,

-de eisers II bij de verhandeling van het vet nalatig zijn geweest, nu (de eiser II.1) voor de onderzoeksrechter verklaarde "Voordat (de eiser I.2) ons mededeelde dat er problemen waren in verband met kippensterfte namen wij alles mee. Er was geen enkele controle over de inhoud van de vaten. Wij dachten er niet bij na dat er andere substanties in de tonnen konden aanwezig zijn. Wanneer wij vaten met twijfelachtige inhoud vaststelden, verwittigden wij wel de verantwoordelijke van het containerpark. Wanneer wij bijvoorbeeld zagen dat er motorolie in de vaten was dan namen wij die toch mee maar wij vroegen aan de verantwoordelijke om in het vervolg op te letten.", dit is de verklaring die (de eiser II.1) op 21 juni 1999 aan de onderzoeksrechter aflegde zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, en (de eiser II.1) "bevestigde dat alle vaten die in het bedrijf binnen kwamen effectief in de smeltput terechtkwamen. Hoewel hem er door chauffeur (J.) op gewezen werd dat het gebeurde dat ‘des salopperies', of vuiligheid, in de vaten aanwezig was, werd dit toch verwerkt", dit is de verklaring die (de eiser II.1) op 21 juni 1999 aan de onderzoeksrechter aflegde zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat.

Volgens de eisers II heeft het hof van beroep nagelaten na te gaan of deze verklaringen al dan niet werden afgelegd in omstandigheden verenigbaar met artikel 6, inzonderheid artikel 6.3.c EVRM en, zoniet, of deze vaststelling diende te leiden tot de onontvankelijkheid van de strafvordering of minstens tot de uitsluiting van deze verklaringen als bewijsmiddel ten laste van eisers.

Het hof van beroep gaat, in antwoord op de precieze en pertinente verweermiddelen in de syntheseconclusie van eisers II, niet na of de verklaringen waarop de veroordelende beslissing steunt al dan niet in aanwezigheid van een advocaat werden afgelegd, of eiser II.1 de gelegenheid had zich door een advocaat te laten bijstaan, of eiser II.1 zich, gelet op de door hem aangevoerde feitelijke omstandigheden (verklaringen afgelegd nadat de nacht werd doorgebracht in een politiecel, geen kennis van het Nederlands,...) in een kwetsbare positie bevond.

Het hof van beroep heeft derhalve volgens de eisers II het relevante en precieze verweer dienaangaande van de eisers II niet beantwoord, zodat het bestreden arrest niet regelmatig met redenen is omkleed en artikel 149 van de Grondwet schendt.

De eisers II merken hierbij nog op dat de op artikel 6 EVRM gestoelde "Salduz-exceptie" ook door (de eisers I) werd ingeroepen en het hof van beroep, in antwoord op dit verweer, in het bestreden arrest wel nagaat na of de verklaringen die door de eisers I zonder bijstand van een advocaat werden afgelegd als bewijsmiddelen ontoelaatbaar dienen te worden verklaard of uitgesloten dienen te worden. Het hof van beroep antwoordt aldus op het verweer van de eisers I. Door deze motieven van het arrest, die geenszins betrekking hebben op de verklaringen die door eisers II werden afgelegd tijdens de litigieuze verhoren zonder bijstand van een advocaat, worden de door eisers II in syntheseconclusie aangevoerde verweermiddelen geenszins beantwoord, wat een schending van artikel 149 van de Grondwet oplevert.

De eisers II vervolgen dat, in zoverre het hof van beroep, in antwoord op het door de eisers I gevoerde verweer, beslist dat het ontbreken van bijstand van een raadsman tijdens de eerste 24 uur van vrijheidsbeneming, elke verdere eerlijke behandeling van de zaak in beginsel niet onmogelijk maakt gezien het geheel van waarborgen voortvloeiend uit bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de voorlopige hechtenis, de beslissing ten aanzien van eisers II, die op doorslaggevende wijze gestoeld wordt op de verklaringen door (de eiser II.1) op 21 juni 1999 ten aanzien van de onderzoeksrechter afgelegd zonder bijstand van een advocaat, alleszins niet naar recht verantwoord, wat een schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en van artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR oplevert.

Indien belastende verklaringen afgelegd tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter zonder bijstand van een advocaat, op doorslaggevende wijze worden gebruikt om de betrokkene te veroordelen, is er in principe immers schending van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM.

