-A +A

Zwakke weggebruiker niet alleen beschermd op openbare weg maar ook op private wegen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 07/02/2011

Een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis, §1, eerste lid WAM 1989, is het ongeval dat zich voordoet op de openbare weg en op terreinen, zij het privé, die toegankelijk zijn voor een aantal personen die het recht hebben om er te komen en dat verband houdt met de risico’s van het wegverkeer . Zie ook: Cass.,25 januari 2008, AR C.07.0261.F, A.C., 2008, nr.64.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.10.0147.N

GENERALI BELGIUM nv, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 149,

eiseres,

tegen

1. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25,

verweerster,

2. R.S.,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 25 juni 2009.  

De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 31 december 2010 verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 13 april 1995 en voor de wijziging bij wet van 19 januari 2001, bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met uitzondering van de stoffelijke schade, vergoed wordt door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet.

2. Een verkeersongeval in de zin van die bepaling is het ongeval dat zich voordoet op de openbare weg en op terreinen, zij het privé, die toegankelijk zijn voor een aantal personen die het recht hebben om er te komen en dat verband houdt met de risico's van het wegverkeer.

3. De appelrechters stellen vast dat het ongeval waarbij de tweede verweerder zwaar gewond werd, zich voordeed te Doel aan het Deurganckdok op 27 oktober 2000, op het ogenblik dat een vrachtwagen-betonmixer, bestuurd door de verzekerde van de eiseres achteruit reed en nog deelnam aan het verkeer.

4. De appelrechters overwegen dat het begrip openbare plaats, dat niet alleen de openbare weg, maar ook terreinen toegankelijk voor het publiek en de niet-openbare terreinen die voor een zeker aantal personen toegankelijk zijn omvat, veel ruimer is dan openbare weg.

Zij oordelen dat, hoewel aan de ingang tot het Deurganckdok een bord was aangebracht "verboden toegang voor onbevoegden", het terrein geen privékarakter heeft, omdat het grote dok beschikbaar is voor verkeer van tientallen firma's en omdat het niet zo is dat het Deurganckdok enkel toegankelijk zou zijn geweest onder een uitdrukkelijke toelating.

5. Aldus verantwoorden zij naar recht hun beslissing dat het terrein waarop het ongeval zich voordeed, beantwoordt aan het vereiste plaatscriterium voor de toepassing van artikel 29bis WAM 1989.

Het onderdeel kan in zoverre niet aangenomen worden.

6. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het bestreden vonnis het Hof in de onmogelijkheid stelt zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, kan het niet worden aangenomen.

7. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters beslissen dat het ongeval zich voordeed op de openbare weg, berust het op een verkeerde lezing van het vonnis en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.

8. Na op grond van eigen motieven te hebben beslist dat het ongeval onder de toepassing valt van artikel 29bis WAM 1989, overwegen de appelrechters dat er anders over oordelen zou indruisen tegen de gevestigde rechtspraak.

Zodoende geven zij aan die rechtspraak geen algemene en als regel geldende draagwijdte.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, mist het onderdeel feitelijke grondslag.

9. De appelrechters beslissen dat de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan, geen privékarakter heeft.

In zoverre het onderdeel kritiek levert op de overwegingen van de appelrechters met betrekking tot de gelding van de WAM-waarborg voor het gebruik van het motorrijtuig op privaat grondgebied, is het gericht tegen een overtollig gegeven reden en kan het derhalve, bij gebrek aan belang, niet tot cassatie leiden.

Tweede onderdeel

10. Na te hebben geoordeeld dat de eiseres tot vergoeding gehouden is op grond van artikel 29bis WAM 1989, oordelen de appelrechters dat de argumenten van de tweede verweerder, die naast zijn vordering tegen de eiseres op grond van artikel 29bis WAM 1989, in het raam van zijn incidenteel beroep tevens diverse inbreuken had ingeroepen, niet meer beantwoord dienen te worden. Zij verklaren het incidenteel beroep van de tweede verweerder ontvankelijk, doch ongegrond.

Derhalve hebben de appelrechters de eiseres alleen op grond van artikel 29bis WAM 1989 veroordeeld tot vergoeding.

11. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de eiseres tevens veroordeeld wordt op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van haar verzekerde voor het ongeval, berust op een verkeerde lezing van het vonnis en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 508,74 euro jegens de eisende partij en op de som van 171,24 euro jegens de verwerende partij sub 1.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer

Noot: 

Toepassing van de vergoedingsregeling van art. 29bis WAM-wet?

