-A +A

Zonder conclusietermijnen opgelegd door stgrafrechter kan elke partij een conclusie ter rechtszitting neerleggen tot aan de sluiting van het debat.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 21/11/2017
A.R.: 
P. 17.0777.N

Wanneer de strafrechter evenwel geen conclusietermijnen heeft bepaald, kan elke partij een conclusie ter rechtszitting neerleggen tot aan de sluiting van het debat. De strafrechter kan die conclusie enkel uit het debat weren wanneer hij oordeelt dat ze misbruik van rechtspleging inhoudt omdat ze een goede rechtsbedeling verhindert, de rechten van de tegenpartij op onrechtmatige wijze benadeelt en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang brengt.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/6
Pagina: 
479
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(H.S. en E.T. - Rolnr.: P. 17.0777.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 januari 2017 (hierna arrest I) en 15 juni 2017 (hierna arrest II).

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel van de eiser II

Tweede onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 152 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest II weert ten onrechte de conclusie die de eiser heeft neergelegd ter rechtszitting van 19 mei 2017 uit het debat op grond van artikel 152, § 1 en § 2 Wetboek van Strafvordering; de appelrechters hebben nooit conclusietermijnen bepaald, zodat artikel 152 niet van toepassing is; evenmin stellen zij vast dat eisers conclusie enkel als vertragingsmanoeuvre was bedoeld, een goede rechtsbedeling verhinderde, de rechten van de tegenpartij op onrechtmatige wijze miskende of het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang bracht.

2. Artikel 152, § 1 en § 2 Wetboek van Strafvordering bepaalt:

Ҥ 1. De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen. De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek.

De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

§ 2. Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen:

- mits het akkoord van de betrokken partijen, of

- bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.

De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.”

3. Opdat de strafrechter op grond van die bepalingen de conclusie van een partij uit het debat kan weren, is vereist dat hij conclusietermijnen heeft bepaald en dat hij, behoudens de in de § 2 bepaalde uitzonderingen, vaststelt dat die partij haar conclusie laattijdig heeft neergelegd of overgemaakt aan de andere partijen.

Wanneer de strafrechter evenwel geen conclusietermijnen heeft bepaald, kan elke partij een conclusie ter rechtszitting neerleggen tot aan de sluiting van het debat. De strafrechter kan die conclusie enkel uit het debat weren wanneer hij oordeelt dat ze misbruik van rechtspleging inhoudt omdat ze een goede rechtsbedeling verhindert, de rechten van de tegenpartij op onrechtmatige wijze benadeelt en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang brengt.

4. Het arrest II stelt vast en oordeelt dat:

- er in de procedure voorafgaand aan de heropening van het debat geen conclusietermijnen werden bepaald;

- de verdediging van de eiser I op 2 januari 2017, dit is tijdens het beraad, een verzoekschrift tot heropening van het debat heeft neergelegd;

- de appelrechters bij tussenarrest van 26 januari 2017 het debat hebben heropend en de zaak hebben vastgesteld op de rechtszitting van 23 februari 2017 om de partijen toe te laten kennis te nemen van en standpunt in te nemen over het door de eiser I bijgebrachte stuk;

- het openbaar ministerie de partijen ervan heeft verwittigd dat de zaak op 23 februari 2017 in haar geheel diende te worden hernomen, gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel;

- op die rechtszitting de zaak met het akkoord van alle partijen voor behandeling werd vastgesteld op de rechtszitting van 18 mei 2017;

- de verdediging van de eiser I op 21 april 2017 een conclusie heeft neergelegd ter griffie;

- de verdediging van de eiser II op 19 mei 2017 een conclusie heeft neergelegd ter rechtszitting;

- de appelrechters vaststellen dat geen nieuwe conclusietermijnen werden gevraagd op de rechtszitting van 23 februari 2017, datum waarop de zaak was vastgesteld ingevolge de heropening van het debat;

- derhalve de na de heropening van het debat neergelegde conclusies van onder meer de eisers I en II uit het debat moeten worden geweerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 152, § 1 en § 2 Wetboek van Strafvordering.

De appelrechters die aldus geen conclusietermijnen hebben bepaald op grond van artikel 152 Wetboek van Strafvordering, stellen in het arrest II niet vast dat de ter rechtszitting van 19 mei 2017 neergelegde conclusie van de eiser misbruik van rechtspleging uitmaakt zoals hiervoor bedoeld. Dienvolgens verantwoorden zij de beslissing om die conclusie uit het debat te weren, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven van de eiser II
5. De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Eerste middel van de eiser I in zijn geheel
6. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 152 Wetboek van Strafvordering: het arrest II weert ten onrechte de conclusie die de eiser op 21 april 2017 ter griffie heeft neergelegd, uit het debat; de inleidingszitting was niet de rechtszitting van 23 april 2017, maar wel deze van 21 januari 2016; op die datum was artikel 152 nog niet in werking getreden; minstens was de inleidingszitting deze van 9 september 2016 omdat de partijen toen werden gedagvaard om te verschijnen.

Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest II is tegenstrijdig gemotiveerd doordat het de voormelde conclusie van de eiser uit het debat weert, terwijl het dat niet doet voor de conclusies die medebeklaagden ter rechtszitting van 21 oktober 2016 hebben neergelegd, hoewel dat eveneens gebeurde buiten de toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering.

Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 152 Wetboek van Strafvordering: door de toets van artikel 152 niet toe te passen op eisers voormelde conclusie terwijl dit, ondanks de weigering tot het vaststellen van conclusietermijnen op de rechtszitting van 9 september 2016, wel werd gedaan voor wat betreft de conclusies van medebeklaagden van 21 oktober 2016, hanteert het arrest II een volstrekt willekeurige toepassing van artikel 152 en is het bijgevolg tegenstrijdig gemotiveerd en niet naar recht verantwoord.

Het vierde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 152 Wetboek van Strafvordering: het is eveneens volstrekt tegenstrijdig, niet naar recht verantwoord en arbitrair dat het arrest II enerzijds toepassing maakt van de bepalingen van artikel 152 om een conclusie niet te weren terwijl het verzoek tot toepassing van dit artikel werd geweigerd op 9 september 2016, maar anderzijds hetzelfde artikel inroept ter wering van de conclusie van de eiser wanneer dit niet zou gevraagd zijn op een inleidingszitting.

Het vijfde onderdeel voert schending aan van artikel 152 Wetboek van Strafvordering: het arrest II maakt geen melding van de conclusie die de eiser ter griffie heeft neergelegd op 10 maart 2016, voorafgaand aan de rechtszitting van dezelfde datum; uit de duidelijke bewoordingen van het hof van beroep over het nemen van conclusies, zowel voor als na de heropening van het debat, kan de eiser afleiden dat de appelrechters die conclusie niet hebben betrokken in het beraad; tevens is het niet weren van de desbetreffende conclusie een indicatie van de verkeerde toepassing van artikel 152 zoals vermeld in de voorgaande onderdelen.

Het zesde onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 152 Wetboek van Strafvordering: het arrest II maakt een verkeerde en tegenstrijdige toepassing van artikel 152 door enerzijds de vaststelling van conclusietermijnen te weigeren ondanks de vraag hiertoe op de rechtszitting van 9 september 2016 en de duidelijke bewoordingen van de wet, maar anderzijds hetzelfde artikel in te roepen ter wering van eisers conclusie.

Het zevende onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 152 Wetboek van Strafvordering: het arrest II is tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds te oordelen dat de verdediging uitgebreid de mogelijkheid heeft gekregen om de verkregen elementen en de gedane vaststellingen tegen te spreken en alle argumenten heeft kunnen aanvoeren voor hun verdediging, maar anderzijds de conclusie van de verdediging te weren op basis van een verkeerde toepassing van artikel 152; hierdoor wordt tevens het recht van verdediging van de eiser miskend.

Het achtste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest II is gebrekkig gemotiveerd; de eiser kan uit het arrest niet afleiden in welke mate zijn conclusie neergelegd op 10 maart 2016 in het beraad werd betrokken, noch of rechtstreeks erop werd geantwoord.

7. In strafzaken moet de conclusie in de regel blijken uit een geschrift dat, ongeacht zijn benaming of vorm, tijdens het debat ter rechtszitting door een partij of zijn advocaat aan de rechter wordt voorgelegd, waarvan regelmatig is vastgesteld dat de rechter kennis ervan heeft genomen en waarin middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie zijn aangevoerd. Bijgevolg is het geschrift uitgaande van een partij of haar advocaat dat, ook al bevat het dergelijke middelen, niet tijdens het debat aan de rechter is voorgelegd maar aan de griffie is overgemaakt, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het andermaal ter rechtszitting is neergelegd of dat de eiser zijn middelen mondeling heeft aangevoerd, in de regel geen schriftelijke conclusie waarmee de rechter rekening moet houden.

8. Behoudens in het hier niet-toepasselijke geval van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, kan een partij haar conclusie enkel neerleggen ter griffie van het strafgerecht wanneer de rechter conclusietermijnen heeft bepaald op grond van artikel 152 Wetboek van Strafvordering.

In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser zijn conclusies van 10 maart 2016 en 21 april 2017 niet heeft neergelegd ter rechtszitting van de appelrechters, maar ter griffie van het hof van beroep. Bijgevolg dienden de appelrechters die geen conclusietermijnen hebben bepaald, met die conclusies geen rekening te houden in het arrest II.

In zoverre kunnen de onderdelen, ook al waren zij gegrond, niet tot cassatie leiden en zijn zij bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

13. Voor het overige zijn de onderdelen afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid en zijn zij evenmin ontvankelijk.

(…)

Ambtshalve onderzoek voor het overige
22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest van 15 juni 2017 in zoverre het uitspraak doet over de strafvordering ten aanzien van de eiser II.

Verwerpt het cassatieberoep II voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep I.

Veroordeelt de eiser I tot de kosten van zijn cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser II tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep.

Houdt de beslissing over de overige kosten van het cassatieberoep II aan en laat ze over aan de verwijzingsrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten in het geheel op 453,31 EUR waarvan de eiser I 101,50 EUR verschuldigd is en de eiser II 35,81 EUR.

 

Noot: 

• Pieter Tersago, Conclusiekalender in strafzaken: waakzaamheid vereist!, De Juristenkrant 6 december pagina 7

• C. Van De Heyning? Over conclusietermijnen en de wering van laattijdige conclusies in strafzaken: de recente cassatierechtspraak? RABG 2018-6, 487

• Van de Heyning, C., « Over conclusietermijnen en de wering van laattijdige conclusies in strafzaken: de recente cassatierechtspraak », R.A.B.G., 2018/6, p. 487-501

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 10/05/2018 - 13:18
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 13:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.