In elk geval dient de rechter na te gaan of de beperking van het recht verdedigd te worden door een advocaat, gerechtvaardigd is en, in voorkomend geval, of deze beperking, in het licht van het geheel van de procedure, de betrokkene al dan niet een eerlijk proces heeft ontzegd. Indien de verdachte verklaringen aflegt tijdens een verhoor door de onderzoeksrechter zonder mogelijkheid van bijstand door een advocaat, zal de rechter slechts kunnen beslissen dat het eerlijk karakter van het proces gevrijwaard is indien de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter gebruikt worden, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd.

Nu volgens de eisers II de veroordelende beslissing ten aanzien van hen op doorslaggevende wijze stoelt op de verklaringen die door de eiser (II.1) zonder bijstand van een advocaat aan de onderzoeksrechter werden afgelegd, schendt het arrest artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR.

Nu het hof van beroep, dat de veroordelende beslissing ten aanzien van de eisers II op doorslaggevende wijze stoelt op de verklaringen die door (de eiser II.1) aan de onderzoeksrechter werden afgelegd, alleszins niet, aan de hand van de concrete gegevens van de zaak die door eisers II in besluiten werden aangevoerd, nagaat of de afwezigheid van bijstand van een advocaat bij dit verhoor door de onderzoeksrechter het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eisers II heeft aangetast en evenmin nagaat of de eiser II.1 zich op het ogenblik van het verhoor niet in een kwetsbare positie bevond waaraan niet op daadwerkelijke en passende wijze werd geremedieerd, schendt het bestreden arrest, steeds volgens de eisers II, artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR.

45. De appelrechters overwegen dat de kennis van (de eiser II.1) zich niet beperkt tot het impliciete vermoeden dat uit de verklaring van deze laatste afgelegd aan de onderzoeksrechter blijkt, maar zij oordelen dat het wel degelijk een weten betrof en dat zulks bevestiging vindt in de brief die (de eiser II.1) op 31 maart 1999 schreef aan de verantwoordelijken van de containerparken, naar aanleiding van kippensterfte in die periode, dat de inhoud van die brief aangeeft dat (de eiser II.1) ook vóór de verzending van deze brief klaarblijkelijk op de hoogte was van de bestemming van het door zijn firma geleverde vet, dat, in acht genomen de reële, concrete handelsrelatie tussen de firma (van de eisers II) en (de eiseres III), de door (de eisers II) voorgehouden onwetendheid over de bestemming van het vet voor onder meer, dierlijke voeding, op een kunstmatige, niet realistische scheiding van de bedrijvigheden van beide firma's steunt, dat gelet op de langdurige handelsrelatie tussen beide firma's, waarbij de (eiseres III) de enige afnemer van de firma (van de eisers II) was, en de verstrengeling tussen de firma's, het standpunt van (de eisers II) niet ernstig houdbaar is, dat C. N. als onderhoudsman in de firma (van de eisers II) verklaarde dat hij een paar keer lekken in het thermisch circuit had vastgesteld waarbij in het totaal 20 liter thermische olie was verloren gaan die zich vermengde met het vet en dat vetsmelter G. verklaarde dat het wel gebeurde dat vaten gevuld met afvalolie bedekt zijn met gestold vet maar toch worden geledigd in de smeltkuip, waarbij het onmogelijk was om de aanwezigheid van deze olie onder het vast vet te ontdekken en er dan sprake was van een "ongeval."

Uit deze vaststellingen volgt dat de appelrechters hun oordeel dat de eisers II wisten dat het door hun firma F. geleverde vet bestemd was voor dierlijke voeding, stoelen op redenen die zelf niet steunen op de verklaring van (de eiser II.1) afgelegd aan de onderzoeksrechter zonder bijstand van een advocaat.

De appelrechters geven aldus te kennen dat de verklaring die door de eiser II.1 zonder bijstand van een advocaat werd afgelegd voor de onderzoeksrechter op zich noch kan volstaan, noch doorslaggevend is voor de schuldigverklaring, maar nog bevestigd diende te worden door de andere elementen waarnaar zij verwijzen.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters deze verklaringen op doorslaggevende wijze gebruiken om de eisers II te veroordelen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

Nu de appelrechters de veroordeling van de eisers II niet op doorslaggevende wijze steunen op de verklaring van (de eiser II.1), afgelegd aan de onderzoeksrechter tijdens de vrijheidsberoving zonder mogelijke bijstand van een advocaat, dienden zij bijgevolg niet meer te antwoorden op het daardoor doelloos geworden verweer geput uit de Salduz-leer.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

46. In hun tweede middel voeren de eisers II de schending aan van artikel 7.1 EVRM, van artikel 15.1 IVBPR, van de artikelen 12, tweede lid, 14 en 149 van de Grondwet, van artikel 71 van het Strafwetboek evenals de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel, krachtens hetwelk de onoverwinnelijke dwaling omtrent het recht een rechtvaardigingsgrond uitmaakt.

