-A +A

Zevenjarige verjaring BTW laat geen onderzoek in die termijn toe

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 13/03/2012

In principe verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, interesten en administratieve geldboeten dus na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan.

De normale verjaringstermijn wordt met twee jaar verlengd, en de verjaring zal dus intreden na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, boeten en interesten zich heeft voorgedaan, wanneer blijkt dat de belastingplichtige met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de reglementering heeft overtreden; er moet dus sprake zijn van fraude.

In drie gevallen kan de administratie haar vordering instellen tot uiterlijk het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, onder meer wanneer bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of dat aftrekken ten onrechte werden toegepast in België.

De verjaringstermijn van artikel 81bis, § 1, derde lid WBTW verleent aan de administratie slechts de mogelijkheid om de belasting te vestigen; het is haar niet toegelaten om gedurende deze uitzonderlijke verjaringstermijn onderzoekshandelingen te stellen.

Artikel 81bis WBTW werd ingevoegd bij de wet van 15 maart 1999 en tijdens de bespreking van het wetsontwerp heeft de vertegenwoordiger van de minister uitdrukkelijk gesteld dat “de onderzoekstermijn niet voor zeven jaar geldt doch uitsluitend voor vijf” (Parl.St. Senaat 1998-99, 1-996/11, 40).

De toepassing van artikel 81bis, § 1, derde lid, 3° WBTW veronderstelt immers het bestaan van bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, wat inhoudt dat deze informatie, desgevallend na deze in verband gebracht te hebben met andere gegevens waarover de administratie reeds beschikte, zonder enige vorm van aanvullend onderzoek aantoont welke belastbare handelingen niet werden aangegeven of welke onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast.

De zevenjarige verjaringstermijn die in artikel 81bis, § 1, derde lid WBTW is voorzien, is een uitzonderingsregel die strikt moet geïnterpreteerd worden. Uit de wettekst blijkt immers dat de zevenjarige verjaringstermijn een uitzondering vormt op de driejarige en de vijfjarige verjaringstermijn.

Deze zevenjarige verjaringstermijn kan slechts worden toegepast voor zover bewijskrachtige gegevens 'aantonen' dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken ten onrechte werden toegepast.

De zevenjarige verjaringstermijn vereist dus dat de belastbare handelingen of de onterechte aftrekken door de bewijskrachtige gegevens zelf worden aangetoond.

Het feit dat de administratie na het bekomen van 'bewijskrachtige gegevens' nog een onderzoek uitvoert alvorens de rechtzetting te kunnen uitvoeren, wijst er op dat de bewijskrachtige gegevens op zich geen belastbare handelingen of onterechte belastingaftrekken aantonen. Wanneer de administratie onderzoeksdaden verricht, kan zij geen gebruik meer maken van de zevenjarige verjaringstermijn.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013/19
Pagina: 
1365
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Belgische Staat, FOD Financiën / F.I. NV)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 30 juni 2010, ten verzoeke van de NV F.I. aan de Belgische Staat betekend op 23 september 2010, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 25 oktober 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. De feiten
1.1. Verweerster in hoger beroep is uit hoofde van haar activiteit van groothandel in sport- en kampeerartikelen onderworpen aan de bepalingen van het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder nummer (…).

Op 1 maart 2005 wordt bij de NV B., boekhouder van verweerster in hoger beroep, een beperkte controle van de boekhouding uitgevoerd.

Bij deze controle stelt de controlerende ambtenaar vast dat de verkoopfactuur nr. (…) van 30 maart 2001 betrekking heeft op de verkoop van een voertuig (…) voor een bedrag van 1.720.000 BEF (42.637,69 EUR) aan de SA E.B.S. te (…) (Luxemburg) en dat de verkoop gefactureerd werd met vrijstelling van de BTW (toepassing art. 39bis, § 1, 1° WBTW).

Volgens de controlerende ambtenaar werd ten onrechte de vrijstelling van BTW toegepast.

Op 4 maart 2005 wordt een correctieopgave verzonden volgens dewelke een bedrag van 8.953,91 EUR BTW verschuldigd is evenals een boete van 17.907,82 EUR. De correctieopgave voorziet dat gelet op artikel 81bis, § 1, derde lid, 1° en 3° WBTW de zevenjarige verjaringstermijn van toepassing is.

Bij brief van haar raadsman van 22 april 2005 deelt verweerster in hoger beroep haar niet akkoord mee. Zij roept een schending in van de motiveringsverplichting, een schending van artikel 81bis, § 1 WBTW (de navordering is verjaard) en voert aan dat zij terecht toepassing heeft gemaakt van artikel 39bis, 1° WBTW.

