-A +A

Ziekenhuis is onderneming onderworpen aan de WMPC

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 04/01/2011

Ook ziekenhuizen zijn onderworpen aan de WMPC, zelfs wanneer ze de vorm van een VZW annemen. DErhalve heeft een patiënt niet alleen de rechten hem verleend door de wet op de patiëntenrechten, maar ook de volledige bescherming van de wet op de marktpraktijken (WMPC).Ondermeer betekent dit dat de wederkerigheid van het schadebeding dient onderzocht. Dit betekent dat bedingen die tekortkomingen van de consument beteugelen staan tegenover schadebedingen die op een vergelijkbare wijze voor vergelijkbare tekortkomingen voorzien in een schadevergoeding te betalen door het ziekenhuis, middels gelijkwaardige, maar daarom niet identieke vergoedingen.

Verder betekent dit dat de patiënt daadwerkelijke en voorafgaandelijke kennisname van de algemene voorwaarden van het ziekenhuis dient te krijgen en dat het ziekenhuis gehouden is om geen onrechtmatige bedingen in te lassen.

De de rechter dient ambtshalve de onregelmatigheid van een ziekenhuisbeding toetsen en dus na te gaan of een beding onrechtmatig is. Aldus kan hij zelfs ambtshalve, een schadebeding nietig te verklaren indien het schadebeding niet voldoet bv. aan de wederkerigheidvereiste.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2012
Pagina: 
70
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

VZW Algemeen Ziekenhuis St.-Lucas en Volkskliniek, [...]

Appellante, [...]

Tegen

D.S.D., [...]

Geïntimeerde,

[ ... ] Antecedenten

1. In haar dagvaarding van 7 juli 2011 zette AZ SL&V uiteen dat D.S.D. [ ... ] in haar ziekenhuis werd opgenomen en verpleegd en dat tussen 31 augustus 2009 en 31 maart 2011 voor de verstrekte diensten van opname en verpleging in het ziekenhuis zeven facturen werden uitgeschreven voor een totale som van 1.897,79 EUR.

2. Zij stelde dat D.S.D., ingevolge zijn akkoord met de verklaring van opname, bovendien conventionele rente verschuldigd was aan 10% per jaar, vanaf de vijftiende dag na het verzenden van de verpleegnota, begroot op 133,77 EUR, en een conventionele schadevergoeding van 10% van de hoofdsom of 189,78 EUR. AZ SL&V overwoog dat zij, voor het geval dat de rechtbank de gevorderde schadevergoeding nietig zou verklaren, haar vordering in schadevergoeding in subsidiaire orde steunde op het gemeen recht en op deze basis eenzelfde bedrag aan schadevergoeding vorderde, naast een nalatigheidsintrest van 10% vanaf de 15de dag na factuurdatum.

3. AZ SL&V vorderde aldus de veroordeling van D.S.D. tot betaling aan haar van 2.221,34 EUR, meer de gerechtelijke intresten op de hoofdsom van de facturen en op de schadevergoeding en de kosten van het geding.

4. De eerste rechter verklaarde de vordering van AZ SL&V ontvankelijk en in de hierna vermelde mate gegrond. Hij veroordeelde D.S.D. tot betaling aan AZ SL&V van 1.897,79 EUR, te vermeerderen met de moratoire intresten aan de wettelijke rentevoet berekend vanaf 23 mei 2011 tot de datum van dagvaarding en vervolgens met de gerechtelijke intresten aan dezelfde wettelijke rentevoet berekend tot de datum van volledige betaling. Het meer en anders gevorderde wees hij af als ongegrond.

Hij zegde voor recht dat de betalingen van 96,27 EUR en van 46,27 EUR betaald op respectievelijk 11 juli 2011 en op 4 augus tus 2011, in rekening dienden gebracht te worden overeenkomstig artikel 1254 B.W. Hij liet gedaagde toe om de schuld af te betalen, zowel in hoofdsom, intresten als kosten, mist maandelijkse betalingen van 100,00 euro, met ingang van 15 oktober 2011.

Hij zegde dat bij het in gebreke blijven van de stipte naleving van dit afbetalingsschema en mits niet-betaling van één der mensualiteiten binnen de tien dagen na de vervaldag, het nog openstaande saldo onmiddellijk en integraal opeisbaar werd gesteld.

Ten slotte veroordeelde hij D.S.D. tot de kosten van het geding en hij verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en met uitsluiting van de borgstelling. Hij zegde dat er geen redenen waren om het kantonnement uit te sluiten.