Beide eisers worden in het arrest van 10 december 2010 door het Hof van beroep te Gent strafrechtelijk veroordeeld wegens tenlasteleggingen T.I en T.II, met name:

"Bij inbreuk op de artikelen 1, 2 §1 6, 8 §1, 8° en §3 en artikel 12 van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt (...), een grondstof of een bestrijdingsmiddel waarvan de verkoop, krachtens een ter uitvoering van de artikelen 2 of 5 genomen besluit verboden is, vervaardigd, geproduceerd, in de handel gebracht, aangeboden, ten toon of te koop gesteld, in bezit gehad, vervoerd, geruild, verkocht of onder kosteloze of bezwarende titel afgeleverd, ingevoerd te hebben en namelijk bij inbreuk op de artikelen 1 (1° en 23°), 6 en 36 van het Koninklijk Besluit van 10 september 1987 betreffende de handel en het gebruik van stoffen bestemd voor dierlijke voeding (...), spijts het verbod, stoffen bestemd voor dierlijke voeding te hebben verhandeld die niet gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit zijn of die gevaar voor de gezondheid van mens of dier kunnen opleveren, thans strafbaar gesteld ingevolge artikelen 1 (1° en 21°), 3, 40, 43 §1 en 50 van het Koninklijk Besluit van 8 februari 1999 betreffende de handel en het gebruik van stoffen bestemd voor dierlijke voeding (...) en voor wat tenlastelegging T.II betreft eveneens artikel 2 en Bijlage 1, Deel A., B. Producten, 21. Dioxine en 22. Polychloorbifenylen van het Ministerieel Besluit van 12 februari 1999 betreffende de handel en het gebruik van stoffen bestemd voor dierlijke voeding(...), met name

53. technisch vet "bruine Thill", verontreinigd door thermische olie uit het verwarmingscircuit, te Nevraumont-Bertrix en met samenhang te Deinze-Grammene, op niet nader te bepalen data in de periode van 1 januari tot en met 19 april 1999 (...),

II. technisch vet "bruine Thill", verontreinigd door voornamelijk PCB's en in mindere mate dioxines te Nevraumont-Bertrix en met samenhang te Deinze-Grammene, op niet nader te bepalen data in de periode van 1 januari tot en met 19 april 1999 (...)".

47. In een eerste onderdeel voeren de eisers II aan dat, ingevolge het voorschrift van artikel 149 Grondwet, de rechter verplicht is te antwoorden op de precieze, relevante middelen die partijen op regelmatige wijze in besluiten aanvoeren ter staving van hun eis of verweer.

Overeenkomstig de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet kan niemand worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft en kan geen straf worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet.

Krachtens de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR kan niemand worden vervolgd wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit uitmaakt naar nationaal of internationaal recht ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde.

Het legaliteitsbeginsel in strafzaken, dat toepassing vindt in deze grondwets- en verdragsbepalingen, impliceert dat de strafwet in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen dient te bepalen welke feiten strafbaar zijn, zodat op grond daarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dit gedrag al dan niet strafbaar is.

De strafwet dient derhalve op zodanige wijze te worden geformuleerd dat personen op wie ze toepasselijk is, zonder redelijke twijfel kunnen weten welke gedraging of onthouding strafbaar is.

De eisers II voerden in conclusie voor de appelrechters aan dat de onder de tenlasteleggingen T.I en T.II - waarvoor zij in het aangevochten arrest van 10 december 2010 strafrechtelijk worden veroordeeld - weerhouden wettelijke bepalingen, minstens wat betreft de artikelen 1, 2 §1 en 8, §1,8° van de wet van 11 juli 1969 en de artikelen 1.1° en 6 van het Koninklijk besluit van 10 september 1987, geen voldoende precieze omschrijving omvatten van de in hunnen hoofde strafbaar gestelde gedragingen, en dat derhalve niet voldaan is aan het legaliteitsbeginsel in strafzaken. Wegens de hieruit volgende ongrondwettelijkheid van deze wetgeving vorderden de eisers II de strafvordering onontvankelijk te verklaren en hen vrij te spreken voor de tenlasteleggingen T.I en T.II.

In ondergeschikte orde vorderden zij desbetreffend twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen betreffende de bestaanbaarheid van deze wetgeving met het legaliteitsbeginsel in strafzaken.