• Pol. Brugge 29 oktober 2010, RW 2012-2013, 1271

De vergoedingsregeling van art. 29bis WAM-wet is van toepassing op de verkeersongevallen die zich voordoen op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, m.a.w. op de plaatsen bedoeld in art. 2, § 1 WAM-wet (Cass. 5 december 2003, AR C.02.0261.f, www.cass.be, N-20031205-27; Cass. 13 april 2007, AR C05.0399.N www.cass.be, N-20070413-1).

De wetgever heeft geen definitie gegeven van het begrip “openbare weg” of van het begrip “terrein toegankelijk voor het publiek of voor een zeker aantal personen met het recht er te komen”. De invulling van die begrippen is een feitenkwestie en moet in concreto worden beoordeeld, weliswaar rekening houdend met de bedoeling van de wetgever en de inmiddels ter zake gevestigde rechtspraak en rechtsleer (P. Lenvain, “Artikel 29bis WAM-wet: toepassing en bespreking van recente rechtspraak“, VAV 2010, 253).

Het was de wil van de wetgever om de toepassing van art. 29bis WAM-wet in beginsel uit te sluiten op privéterreinen. De verzekeringsplicht en art. 29bis WAM-wet beogen de gemeenschap te beschermen tegen de risico’s en de gevaren inherent aan het motorrijtuigenverkeer op de plaatsen waar dat verkeer een reëel gevaar vormt, meer specifiek door de dichtheid en de snelheid ervan. Deze doelstelling is van aard privéterreinen, waar er geen dicht en snel verkeer is en waar o.m. voetgangers en fietsers veel minder risico’s lopen, uit te sluiten. Bovendien is het risico op misbruik en fraude groter op privéterreinen, omdat meestal objectieve getuigen ontbreken om de omstandigheden van het ongeval (vaak tussen familieleden onderling) te kunnen staven (Arbitragehof 6 november 2002, arrest nr. 158/2002; J. Bogaert, Tien jaar praktijk artikel 29bis. De regeling ten voordele van zwakke weggebruikers, Mechelen, Kluwer, 2004, 23 e.v.; I. Boone, “De grenzen van het begrip verkeersongeval” in Liber Amicorum Hubert Bocken, Brugge, die Keure, 2009, (9) 25; S. Panis, “Het belang van het begrip verkeersongeval” (noot onder Pol. Antwerpen 21 april 2009), RW 2010-11, (334) 335).

Opdat eisers dus een schadevergoeding op grond van art. 29bis WAM-wet zouden kunnen verkrijgen, zou de plaats van het ongeval, in casu de privéoprit aan de zijkant van de woning, gekwalificeerd moeten kunnen worden als een “openbare weg” of “terrein toegankelijk voor het publiek of voor een zeker aantal personen met het recht er te komen”.

Een openbare weg kan worden omschreven als iedere weg, opengesteld voor het verkeer te land, onafhankelijk van de officiële benaming, het uitzicht en het eigendomsrecht, waarop het publiek in het algemeen is toegelaten om er te komen of er minstens geduld wordt om zich te verplaatsen. Dit betekent bijvoorbeeld dat een trottoir zijn karakter van openbare weg niet verliest omdat het nog privéeigendom is van de eigenaar van de woning voor dewelke het gelegen is en dat een parking van een grootwarenhuis als een openbare weg kan worden beschouwd, als blijkt dat die zonder beperking of enige controle is opengesteld voor het grote publiek (S. Vereecken, “Het belang van de kwalificatie als openbare weg, openbare plaats of privéterrein” (noot onder Cass. 12 oktober 2005), RABG 2006, 1427-1431; G. Meyns, “De ene weg is de andere niet: openbare weg versus private weg”, VAV 2008, 177-179).

Onder het begrip terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen worden verstaan o.m. domeinen van containerparken, parkings met verdiepingen, ondergrondse parkings, de toegangsweg tot de ferry in Oostende, voor het publiek toegankelijke parkeergarages, campings, fabrieksterreinen, bepaalde wegen van de havens die toegankelijk zijn voor een bepaalde categorie van beroepsmensen, goederenstations, voor het publiek toegankelijke werven en parkings van vakantiecentra (G. Jocqué, commentaar in F. Glorieux, G. Jocqué en R. Sierens (ed.), Wet en duiding Wegverkeer, deel 2, Larcier, 2008, 647).