5. De eerste rechter achtte de vordering voor de hoofdsom van 1.897,79 EUR rechtmatig en gegrond op basis van de in de dagvaarding uiteengezette feiten en van de neergelegde stukken.

Hij stelde vast dat de AZ SL&V op grond van de door D.S.D. ondertekende ‘opnameverklaring(en)’ een conventionele rente van 10% op de factuurbedragen vorderde vanaf de vijftiende dag na het verzenden van de verpleegnota en een conventionele schadevergoeding van 10%, met een minimum van 12,39 EUR.

In deze ‘opnameverklaring(en)’ was bedongen dat in geval van laattijdige of onvolledige betaling, zonder dat enige ingebrekestelling vereist was, een nalatigheidsintrest van 1% per maand werd aangerekend vanaf de vijftiende dag na de datum van de verpleegnota. Bovendien werd daarin bepaald dat het bedrag van de verpleegnota werd verhoogd met 20%, met een minimum van 50,00 EUR ten titel van forfaitaire schadevergoeding.

De eerste rechter overwoog dat de overeengekomen verwijlintresten en schadebeding als uitgangspunt moesten dienen om te beoordelen of er reden was tot nietigverklaring of matiging ervan en dat de schuldeiser de controlebevoegdheid van de rechter niet kon uitsluiten door, anticiperend op een gevreesde matiging of nietigverklaring, ‘vrijwillig’ minder te vragen dan was overeengekomen.

Verwijzend naar rechtspraak van het Hof van Justitie wierp hij ambtshalve de vraag op of de clausules in verband met de conventionele rente en schadevergoeding onrechtmatige bedingen waren in de zin van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (hierna WMPC genoemd).

Hij legde deze vraag voor aan AZ SL&V, die de toepasselijkheid van de WMPC betwistte, ontkende dat er sprake van was van onrechtmatige bedingen en erop wees dat er geen sprake kon zijn van een schending van de voorwaarde van wederkerigheid.

De eerste rechter zette uiteen dat, overeenkomstig artikel 74,17 WPMC, de bedingen in overeenkomsten, gesloten tussen ondernemingen en consumenten, onrechtmatig zijn, als zij ertoe strekken het bedrag vast te leggen van de vergoeding verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de onderneming die in gebreke blijft.

Hij stelde dat, wanneer de overeenkomst een forfaitair schadebeding of een clausule omtrent conventionele intresten bevat voor het geval waarin de consument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, zij ook gelijkwaardige (doch niet identieke of mathematisch gelijke) clausules moet bevatten voor het geval dat de onderneming haar verplichtingen tegenover de consument niet nakomt.

Dit gold volgens de eerste rechter ook in de verhouding tussen een ziekenhuis en een patiënt. Hij wees erop dat er in het kader van haar dienstverlening talrijke situaties denkbaar waren waarbij zij tot (terug)betaling van bedragen kon gehouden zijn. De eerste rechter stelde vast dat de bedingen inzake conventionele rente en schadevergoeding niet voldeden aan de wederkerigheidsvereiste zoals geformuleerd in artikel 74,17 WMPC, zodat zij verboden waren en nietig in de zin van artikel 75 § 1 WMPC.

Rekening gehouden met de nietigheid van deze bedingen, kon AZ SL&V volgens de eerste rechter slechts aanspraak maken op moratoire rente aan de wettelijke rentevoet vanaf de eerste ingebrekestelling d.d. 23 mei 2011. Volgens hem diende haar geen bijkomende schadevergoeding naar gemeen recht te worden toegekend, aangezien zij niet bewees dat zij schade zou hebben geleden die niet vergoed wordt door de wettelijke intrest, die dient als schadevergoeding wegens vertraging in de betaling van een geldsom.

Ten slotte nam de eerste rechter akte van het akkoord tussen partijen over de afbetaling van de schuld in maandelijkse termijnen van 100,00 EUR.

3. Het hoger beroep van AZ SL&V strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis teniet doet en, opnieuw wijzende, zegt voor recht dat ‘naast wat reeds in het tussenvonnis werd toegestaan’, de ‘geïntimeerden solidair’ veroordeeld worden tot betaling aan haar van een schadevergoeding van 10% of 189,78 EUR en conventionele intresten aan 10% per jaar vanaf de vijftiende dag na de verpleegnota tot de dag der algehele betaling.

Zij vraagt dat het hof het vonnis voor het overige bevestigt en de ‘geïntimeerde(n)’ veroordeelt tot de kosten van beide aanleggen.