De administratie antwoordt bij brief van 25 mei 2005, doch verweerster in hoger beroep blijft bij haar standpunt.

Op 27 juli 2005 wordt een proces-verbaal opgesteld, waarin de inhoud van de correctieopgave wordt hernomen.

1.2. Op 3 september 2005 wordt door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor van Mechelen een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 7 september 2005 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard en bij gerechtsdeurwaardersexploot van 28 september 2005 aan verweerster in hoger beroep wordt betekend.

Volgens dit dwangbevel is verweerster in hoger beroep volgende bedragen verschuldigd:

als BTW: 8.953,91 EUR;
als geldboete ingevolge artikel 70, § 1 WBTW: 17.907,82 EUR;
de interest van 0,80% per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 april 2001;
de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel, ingevolge artikel 91, § 4 WBTW;
de vervolgingskosten.
2. De voorafgaande rechtspleging
2.1. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 4 oktober 2005, vordert verweerster in hoger beroep in hoofdorde het dwangbevel van 3 september 2005 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn; in ondergeschikte orde, de opgelegde geldboete te vernietigen, minstens kwijt te schelden of gevoelig te verminderen; de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten, die reeds werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding; het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van elk kantonnement.

2.2. Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond; verklaart het dwangbevel, uitgevaardigd door de ontvanger der BTW te Mechelen op 3 september 2005, uitvoerbaar verklaard op 7 september 2005 en middels exploot van 26 september 2005 betekend aan verweerster in hoger beroep, onwettig en van generlei waarde; verbiedt bijgevolg de uitvoering van dit dwangbevel; veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten, in hoofde van verweerster in hoger beroep begroot op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter oordeelt dat de correctieopgave niet noodzakelijk diende gemotiveerd te worden, maar wel het dwangbevel en stelt dat het eraan gehechte proces-verbaal voldoende de fiscale vordering motiveert. Voor de verwijzing naar artikel 81bis, § 1, derde lid, 1° blijkt er geen bestaansreden te zijn, minstens wordt zulke reden op geen enkele wijze geconcretiseerd. Bewijskrachtige gegevens moeten uit de aard zelf van hun begrip op zich bewijskrachtig zijn zonder meer en nu er in de brief van 24 mei 2005 geen zelfstandig bewijskrachtige gegevens op zich voorliggen was het fiscale vorderingsrecht vervallen en waren de voorwaarden voor de zevenjarige termijn niet voldaan.

2.3. Tegen dit vonnis heeft de Belgische Staat bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 25 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep werd behandeld ter terechtzitting van 13 februari 2012.

3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep
3.1. De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen en de vordering ongegrond te verklaren; verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 2.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

De administratie heeft toepassing gemaakt van artikel 81bis, § 1, derde lid WBTW. Het verlengen van de verjaringstermijn tot zeven jaar is mogelijk indien de verkregen inlichtingen specifiek het bewijs leveren dat een belastbare handeling niet werd aangegeven (of dat er onrechtmatige aftrek werd toegepast). Het ten onrechte inroepen van een vrijstellingsregeling met betrekking tot uitgaande handelingen, vastgesteld naar aanleiding van de verkregen inlichtingen, dient eveneens beschouwd te worden als een belastbare handeling die niet werd aangegeven. Met betrekking tot de onderliggende zaak beschikt de administratie ontegensprekelijk over bewijskrachtige gegevens die een essentieel element insluiten voor de vaststelling van de onrechtmatig ingeroepen vrijstellingsregeling. Op 28 mei 2004 heeft de administratie der douane en accijnzen aan de BTW-administratie meegedeeld dat o.m. verweerster in hoger beroep gefactureerd had aan een nepvennootschap. Verweerster in hoger beroep levert niet het bewijs dat de levering is gebeurd voor een belastingplichtige die voor de BTW is geïdentificeerd in de andere lidstaat en heeft geen enkel materieel bewijs van de beweerde intracommunautaire levering voorgelegd.

Geen enkele wetsbepaling noch enige administratieve richtlijn verplicht de administratie voorafgaand aan het toepassen van de verlengde termijn van zeven jaar, de belastingplichtige in kennis te stellen van het voornemen om deze verjaringstermijn toe te passen en evenmin is bepaald dat de feiten waarop de inlichtingen betrekking hebben zich dienen te situeren binnen de algemene verjaringstermijn van drie jaar. De bewijskrachtige gegevens moeten niet op zich alle informatie bevatten die nodig is om de verschuldigdheid of het bedrag van de verschuldigde BTW te bepalen, hiervoor kan een verder nazicht bij de betrokkene noodzakelijk zijn. Verweerster in hoger beroep, die zich beroept op de vrijstelling, heeft de bewijslast en dient het bewijs te leveren dat zij voldoet aan alle voorwaarden van de vrijstelling bij gebreke waarvan de belasting verschuldigd is. Verweerster in hoger beroep faalt in haar bewijslast. De administratieve geldboete werd opgelegd in toepassing van artikel 70, § 1 WBTW en is afdoende gemotiveerd.