Het Hof van Cassatie heeft in een belangwekkend arrest van 12 oktober 2005 beslist dat het begrip “niet-openbare terreinen die voor een zeker aantal personen toegankelijk zijn” van art. 28 Wegverkeerswet dezelfde betekenis heeft als in art. 2, § 1 WAM-wet én dat een privéparking die bereikbaar is via een brede toegangsweg voor de bewoners van een onroerend goed (ook al zijn ze talrijk) hier niet aan beantwoordt (Cass. 12 oktober 2005, RABG 2006, 1425, De Verz. 2006, 266). Hiermee heeft het Hof van Cassatie meteen aangegeven dat een al te ruime interpretatie van het begrip “terrein toegankelijk voor het publiek of voor een zeker aantal personen met het recht er te komen” moet worden vermeden (m.b.t. het privékarakter van de oprit van een woning, zie: P. Lenvain, “Artikel 29bis WAM-wet: toepassing en bespreking van recente rechtspraak”, VAV 2010, 253).

Op basis van de bovenvermelde begripsomschrijvingen is de rechtbank van oordeel dat een privéoprit aan de zijkant van een woning niet kan worden beschouwd als een openbare weg en evenmin als een terrein dat toegankelijk is voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen.

In casu:

J.T. verplaatste zijn auto van de achterzijde van de woning naar de zijkant ervan. Er kan niet ernstig worden aangenomen dat die plaats een openbaar karakter heeft. Het is niet omdat er daar “een aantal personen” mogen komen, zoals de bewoners zelf, de familieleden, de genodigden, e.d. dat het hierdoor een openbare plaats wordt. Er is vereist dat er minstens een beperkt openbaar karakter aanwezig is waarbij er te allen tijde toegang is voor bepaalde categorieën van personen, zonder dat iemand een privaat recht kan inroepen dat het bedoelde gebruik zou kunnen belemmeren. De rechtbank kan zich niet inbeelden dat J.T. als bewoner zou aanvaarden en dulden dat derden te pas en te onpas gebruik zouden maken van zijn oprit naast en achter de woning die uitgeeft op de tuin. Het loutere feit dat er geen hek of omheining de oprit van de straat afsluiten, is daarbij niet relevant.

De rechtbank komt aldus tot het besluit dat de vergoedingsregeling van art. 29bis WAM-wet niet van toepassing is omdat de aanrijding zich niet heeft voorgedaan op een plaats bedoeld in art. 2, § 1 WAM-wet.

3. Ongeval op privéterrein: art. 29bis WAM-wet – verzekeringsplicht – verzekeringsdekking

Vervolgens baseren eisers hun vordering op art. 1382 BW en het rechtstreeks vorderingsrecht van de benadeelde tegen de WAM-verzekeraar (art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst).

Het feit dat ongevallen op privéterreinen niet onder het toepassingsgebied van art. 29bis WAM-wet en evenmin onder de verzekeringsplicht vallen, sluit inderdaad niet uit dat de modelpolis dekking voor ongevallen op privéterrein verleent. Het vergoedingsstelsel van de zwakke weggebruiker, omschreven in art. 29bis WAM-wet, maakt immers geen deel uit van de modelovereenkomst, zoals bepaald in het KB van 14 december 1992.

Bovendien kan de verzekering een ruimere dekking verlenen dan de waarborg waarop de verzekeringsplicht betrekking heeft. De dekking zoals deze voortvloeit uit de modelovereenkomst vastgelegd bij KB van 14 december 1992, is trouwens ruimer dan de verzekeringsplicht zoals vastgelegd in art. 2, § 1 WAM-wet. De ruimere waarborg heeft betrekking op o.m. de dekking voor ongevallen veroorzaakt op privéterreinen. Art. 1, vijfde lid Modelpolis luidt als volgt: “De dekking wordt verleend voor de schadegevallen die zich hebben voorgedaan op de openbare weg of op de openbare of de privéterreinen”.

Het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, heeft bij arrest van 14 december 1992 geoordeeld dat de omstandigheid dat het KB van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst de waarborg van de verplichte verzekering heeft uitgebreid tot ongevallen op privéterreinen die niet in art. 2 WAM-wet zijn bedoeld, niet impliceert dat de wetgever art. 10 en 11 van de Grondwet heeft geschonden door een stelsel dat afwijkt doordat het een verantwoordelijkheid zonder fout instelt, niet uit te breiden tot de privéterreinen (Arbitragehof 6 november 2002, arrest nr. 158/2002).