AZ SL&V argumenteert dat de eerste rechter het beschikkingsbeginsel schond door ambtshalve ‘de debatten te heropenen’ met betrekking tot de door hem gestelde vragen. Zij wijst erop dat D.S.D. op geen enkel ogenblik heeft opgeworpen dat hij consu-

ment is en dat de WMPC mogelijks van toepassing was en dat de rechter geen geschil kan opwerpen dat niet indruist tegen de openbare orde.

AZ SL&V stelt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een nationale rechtbank niet in alle omstandigheden ambtshalve de nietigheid van een onrechtmatig beding mag opwerpen en toetsen.

Zij wijst erop dat de Europese Richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken het verbintenissenrecht en, in het bijzonder, de regels betreffende de geldigheid, het opstellen en de rechtsgevolgen van contracten, onverlet laat.

Ook uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie vloeit volgens haar voort dat de rechtbank niet ambtshalve een beding mag toetsen aan de oneerlijke handelsbedingen, als dit beding niet strijdig is met de openbare orde.

Zij stelt dat de door de eerste rechter ingeroepen bepalingen niet van openbare orde zijn, dat ‘geïntimeerden’ zich niet als consument gemanifesteerd heeft en ‘noch in feite, noch in rechte enige omschrijving heeft gedaan waaruit zou kunnen afgeleid worden dat de WHPC of de WMPC zou van toepassing kunnen zijn’.

Verder argumenteert AZ SL&V dat de regeling van artikel 74 WMPC inzake onrechtmatige bedingen niet van toepassing is omdat de litigieuze schade- en rentebedingen niet zijn opgenomen in een overeenkomst, maar in een eenzijdige verklaring of verbintenis.

Volgens AZ SL&V kan de wederkerigheidsvereiste slechts geschonden zijn wanneer wederkerigheid mogelijk is. Dit is niet het geval, omdat het ziekenhuis nooit gehouden kan zijn tot het betalen van facturen aan de patiënt.

Zij stelt dat er trouwens voldoen is aan een wederkerigheidsvereiste, aangezien de patiënt onbeperkt recht heeft op vergoeding van zijn schade. Indien zijn recht zou beperkt worden tot 10% van het bedrag van de verpleegnota, dan zou zijn recht volgens AZ SL&V ten onrechte beknot worden.

In ondergeschikte orde vordert AZ SL&V dezelfde rente (aan 10% per jaar) en dezelfde schadevergoeding (van 10% van de hoofdsom) op grond van het gemeen recht. Zij stelt dat invorderingsdossiers zeer arbeidsintensief zijn en dat de kosten die daarmee gepaard gaan niet gedekt zijn door de lage wettelijke rente, die nauwelijks de inflatie dekt. Zij voegt er nog aan toe dat het niet in rekening brengen van extra kosten de debiteur ertoe aanzet om niet te betalen.

Beoordeling

[ ... ]

3. AZ SL&V vordert boven de hoofdsom van de facturen, conventionele rente aan 10% per jaar, vanaf de vijftiende dag na het verzenden van de verpleegnota, en een conventionele schadevergoeding, waarvan het bedrag gelijk is aan 10% van de hoofdsom. Zij steunt daarvoor op een beding in drie opnameverklaringen, door D.S.D. ondertekend op respectievelijk 5 februari 2010, 1 december 2010, 1 december 2010 en 17 januari 2011, dat luidt als volgt ‘Ik ondergetekende, aanvaard dat het verschuldigde bedrag betaalbaar is van rechtswege en zonder ingebrekestelling, uiterlijk veertien dagen na de verzenddatum van de verpleegnota (zie datum op afstempeling omslag).

Bij laattijdige of onvolledige betaling wordt er zonder dat er enige ingebrekestelling nodig is, een nalatigheidsintrest aangerekend van 1% per maand, te rekenen vanaf de vijftiende dag na de verpleegnota verhoogd met 20% met een minimum van 50,00 EUR ten titel van forfaitaire schadevergoeding. Indien een adres moet worden opgezocht, wordt een administratieve kost van 10,00 EUR aangerekend’.

De eerste rechter onderzocht ambtshalve of dit beding in strijd was met artikel 74,17 WMPC, op grond waarvan in de overeenkomsten gesloten tussen een onderneming en een consument, onrechtmatig zijn, de bedingen en voorwaarden of de combinaties van bedingen en voorwaarden die ertoe strekken het bedrag vast te leggen van de vergoeding verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de onderneming die in gebreke blijft. Na aan AZ SL&V gevraagd te hebben daarover standpunt in te nemen, besloot zij tot de nietigheid van de aangehaalde schade- en intrestbedingen op grond van artikel 75 WMPC.