3.2. Verweerster in hoger beroep vordert het hoger beroep ongegrond te verklaren; het bestreden vonnis te bevestigen; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 EUR in eerste aanleg en 2.000,00 EUR in hoger beroep.

Verweerster in hoger beroep handhaaft haar standpunt dat de zevenjarige verjaringstermijn voorziet door het toenmalige artikel 81bis, § 1, derde lid, 3° WBTW niet rechtsgeldig werd toegepast wegens gebrek aan bewijskrachtige gegevens. In ondergeschikte orde roept zij de schending in van de motiveringsverplichting omdat het dwangbevel niet rechtsgeldig is gemotiveerd. Nog in ondergeschikte orde voert zij aan dat de vrijstelling wegens intracommunautaire levering ten onrechte werd verworpen. In uiterst ondergeschikte orde betwist zij de opgelegde boete van 200% omdat de boete niet rechtsgeldig is gemotiveerd en omdat geenszins bewezen is dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan fiscale fraude.

Ter terechtzitting van 13 februari 2012 heeft verweerster in hoger beroep de indexering gevraagd van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

4. Beoordeling
4.1. Verweerster in hoger beroep roept de verjaring van de vordering in en stelt meer bepaald dat niet voldaan is aan de voorwaarden tot toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn zoals voorzien door het toenmalige artikel 81bis, § 1, derde lid, 3° WBTW.

Artikel 81bis WBTW, ingevoerd bij artikel 53 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, zoals van toepassing in onderhavige zaak, luidt als volgt:

Ҥ 1. Er is verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

In afwijking van het eerste lid, is er evenwel verjaring na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

In afwijking van het eerste en tweede lid is de bedoelde verjaring er bovendien na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:

een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is;
een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;
bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.
§ 2. Indien de in artikel 59, § 2 bedoelde procedure uitwijst dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan, verjaart de vordering tot voldoening van de aanvullende belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en van de procedurekosten, door verloop van twee jaar te rekenen van de laatste daad in die procedure.”

In principe verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, interesten en administratieve geldboeten dus na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan.

De normale verjaringstermijn wordt met twee jaar verlengd, en de verjaring zal dus intreden na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, boeten en interesten zich heeft voorgedaan, wanneer blijkt dat de belastingplichtige met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de reglementering heeft overtreden; er moet dus sprake zijn van fraude.

In drie gevallen kan de administratie haar vordering instellen tot uiterlijk het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, onder meer wanneer bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of dat aftrekken ten onrechte werden toegepast in België.

De verjaringstermijn van artikel 81bis, § 1, derde lid WBTW verleent aan de administratie slechts de mogelijkheid om de belasting te vestigen; het is haar niet toegelaten om gedurende deze uitzonderlijke verjaringstermijn onderzoekshandelingen te stellen.

Artikel 81bis WBTW werd ingevoegd bij de wet van 15 maart 1999 en tijdens de bespreking van het wetsontwerp heeft de vertegenwoordiger van de minister uitdrukkelijk gesteld dat “de onderzoekstermijn niet voor zeven jaar geldt doch uitsluitend voor vijf” (Parl.St. Senaat 1998-99, 1-996/11, 40).

De toepassing van artikel 81bis, § 1, derde lid, 3° WBTW veronderstelt immers het bestaan van bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, wat inhoudt dat deze informatie, desgevallend na deze in verband gebracht te hebben met andere gegevens waarover de administratie reeds beschikte, zonder enige vorm van aanvullend onderzoek aantoont welke belastbare handelingen niet werden aangegeven of welke onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast.

De zevenjarige verjaringstermijn die in artikel 81bis, § 1, derde lid WBTW is voorzien, is een uitzonderingsregel die strikt moet geïnterpreteerd worden. Uit de wettekst blijkt immers dat de zevenjarige verjaringstermijn een uitzondering vormt op de driejarige en de vijfjarige verjaringstermijn.

Deze zevenjarige verjaringstermijn kan slechts worden toegepast voor zover bewijskrachtige gegevens 'aantonen' dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken ten onrechte werden toegepast.

De zevenjarige verjaringstermijn vereist dus dat de belastbare handelingen of de onterechte aftrekken door de bewijskrachtige gegevens zelf worden aangetoond.