Bijgevolg zijn eisers terecht van oordeel dat – in geval van bewezen aansprakelijkheid van J.T. – T.V. gehouden is tot dekking en schadeloosstelling van hun schade.

• Cassatie 23/09/2010, RW 2012-2013, 984

AR nr. C.09.0496.F

NV G.B. t/ C.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 28 april 2009 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Aarlen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Het middel

Art. 29bis van de wet van 21 november 1989 geldt in het geval van een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen zijn betrokken, op de plaatsen die worden bedoeld in art. 2, § 1, waaronder de niet-openbare terreinen die toegankelijk zijn voor een zeker aantal personen die het recht hebben er te komen.

Onder dat begrip worden de plaatsen verstaan die wel privaat zijn, maar blijvend toegankelijk zijn voor een welbepaalde categorie van personen, zoals aangestelden, klanten, leveranciers, bezoekers of passagiers.

Het bestreden arrest stelt vast dat het ongeval gebeurd is op een door de verweerder geëxploiteerde weide.

Het beslist dat de weide een niet-openbaar terrein is dat evenwel toegankelijk is voor een zeker aantal personen die het recht hebben er te komen, op grond dat een zeker aantal personen, zoals de veearts, de veekoopman, het recht hebben ernaar toe te gaan en ertoe genoopt kunnen worden dit vaak te doen.

Het bestreden vonnis, dat niet vaststelt dat de weide toegankelijk is voor die personen zonder dat zij er specifiek zijn uitgenodigd of daartoe zijn gemachtigd, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

• Politierechtbank Antwerpen, Afdeling Antwerpen, 19e Kamer – 15 december 2014, RW 2017-2018,

W. Van B. t/ NV A.B.

Antecedenten

De vordering van eiser strekt ertoe betaling te verkrijgen van verweerster van een bedrag van 2.556,20 euro provisioneel, te vermeerderen met de intresten en de kosten alsmede wordt de aanstelling van een geneesheer-deskundige gevorderd.

Aanleiding tot deze vordering is een ongeval dat zich heeft voorgedaan op 16 oktober 2008 in een ondergrondse privéparking aan de (...) te Antwerpen, waar eiser met zijn voertuig Mercedes wou buitenrijden. Wanneer eiser zich bovenaan de helling voor de garagepoort bevond, kreeg hij een telefonische oproep en verliet hij zijn voertuig. Omdat de poort zich ondertussen opnieuw aan het sluiten was, liep eiser terug naar beneden om de poort terug te openen, maar op dat ogenblik begon het voertuig van eiser achteruit te bollen, waarop eiser dit voertuig alsnog probeerde handmatig tegen te houden, maar hierbij onder zijn voertuig terechtkwam. Hierbij is het voertuig Mercedes nog verder tegen twee andere geparkeerde voertuigen gebold.

Eiser vordert vergoeding op grond van art. 29bis WAM van zijn eigen burgerlijke aansprakelijkheidsverzekeraar, verweerster.

Verweerster betwist de vordering om reden dat de politierechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van deze vordering, subsidiair stelt zij dat art. 29bis WAM geen toepassing kan vinden.

...

I. Bevoegdheid

Verwerende partij roept de onbevoegdheid van de politierechtbank in, waarop eisende partij geen verwijzing heeft gevorderd overeenkomstig art. 639, eerste lid Ger.W., zodat de rechter voor wie de zaak aanhangig is zelf uitspraak doet over de bevoegdheid.

Krachtens 601bis Ger.W. neemt de politierechtbank kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval of een treinongeval, zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek.

In het arrest van 6 februari 2009 besliste het Hof van Cassatie dat een verkeersongeval in de zin van art. 601bis Ger.W., elk ongeval in het wegverkeer is waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn en dat verband houdt met de risico’s van het wegverkeer (Cass. 6 februari 2009, AR C.07.0341.N, Arr.Cass. 2009, 414).

Voor de toepasselijkheid van art. 601bis Ger.W. wordt dus vereist dat het ongeval verband houdt met het verkeer, zo ruim als mogelijk opgevat, zowel op de openbare weg als op privaat terrein. Het moet in een verkeerscontext veroorzaakt zijn.

«Risico’s van het wegverkeer» kan worden omschreven als de risico’s waaraan men blootstaat of waaraan men anderen blootstelt wanneer men gebruik maakt van een weg om zich te verplaatsen.