4. AZ SL&V stelt dat de eerste rechter deze bedingen niet ambtshalve mocht toetsen aan de voormelde bepalingen van de WMPC en dat hij, door dit te doen, het beschikkingsbeginsel heeft geschonden.

4.1. De WMPC van 6 april 2010 is in werking getreden op 12 mei 2010, dertig dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad op 12 april 2010 (artikel 142 WMPC). Deze wet was dus reeds van kracht op het ogenblik dat D.S.D. de opnameverklaringen van 1 december 2010 en 17 januari 2011 ondertekende, doch niet ten tijde van de ondertekening van de opnameverklaring van 5 februari 2010.

Evenwel gold op dat ogenblik de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken de voorlichting en bescherming van de consument (hierna ‘WHPC’ genoemd). Artikel 32, 15° WHPC verklaarde elk beding onrechtmatig dat ertoe strekt het bedrag vast te leggen van de vergoeding, verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de verkoper die in gebreke blijft. Ook hier was de sanctie de nietigheid (art. 33 WHPC).

4.2. Een ziekenhuis biedt aan haar patiënten een verscheidenheid van goederen en diensten aan. Het is een verkoper in de zin van de HPC en een onderneming in de zin van de WMPC, onder meer voor de verkoop van geneesmiddelen en andere goederen en voor de geleverde diensten en prestaties, met uitzondering van deze van de beoefenaars van de geneeskunde, die ten persoonlijken titel buiten de toepassing van de WHPC of de WMPC vallen.

Noch de wijze waarop de activiteiten van het ziekenhuis gefinancierd worden, noch haar rechtsvorm, noch het ontbreken van een winstoogmerk doen daar afbreuk van. De patiënt, van wie het ziekenhuis deze goederen en diensten uitsluitend voor niet-beroepsmatige doeleinden levert, is een consument in de zin van de WHPC en de WMPC.

4.3. Onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Cassatie argumenteert AZ SL&V dat de rechtbank niet ambtshalve een beding mag toetsen aan de oneerlijke handelsbedingen, als het niet strijdig is met de openbare orde.

Artikel 74,17 WMPC – en voorheen artikel 32,15 WHPC – zijn niet van openbare orde. De verbodsbepaling die daarin is opgenomen strekt immers tot de bescherming van private belangen en raakt niet de essentiële belangen van de maatschappij. Dit belet evenwel niet dat de rechter de bedingen in een overeenkomst tussen een verkoper, respectievelijk onderneming, en een consument, ambtshalve dient te toetsen aan de betreffende bepalingen en dat hij, door dit te doen, het beschikkingsbeginsel niet aantast.

De bepalingen inzake onrechtmatige bedingen in de WHPC en de WMPC vormen een omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

De geadieerde rechter moet het nuttig effect verzekeren van de door de richtlijnbepalingen gewenste bescherming.

Derhalve houdt de rol die het gemeenschapsrecht aldus de nationale rechter op het betrokken gebied toebedeelt, niet alleen louter de bevoegdheid in om uitspraak te doen over de vraag of een contractueel beding mogelijk oneerlijk is, maar ook de verplichting om die kwestie ambtshalve te onderzoeken zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Acht de rechter een dergelijk beding oneerlijk, dan laat hij het buiten toepassing, tenzij de consument zich hiertegen verzet (vgl. H.v. J. 4 november 2009, Panon Gsm, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2009, 198; H.v.J. 9 november 2010, VB Pénzügyi Lizing, eur-lex.europa.eu).

4.4. AZ SL&V werpt op dat D.S.D. zich niet als consument gemanifesteerd heeft en "noch in feite, noch in rechte enige omschrijving heeft gedaan waaruit zou kunnen afgeleid worden dat de WHPC of de WMPC zou van toepassing kunnen zijn".

De bescherming die de Richtlijn aan deconsument biedt, berust op de gedachte dat:

de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt e over minder informatie dan deze verkoper beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (vgl. H.v.J., 27 juni 2000, Oceano Grupo Quintero, Jur. 2000, I-4941).

De doelstelling van de Richtlijn is dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument de consument niet binden en dat de overeenkomst bindend blijft indien zij zonder de oneerlijke bedingen kan blijven voortbestaan (artikel 6, eerste lid Richtlijn 93/13).

Deze doelstelling kan mogelijk niet worden bereikt, wanneer de consument het oneerlijke karakter van een contractueel beding zelf aan de orde zou moeten stellen.