Volgens de eisers II veroordeelt het hof van beroep hen in het bestreden arrest op strafrechtelijk vlak wegens de feiten vermeld in tenlasteleggingen T.I en T.II zonder, in antwoord op het precieze en relevante verweermiddel dat door eisers op regelmatige wijze in conclusie werd aangevoerd, te onderzoeken of de wettelijke bepalingen waarop de strafrechtelijke veroordeling van eisers steunt voldoen aan het legaliteitsbeginsel in strafzaken, meer bepaald of deze wetsbepalingen in zodanige bewoordingen werden geformuleerd dat eenieder op het ogenblik dat een gedraging wordt gesteld, kan uitmaken of deze gedraging al dan niet strafbaar is.

Het arrest, waarin het hof van beroep niet antwoordt op het relevante en precieze verweer van eisers, volgens welk de wettelijke bepalingen waarop de lastens hen ingestelde strafvervolging stoelt, niet voldoen aan het legaliteitsbeginsel in strafzaken zodat de strafvordering onontvankelijk is en zij dienen vrijgesproken te worden, is bijgevolg, steeds volgens de eisers II, niet regelmatig met redenen omkleed, minstens niet naar recht verantwoord.

Het hof van beroep antwoordt volgens de eisers II evenmin op hun verzoek om desbetreffend twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen, nu het hof geen vragen aan het Grondwettelijk Hof stelt en niet motiveert waarom de door eisers voorgestelde prejudiciële vragen niet dienen te worden gesteld. Het aangevochten arrest is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed.

48. De appelrechters beantwoorden het bedoelde verweer met de op de pagina's 145 tot 151 en de op pagina's 154 tot 155 weergegeven motieven alsook met de overweging dat zij niet ingaan op de door de verdediging gesuggereerde prejudiciële vraagstellingen, nu blijkt dat er geen schending is van de ingeroepen regels of de vraagstelling niet aan de orde is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

49. In het tweede onderdeel wordt opnieuw een motiveringsgebrek aangevoerd.

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel, waarvan in artikel 71 van het Strafwetboek toepassing wordt gemaakt, maakt een onoverkomelijke dwaling omtrent het recht een rechtvaardigingsgrond uit.

De beklaagde die op onoverkomelijke wijze onwetend is over het bestaan van een op hem toepasselijke strafbepaling of op een op onoverkomelijke wijze een verkeerde beoordeling van de zin en draagwijdte ervan heeft, dient derhalve te worden vrijgesproken.

De eisers II voeren aan dat zij zich in beroepsconclusie beriepen op dwaling als schulduitsluitingsgrond en dat zij vorderden hen om die reden vrij te spreken van de tenlasteleggingen T.I en T.II.

De eisers II beriepen zich niet alleen op dwaling omtrent de feiten, doch ook op een dwaling omtrent de strafbaarstelling van de gedragingen.

Het hof van beroep beslist in het bestreden arrest dat de eisers II kennis hadden van het feit dat hun leveringen aan (de eiseres III) bestemd waren voor dierenvoeder en van de door eisers ingeroepen dwaling als schulduitsluitingsgrond dan ook geen sprake is.

Aldus heeft het hof van beroep het verweer van eisers, volgens welke zij onwetend waren over het feit dat het technische vet "bruine Thill" door de eiseres III werd aangeboden als grondstof bestemd voor dierlijke voeding en derhalve dwaalden omtrent de feiten, beantwoord.

Het hof van beroep laat volgens de eisers II evenwel na te antwoorden op het precieze en relevante verweer, volgens hetwelk zij tevens op onoverkomelijke wijze dwaalden omtrent de strafbaarstelling van de gedraging, zodat het bestreden arrest niet regelmatig met redenen is omkleed.

Volgens de eisers II kon het hof van beroep, op grond van de feitelijke vaststelling dat de eisers II kennis hadden van het feit dat het door hen geleverde vet door (de eiseres III) bestemd was voor diervoeder, weliswaar afleiden dat eisers niet dwaalden omtrent de feiten, doch uit deze vaststelling kon niet wettig afgeleid worden dat eisers niet onoverkomelijk dwaalden omtrent de strafbaarstelling van de hen verweten gedraging. In zoverre het hof van beroep eisers verweer nopens de onoverkomelijke dwaling omtrent de strafbaarstelling van hun gedraging afwijst op grond dat eisers kennis hadden van het feit dat het door hen geleverde vet door (de eiseres III) bestemd was voor diervoeder, schendt het arrest artikel 71 van het Strafwetboek en het algemeen rechtsbeginsel, krachtens welk de onoverwinnelijke dwaling omtrent het recht een rechtvaardigingsgrond uitmaakt.

Op grond van de feiten, vastgesteld in het bestreden arrest, kon het hof van beroep volgens de eisers II derhalve niet wettig beslissen dat er in hun hoofde geen sprake is van rechtsdwaling, dit wil zeggen dwaling omtrent de strafbaarstelling van hun gedraging.