Het feit dat de administratie na het bekomen van 'bewijskrachtige gegevens' nog een onderzoek uitvoert alvorens de rechtzetting te kunnen uitvoeren, wijst er op dat de bewijskrachtige gegevens op zich geen belastbare handelingen of onterechte belastingaftrekken aantonen. Wanneer de administratie onderzoeksdaden verricht, kan zij geen gebruik meer maken van de zevenjarige verjaringstermijn.

4.2. De Belgische Staat houdt voor dat de administratie in deze wel degelijk beschikt over 'bewijskrachtige gegevens', met name de brief van 28 mei 2004 waarbij de administratie der douane en accijnzen aan de BTW-administratie heeft meegedeeld dat o.m. verweerster in hoger beroep gefactureerd had aan een nepvennootschap.

In voormelde brief van 28 mei 2004 wordt verwezen naar een gerechtelijk onderzoek naar BTW-fraude waarbij een aantal Belgische vennootschappen zouden betrokken zijn.

Verder wordt gesteld:

“In samenhang met dit dossier willen wij de administratie van de BTW (AOIF) ervan op de hoogte brengen dat volgende Belgische vennootschappen eveneens hebben gefactureerd aan de nepvennootschappen die in dat strafdossier staan vermeld. Hierbij een overzicht:

(…)

BE (…) NV F.I. LU (…) E.B.S.

Marnach

(…)

Gezien het feit dat deze Belgische vennootschappen, al dan niet met hun medeweten, hebben gefactureerd aan vennootschappen die in andere lidstaten werden opgericht met het oog op het plegen van frauduleuze activiteiten, gaan we ervan uit dat de BTW op alle gefactureerde bedragen verschuldigd is. In totaal werd er voor ongeveer 10 miljoen EUR op deze manier gefactureerd, zodat er ongeveer voor 2 miljoen EUR is ontdoken.

Onze diensten beschikken momenteel over de belangrijkste stukken van het strafdossier die de betrokkenheid van de hierboven vermelde buitenlandse vennootschappen kunnen aantonen. Deze stukken kunnen op aanvraag worden geraadpleegd. Een vraag tot inzage van het strafdossier bij het parket van de procureur des Konings te Antwerpen kan eveneens worden uitgereikt bij het parket bij het hof van beroep te Antwerpen, Waalse Kaai, B - 2000 Antwerpen onder referte B 185/03 T 125.”

Deze brief levert niet op zichzelf het bewijs van de verschuldigdheid van de BTW die van verweerster in hoger beroep wordt nagevorderd.

De administratie der douane en accijnzen verwijst uitsluitend naar gegevens uit een strafdossier, die niet zonder meer als een bewijs kunnen beschouwd worden, maar slechts te verifiëren elementen zijn.

Ook uit de gebruikte terminologie blijkt dat de administratie der douane en accijnzen niet beschikt over het bewijs ten aanzien van alle verrichtingen die door de betrokken vennootschappen uitgevoerd zijn, maar dat zij het bewijs waarover zij beschikt veralgemeent (… gaan we ervan uit dat…).

Op 1 maart 2005 heeft de administratie een controle uitgevoerd bij verweerster in hoger beroep, die duidelijk toegespitst was op de verkoop van het voertuig (…) aan de SA E.B.S.

Deze controle werd dus uitgevoerd nadat de administratie kennis heeft genomen van de brief van de administratie der douane en accijnzen van 28 mei 2004.

Het feit dat de administratie deze controle heeft moeten uitvoeren bij verweerster in hoger beroep wijst er op dat de brief van de administratie der douane en accijnzen zelf niet aantoont dat verweerster in hoger beroep bij de verkoop van (…) ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de vrijstellingsregeling.

De brief van 28 mei 2004 is dan ook geen 'bewijskrachtig gegeven' dat het gebruik van de zevenjarige verjaringstermijn kan verantwoorden.

De zevenjarige verjaringstermijn werd derhalve niet rechtsgeldig toegepast.

4.3. Gelet op het bovenstaande dienen de andere argumenten van partijen niet verder onderzocht te worden.

Het bestreden vonnis is op juiste gronden gesteund en dient bevestigd te worden.

Het hoger beroep is ongegrond en eiser in hoger beroep dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

5. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het beroepen vonnis.

Het hof veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de NV F.I. begroot op 2.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Noot: 

Sas, T., « De zevenjarige verjaringstermijn inzake BTW: bewijskrachtige gegevens verzoenbaar met aanvullend onderzoek? », R.A.B.G., 2013/19, p. 1372-1378

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 06/07/2017 - 11:29
Laatst aangepast op: do, 06/07/2017 - 11:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.