De doeltreffende bescherming van consumenten kan dan ook enkel worden verzekerd, indien aan de nationale rechter de bevoegdheid wordt toegekend om een dergelijk beding ambtshalve te toetsen.

De bescherming die de Richtlijn aan de consument verleent, strekt zich bijgevolg ook uit tot de gevallen waarin de consument, die met een verkoper of onderneming een overeenkomst heeft gesloten, die een oneerlijk beding bevat, zich niet op het oneerlijke karakter van dit beding beroept (H.v.J. 21 november 2002, Cofidis, C-473/00, Jurispr. Blz. I-10875).

4.5. AZ SL&V kan evenmin bijgetreden worden waar zij voorhoudt dat de Belgische rechter, door ambtshalve te onderzoeken of er een oneerlijk beding is, artikel 3.2 van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad) schendt. Daarin wordt bedongen dat deze Richtlijn het verbintenissenrecht en, in het bijzonder de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten onverlet laat.

Artikel 3 van de Richtlijn 2005/29 regelt de werkingssfeer van deze Richtlijn, evenals de verhouding ervan ten opzichte van de andere rechtshandelingen, die het volgens de uitdrukkelijke wil van de Uniewetgever mogelijk moet maken die specifieke unierechtelijke bepalingen in te roepen, los van een eventuele toepasselijkheid van Richtlijn 2005/29.

Tot de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29 genoemde regels betreffende het verbintenissenrecht en in het bijzonder de geldigheid van een overeenkomst behoren de bepalingen van richtlijn 93/13. Het door die richtlijn geschapen beschermingsstelsel, waarvan de regeling van artikel 6 het wezenlijke bestanddeel is, heeft namelijk betrekking op aspecten van het verbintenissenrecht, te meer daar het de geldigheid betreft van afzonderlijke bedingen die door de verkopers in met consumenten gesloten overeenkomsten worden gebruikt. Bij consequente toepassing van de afbakeningsregeling van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29, zijn de bepalingen van richtlijn 93/13 onverminderd geldig (vgl. Conclusie van advocaat-generaal V. Trstenjak van 29 november 2011, in de zaak C-453/10 Jana Perenicova, Vladislav Perenic / S.O.S. financ, spol. Sro, overwegingen 83 en 84).

Bovendien kunnen de specifieke kenmerken van de gerechtelijke procedure, waar in een nationaalrechtelijke contexte de verkoper en de consument tegenover elkaar staan, geen factor vormen die de rechtsbescherming kan doorkruisen die de consument op grond van de richtlijnbepalingen dient toe te komen (vgl. H.v. J. 4 november 2009, Panon Gsm, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2009, 198).

5. Ten oprechte houdt AZ SL&V voor dat de artikelen 32.15 WHPC respectievelijk 74.17 WMPC niet van toepassing zijn op het litigieuze schade- en rentebeding, omdat zij niet zijn opgenomen in een overeenkomst, maar in een eenzijdige verklaring of verbintenis.

6. De schadevergoeding en de rente die daarin worden bedongen zijn immers verschuldigd wanneer D.S.D. in gebreke blijft om zijn betalingsverbintenis na te komen voor de diensten en prestaties die AZ SL&V levert in het kader van de overeenkomst die tussen haar en D.S.D. werd gesloten naar aanleiding van zijn opname in het (dag) ziekenhuis.
De omstandigheid dat dit be-ding is opgenomen in een door AZ SL&V onder haar briefhoofd opgesteld en aan D.S.D. ter ondertekening voorgelegd document, waarin enkel verbintenissen van D.S.D. zijn opgenomen, doet daaraan geen afbreuk.

7. Verder argumenteert AZ SL&V dat artikel 74,17 WMPC (en dus ook artikel 32.15 WHPC) slechts geldt als wederkerigheid mogelijk is. Dit is volgens haar niet het geval, omdat het ziekenhuis nooit gehouden kan zijn tot het betalen van facturen aan de patiënt.

8. Opdat van wederkerigheid sprake zou zijn in de zin van artikel 32,15° WHPC of artikel 74, 17° WMPC, is evenwel niet vereist dat de overeenkomst in hoofde van zowel de verkoper als de consument de verbintenis inhoudt tot betaling van een geldsom.

De door de wet vereiste wederkerigheid moet aldus begrepen worden dat aan elk schadebeding dat een tekortkoming van de consument beteugelt ook een schadebeding moet beantwoorden voor een vergelijkbare tekortkoming van de verkoper of onderneming.