50. Het arrest beantwoordt het in het onderdeel bedoelde verweer met de redenen vermeld op p. 145 tot 151, 154 en 155 en 209 tot 211 en door te oordelen dat van de door de (eisers II) ingeroepen dwaling als schulduitsluitingsgrond geen sprake is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag

51. Het eerste middel van de eiseres III, dat een schending van de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR en van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, evenals de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging aanvoerde, werd hiervoor reeds besproken. Het middel is immers hetzelfde als het vijfde middel (of het eerste middel van de aanvullende memorie) van de eisers I: het eerste middel van de eiseres III dient bijgevolg om dezelfde redenen verworpen te worden.

52. In het tweede middel voert de eiseres III de schending aan van artikel 149 Grondwet. Dit middel komt inhoudelijk volledig overeen met het derde middel van de eisers I, zodat het op dit laatste middel gegeven antwoord hier kan herhaald worden: het middel mist bijgevolg feitelijke grondslag.

53. Het ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering levert geen cassatiegronden op.

Conclusie: verwerping van alle cassatieberoepen.

_________________________

(1) Cass. 23 nov. 2010, AR P.10.1428.N, www.cassonline.be met concl. OM; 7 dec. 2010, AR P.10.1460.N, www.cassonline.be.

(2) 30 maart 2010, AR P.09.1789.N, www.cassonline.be met concl. O.M.

(3) Zie Cass. 4 maart 1929, Pas., 1929, I, 118; 13 mei 1986, AC, 1985-86, nr. 558 met concl. adv.-gen. du Jardin.

(4) DECLERCQ, R., La preuve en matière pénale, 1988, p. 58.

(5) TRAEST, Ph., Het Bewijs in Strafzaken, 1992, Mys & Breesch, uitgevers, nr. 668.

(6) VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de ed. 2005, p. 865, nr. 1814.

(7) HR, 4 dec. 1979, NJ, 1980, nr. 356, p. 1185, met concl. van adv.-gen. Mok.

(8) Cass. 23 dec. 1998, AR A.94.0001.F, AC, 1998, nr. 534; 15 juni 2005, AR P.05.0572.F, AC, 2005, nr. 345; 30 maart 2010, AR P.09.1789.N, www.cassonline.be.

(9) TRAEST, Ph., Het Bewijs in Strafzaken, 1992, Mys & Breesch, uitgevers, nr. 668.

(10) Cass. 4 jan. 1994, AR 6388, AC, 1994, nr. 1 met concl. Adv.-gen. du Jardin; 23 dec. 1998, AR A.94.0001.F, AC, 1998, nr. 534; 14 dec. 1999, AR P.099.1585.N, AC, 1999, nr. 678; 9 juni 2004, AR P.04.0603.F, AC, 2004, nr. 314.

(11) DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4°ed. 2007, p. 842, nr. 1794.

(12) Cass. 26 mei 2010, AR P.10.0292.F,, www.cassonline.be

(13) Cass. 4 sept. 1990, AR 3103, AC 1990, nr 1; 5 april 2000, AR P.99.1889.F, AC, 2000, nr 225; 7 feb. 2006, AR P.05.1346.N, AC, 2006, nr.79; DECLERCQ R., Beginselen van Strafrechtspleging, 5de Editie, 2010, p. 817, nr. 1846.

(14) EHRM, 17 december 1996, Saunders t./ Verenigd Koninkrijk.

(15) Cass. 22 maart 1983, AR 7693, AC, 1982-83, nr. 411; 21 okt. 1986, AR 614, AC, 1986-87, nr.108; 30 mei 1995, AR P.94.0473.N, AC, 1995, nr. 263; 28 okt. 1999, AR C.96.0319.N, AC, 1999, nr. 572; 7 feb. 2001, AR P.00.1030.F, AC, 2001, nr. 72; 27 okt. 2004, AR P.04.0765.F, AC, 2004, nr. 512; 27 okt. 2005, AR C.02.0415.N, AC, 2005, nr. 545; 19 april 2007, AR C.06.0481.F, AC, 2007, nr. 192.

(16) Cass. 15 okt. 2010, AR C.10.0580.N, www.cassonline.be.

(17) Cass. 17 dec. 2002, AR P.02.1531.N, AC, 2002, nr. 681.

(18) Cass. 5 dec. 2000, AR P.99.0189.N, AC, 2000, nr. 667.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 31/01/2018 - 17:02
Laatst aangepast op: wo, 31/01/2018 - 17:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.