In casu was de h. Van B. uitgestapt uit zijn voertuig en ging te voet terug de helling af toen hij werd aangereden door zijn eigen voertuig, dat nog twee andere voertuigen raakte. De rechtbank meent dat het duidelijk is dat de h. Van B., op het ogenblik dat hij te voet de helling afgaat, zich blootstelt aan risico’s van het wegverkeer, want het is niet ondenkbaar dat hij bv. wordt aangereden door andere voertuigen die zich eveneens naar buiten begeven.

Ook het achteruitbollende voertuig maakte deel uit van het risico van het wegverkeer, temeer daar dit rekening dient te houden met mogelijke andere voertuigen, voetgangers enz.

De rechtbank meent dat er in die omstandigheden wel degelijk sprake is van een verkeersongeval, zodat zij wel degelijk bevoegd is.

II. Toepassing art. 29bis WAM

Art. 29bis WAM bepaalt in § 1: «Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken...»

Art. 2, § 1 WAM bepaalt: «Tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, worden motorrijtuigen alleen toegelaten indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van deze wet voldoet en waarvan de werking niet is geschorst.»

De wetgever heeft geen definitie gegeven van het begrip «openbare weg» of van de notie «terrein toegankelijk voor het publiek of voor een zeker aantal personen met het recht er te komen». De invulling van die begrippen is een feitenkwestie en moet in concreto worden beoordeeld.

Het was de wil van de wetgever om de toepassing van art. 29bis WAM in beginsel uit te sluiten op privéterreinen.

De verzekeringsplicht en art. 29bis WAM beogen de gemeenschap te beschermen tegen de risico’s en de gevaren inherent aan het motorrijtuigenverkeer op de plaatsen waar dat verkeer een reëel gevaar vormt, meer specifiek door de dichtheid en de snelheid ervan. Deze doelstelling is van aard om privéterreinen, waar er geen dicht en snel verkeer is en waarom voetgangers en fietsers er veel minder risico’s lopen, uit te sluiten.

Bovendien is het risico op misbruik en fraude groter op privéterreinen, omdat meestal objectieve getuigen ontbreken om de omstandigheden van het ongeval (vaak tussen familieleden onderling) te kunnen staven (Arbitragehof 6 november 2002, arrest nr. 158/2002; J. Bogaert, Tien jaar praktijk artikel 29bis. De regeling ten voordele van zwakke weggebruikers, Mechelen, Kluwer, 2004, 23 e.v.).

Het Hof van Cassatie heeft in een belangwekkend arrest van 12 oktober 2005 bepaald dat de notie «niet-openbare terreinen die voor een zeker aantal personen toegankelijk zijn» in art. 28 Wegverkeerswet dezelfde betekenis heeft als in art. 2, § 1 WAM én dat een privéparking die bereikbaar is via een brede toegangsweg voor de bewoners van een onroerend goed (ook al zijn ze talrijk) hier niet aan beantwoordt (Cass. 12 oktober 2005, RABG 2006, 1425, De Verz. 2006, 266).

Meer recent besliste het Hof van Cassatie dat niet-openbare terreinen die voor een zeker aantal personen toegankelijk zijn, terreinen zijn die, hoewel zij privé zijn, voortdurend toegankelijk zijn voor bepaalde categorieën van personen, zoals aangestelden, leveranciers, bezoekers of passanten (Cass. 10 december 2013, NC 2014, 217).

Hiermee heeft het Hof van Cassatie meteen aangegeven dat een al te ruime interpretatie van het begrip «terrein toegankelijk voor het publiek of voor een zeker aantal personen met het recht er te komen» moet worden vermeden.

In casu dient te worden vastgesteld dat het ongeval zich heeft voorgedaan in een privégarage onder een appartementsgebouw die volledig wordt afgesloten met een poort en waarvan enkel de eigenaars of huurders van de garageplaatsen deze poort door middel van een sleutel of afstandsbediening kunnen openen. Hieruit volgt dat het ongeval zich niet heeft voorgedaan op een terrein dat voortdurend toegankelijk is voor bepaalde categorieën van personen, zoals aangestelden, leveranciers enz.

De rechtbank meent dan ook, gelet op deze beperkte interpretatie, dat art. 29bis WAM in casu geen toepassing kan vinden daar het ongeval zich heeft voorgedaan op privéterrein.

De vordering van eiser is dan ook ongegrond.

NOOT – Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend. Het vonnis werd in beroep bevestigd bij vonnis van Rb. Antwerpen, afd. Antwerpen 21 maart 2016, AR nr. 15/3939/A.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 15/07/2011 - 17:55
Laatst aangepast op: za, 24/02/2018 - 18:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.