Wanneer bedongen wordt dat de consument schadevergoeding verschuldigd is als hij laattijdig betaalt, dan moet een vergelijkbare sanctie bedongen worden, bijvoorbeeld voor het geval dat de goederen of diensten waartoe hij zich verbonden heeft. Het is overigens niet noodzakelijk dat de wederzijdse schadebedingen op identieke wijze zijn geformuleerd en identieke bedragen betreffen. Het volstaat dat zij gelijkwaardig zijn.
-
7. Voorts werpt AZ SL&V op dat voldaan is aan de wederkerigheidsvereiste, omdat de patiënt – bij gebrek aan enig beding omtrent zijn schade bij wanprestatie door AZ S L&V – onbeperkt recht heeft op schadevergoeding naar gemeen recht. Ook dit verweer faalt.

8. Er zou wederkerigheid zijn als er niets zou bedongen zijn over een vergoeding zowel bij wanprestatie door AZ SL&V als door D.S.D. In dat geval zouden beide partijen vergoeding kunnen vorderen van de door hen bewezen schade wegens een tekortkoming van de andere partij.

Van zodra evenwel een schadebeding in het voordeel van de onderneming of verkoper is opgenomen in de overeenkomst, vereist het wederkerigheidsprincipe, gesteld door artikel 74,17 WMPC, voorheen artikel 32,15 WHPC dat er een gelijkwaardig beding in voorkomt in het voordeel van de consument.

Er is niets – laat staan iets gelijkwaardigs – bepaald over de vergoeding waarop D.S.D. aanspraak kan maken als AZ SL&V in gebreke blijft, terwijl een schadevergoeding, gelijk aan 20% van het factuurbedrag bedongen is en een rente aan 1% per maand, wanneer D.S.D. zijn betalingsverbintenis niet uitvoert. Het bedrag van de vergoeding, verschuldigd door de in gebreke blijvende consument, is dus vastgesteld zonder dat in een gelijkwaardige vergoeding voorzien is ten laste van de onderneming die in gebreke blijft. Dit beding is dus onrechtmatig in de zin van artikel 74, 17° WMPC (voorheen 32,15° WHPC).

De overweging van AZ SL&V dat het bedingen van een vergoeding in het voordeel van D.S.D., zijn onbeperkt recht op schadevergoeding zou beknotten, kan aan deze vaststelling geen afbreuk doen.

Overigens overtuigt AZ S L&V niet, waar zij de indruk wekt dat het ontbreken van een gelijkwaardig beding voordelig was voor D.S.D. Door, alleen voor het geval van een laattijdige beta-ling door D.S.D., een vergoeding te bedingen, genoot AZ SL&V het voordeel dat zij werd vrijgesteld van de niet geringe bewijslast om conform het gemeen recht de precieze omvang van de geleden schade die in oorzakelijk verband staat tot de wanprestatie van de wederpartij aan te tonen en te begroten, terwijl deze bewijslast in hoofde van D.S.D. integraal bleef bestaan.

9. Uit de voorgaande overwegingen besluit het hof dat het beding in de door D.S.D. op respectievelijk 5 februari 2010, 1 december 2010 en 17 januari 2011 opnameverklaringen, op grond waarvan, bij laattijdige betaling van de facturen, AZ S L&V zonder ingebrekestelling, recht had op nalatigheidsintresten aan 1% per maand, te rekenen vanaf de vijftiende dag na de verzenddatum van de verpleegnota en, het bedrag van de verpleegnota verhoogd werd met 20% met een minimum van 50,00 EUR ten titel van forfaitaire schadevergoeding, strijdig is met artikel 74,17 WMPC, voorheen artikel 32,15 WHPC en derhalve nietig is.

Dit geldt zowel voor de daarin vermelde verhoging als voor de nalatigheidsintresten (Steennot, R., Beëindigings-, exoneratie- en schadebedingen bij bijzondere overeenkomsten in X., Bijzondere Overeenkomsten, XXXIVe Postuniversitaire cyclus Willy Delva, 2007- 2008, nr. 55, p. 552, Wéry, P, Le pouvoir du juge de soulever d’office la violation de la loi du 14 juillet 1991, J.L.M.B. 2007, 201).

De omstandigheid dat AZ SL&V eenzijdig en ‘vrijwillig’ beslist heeft om haar vordering, zowel wat de rente als de schadevergoeding betreft, te herleiden – voor de schadevergoeding gaat het om een halvering – verandert niets aan de vaststelling dat het beding, waarop deze – herleide – rente en vergoeding steunen, niet aan de wettelijke wederkerigheidsvereiste beantwoordt.

10. Het feit dat AZ SL&V geen aanspraak kan maken op rente en schadevergoeding op grond van het nietige beding in de opnameverklaringen, belet haar niet vergoeding van haar schade te vorderen volgens het gemeen recht. Bij gebrek aan een geldige afwijkende overeenkomst bestaat, inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke intrest (artikel 1153 B.W.).

11. OM DEZE REDENEN, HET HOF,

[ ... ]

Verklaart het hoger beroep van de vzw Algemeen Ziekenhuis Sint-Lucas en Volkskliniek ontvankelijk, doch ongegrond;

Bevestigt het vonnis van de eerste rechter, in zover het bestreden wordt, in zijn beschikkingen;

[ ... ]
 

Noot: 

RS, Nietigheid onrechtmatig schadebeding, NJW 255, 73

Zie ook in zelfde zin: 

J.P. Thuin, 7 januari 2013 R.G. n° 12A670, DCCR april – mei - juni 2013 pagina 69

Centre Hospitalier Jolimont - Lobbes /V. et A.

La demande tend à la condamnation de la partie défenderesse au paiement de diverses factures d'hospitalisation, majorée d'une pénalité conventionnelle de 20% - volontairement réduite à 10% par la demanderesse - outre des intérêts conventionnels et des intérêts judiciaires.

La demande est recevable.

Le montant des factures impayées ne fait pas l'objet de contestations.

Le tribunal a invité la demanderesse à s'expliquer sur l'applicabilité de ses conditions générales, sur la base desquelles elle réclame une indemnité et des intérêts conventionnels et celle-ci s'en est effectivement expliquée. La mission conférée au juge englobe en effet l'obligation de soulever la nullité d'une pénalité irrégulière. (Note sous Gand, 4 janvier 2012, f{JW2012 p. 70 et note p. 73; L. DE ZUTIER, «Le juge face aux clauses abusives: à la croisée du droit des obligations et du droit judiciaire », Ann. dr. Louv., vol. 71, 2011, n° 2.)

Les conditions générales de vente de la demanderesse prévoient que tout retard de paiement entraînera, de plein droit et sans mise en demeure préalable, un intérêt au taux légal à dater du 8e jour de la date d'expédition de la facture, outre une majoration de 20% avec un minimum de 6,20 EUR à titre de « dédommagement forfaitaire ».

Deux questions se posent en vue de déterminer si la demanderesse est en droit de se prévaloir de ses conditions générales de vente: ont-elles été agréées par la partie défenderesse? En toute hypothèse, sont-elles valables?

Sur l'acceptation des conditions générales de vente de la demanderesse

La demanderesse ne produit aucun écrit ou élément probant d'où il résulterait que la par-tie défenderesse aurait eu connaissance et aurait accepté les conditions générales de vente litigieuses dès l'origine des relations entre les parties.

La demanderesse soutient à cet égard, en termes de plaidoiries, que son rapport aux patients exclut qu'il puisse être exigé que le consentement de ceux-ci sur lesdites conditions générales de vente soit préalable et explicite.

Elle ne peut être suivie. En effet, que la nature de son rapport à la partie défenderesse soit conventionnelle, réglementaire ou autre, l'applicabilité de ses conditions générales de vente est subordonnée aux deux mêmes impératifs de connaissance effective et d'agréation, ce qui rencontre d'ailleurs l'objectif du législateur, tant belge qu'européen, en matière de protection du consommateur. (Comp. C. MARR, La protection du consommateur dans les contrats de téléphone et de fourniture d'énergie: secteurs en manque de transparence?, in C.U.P., vol. 109, pp. 162-164.)

Sur la validité des conditions générales de vente de la demanderesse

Même à supposer que les conditions générales de vente vantées par la demanderesse aient été agréées par la partie défenderesse dès l'origine des relations entre les parties, les pénalités dont la demanderesse se prévaut ne sont pas valides.

En ce qu'elles ne prévoient pas de réciprocité entre, d'une part, les pénalités applicables aux patients qui ne s'acquittent pas ou qui s'acquittent avec retard de leurs factures et, d'autre part, les sanctions des manquements à ses propres obligations, les conditions générales de vente de la demanderesse sont contraires aux dispositions de l'article 74, 17° de la loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché et à la protection du consommateur (M.B., 12 avril 2010) et, comme telles constituent des clauses abusives qui doivent être écartées de la convention des parties.

La demanderesse considère à tort que la protection accordée aux consommateurs en matière de clauses abusives ne serait pas applicable aux relations entre l'hôpital et le patient.

La L.P.M. C. abroge et remplace la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce et la protection du consommateur (M.B., 29 août 1991) (en abrégé la L.P.P.C.).

L'une des évolutions majeures de cette nouvelle législation fut de substituer la notion d' «entreprise» à celle antérieure de « vendeur», élargissant ainsi son champ d'application à toute « personne physique ou morale poursuivant de manière durable un but économique, y compris les associations». La jurisprudence vantée par la demanderesse (Mons, 5 janvier 2010, R.G. n° 2009RG124, inédit et Civ. Mons, 20 octobre 2010, R.G. n° 10/2611/1, inédit) s'avère dénuée de pertinence à cet égard, s'agissant de décisions rendues sous l'empire de la L.P.P.C. et ne sont pas révélatrices d'une jurisprudence majoritaire sur la question litigieuse (J.P. Soignies, 21novembre1996, JT, 1997, p. 203).

Le nouveau critère d' « entreprise » tient compte exclusivement de la nature de l'activité sans requérir l'existence d'un but de lucre ou d'un acte réputé commercial. L'article 3, § 2, de la L.P.M.C., qui exclut de la notion d' « entreprise» les titulaires de professions libérales a par ailleurs été déclaré contraire aux articles 10 et 11 de la Constitution par l'arrêt rendu le 6 avril 2011 par la Cour constitutionnelle (Arrêt 55/2011, MB., 8 juin 2011; sur les effets de cet arrêt voy. F. Juno et J. STUYCK, note sous C. const., 6 avril 2011, « Marktpraktijken en vrije beroepen: het Hof heeft gesproken- De rechter moet nu wachten op de wegever », D.C.C.R., 2011, p. 185).

Dans le cadre de ses activités, la demanderesse met en commun une série de moyens matériels et humains afin d'offrir à ses patients une pluralité de biens et de services hospitaliers, tels que la vente de médicaments, l'accueil par le personnel hospitalier, l'hébergement, l'organisation des consultations médicales et paramédicales. Il est d'autre part de notoriété publique que les établissements hospitaliers appliquent à leur gestion des techniques de management tendant à la rentabilisation de leur activité, qu'elle s'exerce dans le cadre du secteur public ou privé.

La demanderesse doit dès lors être considérée comme une « entreprise » au sens de la L.P.M.C. dans la mesure où elle offre à des fins exclusivement non commerciales dans le chef du patient concerné, lui-même relevant d'une catégorie de « consommateurs», une série de biens ou services sur le marché des prestations hospitalières et médicales, marché que se répartissent les divers hôpitaux et cliniques du pays.

Les dispositions de la L.P.M.C. s'avèrent en conséquence applicables en l'espèce et notamment l'article 74, 17° précité.

Aucune réciprocité des sanctions contractuelles infligées en cas de défaillance du patient-consommateur n'étant prévue, la clause des conditions générales de vente vantée par la demanderesse doit être écartée comme clause abusive.

La demande ne s'avère dès lors pas fondée en tant qu'elle vise la condamnation des parties défenderesses à une pénalité conventionnelle et seuls les intérêts de retard au taux légal seront alloués sur le principal des factures litigieuses.

Les dépens de l'instance seront mis à charge de la partie défenderesse, succombante.

La demande tendant à l'exécution provisoire du jugement n'est ni motivée par la demanderesse ni fondée.

Par ces motifs,

Nous, Juge de paix, statuant contradictoirement,

Recevons la demande et la disons fondée dans les limites ci-après :

Condamnons la partie défenderesse à payer à la demanderesse 170, 19 EUR (cent septante EUR dix-neuf centimes) en principal, outre les intérêts au taux légal depuis le 13 octobre 2011 jusqu'à parfait paiement.

Disons la demande non fondée pour le surplus et en déboutons la demanderesse.

Condamnons la partie défenderesse aux dépens de l'instance, liquidés à 345,04 EUR (trois cent quarante-cinq EUR quatre centimes).

Disons n'y avoir lieu à exécution provisoire du présent jugement

Noot onder de publicatie van dit vonnis in DCCR:
Jacques Laffineur, Le sort des clauses abusives dans le contrat« hôpital-patient»: une jurisprudence exemplaire,
DCCR, april - mei - juni 2013 pagina 72.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 02/02/2012 - 23:22
Laatst aangepast op: za, 15/03/2014 - 19:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.